bekende redeneering, o Sokrates, (als zij waar is), welke gij veelmalen
pleegt te houden, dat ons leeren niets anders is dan herinnering, ook
volgens die redeneering is het allicht noodzakelijk dat wij in eenigen
vroegeren tijd geleerd hebben wat zij ons nu te-binnen-brengen. En dit
is [Kanttekening: 73A] onmogelijk als niet onze ziel ergens bestond
vóordat zij in deze menschelijke gedaante geboren werd. Zoodat ook
van dien kant de ziel iets onsterfelijks lijkt te zijn.--Maar, Kebes,
zeide Simmias, wat-voor bewijzen zijn daarvoor? Help mij bedenken;
want op het oogenblik herinner ik het mij niet erg.--Om éenen en een
zeer schoonen grond te noemen, zeide Kebes: dat de menschen, wanneer
men hen juist ondervraagt, van alles zelven op de vragen zeggen,
hoe het in elkaêr zit. En toch, indien de wetenschap en het juiste
begrip niet reeds in hen was, zouden zij niet in-staat zijn dat
te doen. Immers toch, als men hen brengt [Kanttekening: 73B] voor
mathematische figuren of iets anders dergelijks, bewijst men daar
zeer duidelijk dat dit zoo is.--En indien gij, sprak Sokrates, het
op die gronden niet gelooft, o Kebes, ga dan eens na of gij het met
ons eens wordt, wanneer gij het volgenderwijze beschouwt. Gij kunt
immers niet gelooven, hoe het zoogenaamde leeren herinnering is?--Ik
denk er niet aan u niet te gelooven, zeide Simmias, maar juist datgene
waarover het gesprek gaat, wil ik persoonlijk ervaren, herinnerd te
worden. En tengevolge van wat Kebes aanving te zeggen, herinner ik
mij bijna reeds en geloof. Toch zoû ik niet minder gaarne hooren, hoe
gij [Kanttekening: 73C] het wildet verklaren.--Ik volgenderwijze. Wij
geven immers natuurlijk toe, dat als iemand zich iets zal herinneren,
hij dat vroeger eenmaal moest weten?--Zeker, zeide hij.--Geven wij
dan ook dit toe, dat wanneer op zulk een wijze een tweede soort
wetenschap bij ons opkomt, het herinnering is? Ik bedoel het op de
volgende manier. Wanneer iemand vroeger iets heeft gezien of gehoord
of eenige andere waarneming opgedaan heeft, en hij niet alleen daarop
zich bezint, maar ook een tweede ding zich bewust wordt, waarvan
de wetenschap niet dezelfde, maar een andere is, [Kanttekening:
73D] zeggen wij daarvan niet terecht, dat hij zich datgene waarvan
hij de bewustheid kreeg, herinnerde?--Hoe bedoelt gij?--Zoo iets
bij-voorbeeld. Verschillend wel is de wetenschap betreffende een mensch
en betreffende een lier.--Hoe zoû het niet?--Weet gij nu niet, dat
de minnaars, wanneer zij een lier, of een overkleed, of iets anders
zien, dat hun geliefde placht te gebruiken, dit ondervinden: tegelijk
dat zij de lier herkennen, krijgen zij voor den geest de gedaante van
den knaap aan wien de lier behoorde? Is dit herinnering? Zooals ook
iemand bij het zien van Simmias dikwijls aan Kebes herinnerd wordt?
