zou u raden, de genoemde personen te laten gevangen nemen en ze hier
met dezen man te confronteeren.”
„Hebt gij de namen onthouden?” vroeg Bastien aan den commissaris.
De beambte knikte.
„Ik heb ze genoteerd,” en hij liet zijn zakboekje zien, waarin hij
eenige aanteekeningen had gemaakt, terwijl Raffles sprak.
„Tracht dan dadelijk de drie personen in hechtenis te nemen, voorzie u
van zooveel hulp als gij noodig oordeelt en breng ze alle drie hier in
mijn kabinet.”
De commissaris van politie maakte een buiging en ging heen.
In de kamer van den rechter van instructie heerschte eenige
oogenblikken een ademlooze stilte, daarop sprak Bastien tot Raffles:
„Mylord, door dit bloedige intermezzo treedt uw zaak voorloopig op den
achtergrond en zal ik eerst morgen een verhoor kunnen afnemen.”
Met een beleefden glimlach voor Bastien buigende, antwoordde de groote
onbekende:
„Ik denk niet, Edelachtbare, dat ik mij morgen nog; tot uw beschikking
stel.”
„Wat beteekent dat?”
De rechter keek hem vol verbazing aan en ook Baxter, was in angstige
spanning opgesprongen.
Maar rustig glimlachend vervolgde Raffles:
„Ik laat het geheel aan u zelf over, heeren, om mijn woorden uit te
leggen, zooals het u het beste voorkomt!”
„Probeer niet te ontkomen,” sprak Bastien nu op barschen toon, „ik zal
ervoor zorgen, dat gij voortdurend onder bewaking blijft.”
„Ik dank u voor uw vriendelijke waarschuwing,” antwoordde Raffles,
„maar als gij inlichtingen van mij wenscht omtrent de moordzaak in de
Rue Bayen, dan verzoek ik u, die nu te vragen.”
„Als de beschuldigden hier gebracht worden, zal ik ze met u
confronteeren, tot zoolang zult gij geduld moeten hebben.”
Bastien belde en de twee wachten traden binnen.
„Brengt den gevangene in de kamer hiernaast,” beval hij hun. „Gij
blijft bij hem in de kamer en houdt hem voortdurend in het oog. Gij
zijt met uw eigen persoon verantwoordelijk voor hem.”
De beide agenten namen Raffles in hun midden en gingen met hem in het
andere vertrek, waar de gevangene op de bank plaats nam.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE VLUCHT VAN RAFFLES.
In de gangen van het gerechtsgebouw klonken de verwardste geluiden door
elkaar. Zooals het steeds gaat in dergelijke gevallen, waren ook nu de
gekste berichten verspreid op onverklaarbare wijze.
De plotselinge komst van een commissaris van politie had aanleiding
gegeven tot de malste verhalen en nadat de commissaris het kabinet van
den rechter van instructie weer had verlaten, om met alle beschikbare
agenten, zes in aantal, het gebouw te verlaten, deden de meest
fantastische verhalen omtrent de Raffles-zaak de ronde.
Nu vertelde men, dat de Engelsche Lord Lister niet alleen had gewerkt,
maar dat hij een geheel leger van helpers had gehad en plotseling
herinnerde iemand uit het publiek zich, dat hij van een misdaad had
gehoord, die nimmer was opgehelderd en waarvan de schuld ook op
rekening kwam van Raffles en zijn bende.
De journalisten, die doorloopend in de gangen van het gebouw aanwezig
waren, begonnen dit verhaal op hun manier uit te werken en penden voor
hun couranten ellenlange verhalen, voor welker deugdelijkheid zij
instonden. Steeds kwamen nieuwe verrassingen en de vulpennen vlogen in
koortsachtige haast over de bladen van de verslaggeversboekjes, die bij
gedeelten door kruiers en loopjongens naar de redacties werden gebracht
om nog in de middagbladen te worden opgenomen.
Charly, die de corridors, nog niet had verlaten, werd ongerust door dat
gewirwar van allerlei onzinnige berichten.
