PLATOONS PHAIDOON
[Illustratie:
WERELD
BIBLIOTHEEK
[Illustratie]
ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.
[Illustratie]
UITGEGEVEN DOOR:
DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
GOEDKOOPE LECTUUR · AMSTERDAM
]
PLATOONS PHAIDOON
UIT HET GRIEKSCH OVERGEBRACHT
DOOR
P. C. BOUTENS
1919
[Illustratie:
PLATOONS PHAIDOON
UIT HET GRIEKSCH OVERGEBRACHT
DOOR
P. C. BOUTENS
[Illustratie]
1919
]
GEDRUKT TER DRUKKERIJ „DE DEGEL” -- AMSTERDAM
PERSONEN
ECHEKRATES
PHAIDOON
APOLLODOROS
SOKRATES
KEBES
SIMMIAS
KRITOON
DIENAAR DER ELFMANNEN.
PLATOONS PHAIDOON
[Kanttekening: 57A] ECHEKRATES: Zijt gij zelf, o Phaidoon, bij Sokrates
geweest dien dag waarop hij het gif dronk in de gevangenis? Of hebt gij
het van iemand anders gehoord?
PHAIDOON: Ik ben er zelf bij geweest, o Echekrates.
ECHEKRATES: Welke dingen heeft de man dan wel gezegd vóor zijn dood?
En hoe was zijn sterven? Mij zoû het een genot zijn dit te vernemen.
Want het komt tegenwoordig niet veel voor, dat een mijner medeburgers
uit Phlioes te Athenai zich ophoudt, en ook is langen-tijd-aan-éen geen
[Kanttekening: 57B] gastvriend vandaar aangekomen, die ons iets zekers
omtrent deze dingen zoû hebben kunnen berichten,--behalve dan dat hij
gif gedronken had en zoo gestorven was. Maar verdere bizonderheden kon
hij ons niet geven.
[Kanttekening: 58A] PHAIDOON: Hebt gij dan ook niet van het geding
gehoord, hoe het daarmeê geloopen is?
ECHEKRATES: Zeker, dat heeft iemand ons bericht. En, o ja, wij
verwonderden ons, dat hij veel later, lang nadat het geding afgeloopen
was, gestorven blijkt te zijn. Hoe kwam dat, Phaidoon?
PHAIDOON: Een uitzonderlijk toeval, o Echekrates. Juist toch op den
dag vóor het proces was de achtersteven bekranst van het schip dat de
Atheners naar Delos zenden.
ECHEKRATES: Wat is daarmeê?
PHAIDOON: Dat is het schip waarop, naar de Atheners zeggen, Theseus
indertijd naar Kreta die bekende zeven [Kanttekening: 58B] paren
wegvoerde en weêr behouden mede-terug-bracht. Aan Apolloon nu deden
zij, zooals verhaald wordt, toen de gelofte om, als zij behouden zouden
terugkeeren, elk jaar uit dankbaarheid een feestgezantschap naar Delos
te zenden, dat de Atheners van-toen-af ook nu nog altijd jaarlijks den
god plechtig sturen. Wanneer zij nu een aanvang gemaakt hebben met de
feestzending, moet, naar een wet van hen, de stad in dien tijd rein
zijn en mag men niemand van-staats-wegen ter-dood-brengen, vóordat het
schip in Delos en weêr terug is aangekomen. Daarmeê gaat nu-en-dan een
lange tijd heen, wanneer winden hen bij-geval van de [Kanttekening:
58C] vaart houden. De aanvang der feestzending is het oogenblik wanneer
de priester van Apolloon den achtersteven van het schip bekranst heeft.
En dat, zooals ik zeg, was juist op den dag vóor het rechtsgeding
geschied. Daarom heeft Sokrates ook langen tijd in de gevangenis
doorgebracht, tusschen geding en terechtstelling.
ECHEKRATES: En hoe is het bij zijn dood zelf toegegaan, o Phaidoon?
Wat is er gesproken en gebeurd, en wie van ’s mans bekenden waren
tegenwoordig? Of lieten de bewindvoerders hun niet toe erbij te zijn,
maar is hij eenzaam van vrienden gestorven?
[Kanttekening: 58D] PHAIDOON: Geenerwijs. Er waren erbij tegenwoordig,
en wel velen.
ECHEKRATES: Wees dan zoo vriendelijk ons van dat alles zoo nauwkeurig
mogelijk verslag te geven, of gij moest eenige andere bezigheid hebben.
PHAIDOON: Wel ik hèb den tijd, en zal beproeven het voor u te
doorloopen. Want om mij Sokrates te herinneren, zoowel als ik zelf over
hem spreek als wanneer ik dat een ander hoor doen, is mij steeds van
alles aangenaamst.
ECHEKRATES: Gij kunt ervan op-aan, Phaidoon, dat gij ook zulke
luisteraars zult hebben. Doch tracht zoo nauwkeurig als gij kunt, alles
uiteen te zetten.
[Kanttekening: 58E] PHAIDOON: Ziet, ik-voor-mij heb onder het bijwonen
eene wonderlijke ervaring gehad. Want aan den éenen kant kwam geen
gevoel van medelijden bij mij op als men verwachten zoû bij den
dood van een bevriend man. Want gelukzalig kwam mij de man voor, o
Echekrates, zoowel van gedraging als van woorden: hoe onbevreesd en
eêlgemoed hij eindigde. Zoodat ik den indruk kreeg, dat hij óok nu hij
naar het huis van Hades ging, niet ging buiten goddelijke beschikking,
maar dat hij ook wanneer hij daar gekomen zoû [Kanttekening: 59A] zijn,
het goed zoû hebben zoo nog ooit eenig ander. Daarom had ik heelemaal
geen gevoel van deernis als natuurlijk zoû lijken in den bijwoner van
een rouwtooneel. Maar anderszins ontbrak ook de genieting van bezig te
zijn met wijsbegeerte gelijk wij die plachten te hebben--de gesprekken
toch waren van die soort--, maar een eenvoudigweg onverbeeldbaar gevoel
was mij bij en een ongewone menging uit genot tegelijk samengesteld,
en uit smart, zoo vaak ik bedacht dat hij op het oogenblik zoû moeten
sterven. En alle aanwezigen waren wij vrijwel in dien toestand,
[Kanttekening: 59B] nu-eens lachend, dan-weêr weenend, en éen van ons
zelfs onderscheidenlijk, Apollodoros. Gij kent den man immers wel en
zijn aard?
ECHEKRATES: Hoe zoû ik niet?
PHAIDOON: Hij dan nu was geheel in dien staat, en ook ik zelf was
geschokt en de overigen.
ECHEKRATES: En wie waren zoo al tegenwoordig, Phaidoon?
PHAIDOON: Deze dan, Apollodoros, was erbij van de menschen uit de stad,
en Kritoboelos en zijn vader, en verder Hermogenes en Epigenes en
Aischines en Antisthenes. En ook was er Ktesippos uit den demos Paiania
en Menexenos en eenige andere der landgenooten. Platoon, meen ik, was
ziek.
