gebouw te zoeken, want de stroom van nieuwsgierigen wees hem vanzelf
aan, waar het cabinet van den rechter van instructie zich bevond.
Hij liep de gang door, aan wier eind zich het vertrek bevond, en nog
steeds zonder eigenlijk plan wat hem te doen stond, drong hij langs de
groepen nieuwsgierigen, toen hij bij een der vensters Baxter zag staan,
die omringd was door meerdere Fransche journalisten.
In een oogwenk rijpte een plan in zijn hersens en zonder langer na te
denken, in hoeverre hij het zou kunnen volvoeren, naderde hij de groep
bij het raam en, terwijl hij de Parijsche reporters in de rede viel,
riep hij in het Engelsch:
„Neem mij niet kwalijk, kapitein Baxter!”
De Engelsche detective, verrast zijn moedertaal te hooren, wendde zich
tot den vreemdeling en zonder een vraag af te wachten, vervolgde Charly
in het Engelsch:
„Ik ben de Parijsche verslaggever van de „Times” en zou graag eenige
bijzonderheden van u weten.”
Deze woorden hadden een verrassende uitwerking.
Dadelijk liet hij de Fransche journalisten in den steek, om zich
uitsluitend tot den voorgewenden vertegenwoordiger van het groote
Engelsche blad te wenden.
Zijn ijdelheid was opgewekt en hij zag plotseling de mogelijkheid voor
zich, om in het grootste en meest gelezen blad van het Vereenigd
Koninkrijk schitterend reclame te maken.
Zonder verdere vragen van Charly af te wachten, begon hij hem
inlichtingen te verstrekken.
Hij vertelde hem het voorgevallene en eindigde met de woorden:
„Dezen keer heb ik hem vast, daar binnen”, hij wees op een deur naast
de kamer van den rechter van instructie, door twee agenten bewaakt,
„daar zit hij en dezen keer ontsnapt hij mij niet!”
Charly beefde van opgewondenheid.
Daarbinnen, slechts door een kleine deur van hem gescheiden zat zijn
vriend en hij moest hier buiten wachten, zonder hem te kunnen helpen.
Zelfs zien mocht hij hem niet, geen enkelen blik met hem wisselen.
Maar met goed gespeelde onverschilligheid wendde hij zich weer tot den
detective tot wien hij, zoo langs zijn neus weg, sprak:
„Ik heb indertijd dien Lord Lister eens in Londen gezien. Zou ik mij er
even persoonlijk van mogen overtuigen, of hij in dien tijd veel
veranderd is?”
„O ja, ik kan u wel even binnen brengen, maar slechts voor weinige
oogenblikken”, antwoordde Baxter, die alles in het werk stelde om een
prachtig artikel in de Times te krijgen en, terwijl hij vertrouwelijk
zijn arm door dien van Charly stak, ging hij met hem naar de deur,
waarvoor de twee agenten de wacht hielden.
Raffles had den vreeselijksten nacht van zijn geheele leven
doorgebracht.
Toen Baxter hem door de Fransche agenten van politie in een der cellen
had laten opsluiten, begon hij in te zien, dat zijn toestand zeer
hachelijk was.
Zijn polsen waren geboeid, zijn wapens en alles wat hij verder bezat,
was hem afgenomen en toen hij in zijn eenzame cel over zijn lot begon
na te denken, zag hij geen kans, dezen keer aan de justitie te
ontsnappen.
Zelfs al zou het hem gelukken om de sterke riemen, die de handboeien
met elkaar verbonden, los te maken, dan zou hem dat weinig kunnen
baten.
Want uit deze cel, die bovendien nog voor deze gelegenheid onder
bijzonder toezicht stond van een aparte wacht, zou hij niet kunnen
ontsnappen.
Mistroostig wierp hij zich op de smalle matras en trachtte te slapen,
maar het gelukte hem niet.
Ontelbare gedachten en plannen gingen door zijn hoofd, maar hij
verwierp ze alle dadelijk weer, totdat hij het eindelijk opgaf, zijn
hersens verder te kwellen. In stille berusting strekte hij zich uit op
de harde legerstede om na te denken over hetgeen hem nu te wachten
stond.