En oneindig veel andere dergelijke gevallen zijn mogelijk.--Voorwaar,
[Kanttekening: 73E] oneindig veel, bij Zeus, zeide Simmias.--Is nu
zoo-iets, zeide hij, niet een soort herinnering? Vooral echter wanneer
iemand dat ondervindt met betrekking tot die dingen welke hij door den
tijd en door ze niet weêr te zien, reeds vergeten was?--Voorzeker,
zeide hij.--Welnu, zeide de ander, is het mogelijk om een paard of een
lier geschilderd te zien en zich een mensch te herinneren, en Simmias
geschilderd te zien en zich Kebes te herinneren?--Bepaald.--En ook,
Simmias geschilderd te zien en zich Simmias zelf te herinneren?--Dat
is zeker mogelijk, sprak hij.--Komt [Kanttekening: 74A] nu in al deze
gevallen niet de herinnering te ontstaan deels uit het gelijksoortige,
deels uit het ongelijksoortige?--Ja.--Doch wanneer iemand zich iets
herinnert naar het gelijksoortige, krijgt hij dan niet noodzakelijk
deze gewaarwording erbij, dat hij zich bewust wordt of dit ding in
gelijksoortigheid iets te-kort-schiet of niet bij datgene waaraan
hij herinnerd wordt?--Noodzakelijk.--Ga dan verder na, of deze
dingen zoo zijn.... Licht stemmen wij toe, dat _gelijk_ iets is, ik
bedoel niet een stuk hout gelijk aan een stuk hout, of een steen
gelijk aan een steen, of iets van dergelijke zaken, maar behalve
al deze dingen iets [Kanttekening: 74B] anders: het begrip gelijk
zelf. Moeten wij toestemmen, dat dat iets is of niets?--Voorwaar
bij Zeus, zeide Simmias, ongetwijfeld.--En weten wij ook wàt het
is?--Zeker.--Waarvandaan hebben wij de wetenschap ervan gekregen? Niet:
uit de dingen, die wij zoo-even noemden, door het zien van stukken
hout of steenen, of andere gelijke dingen? Hebben wij niet daaruit dat
andere opgemaakt, hoewel het er verscheiden van is? Of komt het u niet
iets verscheidens voor?... Beschouw het dan nog eens op de volgende
wijze. Schijnen gelijke steenen en gelijke stukken hout, hoewel zij
eender zijn, niet somtijds het éene oogenblik gelijk, het andere
niet?--Voorzeker.--Maar kwam u het begrip gelijk, bij die verschillende
gelegenheden gevonden, wel ooit aan zichzelf ongelijk voor, of scheen
u gelijkheid ooit [Kanttekening: 74C] ongelijkheid?--Nimmer, o
Sokrates.--Derhalve zijn, zeide hij, de gelijke dingen van daar-straks
en het begrip gelijk niet hetzelfde.--Volstrekt niet, schijnt mij,
o Sokrates.--Maar voorwaar, toch hebt gij uit die gelijke dingen,
zeide hij, die verscheiden zijn van dat begrip gelijk, de wetenschap
van dat begrip bevroed en begrepen?--Zeer waar, wat gij zegt.--En
dat, niet-waar, onafhankelijk of het ermeê gelijksoortig zij of
niet?--Zeker.--Maar dat komt er ook niet op-aan, zeî hij. Zoolang als
men iets ziet en tengevolge van dat gezicht iets anders bevroedt,
hetzij daarmeê gelijksoortig of niet, toch is dat noodzakelijk
herinnering [Kanttekening: 74D] geweest.--Zeer zeker.--Maar verder, zeî
hij. Worden wij inzake die stukken hout en de andere gelijke dingen die
wij zoo-even noemden, iets van den volgenden aard gewaar: schijnen ons
wel die dingen op dezelfde wijze gelijk als het begrip zelf, of scheelt
het nog al wat, dat zij zoodanig zouden zijn als het begrip gelijk?