[Kanttekening: 59C] ECHEKRATES: En waren er sommigen van buiten?
PHAIDOON: Ja, Simmias uit Thebai en Kebes en Phaidoondes, en uit Megara
Eukleides en Terpsioon.
ECHEKRATES: Hoe nu? Waren Aristippos en Kleombrotos niet tegenwoordig?
PHAIDOON: Neen, bepaald niet. Want men zeî nog, dat zij op Aigina waren.
ECHEKRATES: Was er nog iemand anders?
PHAIDOON: Ik denk dat dat vrijwel zijn wie tegenwoordig waren.
ECHEKRATES: Hoe dan verder? Welke, zegt gij, waren de gesprekken?
PHAIDOON: Ik zal alles met u van het begin af trachten [Kanttekening:
59D] door te gaan. Voortdurend namelijk, ook de voorafgaande dagen,
waren wij gewoon Sokrates te bezoeken zoowel ik als de overigen.
Wij kwamen dan ’s morgens vroeg bijeen in de gerechtszaal waar ook
het geding plaats gehad had; want die was vlak bij de gevangenis.
Wij wachtten daar dan telkens tot de gevangenis geopend werd, en
onderhielden ons met elkander; want zij ging niet vroeg open. En
wanneer opengedaan was, gingen wij naar binnen tot Sokrates en brachten
meest den heelen dag met hem door. Ook waren wij dien dag vroeger
samengekomen. Want den vorigen dag toen wij ’s avonds uit de gevangenis
gekomen waren, [Kanttekening: 59E] hadden wij vernomen dat het schip
uit Delos aangekomen was. Wij spraken derhalve met elkander af om zoo
vroeg mogelijk naar de gewone plaats te komen. Toen wij er dan waren,
kwam de deurwachter die ons placht open te doen, naar buiten en zeide
ons te wachten en niet eerder te komen aankloppen, totdat hij zelf ons
binnennooden zoû. Want, zeî hij, de elfmannen zijn bezig Sokrates te
ontboeien en kondigen hem aan, hoe hij dezen dag zal moeten sterven.
Niet langen tijd nu wachtte hij van te komen en [Kanttekening: 60A]
verzocht ons binnen te gaan. Wij traden derhalve binnen en vonden
Sokrates pas ontboeid en Xanthippe--gij kent haar immers?--naast
hem gezeten, met zijn zoontje bij zich. Toen nu Xanthippe ons zag,
jammerde zij luide en zeide dergelijke dingen als vrouwen gewoon zijn:
o Sokrates, dit is nu de laatste maal, dat gij en uw vrienden elkander
zult toespreken! En Sokrates zag naar Kritoon en zeî: o Kritoon, laat
iemand haar naar huis brengen. En haar leidden enkele van Kritoons
mannen weg, terwijl zij luid weende en rouwmisbaar [Kanttekening: 60B]
maakte. Onderhand ging Sokrates op zijn bed overeind zitten en trok
zijn been op en wreef het met de hand, en zeide al wrijvende: Wat een
vreemd ding, o mannen, lijkt dat te zijn wat de menschen ’t aangename
noemen! Hoe wonderlijk verhoudt het zich van-nature tegenover zijn
algemeen erkend tegengestelde, het smartelijke, dat beide tegelijk
niet bij den mensch willen wezen, maar dat als men het éene najaagt en
krijgt, men zoo goed als gedwongen wordt ook het tweede te krijgen,
alsof zij hoewel zij twee blijven, met éen toppunt aan elkander zijn
vastgemaakt. [Kanttekening: 60C] En mij komt het voor, zeide hij,
dat Aisopos, als hij op hen bedacht ware geweest, er een fabel van
zoû samengesteld hebben, dat de godheid met de bedoeling om hen in
hun vijandschap te verzoenen, toen hij dat niet kon, hunne toppunten
aan-éen heeft geknoopt, en dat daarom bij wien het éene gekomen is,
later ook het tweede volgt. Zooals het nu ook bij mij zelven lijkt:
nadat tengevolge van de boei in mijn been het pijnlijke was, blijkt nu
daar-achteraan-vast te komen het aangename.
Kebes nam nu het woord en zeide: Bij Zeus, o Sokrates, dat is goed van
u, dat gij er mij aan herinnert! Want omtrent [Kanttekening: 60D] de
verzen toch, die gij gemaakt hebt door de fabelen van Aisopos op maat
te brengen en het proëem te dichten op Apolloon, hebben mij sommige
anderen reeds gevraagd, doch een paar dagen geleden ook Euenos, met
welke bedoeling gij, nadat gij hier gekomen waart, hen vervaardigd
hebt, terwijl gij vroeger nog nooit iets gedicht hebt. Als gij er
derhalve belang in stelt, dat ik Euenos antwoord kan geven, wanneer
hij het weêr vraagt--want ik weet wel dat hij het vragen zal--, zeg
mij wat ik moet zeggen.--Zeg hem dan de waarheid, o Kebes, dat ik
die niet gemaakt heb met den wil om een kunst-mededinger te zijn van
hem [Kanttekening: 60E] en zijne gedichten. Want ik wist dat dit
niet gemakkelijk zoû zijn. Maar om zekerheid te hebben omtrent de
bedoeling van bepaalde droomen en een onbezwaard geweten te hebben,
indien misschien dit de moezische kunst was, welke die droomen mij
herhaaldelijk opdroegen te vervaardigen. Zij waren namelijk van den
volgenden aard. Vele malen bezocht mij dezelfde droom in mijn voorbije
leven, nu onder dit, dan onder dat gezicht verschijnende, maar met
dezelfde boodschap: o Sokrates, vervaardig moezische kunst en houd
u daarmeê bezig. En ik veronderstelde [Kanttekening: 61A] in den
voorafgaanden tijd, dat de droom mij aanspoorde en bijval toeriep om
dat te doen waarmeê ik bezig was, evenals toeschouwers in de renbaan de
loopers aanmoedigen,--dat ook zoo de droom mij toejuichend aanspoorde
te doen wat ik al deed, moezische kunst maken, daar philosofie, als
ik meende, de grootste moezische kunst was, en ik mij daarmede bezig
hield. Maar nu, nadat het proces afgeloopen was, en tegelijk het feest
van den god verhinderde dat ik stierf, meende ik dat, indien de droom
mij weder herhaaldelijk mocht opdragen die moezische kunst, nu-dan
naar de gemeene volksopvatting, te vervaardigen, ik den droom niet
ongehoorzaam mocht wezen, maar behoorde te dichten. Want ik dacht, dat
het veiliger was niet heen te [Kanttekening: 61B] gaan, vóor ik mij
gereinigd had van de verplichting om gedichten te maken, en zoo den
droom gehoorzaam te zijn. Zoo heb ik dan in de eerste plaats een lied