Raffles was er de man niet naar, om berouwvol terug te denken aan de
dingen, die achter hem lagen.
Hij zou zijn lot dragen en hoopte, dat het toeval, dat hem reeds zoo
dikwijls gunstig was geweest, hem ook in de toekomst wel weer zou
dienen.
Zonder verder over de dingen na te denken wachtte hij, met starende
oogen in het donker kijkend, het aanbreken van den dag af.
Om 7 uur in den morgen bracht een opzichter hem een groote kom koffie
met wittebrood. Maar omdat de beambte weigerde, Raffles van zijn boeien
te ontdoen, liet de gevangene het ontbijt onaangeroerd en bleef rustig
wachten, tot men eindelijk kwam om hem te halen.
Twee soldaten liepen met gevelde bajonet naast hem, terwijl een
opzichter der gevangenis hun voorging om den weg te wijzen.
In een kleine kamer naast het kabinet van den rechter van instructie
werd hij binnengebracht. Een bank, die aan den muur was vastgetimmerd,
vormde het geheele ameublement en het eenig venster was voorzien van
dikke ijzeren tralies.
Raffles bleef alleen in de kamer, maar hij wist, dat de deuren bewaakt
werden en hij had niet de minste hoop, van hier te kunnen ontvluchten.
Hij had nog geen enkel plan gemaakt, hoe hij zich tegenover den rechter
van instructie zou gedragen en eerst nu begonnen zijn gedachten zich
daarmee bezig te houden.
Onverschillig, alsof hij zich in de wachtkamer van een dokter bevond,
ging hij op de bank zitten om na te denken.
Plotseling werd de deur geopend, de beide wachten traden binnen en op
hen volgden Baxter en— —Raffles durfde zijn oogen niet gelooven—achter
den detective van Scotland Yard volgde Charly Brand.
In het eerste oogenblik dacht hij, dat Charly ook in hechtenis was
genomen, maar dadelijk daarop begreep hij uit de ongedwongen manier
waarop zijn vriend met Baxter sprak, dat het Charly gelukt was door de
een of andere list hier binnen te komen.
Om zijn vriend, wiens plannen hij niet kende, niet in de wielen te
rijden, bleef Raffles kalm en onverschillig, alsof het binnentreden van
dezen persoon hem niet interesseerde.
Hij hoorde Charly vragen, of hij met den gevangene mocht spreken,
waarop Baxter zich tot Raffles wendde.
„Raffles, hier is een verslaggever van de Times, die u graag een paar
vragen, zou stellen.”
Bliksemsnel begreep Raffles, op welke wijze zijn dappere vriend zich
toegang had weten te verschaffen en Charly, die eerst nu de leeren
riemen zag, waarmee de handen van zijn vriend samengebonden waren,
haalde, terwijl hij eenige onbeduidende vragen deed, een zakmes te
voorschijn, opende dat en begon zijn potlood te slijpen.
Plotseling viel het mes op den grond, Charly bukte zich en terwijl zijn
linkerhand het wegrollende potlood greep, schoof hij met de andere met
een haastige beweging het geopende zakmes onder de bank.
De truc was gelukt, Baxter noch de beide beambten hadden iets gemerkt,
alleen aan Raffles was niets ontgaan en hij ging op zoodanige wijze
voor de bank staan, dat het mes niet toevallig ontdekt kon worden.
Hij uitte den wensch om weer alleen te zijn en op onvriendelijken toon
sprak hij tot den journalist:
„Mijnheer, ik geef u verder geen inlichtingen voor uwe courant; voor
den rechter van instructie zal ik spreken, eerder niet!”
Baxter troostte Charly door hoonend op te merken:
„De Lord is niet in een goede bui en u begrijpt zeker wel waarom, maar
ik zal u later alles vertellen, wat hij aan den rechter van instructie
heeft opgebiecht.”