Zijn angst over het lot van zijn vriend werd grooter, vooral omdat hij
niet kon nagaan, in hoeverre de berichten waarheid behelsden, en daar
de handelingen van zijn vriend ook voor hem in de laatste dagen een
geheim waren gebleven, pijnigde hij tevergeefs zijn hersens met te
bedenken, op welke wijze hij in dezen zou kunnen helpen.
Op het commissariaat van de politie op de Place de la Bastille was men
reeds verwittigd van den gewelddadigen dood van Margot, toen de
commissaris uit de Avenue Niel binnentrad.
Zijn collega was blijkbaar verrast, toen de ander hem met wiskundige
zekerheid de namen van de moordenaars kon mededeelen en met behulp van
de wijkbeambten werd vastgesteld, dat Letourneur en Crachat, beide oude
bekenden van de politie, op een kleine gemeubileerde kamer in de Rue de
la Tour St. Jacques woonden.
Het was niet bezwaarlijk, hef tweetal daar te overvallen, daarentegen
vonden de beambten het een allesbehalve aangenaam corvée om zich
meester te maken van Pistolet.
De lichaamskrachten van dezen man waren in dat stadsgedeelte alom
bekend en als het hem inviel om zich tot het uiterste te verzetten, zou
het zeer de vraag zijn of het gelukte den reus levend in handen te
krijgen.
Voorzien van wapens en boeien begaf de commissaris van de Avenue Niel
zich met zes van de sterkste beambten op weg naar de Rue Popincourt,
naar de herberg „De wakende Engel”, terwijl de commissaris van de
Bastille met vier man optrok naar de Rue de la Tour St. Jacques, om
zich meester te maken van Letourneur en Crachat.
Toen de politieagenten den ingang van den kelder hadden bereikt, vonden
zij de deur gesloten.
De concierge van het gebouw wees hun den ingang aan den achterkant en
op hun lang, aanhoudend kloppen vernamen de beambten eindelijk een
geluid, alsof iemand de deur naderde.
De deur werd door een oud, gerimpeld vrouwtje geopend, dat met
slaperige oogen den commissaris vroeg, wat hij wenschte.
„Is Pistolet thuis?” vroeg de beambte.
„Ja, maar hij slaapt nu, wij maken eerst om vier uur open en Pistolet
slaapt altijd tot drie.”
„Dan zal hij vandaag een beetje vroeger moeten opstaan,” sprak de
commissaris, terwijl hij de oude wegduwde.
Hij wilde het liefst den reus in zijn slaap verrassen, want als het hem
gelukte, Pistolet in bed te boeien, vermeed men een gevecht op leven en
dood.
Gevolgd door zijn mannen, daalde hij zoo zacht mogelijk de keldertrap
af en toen zij de keuken hadden bereikt, die in schemerdonker was
gehuld, vernamen zij in een alcoof het regelmatige, luide snurken van
een slapende.
Voorzichtig opende de commissaris de houten deur naar de alcoof.
Daar lag op een veldbed, met alle kleeren aan, Pistolet in een diepen
slaap.
Het bed stond op eenigen afstand van den muur, zoodat zich aan
weerskanten drie agenten konden opstellen, gereed om zich, bij de
geringste beweging van den slapende, op hem te werpen.
De commissaris haalde zijn dienstrevolver te voorschijn. Voorzichtig
ging hij met het wapen in de rechterhand aan het hoofdeinde van hef bed
staan, terwijl hij met de linker den slapende heen en weer schudde.
Pistolet opende de oogen.
Zijn verbaasde blik vloog langs de gestalten van de politiemannen, die
bij zijn bed stonden en met een vloek wilde hij in de hoogte springen,
toen op hetzelfde oogenblik de commissaris hem zijn revolver onder den
neus duwde.
„Blijf liggen!” schreeuwde de beambte.
„Wat wilt gij van mij?” klonk het op woedenden toon terug.