gemaakt op den god wiens offerfeest het was, en na den god heb ik,
bedenkende dat een dichter, zal hij werkelijk dichter zijn, verzinselen
en geen feiten behoort te dichten, omdat ik zelf geen fabelverzinner
was, de fabelen die ik bij de hand had en uit mijn hoofd kende, de
fabelen van Aisopos, op maat gebracht, de eerste waar ik op kwam. Zeg
dit derhalve, o Kebes, aan Euenos, en dat het hem welga, en dat hij,
als hij verstandig is, mij zoo spoedig mogelijk volge. [Kanttekening:
61C] Want ik zal, naar het schijnt, vandaag heengaan. De Atheners
toch gebieden het.--En Simmias zeide: Wat is dat voor eene aanmaning,
o Sokrates, aan Euenos?... Want reeds vele malen heb ik den man
ontmoet. Uit wat ik nu waargenomen heb, is het vrijwel zeker, dat hij
uit-eigen-wil geenerwijs uw raad zal opvolgen.--Wat zegt gij daar? Is
Euenos geen wijsgeer?--Mij dunkt van-wel, zeide Simmias.--Dan zal hij
dat gaarne doen, zoowel Euenos als ieder die daaraan waardiglijk deel
heeft. Toch zal hij niet waarschijnlijk geweld aan zichzelf plegen;
want dat is niet geoorloofd, zegt men.--Onder ’t zeggen van deze
[Kanttekening: 61D] woorden liet hij zijn beenen op den grond neêr, en
van dat oogenblik voerde hij zoo gezeten het gesprek.--Kebes nu vroeg
hem: Hoe bedoelt gij dit, Sokrates, dat het niet geoorloofd is geweld
aan zichzelf te plegen, maar dat toch de wijsgeer met den stervende
graag zoû meêgaan?--Wat, Kebes, hebt gij en Simmias die bij Philolaos
in de leer zijt geweest, hieromtrent niet gehoord?--Niets zekers
tenminste, o Sokrates.--Ook ik-voor-mij praat er maar van-hooren-zeggen
over. Doch wat ik bij-geval gehoord heb, heb ik geen enkele reden te
verzwijgen. Immers, past het wel, vooral nu ik op het punt sta daarheen
af te reizen, [Kanttekening: 61E] eens verstandelijk na te gaan en in
woorden uit te beelden, wat-voor meening wij hebben omtrent de reis
daarheen. En ook--wat zoû men anders doen in den tijd tot den ondergang
der zon?
--Op welken grond dan toch wel beweert men, dat het niet geoorloofd
is zichzelf te dooden, o Sokrates? Want ik heb (waarnaar gij mij
zoo-even vraagdet) ook van Philolaos, toen die bij ons verkeerde, en
ook al van verscheidene anderen gehoord, dat men dit niet mag doen.
Maar iets beredeneerd-nauwkeurigs heb ik nog nooit van iemand erover
[Kanttekening: 62A] gehoord.--Houd maar goeden moed, zeide hij, want
misschien zult gij het nog wel hooren.... Het zal u evenwel denkelijk
wonderlijk schijnen, dat dit alleen onder alle dingen eenvoudig
vaststaat en nooit voor den mensch van omstandigheden afhangt zooals
de andere dingen wel: het zal u misschien wonderlijk voorkomen, zeg
ik, dat, hoewel het verscheidenen op verscheidene tijden beter is
dood te zijn dan te leven, het dien menschen wien het beter is dood
te zijn, niet oorbaar is zichzelf wel te doen, maar zij een anderen
weldoener moeten afwachten.--En Kebes glimlachte even en: Dat weet
Deus, zeide hij in zijn eigen [Kanttekening: 62B] tongval.--Het zoû ook
om-zoo-te hooren, zeide Sokrates, onverklaarbaar kunnen klinken, maar
niettemin heeft het wellicht eenigen grond. De verklaring nu die ons
hieromtrent in de oude mysteriën gegeven wordt, dat wij menschen in
een soort van gevangenschap zijn, en dat men zich uit deze niet mag
bevrijden en niet wegloopen, lijkt mij een groote-bewering te zijn en
niet gemakkelijk om te doorzien. Doch in-elk-geval schijnt mij het
volgende terecht beweerd te worden, dat het de goden zijn, die voor ons
zorg dragen, en dat de menschen voor de goden een hunner bezittingen
zijn. Of denkt gij er niet zoo over?--Ja [Kanttekening: 62C] zeker, zeide
Kebes.--Zoudt nu ook gij niet, indien een uwer slaven zichzelf doodde
zonder aanwijzing van u dat gij dit wildet, boos op hem zijn en hem
straffen als gij kondt?--Voorzeker.--Misschien is het dan op dezelfde
wijze niet ongegrond, dat men zelf zich niet eerder mag in den dood
begeven, vóor de godheid een-of-andere noodzakelijkheid op ons afzendt,
zooals nu in ons geval.--Wel, dit althans komt mij waarschijnlijk voor.
Wat gij evenwel daar-straks zeidet, dat de wijsgeeren reede zouden
[Kanttekening: 62D] willen sterven, dat lijkt vreemd, Sokrates, indien
wat wij zoo-juist beweerden steek houdt, dat het namelijk de godheid
is die voor ons zorgdraagt, en dat wij zijne bezittingen zijn. Want
dat het den verstandigsten geen leed zoû doen heen te gaan uit deze
dienstbaarheid waarin over hen gesteld zijn die de beste toezieners
zijn van alle bestaande, de goden, heeft geen zin. Want zoo-een meent
allicht niet, dat hij, vrij geworden, zelf beter voor zich zorgen zal.
Maar een ònverstandig mensch waarschijnlijk zal dit denken, dat hij weg
moet loopen van zijn heer, en [Kanttekening: 62E] zal niet berekenen dat
men van zijn góeden heer tenminste niet mag wegloopen, maar boven-al
bij hem behoort te blijven, omdat het onzinnig zoû zijn weg te loopen.
Doch een verstandig man zal allicht begeeren voor altijd bij zijnen
betere te zijn. En toch, zoo schijnt het tegenovergestelde waar te zijn
van wat daarnet beweerd werd: de verstandigen behooren bedroefd te
zijn bij hun sterven, de onverstandigen blij.--Op het hooren hiervan
had Sokrates, [Kanttekening: 63A] kwam mij voor, genoegen in Kebes’
gevatheid. Hij wierp ons een blik toe en zeide: Altijd toch spoort
Kebes een-of-andere tegenwerping op, en wil zich nooit erg gauw laten
overtuigen van wat men ook beweert.--En Simmias sprak: Maar nu toch,
o Sokrates, vind ik ook zelf, dat Kebes iets van belang beweert. Want
met welke bedoeling zouden naar-waarheid wijze mannen heeren die hun
beteren zijn, willen ontloopen en zich lichtvaardig van hen ontdoen?