Daarop ging hij met den verslaggever van de Times weer heen, terwijl de
beide wachten hun post voor de deur weer innamen.
Raffles was alleen.
Nauwelijks was de deur weer gesloten, of hij viel op de knieën en
haalde met zijn samengebonden handen, waarvan hij de vingers gelukkig
vrij kon bewegen, het mes van onder de bank te voorschijn, dat daar
geopend op den vloer lag.
Hij dacht een oogenblik na, daarop nam hij het heft van het mes in den
mond en, terwijl hij het stevig tusschen zijn tanden klemde, schoof hij
het scherpe staal tusschen de tamelijk vast aaneengebonden polsen en
met een krachtigen ruk sneed hij de leeren riemen door.
Hij kon zijn armen nu vrij bewegen; wel droeg hij aan iederen pols nog
den ijzeren band, maar die hinderden hem niet in zijn bewegingen.
Hij nam het mes, stak het in zijn zak en daar hij op dat oogenblik
schreden voor de deur hoorde, drukte hij zijne handen weer tegen elkaar
en tegen zijn lichaam aan, zoodat het onmogelijk was om op te merken,
dat de boeien doorgesneden waren.
Hij had zich niet vergist.
De deur, die naar het kabinet van den rechter van instructie leidde,
werd geopend, twee andere soldaten kwamen binnen en namen Raffles mee
om verhoord te worden.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE ONTDEKKING.
De commissaris van politie in de Avenue Niel was zeer gebeten op den
heer Menuisier, die onder zijn afdeeling behoorde.
Ten gevolge eener zaak, waarvan de rechter van instructie Bastien hem
de bijzonderheden niet had medegedeeld, moest terwille van Menuisier
bijzonder veel personeel in dienst worden gehouden sinds den vorigen
dag.
Een deel van de luidjes moest dag en nacht aan den gewonen dienst
worden onttrokken, teneinde den post te bezetten in het tuinhuis van de
Rue Bayen.
Het was half elf in den morgen.
De commissaris was juist zijn bureau binnengekomen en bijna op
hetzelfde oogenblik kwam van het paleis van justitie het telephonisch
bevel om Emile Menuisier dadelijk in hechtenis te nemen en voor den
rechter van instructie Bastien te geleiden.
De commissaris hing de telefoon aan den haak en stiet een verwensching
uit.
Hij zou het dien Menuisier inpeperen, aan dien kerel zou hij zijn booze
bui koelen en, met het doel, de inhechtenisneming persoonlijk te
leiden, riep hij twee van zijn brigadiers binnen, met wie hij het
commissariaat verliet.
Hij belde aan het huis in de Rue Bayen.
Maar niemand deed open en toen hij eindelijk vol ongeduld tegen de deur
beukte, naderden schreden en de deur werd geopend, maar niet door
Menuisier of de huishoudster.
Een van de politieagenten, die in het tuinhuis de wacht hielden, deed
open.
„Hoe komt het, dat gij opendoet?” vroeg de commissaris op
onvriendelijken toon.
„Mijnheer de commissaris, daar boven beweegt zich niets”, antwoordde de
agent, „zij schijnen vast te slapen, want toen wij kwamen aflossen,
heeft onze kameraad ons ook opengedaan.”
„Ik zal Menuisier dan in zijn slaapje moeten storen”, bromde de
commissaris en, gevolgd door de twee brigadiers, ging hij naar boven.
Daar belde hij weer. Maar hij kreeg geen antwoord, ook niet, toen hij
met gebalde vuisten op de deur sloeg.
„Ik denk, dat de kerel heeft begrepen, dat hij niet veilig meer was en
’m gesmeerd heeft!” sprak hij tot zijn ondergeschikten en een van hen
beiden gaf hij het bevel:
„Haal een smid om de deur te openen!”
De smid kwam met zijn gereedschap.
Eenige minuten later ging de deur open en de commissaris ging met de
brigadiers naar binnen.
Maar nauwelijks hadden zij eenige schreden afgelegd, of zij bleven vol
ontzetting staan.