Of niets?--Ja, dat scheelt heel veel.--Wanneer nu iemand iets ziet,
en opmerkt dat het ding dat hij op het oogenblik ziet, wel wezen wil
als iets anders van het bestaande, maar daarin te-kort-schiet en niet
kan wezen als dat andere ding, maar [Kanttekening: 74E] minderwaardig
is,--geven wij dan niet toe, dat de man die dat opmerkt, noodzakelijk
van-te-voren dat ding geweten heeft, waarop hij zegt dat dit gelijkt,
maar onvolkomen gelijkt?--Noodzakelijk.--Hoe dan? Is het ook ons zoo
gegaan, of niet, ten opzichte van de gelijke dingen en het begrip
gelijk?--Volkomen.--Noodzakelijk dus [Kanttekening: 75A] hebben wij
het begrip gelijk van-te-voren geweten vóor dien tijd toen wij het
eerst de gelijke dingen gezien hebben, en opmerkten dat al deze wel
streven te zijn zooals het begrip gelijk, maar te-kort-schieten.--Dat
is de waarheid.--Maar, niet-waar? ook hierover zijn wij het eens, dat
wij het begrip nergens anders uit hebben opgemaakt, en dat het niet
mogelijk is het ergens anders uit op te maken, dan uit zien of tasten
of uit eenige andere zinlijke waarneming; deze alle toch stel ik hier
gelijk.--Zij zijn ook gelijk, o Sokrates, tenminste voor wat ons betoog
wil duidelijk maken.--Toch, ook weêr uit onze zinlijke waarnemingen,
kunnen wij niet anders dan opmaken dat al de [Kanttekening: 75B]
dingen die in onze waarnemingen gelijk zijn, streven naar datgene wat
werkelijk gelijk is, maar tegelijk erbij te-kort-schieten. Of welke
andere opvatting hebben wij daarover?--Geen andere dan die.--Vóordat
wij dus begonnen zijn te zien en te hooren en de overige zinlijke
waarnemingen te doen, moeten wij wel ergens de wetenschap gekregen
hebben, wat het begrip gelijk is, als wij de waargenomen gelijke
dingen daarheen zullen kunnen terugbrengen?--Dat volgt noodzakelijk
uit het vroeger gezegde, o Sokrates.--Zijn wij nu niet terstond na
onze geboorte begonnen te zien en te hooren en de overige zinlijke
waarnemingen uit [Kanttekening: 75C] te oefenen?--Voorzeker.--Maar
dan moeten wij vóor het bestaan van deze de wetenschap van het begrip
gelijk gekregen hebben, niet-waar?--Ja.--Dus moeten wij, naar het
schijnt, haar gekregen hebben vóor wij geboren waren.--Dat schijnt
zoo.--Indien wij derhalve haar gekregen hebben vóor wij geboren zijn,
en in haar bezit geboren zijn, wisten wij dan niet, zoowel vóor onze
geboorte als terstond na onze geboorte, niet alleen het begrip gelijk
en het begrip grooter en kleiner, maar ook alle dergelijke samen? Want
ons betoog loopt op het oogenblik niet alleen over het begrip gelijk,
maar evenzeer over het begrip schoon en het begrip goed en rechtvaardig
en vroom, [Kanttekening: 75D] en, zooals ik zeg, over alles wat wij
bezegelen met den naam „wat is” in onze vragen als wij vragen en
in onze antwoorden als wij antwoorden. Zoodat wij noodzakelijk de
wetenschap van al deze gekregen hebben vóor onze geboorte.--Dat is
zoo.--En als wij die verschillende wetenschappen, na ze verkregen
te hebben, niet vergeten zijn, is het noodzakelijk dat wij ze nog
steeds weten bij onze geboorte en ons leven lang. Want dit is weten,
om wetenschap die wij gekregen hebben, te hebben en niet verloren te
hebben. Of noemen wij niet dit vergeten, o Simmias, het verlies eener
wetenschap?--Voorzeker, o [Kanttekening: 75E] Sokrates.--Als wij
daarentegen, meen ik, haar wel verkregen hebben vóor onze geboorte,
maar haar bij onze geboorte verloren hebben, en pas later met behulp
onzer zinlijke waarnemingen omtrent de dingen dezer wereld, die
wetenschappen die wij ook al vroeger eenmaal hadden, herwinnen, zal
dan niet wat wij leeren noemen, het herwinnen van eene ons eigene
wetenschap zijn? En als wij dit ons-herinneren noemen, zouden wij
het dan misschien zijn juisten naam geven?--Ja zeker.--Mogelijk nu
gebleken, niet-waar, is dit: dat men iets waarneemt òf door ’t gezicht
òf door ’t gehoor òf door eenige andere zinlijke [Kanttekening: 76A]
waarneming, en dat men daaruit bewust wordt een tweede ding, dat men
vergeten was, waarmeê dat eerste in verband stond, hetzij het daaraan
gelijksoortig, hetzij ongelijksoortig was? Zoodat, als ik zeg, éen
van twee waar is: òf wij zijn met de wetenschap daarvan geboren en
weten het allen ons leven lang, òf pas later doen die menschen van wie
wij zeggen dat zij leeren, niets anders dan zich herinneren, en dan
zoû leeren herinnering zijn.--Het is volmaakt zoo, o Sokrates.--Wat
van twee derhalve kiest gij, o Simmias? Dat wij met die wetenschap
geboren zijn, [Kanttekening: 76B] of dat wij ons later pas de dingen
herinneren, waarvan wij vroeger al de wetenschap verkregen hadden?--Ik
kan, o Sokrates, op het oogenblik geen keus doen.--Maar omtrent het
volgende kunt gij wel een keus doen, en zeggen wat gij ervan denkt.