Ook komt het mij voor, dat Kebes in zijn woorden op ù doelt, dat gij
het zoo licht opneemt, zoowel om [Kanttekening: 63B] ons te verlaten
als goede bestuurderen, zooals gij zelf toegeeft, de goden.--Gij
vraagt uw recht, zeide hij. Want uwe bedoeling is, meen ik, dat ik mij
daaromtrent behoor te verdedigen als voor een gerecht.--Ja juist, zeide
Simmias.
--Welaan dan, zeide hij, laat ik trachten met meer overtuigenden
uitslag mij tegenover u te verdedigen dan tegenover mijne eerste
rechters. Indien ik namelijk, o Simmias en Kebes, niet meende te
zullen komen vooreerst tot andere goede en wijze goden, en verder
tot gestorven menschen, betere dan die hier zijn, zoude het zondig
van mij wezen niet bedroefd te zijn om mijn dood. Maar nu, weet wel,
[Kanttekening: 63C] dat ik hoop te zullen komen tot goede menschen,--en
dit wil ik nog niet zoo zeker beweren,.... dat ik evenwel tot goden zal
komen, die zeer goede heeren voor mij zullen zijn, weet wel dat ik,
zoo eenig ander ding van dien aard, dit zoû durven verzekeren. Zoodat
ik daarom geen reden heb bedroefd te zijn, maar welgemoed ben, dat er
voor de menschen na hun dood nog iets bestaat, en zooals ook vanouds
overgeleverd wordt, iets dat veel beter is voor de goeden dan voor de
slechten.--Hoe dan, Sokrates, zeide Simmias, zijt gij van-plan heen
te gaan en deze overtuiging [Kanttekening: 63D] voor uzelf te houden,
of zult gij ons haar mededeelen? Want het komt mij voor, dat dit een
goed is, waar ook wij recht op hebben, en tegelijk zal het u voor
verdediging gelden, wanneer gij ons overtuigt van wat gij zegt.--Ik
zal het beproeven, zeide hij. Maar laten wij eerst zien wat Kritoon
hier wil. Het komt mij voor, dat hij al geruimen tijd iets te zeggen
had.--Niets anders, o Sokrates, zeide Kritoon, dan dat de man die u
het gif zal toedienen, mij voortdurend zegt, dat ik u moet beduiden
zoo weinig mogelijk te praten. Want, zegt hij, bij het praten maken de
menschen zich warm meer dan goed is, en zoo-iets mag heelemaal niet
gebeuren bij het drinken van den giftbeker, [Kanttekening: 63E] en als
men niet naar hem luistert, zijn menschen die zoo-iets doen, somtijds
gedwongen twee-, ja driemaal te drinken.--En Sokrates zeide: Laat hem
praten. Als hij maar zijn eigen werk in orde brengt, alsof hij dan
tweemaal, of als het noodig mocht zijn, zelfs driemaal zal moeten
toedienen.--Ik wist uw antwoord al vooruit, zeî Kritoon. Maar de man is
lastig.--Laat hem, zeide hij.
Maar tegenover u dan, mijne rechters, wil ik nu mijne verantwoording
afleggen, dat ik op goede gronden meen, dat een man die zijn leven
inderdaad in wijsbegeerte heeft doorgebracht, goedsmoeds is op het
oogenblik van zijn [Kanttekening: 64A] dood en goederhoop, dat hij
daarginds de grootste goede dingen zal behalen, wanneer hij gestorven
is. Hoe dit zoo komt te zijn, o Simmias en Kebes, zal ik trachten u
duidelijk te maken. Het heeft er namelijk veel van, dat van allen
zoovelen zich ordelijk toeleggen op wijsbegeerte, de overigen niet
bemerken, dat zij-voor-zich niets anders bestreven dan sterven en
dood-zijn. Indien dit nu de waarheid is, zoû het natuurlijk ongerijmd
zijn van hen, in hun geheele leven niets anders dan dit te bestreven en
dan, wanneer juist datgene komt, waarvan zij al-lang hun dagelijksch
streven maakten, mistroostig te zijn.--En Simmias zeide lachend: Bij
Zeus, o Sokrates, ik ben op het oogenblik [Kanttekening: 64B] niet erg
tot lachen gestemd, maar gij doet mij lachen. Want ik meen, dat de
gemeene luiden die dit hoorden, zouden vinden, dat juist dit erg van
pas gezegd was aan het adres der wijsgeeren, en het zouden beamen, de
menschen bij ons vooral, dat inderdaad de wijsgeeren naar den dood
hunkeren, en verdienen zoo te varen, en dat _zij_ dit heel goed van
hen merken.--Dan zouden zij de waarheid zeggen, o Simmias, behalve de
bewering, dat _zij_ het zouden merken. Want het ontgaat hun, _hoe_ naar
den dood hunkeren en _hoe_ en _welken_ dood verdienen de waarachtige
[Kanttekening: 64C] philosofen. Doch laten wij dien anderen vaarwel
zeggen en praten alleen lettend op onszelven.
Meenen wij, dat de dood iets bepaalds is?--Zeker, gaf Simmias daarop
ten antwoord.--Wel iets anders dan de scheiding der ziel van het
lichaam? En dat dood-zijn dit is, dat éenszijds het lichaam van de
ziel afgescheiden iets op-zich-zelfs komt te zijn, en anderszijds de
ziel van het lichaam gescheiden op-zich-zelf is? Bestaat er soms kans,
dat de dood iets anders zoû zijn dan dit?--Neen, dit alleen, zeide
hij.--Ga dan even na, mijn waarde, of ook gij over het volgende denkt
als ik. Want hiervan uitgaande zullen wij tot beter inzicht komen in
de dingen waarover [Kanttekening: 64D] wij redeneeren.... Lijkt het u
eens wijsgeers bezigheid te zijn ernst te maken met zulke zoogenaamde
genietingen als die van eten en drinken?--Allerminst, o Sokrates, zeî
Simmias.--En verder de lusten-in-liefde?--Geenerwijs.--En verder,....