„Pistolet,” antwoordde de commissaris, „men verdenkt er u van, vannacht
den particulier Menuisier en zijn huishoudster in de Rue Bayen vermoord
en bestolen te hebben.”
De beschuldigde verbleekte en sprak stamelend:
„Ik ben vannacht niet uitgeweest, dat kan ik bewijzen.”
De commissaris had gezien, hoe Pistolet verbleekte en dit onmiskenbare
zelfverraad deed hem zijn toevlucht nemen tot een oud middel.
„Het helpt niet, of je ontkent!” sprak hij. „Crachat en Letourneur
hebben alles verraden!”
Een schreeuw van woede, als van een aangeschoten tijger klonk van
Pistolets lippen.
Hij wilde opspringen, maar de zes agenten hadden zich reeds op hem
geworpen en terwijl de commissaris hem bij de keel pakte en zijn hoofd
weer in de kussens terugdrukte, gelukte het de anderen, den woesteling
aan handen en voeten te binden.
Maar zelfs nu nog scheen het onmogelijk, den reusachtigen kerel, die
zich in machtelooze woede van het bed op den grond had laten vallen,
naar buiten te dragen.
Hij sloeg met zijn vastgebonden handen en voeten om zich heen en de
beambten durfden hem nauwelijks naderen.
Eindelijk werd hij gerold in de vuile deken, die op zijn bed lag en zoo
gelukte het eindelijk, om hem, die nog steeds schreeuwde en tierde,
langs de steile keldertrap naar boven te sleepen en in den
gereedstaanden boevenwagen naar het paleis van justitie te vervoeren.
Intusschen had de commissaris van politie van de Bastille zijn plicht
gedaan in de Rue de la Tour St. Jacques en zijn werk was gemakkelijker
geweest dan dat van zijn collega, die Pistolet moest overweldigen.
Crachat, die slapeloos heen en weer woelde op zijn legerstede, had
bevend en sidderend ook niet de geringste poging gewaagd, om zich te
verzetten.
De handboeien werden hem aangedaan en men liet hem achter onder
bewaking van een politieagent, terwijl de anderen Letourneur gingen
opzoeken.
Tegenover dezen jongen man, wiens woestheid bij de politie bekend was,
was uiterste voorzichtigheid geraden, want men mocht niet hopen met hem
even gemakkelijk klaar te komen als met Crachat.
Maar een verrassing wachtte den beambten.
Letourneur, wiens kleine, gedrongen gestalte krachtig genoeg was om
zichzelf op voldoende manier tegen een aanval te verdedigen, Letourneur
maakte den indruk van groote gevoelloosheid.
Hij was niet verrast, doch scheen het bezoek van de politie te
verwachten.
De dood van zijn beminde had alle energie, die hij anders in groote
mate bezat, in hem gedood en zonder weerstand te bieden reikte hij den
commissaris van politie zijn handen, om zich te laten boeien.
Bij de voordeur wachtte een tweede gevangenwagen, die de beide jonge
mannen naar het paleis van justitie bracht en toen zij daar onder het
gejoel van de menigte uitstapten, kwam daar juist ook het transport van
Pistolet aan.
De waard uit „De Wakende Engel” kreeg een nieuwen aanval van woede,
toen hij zijn beide makkers zag. Men had hem de boeien van de voeten
verwijderd. Hij maakte nu een beweging, alsof hij zich op Crachat en
Letourneur wilde werpen, maar de agenten, waarbij zich nog
verschillende uit het gebouw zelf voegden, hielden hem vast en brachten
hem langs de trap naar het kabinet van Bastien.
Achter hem volgde de troep in wiens midden zich Crachat en Letourneur
bevonden.
Toen het drietal geboeid voor Bastien stond, moest men, om Pistolet in
bedwang te houden, dezen opnieuw de voetboeien aanleggen.
Onophoudelijk schreeuwde hij:
„Ik ben onschuldig, ik heb niets misdaan!” terwijl de beide anderen,
zonder een woord te spreken, voor zich uitstaarden.