Zal een man die iets weet, van wat hij weet rekenschap Kunnen geven
of niet?--Dat is zeker noodzakelijk, o Sokrates.--Denkt gij dat allen
in-staat zijn rekenschap te geven van de dingen die wij zoo-even
noemden?--Ik zoû het wel willen, sprak Simmias, maar ik vrees veel-eer,
dat morgen op dezen tijd niemand der menschen in-staat zal zijn dit op
waardige wijze te doen.--Gij [Kanttekening: 76C] meent dus, o Simmias,
dat niet allen ze weten?--Neen, volstrekt niet.--Dus herinneren zij
zich, wat zij vroeger eens geleerd hebben?--Noodzakelijk.----En
wanneer ook hebben onze zielen de wetenschap dier dingen gekregen?
Immers niet sinds wij mensch geworden zijn?--Bepaald niet.--Vroeger
dus.--Ja.--Dus bestonden, o Simmias, onze zielen ook vroeger al vóor
zij in eens menschen gedaante waren, afgescheiden van lichamen, en
hadden denkvermogen.--Als wij tenminste, o Sokrates, die wetenschappen
niet op het oogenblik van onze geboorte gekregen hebben; want dat
tijdstip schiet nog over.--Stel [Kanttekening: 76D] dat een oogenblik,
mijn vriend. En in welken anderen tijd verliezen wij ze dan? Want wij
worden geboren zonder ze te bezitten, zijn wij zoo-even overeengekomen.
Of verliezen wij ze op hetzelfde oogenblik dat wij ze krijgen? Of kunt
gij eenigen anderen tijd aangeven?--Volstrekt niet, o Sokrates, maar ik
sprak onzin zonder het zelf te weten.
--Komen wij derhalve tot deze gevolgtrekking, o Simmias? Indien die
dingen werkelijk bestaan, waar wij altijd den mond vol van hebben,
het schoone en het goede en al dergelijke werkelijkheid, en wanneer
wij alle resultaten van onze zinlijke waarnemingen terugbrengen tot
haar die [Kanttekening: 76E] wij van vroeger in ons bezit terugvinden,
en die dingen met haar vergelijken, is het dan noodzakelijk, dat
evenzeer als die begrippen bestaan, zoo ook onze ziel bestaat, ook
vóor wij geboren zijn; doch wanneer die begrippen niet bestaan,
zal dan dit ons betoog vergeefs gehouden zijn? Is het inderdaad
zoo, en is het een even groote noodzakelijkheid dat die begrippen
bestaan als dat onze zielen bestaan vóor wij nog geboren zijn, en
als het eerste niet [Kanttekening: 77A] waar is, is dan ook het
tweede niet waar?--Volstrekt dezelfde, o Sokrates, sprak Simmias,
komt mij die noodzakelijkheid voor, en een schoone toevlucht heeft
ons betoog genomen in de stelling dat onze ziel bestaat even zeker
als de werkelijkheid die gij nu noemt. Want ik-voor-mij heb niets
wat mij zoo klaarblijkelijk is, als dat al dergelijke begrippen,
het schoone en het goede en al de andere die gij zoo-even noemdet,
in den hoogsten zin bestáan. En voldoende, dunkt mij, is het bewijs
geleverd.--Maar wat vindt Kebes? zeî Sokrates. Want ook Kebes behooren
wij te overtuigen.--Dat het voldoende geleverd is, sprak Simmias,
naar ik meen. Al ken ik geen koppiger mensch in het wantrouwen van
redeneeringen. Maar ik denk, dat er [Kanttekening: 77B] niets ontbreekt
tot deze zijn overtuiging, dat vóor onze geboorte onze ziel bestond...