lijkt u de zoodanige de overige dienstplegingen betreffende het lichaam
van-waarde te houden, als de verwervingen van keur-onderscheiden
opperkleederen en schoeiselen en de overige uiterlijk-vermooiingen
betreffende het lichaam?.... denkt gij, dat hij ze van-waarde
[Kanttekening: 64E] zal achten of waardelóos voor-zoo-ver er geen
groote noodzakelijkheid bestaat er deel aan te hebben?--Ik denk, dat
hij ze waardeloos acht, tenminste de waarachtige wijsgeer.--Dunkt u
dan niet over-’t-geheel de leefbezigheid van den zoodanige niet te
gaan om het lichaam, maar zooveel als kan, zich daarvan op een afstand
te houden en naar de zijde der ziel gericht te zijn?--Ja.--Valt het
derhalve soms (in de eerste plaats in dergelijke zaken) [Kanttekening:
65A] van den wijsgeer in ’t licht, dat hij zooveel mogelijk de ziel
tracht los te maken van hare gemeenschap met het lichaam op een
van de overige menschen verschillende wijze?--Het schijnt zoo.--En
daarom natuurlijk lijkt het, o Simmias, aan de groote menigte der
menschen, dat hij wien niets van dergelijke dingen genot geeft en die
geen deel aan hen heeft, niet waard is te leven, maar dat heel dicht
aan dood-zijn reikt de man die zich niet kommert om de lusten die
door het lichaam heen ons bereiken.--Gij zegt de volle waarheid.--
--Maar hoe staat het dan met de verwerving zelve van inzicht? Is het
lichaam een voetstoot of niet, wanneer men het bij het zoeken daarnaar
als [Kanttekening: 65B] speurgenoot met zich medeneemt? Ik bedoel
bij-voorbeeld het volgende: Heeft gezicht en gehoor voor de menschen
wel eenige waarachtigheid? Of zijn maar praatjes-voor-den-vaak, ook
van de dichters, diergelijke beweringen die zij ons aldoor houden,
dat wij met nauwkeurigheid noch iets hooren noch zien? Toch, als van
de lichamelijke waarnemingen deze niet nauwkeurig en niet zeker zijn,
zijn de andere het niet-licht; want alle zijn zij wel gebrekkiger. Of
vindt gij van-niet?--Neen, bepaald van-wel.--Wanneer derhalve beroert
de ziel de waarheid? Wanneer zij immers in gezelschap van het lichaam
iets tracht te onderzoeken, dan wordt zij, dat is duidelijk, daardoor
[Kanttekening: 65C] misleid.--Gij spreekt de waarheid.--Wordt derhalve
niet, zoo ergens anders, in het _denken_ iets van de werkelijkheid
haar eigen?--Ja.--En denkt zij misschien dan schóonst, wanneer niets
van deze dingen haar hindert, noch gehoor, noch gezicht, noch pijn,
noch eenige lust, maar wanneer zij zooveel mogelijk op-zich-zelf
komt te zijn en het lichaam aan zijn lot overlaat en, zooveel zij
kan, daar geen deel aan neemt en er niet meê in aanraking is, en dan
naar de waarheid reikt?--Dat is zoo.--Schat derhalve ook daarbij
de ziel van den wijsgeer het lichaam niet ten zeerste waardeloos
en vlucht er vandaan en zoekt [Kanttekening: 65D] op-zich-zelf
alleen te zijn?--Dat is helder.----En wat dunkt u verder van het
volgende: Beweren wij dat het begrip rechtvaardig iets bestaands is
of niets?--Voorzeker bij Zeus.--En het begrip schoon en het begrip
goed?--Hoe niet?--Hebt gij dan wel ooit eenig van diergelijke dingen
met uw oogen gezien?--Geenszins, zeide hij.--Maar hebt gij met eenige
andere der door het lichaam heengaande waarnemingen hen beroerd? Ik
bedoel alle dingen als grootte, gezondheid, kracht, in-éen-woord
[Kanttekening: 65E] het wezen van de gezamenlijke overige dingen,
wat elk afzonderlijk eigenlijk is. Wordt door het lichaam heen hun
waarachtigste wezen aanschouwd? Of is het er zóo meê: wie van ons zich
toelegt om het wezen van elk ding afzonderlijk waar hij onderzoek naar
doet, meest en nauwgezetst met de gedàchte te doorgronden, zal díe wel
het naast komen tot de bewustwording van elk afzonderlijk?--Volslagen
zoo.--Zal derhalve die man dat het zuiverst doen, die zooveel mogelijk
met de gedachte zelve op elk ding afgaat zonder het gezicht bij het
doordenken erbij [Kanttekening: 66A] te nemen, noch eenig ander
zintuig bij de overweging erbij te halen, maar die met de zonnezuivere
gedachte op-zich-zelf ieder ding zonnezuiver op-zich-zelf tracht na
te jagen van de bestaande dingen, na zich zooveel mogelijk ontdaan
te hebben van oogen en ooren en om-zoo-te-zeggen van het geheele
lichaam, daar dit, wanneer het deelgenoot is, de ziel verwart en
niet toestaat dat zij waarheid en inzicht verwerft,--is niet déze,
o Simmias, indien eenig andere, de man die het werkelijk bestaande
treffen zal?--Bovenmate, zeide Simmias, zegt gij de waarheid, o
Sokrates.--Derhalve, [Kanttekening: 66B] zeide hij, komt tengevolge van
al deze dingen zulk eene meening bij de oprechte wijsgeeren op, dat zij
volgenderwijze tot elkander spreken: De dood schijnt als een afsnijdend
voetpad dat ons uitleidt, omdat, zoolang als wij het lichaam verbonden
met de rede bij ons onderzoek hebben, en onze ziel met zulk een kwaad
vermengd is, er geen kans bestaat, dat wij ooit voldoende verwerven
datgene waarnaar wij verlangen en waarvan wij beweren dat het het ware
is. Want ontelbare beslommeringen schaft ons het lichaam wegens zijn
noodzakelijk [Kanttekening: 66C] onderhoud. En verder wanneer ziekten
ons toevallen, verhinderen die ons in de jacht naar het bestaande. En
met liefden en begeerten en vreezen en allerhande schijnbeelden en
beuzelarij veel vervult het ons, zoodat, naar men pleegt te zeggen, het
ons inderdaad door toedoen van het lichaam onmogelijk is ooit in eenig
ding ook maar inzicht te krijgen. Want oorlogen en burgertwisten en
strijden schaft niets anders dan het lichaam en zijne begeerten. Want
om het verwerven van have ontstaan al de oorlogen, en tot het verwerven
van have worden wij gedwongen [Kanttekening: 66D] wegens ons lichaam,
daar wij slaven zijn van zijn verpleging. Dientengevolge hebben wij
om al deze dingen geen vrijen tijd voor de wijsbegeerte. En wat het
ergste van alles is, wanneer wij een oogenblik vrij van ons lichaam
hebben, en wij ons richten tot het onderzoek van eenig ding, komt het
weêr telkens storend daarin vallen en brengt gedruisch en verwarring
en verschrikt ons, zoodat wij door ons lichaam het ware niet kunnen in
’t oog krijgen, doch met-de-daad is het voor ons bewezen, dat wanneer
wij ooit iets zuiverlijk zullen weten, wij van ons lichaam moeten
[Kanttekening: 66E] bevrijd worden en met de ziel zelve de dingen
zelve moeten aanschouwen. En dán, naar het schijnt, zullen wij hebben
wat wij begeeren en waarvan wij minnaars beweren te zijn: inzicht,
wanneer wij namelijk zullen gestorven zijn, zooals de redeneering
aantoont, maar bij ons leven niet. Want indien het niet mogelijk is in
vereeniging met het lichaam eenig ding zuiverlijk te leeren kennen,
dan is éen van tweeë waar: òf men kan het weten nergens verwerven, òf
na den [Kanttekening: 67A] dood. Want dan zal de ziel op-zich-zelf
zijn, afgescheiden van het lichaam, maar eerder niet. En zoolang wij
leven, zullen wij, naar het schijnt, zóo dichtst bij het weten zijn:
wanneer wij zooveel mogelijk in niets omgang met het lichaam hebben,
behalve de volstrekte noodzakelijkheid, en als wij ons niet laten
verontreinigen met zijn natuur, maar ons rein van het lichaam houden,
totdat de god ons zal verlossen. En zoo zullen wij, bevrijd wordende
van de dwaasheid des lichaams, als waarschijnlijk is, rein zijn
onder diergelijke dingen, en zullen wij door eigen aanraking heel de
[Kanttekening: 67B] zonnezuivere waarheid leeren kennen. Want ik vrees,
dat het voor een niet-reine niet oorbaar is het reine te beroeren.