Bastien, aan wiens zijde Baxter nog steeds zat, had eenigen tijd vol
belangstelling naar den woesteling gekeken en, toen deze oogenblik
zweeg, riep hij hem toe:
„Pistolet, ik geef je den goeden raad om kalm te blijven, als gij
onschuldig zijt, zal dat spoedig aan het licht komen.
„Voorloopig verdenkt men er u van, in den loop van den vorigen nacht
alleen of in gezelschap van deze twee (daarbij wees hij op Letourneur
en Crachat) den heer Menuisier en zijn huishoudster in de Rue Bayen
vermoord te hebben.”
„Dat is een leugen!” brulde Pistolet, „ik heb om twee uur mijn herberg
gesloten en daarna mijn huis niet meer verlaten, ik kan mijn alibi
bewijzen!”
„Zooveel te beter voor u!” sprak de rechter van instructie, „ik zal
dadelijk den man voor u brengen, die u beschuldigt,” en op bevel van
den heer Bastien werd Raffles, die zich nog steeds in het aangrenzend
vertrek bevond, binnengebracht.
Raffles verscheen en, terwijl hij deed, alsof hij uit veiligheid voor
zich zelf zoover mogelijk uit de buurt van Pistolet bleef, naderde hij
het openstaande venster.
Hij hield zijn handen nog steeds vast tegen zijn lichaam gedrukt,
terwijl zijn doordringende blik onderzoekend langs de drie kerels
gleed, die van een zwaar misdrijf werden beschuldigd.
„Herkent gij dien heer?” vroeg de rechter van instructie nu aan
Pistolet.
„Dien hebben wij immers gisteren bij ons gevangen genomen. Die ander
heer daarginds”, en Pistolet wees met het hoofd naar Baxter, „vertelde
ons, dat hij de Engelsche dief Raffles is.”
„Mylord!”
Bastien wendde zich weer tot Raffles.
„Wilt gij ons nu uitleggen, welke redenen gij hebt, om deze lieden van
den moord op Menuisier en de oude huishoudster te beschuldigen?”
„Zeer gaarne!” antwoordde Raffles, terwijl hij de schrijftafel van den
rechter van instructie een paar schreden naderde.
„Ik begaf mij gisteravond tegen half tien in de u bekende vermomming in
de onderaardsche kroeg van „de Wakende Engel.”
„Ik wist namelijk, dat kapitein Baxter daar in den loop van den nacht
zou verschijnen.
„Mijn eenige bedoeling was om mijn vriend Baxter van dichtbij gade te
slaan en hij zou mij nooit herkend hebben als die vrouw mijn valsche
baard en pruik niet had afgerukt.
„Toen ik de herberg binnentrad, was er nog vrij weinig publiek, alleen
aan een tafeltje dicht bij het mijne zaten deze twee, waarbij de waard
af en toe plaats nam.
„Tegen elf uur kwam een groot, forsch meisje het lokaal binnen, en zij
werd door de weinige gasten die aanwezig waren, als een oude bekende
begroet.
„Zij zelf gaf slechts korte antwoorden op de intimiteiten, die men haar
toeriep, en ging naar het tafeltje naast mij, waaraan de beide jonge
mannen zaten.
„Op dit oogenblik kwam ook de waard er weer bij en ik hoorde duidelijk,
dat hij haar vroeg:
„„Nu Margot, hoe staat het er mee? Ben je al wat aan den weet gekomen?”
„De waard sprak heel zacht, en bediende zich van de echte boeventaal.
„Ik heb echter een uitstekend gehoor en bovendien sprak ik vloeiend de
taal der lieden uit die kringen. Dus ik verstond hem.
„Ook verstond ik, hoe het meisje antwoordde:
„„Ik heb het al tegen Letourneur gezegd, de oude ligt ziek te bed en
mijn tante Coralie, dien naam hoorde ik zeer duidelijk, is zoo doof,
dat zij in ’t geheel niets merkt.”