Of zij evenwel ook nádat wij gestorven zullen zijn, nog bestaan zal,
dat komt ook mij zelven, o Sokrates, voor, niet bewezen te zijn, maar
nog staat in den weg wat Kebes zoo-even aanvoerde, de vrees der groote
menigte, dat bij den dood van den mensch de ziel zich verspreidt
en dat dit haar einde is. Want al wordt zij en komt-zij tot-stand
uit iets anders, en al bestaat zij vóor zij nog in het menschelijk
lichaam gekomen is, wat verhindert dat zij tevens, wanneer zij eenmaal
daarin gekomen is, en weêr daaruit heengaat, dan ook zelve eindigt
[Kanttekening: 77C] en te-gronde-gaat?--Wel gezegd, o Simmias, zeî
Kebes. Want het schijnt dat zooveel als de helft bewezen is van wat
noodig is, dat namelijk onze ziel vóor onze geboorte bestond. Maar
bovendien moeten wij bewijzen, dat zij ook nádat wij gestorven zullen
zijn, evenzeer bestaan zal als vóor onze geboorte, indien ons bewijs
af zal zijn.--Het _is_ ook nu al bewezen, o Simmias en Kebes, sprak
Sokrates, als gij dit betoog wilt in verband brengen met wat wij
daar-straks overeengekomen zijn: dat al het levende wordt uit het
doode. Want indien onze ziel al vroeger bestaat, en zij inkomende
in het leven en geboren wordende, [Kanttekening: 77D] noodzakelijk
uit niets anders geboren wordt dan uit den dood en het dood-zijn,
hoe zoû het dan niet noodzakelijk zijn dat zij ook ná haar dood
besta, aangezien zij weêr opnieuw moet geboren worden? Wat gij zegt,
is dus ook nu al bewezen. Toch geloof ik, dat gij en Simmias deze
bewijsvoering gaarne nog dieper zoudt willen onderzoeken, en dat gij u
bang maakt als kinderen, dat in waarheid de wind de ziel als zij uit
het lichaam uitgaat, uitéen-blaast en verspreidt, vooral wanneer iemand
bij-geval niet in stil [Kanttekening: 77E] weêr, maar in een geweldigen
storm sterft.--En Kebes antwoordde lachend: Tracht gij ons maar van
het tegendeel te overtuigen, alsof wij dit vreesden. Of liever, niet
alsof _wij_ het vreesden, maar misschien is er een kind binnen-in ons
dat zich voor dergelijke dingen bang maakt. Laten wij hem dan pogen te
overreden, niet te vreezen voor den dood als voor spoken.--Ja, maar
elken dag behoort gij hem te belezen tot gij hem uit u weg bezworen
hebt.--Waarvandaan [Kanttekening: 78A] dan, o Sokrates, zullen wij
een kundig belezer van dergelijke kinderen halen, aangezien gij ons
verlaat?--Groot is Hellas, zeide hij, o Kebes, waarin allicht kundige
mannen zijn, en vele zijn de geslachten der barbaren, die gij alle
behoort te doorspeuren op zoek naar zulk een bezweerder, zonder geld of
moeite te sparen, want gij zoudt uw geld niet noodiger kunnen besteden.