Zoodanige dingen, meen ik, o Simmias, spreken noodwendig tot elkander
en denken al de ordelijk leerlustigen. Of meent gij van-niet?--Meer dan
alles meen ik dat, o Sokrates.--Derhalve, zeide Sokrates, indien deze
dingen waar zijn, o mijn vriend, bestaat er groote verwachting, dat
men, aangekomen waarheen ik nu op reis ga, dáar indien ergens anders,
in voldoende mate dat verwerft ter wille waarvan in ons voorbije
leven de vele inspanning geweest is. Zoodat [Kanttekening: 67C] de
mij nu opgelegde reis onder goede hoop wordt aanvaard, en ook door
elk ander man die meent, dat zijn geest als een gereinigde daartoe is
toegerust.--Voorzeker, zeide Simmias.--En reiniging, is dat niet juist
datgene waar wij al-lang over spreken, het scheiden zooveel mogelijk
van de ziel van het lichaam, en haar te gewennen van alle kanten uit
het lichaam zich op-zich-zelf saam te trekken en te vergaderen, en
zoover mogelijk is, zoowel in het tegenwoordige [Kanttekening: 67D]
als in het toekomstige op-zich-zelf alleen te wonen, zich uit het
lichaam als uit banden losmakende?--Zeer zeker, zeide hij.--En wordt
dat niet dood genaamd, losmaking en afscheiding van de ziel van het
lichaam?--Volkomen zoo, zeide hij.--En om haar los te maken, naar wij
beweren, zijn altijd meest en alleen bereid de waarachtig wijsgeerigen,
en dat is juist de leefoefening der wijsgeeren, de losmaking en
scheiding der ziel van het lichaam. Of niet?--Het schijnt zoo.--Zoû
het derhalve (wat ik in den aanvang al zeide) niet belachelijk zijn,
dat een man die zichzelf in zijn leven toerust om zóo te leven, dat
hij zoo dicht mogelijk [Kanttekening: 67E] bij het dood-zijn is,
wanneer dit vervolgens voor hem aanbreekt, verstoord is? Is dat niet
belachelijk?--Hoe zoû het niet?--Inderdaad dus, zeide hij, o Simmias,
oefenen de waarachtig wijsgeerigen zich in sterven, en het dood-zijn
is onder de menschen voor hèn minst vreeswekkend... Doch beschouw het
nog eens volgenderwijs. Indien zij toch allerzijden met het lichaam
overhoop liggen, en begeeren de ziel afzonderlijk te hebben, zoude
dan, indien zij bij het geschieden daarvan bevreesd en verstoord
waren, dat geen groote onredelijkheid zijn, als zij niet met vreugde
dáarheen zouden gaan, waar aangekomen zij de verwachting [Kanttekening:
68A] hebben, deelachtig te worden datgene waar zij hun leven lang
op verliefd waren (en verliefd waren zij op inzicht), en verlost te
worden van het samenzijn met datgene waarmeê zij overhoop lagen? Bij
den dood van menschelijke beminden en vrouwen en zonen hebben velen
wel reede naar den Hades willen gaan, geleid door deze verwachting,
dat zij daar zouden zien en zouden samenzijn met hen naar wie zij
verlangden. En zal dan iemand die inderdaad verliefd is op inzicht, en
die krachtig dezelfde verwachting heeft opgevat, dit nergens anders
noemenswaard te zullen aantreffen dan in den Hades, verstoord zijn bij
zijn sterven [Kanttekening: 68B] en niet gaarne daarheen gaan? Men moet
het ervoor houden, indien hij tenminste in-waarheid, o mijn vriend, een
wijsgeer is. Want hij zal krachtig de meening hebben, nergens anders
zuiverlijk inzicht te zullen aantreffen behalve daar. En als dat zoo
is, zoude dan, wat ik zoo-even zeide, het geen groote onredelijkheid
zijn, als de zoodanige vreesde voor den dood?--Voorwaar bij Zeus,
eene groote, zeide hij.--Is derhalve, wanneer gij van een man, zeide
hij, gezien hebt dat hij op het punt van te sterven verstoord is, dit
voor u niet een voldoend bewijs, dat hij dus geen wijsgeerige was,
maar een lijfgierige? En allicht is diezelfde [Kanttekening: 68C] man
ook nog geldgierig en eergierig, hetzij éen van deze beide, hetzij
beide?--Het is geheel zooals gij zegt.--Past derhalve, zeide hij, de
zoogenaamde manmoedigheid niet meest bij de wijsgeeriggezinden?--Ja,
natuurlijk.--En ook de deugdzaamheid, ik bedoel wat de groote menigte
deugdzaamheid noemt: zich niet door zijn begeerten laten vervoeren,
maar, daaromtrent weinig-bekommerd en bezadigd zijn,--past ook die niet
bij dezen alleen, bij hen die zich minst bekommeren om hun lichaam
en leven in wijsbegeerte?--Noodzakelijk, zeide hij.--Immers, indien
[Kanttekening: 68D] gij, zeide hij, de manmoedigheid en deugdzaamheid
der overigen bedenken wilt, zal zij u onzinnig voorkomen.--Hoe zoo, o
Sokrates?--Weet gij dat al de overigen den dood tot de groote rampen
rekenen?--Maar al te zeer, zeide hij.--Bestaan dan de manmoedigen
onder hen den dood, als zij hem bestaan, niet uit vrees voor grooter
rampen?--Dat is zoo.--Doordat zij bang zijn derhalve en uit vrees