„Daarop mengde zich de man, die Letourneur moest zijn, in het gesprek
en verklaarde, dat Crachat ook van de partij zou zijn, want dat hij hem
had overgehaald.”
Bastien keek de drie misdadigers vragend aan.
„Wat hebt gij op deze beschuldiging te antwoorden?”
Maar Crachat en Letourneur zwegen, alleen Pistolet brulde:
„De ellendeling liegt! Waarom heeft de schurk het niet reeds
gisteravond gezegd, als hij het zoo nauwkeurig heeft gehoord?”
Een blik uit Raffles’ oogen boorde zich diep in het van woede
verwrongen gelaat van den herbergier en deed dezen zwijgen.
„Ik heb gisteravond niet gesproken, omdat ik de beteekenis van hun
woorden toen nog niet begreep. Deze werd mij eerst heden duidelijk,
toen ik van den moord op Menuisier en diens huishoudster hoorde.
„Voor de rest”, en nu wendde Raffles zich tot den rechter van
instructie, „moest het gemakkelijk zijn om vast te stellen of de
vermoorde huishoudster werkelijk een tante van Margot la Brune is
geweest.”
Er heerschte een pauze.
Bastien, die in het opvallende stilzwijgen van Letourneur en Crachat
een bewijs voor de juistheid van Raffles’ beweringen zag, wendde zich
nu tot deze twee.
„Wilt gij door uw stilzwijgen uzelf bezwaren of wilt gij eenige
ophelderingen in deze zaak geven?”
Letourneur’s mond bleef gesloten. Hij bleef bewegenloos staan.
Een rilling voer door het lichaam van Crachat.
Hij richtte in hulpeloozen angst zijn oogen op den rechter van
instructie en haperend klonk het van zijn lippen:
„Ik heb ze niet vermoord, ik heb het niet gedaan!”
Bastien sprong van zijn stoel op, want hij begreep, dat de jonge man op
het punt was, te bekennen.
„Wie dan?” riep hij hem toe. „Wie heeft de moorden begaan?”
Crachat keek schuw om zich heen en verwijderde zich nog een paar
schreden van Pistolet en Letourneur.
Hij wierp een angstigen blik op zijn beide makkers en met trillende
lippen sprak hij, bijna fluisterend:
„Ik heb alleen maar aan de deur opgepast, Pistolet en Letourneur hebben
hen doodgestoken.”
Een kreet van woede ontsnapte aan de lippen van den herbergier.
Hij scheurde aan zijn boeien, wierp zich op den grond, om zoo naar
Crachat toe te kruipen, en deze ging vol angst en van top tot teen
sidderend, in een hoek staan.
Maar de boeien beletten Pistolet om zijn voornemen uit te voeren; als
een enorme vleeschklomp viel hij brullend van woede op zij.
„Verrader!” krijschte hij en een stroom van de allergemeenste
scheldwoorden kwam uit zijn mond.
Alleen Letourneur stond er onverschillig bij, alsof alles, wat daar
rondom hem gebeurde, hem niets aanging.
Aanklacht en bekentenis—alles liet hem koud.
De ontzettende straf, die op de misdaad, waaraan hij medeplichtig was,
zou volgen, een straf, die hij zeker niet zou ontloopen, boezemde hem
niet den minsten schrik in.
Als droomend staarde hij naar de woeste tooneelen, die zich in dit
vertrek afspeelden; al zijn gedachten verwijlden bij zijn gestorven
liefje en nu, nu Margot er niet meer was, was het hem onverschillig,
wat er met hem gebeurde.
De rechter van instructie beefde van opgewondenheid; zijn hand kon de
pen bijna niet besturen, toen hij de bekentenis van Crachat op protocol
bracht.
Doodsche stilte heerschte nu in het vertrek, zelfs Pistolet zweeg.
De toomelooze woede van den eigenaar van „De Wakende Engel” uitte zich
niet meer in woorden, doch nog alleen in dreigende blikken, welke hij
afwisselend op Raffles en Crachat wierp.