En te zoeken behoort gij ook zelf onder elkander; want misschien zoudt
gij niet eens gemakkelijk anderen vinden, die beter in-staat zijn die
bezweringen te doen dan gijlieden.--Wel, [Kanttekening: 78B] daar zal
voor gezorgd worden, zeî Kebes. Doch laat ons terugkeeren naar het punt
waar wij zijn afgebroken, als het u aangenaam is.--Zeker is het mij
aangenaam; immers, hoe zoû het niet?--Uitmuntend!--Moeten wij dus niet,
hernam Sokrates, onszelven de volgende vraag stellen: aan wat-voor
soort van dingen wel dit verschijnsel van zich-te-verspreiden eigen is,
en bij wat-voor dingen men zich bezorgd moet maken, dat zij dit zullen
ondergaan, en aan den anderen kant, aan wat-voor dingen het vreemd is?
En moeten wij daarna weêr niet nagaan, wat van beide de ziel is, en op
grond daarvan goedsmoeds of beducht zijn voor onze eigen ziel?--Gij
spreekt de waarheid.--Is [Kanttekening: 78C] het nu niet aan alles
wat men samenstelt en wat samengesteld is, van-nature eigen om dat te
ondergaan, om namelijk ontbonden te worden op dezelfde wijze als het
werd samengesteld? Maar als iets onsamengesteld is, is het niet daaraan
alleen, indien aan eenig ander ding, eigen dit niet te ondergaan?--Het
komt mij voor, dat het zoo is, zeide Kebes.--Is het nu niet meest
waarschijnlijk, dat wat altijd in dezelfde verhouding en in denzelfden
toestand is, het onsamengestelde is, en dat wat nu-eens in dezen,
dan-weêr in dien toestand is en nooit in dezelfde verhouding, het
samengestelde?--Mij dunkt zoo.--Laten wij dan, zeî hij, tot dezelfde
dingen gaan [Kanttekening: 78D] als in onze vorige rede. De wezenheid
zelve van welke wij als grond het bestaan geven in onze vragen en
in onze antwoorden, is die steeds eender in dezelfde verhouding, of
nu-eens zus, dan-weêr zoo? Neemt wel ooit het begrip gelijk, het begrip
schoon, elk begrip afzonderlijk, welken omslag dan ook aan? Of is elk
der begrippen afzonderlijk op-zich-zelf enkelvormig, en dus altijd
eender in dezelfde verhouding, en neemt het op geenen tijd, in geenen
deele, op geene wijze eenige verandering aan?--Noodzakelijk zijn zij,
zeî Kebes, eender in dezelfde verhouding, o Sokrates.--Maar hoe staat
het met de groote menigte der [Kanttekening: 78E] dingen, als menschen
of paarden of mantels of andere dingen wat-dan-ook van dien aard, of
zij gelijk zijn of schoon, of andere met de begrippen gelijknamige
eigenschappen hebben? Blijven zij wel in dezelfde verhouding, of zijn
zij, geheel in tegenstelling met de begrippen, noch met zichzelf,
noch met elkander ooit om-zoo-te-zeggen eenigszins in dezelfde
verhouding?--Zoo is het, zeî Kebes. Nooit [Kanttekening: 79A] zijn zij
eender.--Kunt gij nu de laatste niet aanraken en zien en in de overige
zinlijke waarnemingen waarnemen, terwijl gij de dingen die in dezelfde
verhouding blijven, nimmer met eenig ander ding zoudt kunnen beroeren
dan met de verstandelijke redeneering, en dergelijke dingen onzienlijk
zijn en niet zichtbaar?--Gij zegt volkomen de waarheid.