zijn allen manmoedig behalve de wijsgeeren. [Kanttekening: 68E] En
toch, het is zinloos, dat men uit vrees en lafheid manmoedig is.--Ja,
voorwaar.--En hoe is het met de bezadigden onder hen? Gaat het met
hen niet net eender? Zijn zij niet deugdzaam wegens een soort van
bandeloosheid? Of wij al zeggen dat dit onmogelijk is, toch komt bij
hen met deze hun dwaze deugdzaamheid een hiermeê gelijkstaand geval
voor. Immers uit vrees van beroofd te zullen worden van andere lusten
en uit begeerte daarnaar, onthouden zij zich van de éene, terwijl
zij door de andere [Kanttekening: 69A] worden beheerscht. Of men nu
al bandeloosheid noemt, door zijn lusten beheerscht te worden, toch
komt het bij hen voor, dat zij zich door lusten laten beheerschen en
daardoor tegelijk heerschen over andere lusten. En dat is gelijk aan
wat zoo-even beweerd werd, dat zij kans-zien wegens bandeloosheid
deugdzaam te zijn.--Ja, dat schijnt zoo.--O gelukzalige Simmias, ik
vrees dat dit niet de juiste wijze van ruilen is om tot deugd te
geraken, lusten tegen lusten en smarten tegen smarten en vrees tegen
vrees in te wisselen en grooter tegen kleiner evenals munten, doch ik
denk dat dit alleen de echte munt is waartegen [Kanttekening: 69B]
men dat alles behoort in te wisselen: inzicht, en dat alles wat men
daarvoor en daarmeê koopt en verkoopt, in-der-waarheid manmoedigheid
is en deugdzaamheid en rechtvaardigheid, en dat alles-te-zaam-genomen
alle ware deugd samengaat met inzicht, of lusten en vreezen en alle
dergelijke dingen daarbij komen of niet. Maar wanneer zij van inzicht
afgescheiden worden en tegen elkander ingewisseld, dan is, vrees ik, de
zoodanige deugd een soort schaduwbeeld van deugd en in-waarheid slaven
waardig, en heeft niets gezonds of waars. Maar het ware, vrees ik, is
[Kanttekening: 69C] inderdaad rein-zijn van alle dergelijke dingen,
en deugdzaamheid en rechtvaardigheid en manmoedigheid en inzicht zelf
een soort reinigende wijding daartoe. En het schijnt dat de ouden die
voor ons de wijdingen der mysteriën hebben ingesteld, niet onnoozel
zijn geweest, maar inderdaad van oudsher symbolisch hebben bedoeld dat
wie ongeheiligd en ongewijd in den Hades komt, in slijk en vuil zal
neder-liggen, maar dat de gereinigde en gewijde na zijn aankomst daar
onder de goden wonen zal. Want „er zijn”, zooals de [Kanttekening: 69D]
met de mysteriën vertrouwden zeggen:
„Thyrsos-drageren veel, maar weinige Bakchos-bezielden.”
Deze laatsten zijn, volgens mijne meening, geene anderen dan die op
ordelijke wijze wijsgeeren zijn geweest. Tot welke te behooren dan ook
ik naar mijn vermogen niets ongedaan gelaten heb in mijn leven, maar op
alle wijze mij moeite gegeven heb. En of ik mij in de juiste richting
moeite gegeven heb, en of wij iets behaald hebben, zullen wij na onze
komst daar zeker weten, als god het wil binnen korten tijd, denk ik.
Deze dingen dan, zeide hij, o Simmias en Kebes, voer ik aan tot mijne
verdediging, dat ik, nu ik u en mijne meesters hier verlaat, op goede
gronden niet toornig of verstoord ben, daar ik meen ook daarginds
niet [Kanttekening: 69E] minder goede meesters en vrienden te zullen
aantreffen dan hier. Indien ik nu in de verdediging ulieden meer
overtuigend ben dan den rechters der Atheners, dan is het wel.
Nadat Sokrates dit gezegd had, nam Kebes het woord op en zeide: o
Sokrates, uwe overige beweringen komen mij [Kanttekening: 70A] schoon
voor, maar die omtrent de ziel schaffen den menschen grooten twijfel.
Zij vreezen, dat zij, wanneer zij van het lichaam gescheiden is,
nergens meer is, maar op dien dag waarop de mensch sterft, zoodra
zij zich van het lichaam scheidt en uitgaat, als adem of rook zich
verspreidt en uitéen-vervliegt en niets en nergens meer is. Want indien
zij ergens ware, op-zich-zelf verzameld en bevrijd van die kwaden welke
gij zoo-even hebt opgenoemd, dan zoude er [Kanttekening: 70B] groote en
schoone hoop bestaan, o Sokrates, dat waar is wat gij zegt. Doch dit
heeft allicht geen geringe kracht van verzekering en gelooven noodig,
dat na den dood van den mensch de ziel bestaat en vermogen heeft en
bezinning.--Gij zegt de waarheid, zeî Sokrates, o Kebes. Doch wat
moeten wij doen? Of wilt gij dat wij juist daarover woord-wisselen, of
het waarschijnlijk zóo is of niet?--Ik, zeide Kebes, zoû gaarne hooren,
welke meening gij erover hebt.--Dan zal tenminste geen toehoorder
nu, meen ik, zeî [Kanttekening: 70C] Sokrates, zelfs al was hij
blijspeldichter, kunnen zeggen, dat ik zinlooze praatjes houd en over
niet-pasgevende dingen spreek. Als men het derhalve goed-vindt, moeten
wij het samen onderzoeken.