Door de openstaande keukendeur zagen zij het lijk van de oude Coralie
op den steenen vloer liggen.
De commissaris boog zich over het ziellooze lichaam der oude vrouw,
maar plotseling weerklonk een doordringende gil van den anderen kant
van de gang.
De beambten keken verschrikt op.
Voor hen stond de smid met uitpuilende oogen. De haren van den man
rezen van ontzetting te berge en over alle leden sidderend en bijna
niet in staat om een woord te spreken, stamelde hij, terwijl hij naar
de deur aan het andere uiteinde van de gang wees:
„Daar liggen nog twee!”
Snel drongen de commissaris en zijn helpers langs den van schrik
verlamden smid de slaapkamer van Menuisier binnen.
Het vertrek was in schemerdonker gehuld, de gordijnen waren gesloten en
door de verkleurde donkerroode overgordijnen scheen het daglicht
slechts flauwtjes naar binnen.
Op het bed kon men duidelijk Het lijk van Menuisier onderscheiden. Een
uitdrukking van doodsangst lag over de verwrongen trekken en naast het
bed rustte het lijk van een groote, forsche vrouw, in een plas bloed.
Snel had een der beambten de gordijnen opgehaald en de commissaris kon
nu alles beter opnemen.
Uit de monden der beide lijken liepen nog dunne bloedstraaltjes, maar
alle leven was uit de lichamen geweken. Het zou vruchteloos zijn, hier
nog te trachten, redding te brengen.
De commissaris van politie was opgestaan. Op het oogenblik had hij
totaal vergeten met welk doel hij hier was gekomen. Maar nu herinnerde
hij zich weer, dat de rechter van instructie Bastien op de komst van
Menuisier wachtte.
Juist wilde hij zijn ondergeschikten zijn orders geven, toen de oudste
der beide brigadiers zich tot hem richtte met de woorden:
„Commissaris, ik ken die vrouw,” en hij wees naar het lichaam van
Margot.
„Zoo, wie is zij?”
„Een prostituée, die bij ons bekend staat onder den naam Margot la
Brune, ik heb meer dan eens met haar te maken gehad, toen ik nog in
functie was op het commissariaat op de Place de la Bastille.”
„Ga dan dadelijk naar het Bureau en deel den commissaris op de Place de
la Bastille mee, dat het lijk van die vrouw hier gevonden is.
„Gij”, en hij wendde zich tot den anderen brigadier, „moet hier in huis
blijven met den smid, opdat er geen onnoodig spectakel in de buurt
wordt gemaakt.
„Ik rijd zelf naar het paleis van justitie, stel den rechter van
instructie in kennis van het gebeurde en breng tegelijkertijd rapport
uit aan den chef van den veiligheidsdienst.”
Hij nam zijn hoed op en toen hij op den drempel den smid zag staan, die
bleek en met angstig verwrongen gelaat naderbij gekomen was, riep hij
hem toe:
„Kom kerel, wees niet zoo flauw! Die drie doen je niets meer!”
En zoo snel hij kon, ijlde de commissaris de trap af, om den rechter
van instructie te gaan melden, waarom hij het bevel om Menuisier in
hechtenis te nemen, niet had kunnen volvoeren.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
HET VERHOOR.
Bastien zat in zijn bureau en naast hem had kapitein Baxter plaats
genomen, toen de deur geopend werd en twee agenten den geboeiden
Raffles binnenbrachten.
Een haastige blik van den gevangene stelde dezen op de hoogte van den
toestand.
Op de tafel van den rechter van instructie lag zijn Browning revolver
en zijn electrische gaslantaarn, die men hem had afgenomen en toen
Bastien hem nu verzocht op een stoel, die op eenigen afstand van de
schrijftafel stond, plaats te nemen, kon Raffles zich ervan overtuigen,
dat het breede raam van Bastien’s particulier kabinet niet getralied
was.