--Stellen wij dus, zoo gij wilt, zeî hij, twee soorten der dingen, de
éene zichtbaar, de andere onzienlijk.--Ja, stellen wij dat!--En het
onzienlijke steeds in dezelfde verhouding, het zichtbare nooit?--Laat
ons ook dit stellen.--Welaan dan, zeî hij, is éen deel van ons niet
lichaam [Kanttekening: 79B] en éen deel ziel, of bestaan wij uit
nog iets anders?--Uit niets anders.--Aan welke van de twee soorten
zullen wij derhalve zeggen dat het lichaam meest gelijk en verwant
is?--Dat is een ieder duidelijk, aan het zichtbare.--En de ziel? Is
zij iets zichtbaars of onzienlijks?--Niet zichtbaar, voor menschen
tenminste, o Sokrates.--Maar wij spreken immers over wat zichtbaar en
niet zichtbaar is voor de menschelijke natuur? Of voor eenige andere
natuur, meent gij?--Neen, voor de menschelijke.--Wat zeggen wij dus
van de ziel? Dat zij iets zichtbaars of onzichtbaars is?--Niet iets
zichtbaars.--Iets onzienlijks dus?--Ja.--Dus is de ziel meest gelijk
aan het onzienlijke, en het lichaam aan het zichtbare?--Volstrekt
[Kanttekening: 79C] noodzakelijk, o Sokrates.--Beweerden wij nu niet
een-poos-terug onder-andere dit, dat de ziel, wanneer zij het lichaam
mede-aanwendt tot het beschouwen van eenig ding, hetzij door middel
van ’t gezicht of ’t gehoor of eenige andere zinlijke waarneming--dit
immers is beschouwen door middel van het lichaam, het beschouwen
namelijk van eenig ding door middel van de zinlijke waarnemingen--,
beweerden wij niet, dat dan de ziel door het lichaam wordt meêgesleept
naar de dingen die nooit in dezelfde verhouding zijn, en dat zij zelf
bijster wordt en verward en duizelig als een dronkene, aangezien zij
met dergelijke dingen in beroering is?--Voorzeker.--Doch wanneer zij
op-zich-zelve aan ’t beschouwen gaat, dan gaat [Kanttekening: 79D]
zij den anderen kant uit, naar het reine en naar wat altijd is en
onsterfelijk en eender, en daar zij daarmeê verwant is, vereenigt zij,
zoo vaak zij op-zich-zelve komt te zijn en dit haar mogelijk is, zich
altijd daarmede, en heeft rust van hare verbijstering en in de buurt
dier dingen is zij steeds eender in dezelfde verhouding, daar zij met
dingen van dien aard in beroering is, niet-waar? En deze ziele-staat
heet die van inzicht?--Volmaakt schoon en waar is wat gij zegt, o
Sokrates.--Aan welke der twee soorten dus weêr dunkt u, op grond
van wat te-voren en wat nu gesproken werd, de ziel meest gelijk en
verwant te zijn?--Ieder, [Kanttekening: 79E] denk ik, zelfs de meest
hardleersche, zal, volgens deze wijze van redeneeren, wel toegeven, dat
de ziel geheel-en-al meest gelijk is aan wat steeds eender is, meer
dan aan wat niet zoo is.--En het lichaam?--Aan het andere.--Zie dan
ook nog eens dezen-kant-uit, dat, zoolang ziel en lichaam bij elkander
zijn, de natuur aan het [Kanttekening: 80A] laatste voorschrijft slaaf
en onderdaan te zijn, maar aan de eerste te heerschen en te gebieden;
welk van beide, ook weêr in dit opzicht, dunkt u gelijk te zijn aan
het goddelijke, en welk aan het sterfelijke? Of vindt gij niet, dat
het goddelijke van-nature geaard is om te heerschen en te leiden, en
het sterfelijke om onderdaan en slaaf te zijn?--Ja zeker.--Op wat van
twee gelijkt dus de ziel?--Ontwijfelbaar, o Sokrates, de ziel op het
goddelijke, het lichaam op het sterfelijke.--Beschouw dan, o Kebes, of
uit al het gesprokene voor ons dit volgt, dat met het [Kanttekening:
80B] goddelijke en onsterfelijke en zuiver-denkbare en enkel-vormige en
onoplosbare en steeds-zichzelf-gelijke de ziel de meeste overeenkomst
heeft, maar dat met het menschelijke en sterfelijke en veelvormige en
ondenkbare en oplosbare en nooit-zichzelf-gelijke het lichaam de meeste
overeenkomst heeft. Kunnen wij iets daarnaast aanvoeren, mijn waarde
Kebes, met de kans dat dat niet zoo is?--Neen.