Bastien was gereed met schrijven en, terwijl hij achterover leunde in
zijn stoel, sprak hij:
„Ik zal u nu laten wegbrengen, deze voorloopige bekentenis is mij
voldoende. Ik geef u allen den raad, om niet te trachten de waarheid te
verbergen. Morgen zal ik u elk afzonderlijk verhooren en gij, Mylord,
zult daarbij tegenwoordig zijn”.
Raffles glimlachte ironisch, hij had zijn plan reeds vastgesteld en was
vast besloten, het ten uitvoer te brengen, want een andere gelegenheid
zou hij waarschijnlijk niet meer hebben om te vluchten.
„Het doet mij leed, edelachtbare, ik zal u dat genoegen niet kunnen
doen!”
„Gij weigert, om mij de behulpzame hand te bieden bij het ontmaskeren
van deze misdadigers?” vroeg Bastien verbaasd.
„Ik heb alles gezegd, wat ik er van weet,” antwoordde Raffles
glimlachend, „ik heb u mijn hulp verleend, de moordenaars bevinden zich
in handen der justitie en nadat deze man zooeven heeft bekend, kan het
niet moeilijk meer zijn, deze zaak tot een goed eind te brengen.
„Mijn hulp hebt gij dus niet meer noodig, maar zelfs als dit wel het
geval zou zijn, zou ik u tot mijn spijt niet meer van dienst kunnen
zijn.”
Bij die woorden gleed een glimlach vol hoonende ironie over het gelaat
van den spreker.
„Want,” vervolgde hij, „ik ben niet van plan om langer hier te
blijven!”
„Wat beteekent dat?” riep de rechter van instructie met de grootste
verbazing uit, „wilt gij vluchten?”
„Zeker!” antwoordde Raffles met een vriendelijk lachje, „en gij zult
mij dat niet kunnen beletten!”
Baxter, die in angstige spanning naar de spottende woorden van zijn
vijand had geluisterd, sprong nu naar Raffles toe, want hij vermoedde,
dat zijn prooi op het punt stond om hem te ontglippen.
Maar op dit oogenblik gingen de schijnbaar aan elkaar gebonden handen
van Raffles uiteen, de Engelsche detective kreeg een vreeselijken stoot
in de borst, waardoor hij met geweldige kracht in een hoek van de kamer
werd geslingerd.
Daarop snelde Raffles naar de tafel van den rechter van instructie en
bliksemsnel, nog voordat Bastien begreep wat er gebeurde, had de
gevangene zijn eigen Browning revolver gegrepen, die men hem den
vorigen dag had afgenomen.
Met een enkelen sprong stond Raffles op de vensterbank van het geopende
raam.
„Adieu heeren, als gij Raffles ooit weer te pakken mocht krijgen, moet
gij hem beter bewaken!”
Baxter was weer opgestaan en, hoewel de revolver dreigend op hem was
gericht, snelde hij naar het venster, om den vluchteling tegen te
houden.
Maar lachend wierp Raffles hem het wapen voor de voeten en met een
geweldigen sprong vloog hij uit het raam van het paleis van justitie de
Seine in.
Nu had Baxter het raam bereikt en nog juist kon hij zien, hoe zijn
gevangene in de troebele golven van de Seine verdween. (Zie het
titelblad).
De groote bel van het paleis van justitie weerklonk door het geheele
gebouw.
„Raffles is ontsnapt,” klonk het door de gangen en een talrijke
menschenmassa snelde in een oogenblik naar de oevers van de rivier, om
te zien, waar de vluchteling weer zou komen opduiken.
Maar tevergeefs, geen spoor was van den gentleman-dief te ontdekken.
Niemand zag, dat een man zich vastklampte aan het kleine bootje, dat
bevestigd was aan een passagiersboot, die in de richting naar Point du
Jour stoomde. Het gelaat van dien man was verborgen door de kiel van
het kleine vaartuigje, dat gedeeltelijk boven het water uitstak; zijn
handen omklemden met krachtigen greep het roer, dat door het water
gleed.