De beide bewakers hadden zich op een wenk van den rechter verwijderd en
terwijl de ambtenaar, die zijn zenuwachtige opgewondenheid over de
belangrijke zaak, die hem beroemd zou maken, nauwelijks meester was,
nog eenigen tijd in de voor hem liggende akten bladerde, keek de
gevangene door het venster naar beneden in het troebele water van de
Seine.
Bastien nam nu het woord:
„Raffles,” sprak hij, maar nog voordat hij door kon spreken, viel de
gevangene hem in de rede met de woorden:
„Ik heet Lord Lister en daar ik, voorloopig tenminste, niet als
beklaagde, maar slechts als beschuldigde voor u sta, maak ik er
aanspraak op, met mijn titel toegesproken te worden.”
Dit gevoel van zelfbewustzijn verbaasde den rechter, hij gaf echter
toe.
„Goed, Mylord, dat recht hebt gij. Uw inhechtenisneming geschiedt op
verzoek van de Engelsche Overheid, wier vertegenwoordiger, kapitein
Baxter, daarvan een wettig bewijs in handen heeft.
„Er is hier echter niet alleen sprake van uwe uitlevering naar
Engeland, dat komt eerst in de tweede plaats, want gij wordt hier
verdacht en wel door uw eigen mededeelingen, in Frankrijk een misdaad
te hebben gepleegd, die eerst door de Fransche rechters moet worden
gestraft.
„Bekent gij, gisteren een brief aan mijn adres gezonden te hebben, die
mededeelingen bevat omtrent uw relaties met den particulier Emile
Menuisier in de Rue Bayen en bekent gij verder, op tot dusver, niet
verklaarde, zeer geheimzinnige wijze het tusschen u en den heer
Menuisier gesloten verdrag eveneens gisteren in het tuinhuis in de Rue
Bayen gedeponeerd te hebben?”
Raffles was gaan zitten. Zijn beide handen hield hij stijf
aaneengedrukt tegen zijn over elkaar gekruiste knieën, om op
gemakkelijke wijze te verbergen, dat zijn boeien waren doorgesneden.
Glimlachend had hij naar de woorden van Bastien geluisterd en met
lichten spot antwoordde hij nu:
„Jawel, Edelachtbare, ik ontken deze dingen niet, ik heb beide brieven
bezorgd.”
Bastien keek den gevangene met doordringende blikken aan.
„Mylord, wilt ge mij verklaren, op welke wijze het u gelukte, gisteren
in de korte tusschenpoos, in de enkele minuten, gedurende welke de
kamer verlaten was, den brief naar binnen te smokkelen?”
„Neen, het spijt mij zeer,” antwoordde Raffles lachend en op ironischen
toon vervolgde hij:
„Ik zou het mijzelf nimmer vergeven, heer Bastien, als ik u de
gelegenheid ontnam om in deze hoogst eenvoudige zaak uw
scherpzinnigheid aan den dag te kunnen leggen.”
Bastien begon zich te ergeren.
Hij kon zich deze ironie van den gevangene niet laten welgevallen
zonder zich tegenover Baxter, die naast hem zat, belachelijk te maken.
„Spaar uw geestigheden,” sprak hij op onbeleefden toon, „en wees zoo
goed, mij eenvoudig op mijn vragen te antwoorden.”
Raffles bleef kalm glimlachen.
„Als ik antwoord, hebt gij dat alleen te danken aan mijn groote
vriendelijkheid, Edelachtbare, want volgens Fransche wetten heb ik het
rechte bij mijn verhoor hier de hulp van een verdediger te verlangen.”
„Zeker,” antwoordde Bastien, een beetje uit het veld geslagen door
Raffles’ groote bekendheid met de Fransche wetten, „en als gij er op
staat, zou ik het verhoor moeten afbreken, totdat een verdediger is
gevonden.”
„O neen,” antwoordde Raffles lachend, „ik sta er in ’t geheel niet op,
ik wilde u alleen aan het verstand brengen, dat ik van mijn goed recht
op de hoogte ben en voor ’t overige kan ik mijzelf wel verdedigen.”