Laat ons--hetzij dat de zielen der menschen na hun dood werkelijk
in den Hades zijn, hetzij ook niet--de zaak een oogenblik in die
richting beschouwen. Er bestaat dan een oude overlevering, waarvan
wij de gedachtenis bewaren, dat zij vanhier gekomen daar zijn, en
wederom hierheen komen en ontstaan uit de dooden. En als dìt zoo is,
dat de levenden wederom ontstaan uit de dooden, moeten [Kanttekening:
70D] onze zielen dan daarginds niet bestáan? Want zij zouden toch
niet wederom kunnen geboren worden, indien zij niet bestonden, en dit
is een voldoende bewijs van de waarheid hiervan, indien inderdaad
blijken zoude, dat de levenden nergens anders vandaan ontstaan dan
uit de dooden. Maar als dat niet waar is, dan zouden wij een andere
bewijsvoering noodig hebben.--Zeer waar, zeide Kebes.--Beschouw dat
dan, zeide hij, als gij het gemakkelijker wilt inzien, niet alleen bij
menschen, maar ook bij alle levende wezens en planten, en in-éen-woord
bij alle dingen waar wording bij plaats heeft; laat ons betreffende
alle zien of [Kanttekening: 70E] alle zóo ontstaan, nergens anders
vandaan dan de tegendeelen uit hunne tegendeelen voor-zoo-ver elk ding
zoo-iets heeft, zooals het schoone allicht tegenover het leelijke
staat en rechtvaardig tegenover onrechtvaardig en oneindig veel andere
zaken zich zoo verhouden. Laten wij dit derhalve onderzoeken, of het
noodzakelijk is, dat al wat een tegenovergestelde heeft, nergens anders
uit ontstaat dan uit zijn tegenovergestelde. Bij-voorbeeld, wanneer
iets grooter wordt, is het dan misschien noodzakelijk dat het uit
een ding dat vroeger kleiner was, vervolgens grooter wordt?--Ja.--En
ook wanneer het kleiner wordt, zal het dan niet [Kanttekening: 71A]
uit een ding dat vroeger grooter was, later kleiner worden?--Zoo
is het, zeide hij.--En uit het sterkere het zwakkere en uit het
tragere het snellere?--Zeer zeker, zeide hij.--Verder, als iets
slechter wordt, wordt het dat niet uit het betere, en rechtvaardiger
uit het onrechtvaardigere?--Hoe zoû het niet?--Zijn wij derhalve,
zeide hij, genoegzaam zeker hiervan, dat alle zaken zóo ontstaan:
de tegendeelen uit hunne tegendeelen?--Volkomen.--Hoe verder? Komt
bij hen ook iets van den volgenden aard voor, tusschen elke twee
tegengestelden paarsgewijze twee wordings-overgangen, [Kanttekening:
71B] van het eerste naar het tweede en weêr terug van het tweede
naar het eerste, zooals bij-voorbeeld tusschen een grooter en een
kleiner ding toeneming en afneming voorkomt, en wij daarbij het
toenemen en het afnemen dien naam van wordings-overgangen geven?--Ja,
zeide hij.--Derhalve gaan ook zich-scheiden en zich-vereenigen, en
koud-worden en warm-worden, en alle dingen zoo? En al bezigen wij een
enkelen keer niet den naam, toch is het noodzakelijk, niet, dat het
in werkelijkheid overal zoo gaat, dat zij uit elkander worden en er
een wordings-overgang [Kanttekening: 71C] bestaat tot elkander uit elk
van beide?--Zeer zeker, zeide hij.--Hoe dan? zeî Sokrates. Bestaat er
iets aan leven tegenovergesteld, evenals tegenover wakker-zijn slapen
staat?--Voorzeker, zeî hij.--Wat?--Dood-zijn, zeide hij.--Ontstaan
derhalve niet deze dingen uit elkander, als zij tegenovergesteld
zijn, en zijn ook de wordings-overgangen tusschen hen als paar niet
twee?--Hoe zoû het niet?--Het éene stel van de dingen die ik u zoo-even
opnoemde, zeî Sokrates, zal _ik_ u zeggen, zoowel het-zelf als zijn
wordings-overgangen, en _gij_ mij het tweede. Ik noem dan: slapen en
daartegenover wakker-zijn, en dat [Kanttekening: 71D] uit het slapen
het wakker-zijn ontstaat en uit het wakker-zijn het slapen, en dat
hunne wordings-overgangen zijn de éene inslapen, de andere ontwaken. Is
u dat zoo voldoende of niet?--Volkomen.--Zeg dan ook gij het mij zoo,
zeî hij, omtrent leven en dood. Is uw zeggen niet, dat tegenover leven
dood-zijn staat?--Ja.--En dat zij uit elkander ontstaan?--Ja.--Wat
is derhalve datgene wat ontstaat uit het levende?--Het doode, zeide
hij.--En wat, zeî hij, uit het doode?--Noodzakelijk is het, toe te
geven, het levende.--Uit het doode derhalve, o Kebes, ontstaat het
levende en de levenden?--Het schijnt zoo.--Derhalve [Kanttekening:
71E] bestáan onze zielen, zeî hij, in den Hades.--Zoo lijkt het.--Is
nu niet van de beide wordings-overgangen die hiermeê te maken hebben,
de éene klaarblijkelijk? Immers het sterven is klaarblijkelijk, of
niet?--Zeker, zeide hij.--Hoe moeten wij, zeî Sokrates, derhalve
doen? Zullen wij den tegenovergestelden wordings-overgang daaraan
niet toekennen, doch zal de natuur in dit opzicht mank zijn? Of
is het noodzakelijk, aan het sterven eenigen tegenovergestelden
wordings-overgang toe te kennen?--Zeker wel, zeide hij.--En welke is
die?--Herleven.--Als derhalve, zeide hij, het herleven een feit is, zal
dan herleven niet de [Kanttekening: 72A] wordings-overgang zijn van
de dooden naar de levenden?--Bepaald.--Derhalve komen wij ook langs
dien kant overeen, dat de levenden worden uit de dooden niets minder
dan de dooden uit de levenden. En wij bepaalden immers dat, als dit
zoo was, het een voldoend bewijs zoû zijn, dat noodzakelijk de zielen
der gestorvenen ergens bestaan waarvandaan zij dan weder geboren
worden?--Het komt mij voor, zeide hij, o Sokrates, dat het op grond van
het overeengekomene noodzakelijk zoo is.
--Zie dan nu nog volgenderwijze, zeide hij, o Kebes, dat wij zelfs op
zeer billijke gronden, naar mij voorkomt, dit zijn overeengekomen.
Want indien niet voortdurend het éene door wording, als in een kring
rondgaande, in het [Kanttekening: 72B] andere overging, maar de
wording een soort rechtlijnige zoû zijn van het éene alleen naar het
overgestelde, en indien het niet om zoû buigen en geen enkele bocht
maken, weet gij dat dan alles ten-slotte denzelfden stand zoû aannemen
en in denzelfden toestand komen zoû en op zoû houden te ontstaan?--Hoe
bedoelt gij dat? zeide hij.--Het is niets moeielijks, zeî hij, te
begrijpen wat ik meen. Bij-voorbeeld, als het inslapen wel bestond,
maar het wakker-worden als wordings-overgang uit het slapende daar
niet tegenover stond, begrijpt gij dat ten-slotte al het bestaande
[Kanttekening: 72C] de fabel van Endymioon beuzelpraat zoû bewijzen en
hij nergens meer opvallend zoû zijn om het feit dat al het overige in
denzelfden toestand zoû zijn als hij. En indien alles wel voortdurend
saamgevoegd werd, maar niet weêr gesplitst werd, dan zoû spoedig de
door Anaxagoras beschreven toestand ingetreden zijn: „alle dingen
bij-éen”. Op dezelfde wijze, o waarde Kebes, indien alles wel stierf
zooveel als deel krijgt aan het leven, maar nadat het gestorven is,
het doode in dien stand zoû blijven en niet weder levend zoû worden,
is het dan niet volstrekt noodzakelijk [Kanttekening: 72D] dat alles
ten-slotte dood zoû zijn en niets meer levend? Want indien uit het
overige het levende werd, en het levende stierf, welk middel is er dan,
dat niet alles verbruikt worde aan het dood-zijn?--Geen enkel, komt mij
voor, zeide Kebes, o Sokrates; doch gij spreekt, dunkt me, geheel-en-al
waarheid.--Omdat het, o Kebes, zeide hij, naar het mij toeschijnt,
boven-alles zoo _is_, en wij komen niet juist tot dit resultaat omdat
wij ons laten misleiden, maar inderdaad is zoowel het herléven een
feit, als ook dat uit de dooden de levenden worden, en dat de zielen
der gestorvenen bestaan.