Zoo ging Raffles, terwijl een onafzienbare menschen-menigte hem
tevergeefs zocht en terwijl de tijding van zijn vlucht reeds door de
straten van Parijs weerklonk, zijn opnieuw verkregen vrijheid tegemoet.
NEGENDE HOOFDSTUK.
IN DE VRIJHEID TERUG.
De „Mouche”, een der kleine Seine stoombooten, die op geregelde tijden
varen ten dienste van het drukke verkeer langs de rivier, gleed voort
over de geel-troebele golven en nam koers naar de rechterzijde der
rivier om aan den steiger dichtbij het reuzengebouw van het Louvre aan
te leggen.
Het kleine reddingsbootje, dat als een notedop op en neer schommelde,
volgde alle bewegingen van het schip, waaraan het door een stevig touw
was verbonden.
Terwijl de „Mouche” aan de kade aanlegde, om daar nieuwe passagiers,
die reeds stonden te wachten, op te nemen, schoof het kleine bootje,
als door den stroom meegevoerd, vlak langs den oevermuur tot onder de
landingsbrug, voor zoover het kabeltouw, waaraan het vast lag, dit
veroorloofde.
In het gewoel van het drukke verkeer lette niemand op deze beweging van
het kleine vaartuig, dat nu met den voorsteven geheel onder den houten
steiger verborgen was.
En toch, als iemand er op dit oogenblik aan had gedacht daaronder eens
een kijkje te nemen, die zou een ontdekking hebben gedaan, welke van
hef allergrootste belang was voor de politie van alle landen, maar
vooral voor de Parijsche overheid!
Vanonder de kiel van het bootje kwam zeer behoedzaam het van water
druipende hoofd van een man te voorschijn, wiens verdere lichaam onder
de oppervlakte van het water in de rivier verborgen was.
Zelfs het hoofd bevond zich nog gedeeltelijk onder water, alleen het
gelaat bleef boven.
Het was Raffles!
Hij bevond zich op dat oogenblik niet in den allerprettigsten toestand,
want, hoe gemakkelijk het ook voor hem was om op deze manier aan het
oog der politie te ontgaan, minder licht zou het hem vallen, weer aan
dit koele bad te ontkomen, ten minste als hij het wilde vermijden om
dadelijk weer in handen der politie te vallen.
Hier op deze drukke plaats in het midden der stad viel er in het geheel
niet aan te denken, om aan land te gaan.
Een druipnat persoon, die bij klaarlichten dag uit de golven der Seine
te voorschijn kwam om zich tusschen de menschen te begeven, zou
zoodanig opvallen, dat de agenten van politie, die overal in den omtrek
aan het zoeken waren, zeker zoo veel belangstelling voor hem aan den
dag zouden leggen, als Raffles liever niet had.
Er bleef hem dus niets anders over dan te wachten.
Voorzichtig waagde hij het, vanuit zijn schuilplaats een blik
stroomopwaarts te werpen naar de kade bij het paleis van justitie.
Op dezen tamelijk grooten afstand kon hij niet alles even duidelijk
onderscheiden, maar dank zij zijn uitstekende oogen kon de vluchteling
toch zien, dat de opgewondenheid van de menigte, die daar saamgestroomd
was, door zijn persoon was teweeggebracht.
Hij zag verscheiden hoofden over den kademuur gebogen, om in het water
te kijken.
Raffles moest onwillekeurig lachen bij de gedachte aan de verbazing van
zijn vriend, kapitein Baxter, die zijn prooi, welke hij reeds zoo
veilig waande, weer voor zijn oogen zag verdwijnen.
Maar de gedachte aan zijn eigen veiligheid liet hem niet veel tijd over
om hier stille triomfen te vieren.
Hij hoorde, dat boven zijn hoofd de loopplank weer weggetrokken werd.
De „Mouche” had haar passagiers opgenomen en maakte zich gereed om haar
weg te vervolgen.