„Zooveel te beter voor u, dan kunnen wij doorgaan”, klonk het van
Bastiens lippen,
„Slechts één ding zou ik u willen verzoeken, Edelachtbare, het is hier
ondragelijk heet; misschien is het mogelijk, een venster te openen?”
In het vertrek heerschte werkelijk een drukkende hitte en Bastien, die
Raffles gaarne door het inwilligen van zulk een nietig verzoek
vriendelijk wilde stemmen, stond zelf op om het breede raam te openen.
Toen hij weer op zijn plaats zat, sprak hij tot Raffles:
„Ik heb bevel gegeven om den particulier Menuisier hier in uw
tegenwoordigheid te brengen en hij kan ieder oogenblik verschijnen. Ik
denk, dat wij van hem meer zullen vernemen dan uit uw mond.”
„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Raffles, „en ik geef u reeds van te
voren de verzekering, dat ik de bekentenissen van den heer Menuisier,
van welken aard die ook mogen zijn en hoe zeer zij mij ook zouden
bezwaren, niet zal tegenspreken.”
Nu fluisterde Baxter den rechter van instructie eenige woorden in het
oor en Bastien sprak weer tot Raffles:
„Ik heb het recht niet, u te ondervragen betreffende de strafzaken, die
gij op Engelschen bodem hebt begaan, ik kan u alleen verzoeken, u
daarover vrijwillig uit te laten.”
Met een onverschilligheid, alsof het een salongesprek betrof,
antwoordde Raffles:
„Neen, dat moet ik weigeren. Ik begrijp wel, dat kapitein Baxter er
eenig belang in stelt, die dingen uit mijn eigen mond te vernemen,
hoewel hijzelf meermalen een minder nobele rol tegenover mij heeft
gespeeld, maar ik zou hier niet graag met mijn daden willen bluffen,
daarom kan ik uw verzoek niet inwilligen.”
Op dit oogenblik werd aan de deur, die naar de gang leidde, geklopt en
op het luide „binnen” van den heer Bastien trad de buiten geposteerde
politieagent binnen om den commissaris van de Avenue Niel aan te
dienen.
„Aha, die brengt Menuisier mee,” riep Bastien. „Laat maar binnenkomen.”
De agent ging heen en na eenige oogenblikken verscheen de commissaris
van politie in de deuropening.
„Nu, waar is de man, dien gij mij zoudt brengen?”
„Edelachtbare, Menuisier is dood.”
„Wat? Zelfmoord?” klonk het van Bastiens lippen en ook Raffles was
verschrikt opgesprongen.
„Neen, Edelachtbare,” sprak de commissaris, „in zijn woning heeft zich
vannacht een vreeselijk misdrijf afgespeeld. De oude man en zijn
huishoudster zijn naar alle waarschijnlijkheid de slachtoffers geworden
van een rooversbende, want ik vond beiden vermoord liggen.
„De brandkast in Menuisiers slaapkamer is opengebroken en naast zijn
bed lag een derde lijk op den vloer, een vrouw, die door een van mijn
beambten werd herkend als een bekende prostituée uit de buurt van de
Bastille en die bij het commissariaat van politie uit die wijk bekend
staat onder den naam Margot la Brune”.
Doodelijke stilte heerschte in het vertrek. Men vergat volkomen, dat
het hier eigenlijk de zaak Raffles gold; het bericht van den
driedubbelen moord hield ieders belangstelling gaande.
Vooral Raffles was in groote spanning.
De tooneelen, die zich des avonds hadden afgespeeld in de kroeg „De
wakende Engel” trokken bliksemsnel aan zijn geestesoog voorbij.
Bijzonderheden, waaraan hij niet eerder zijn volle aandacht had
geschonken, keerden nu in zijn geheugen terug. Woorden en uitroepen,
die hij had opgevangen, en waaraan hij geen beteekenis had gehecht,
kregen plotseling een groote waarde voor hem.
Hij vergat zijn rol als gevangene en bijna had hij zich verraden door
zijn schijnbaar geboeide handen uiteen te spreiden toen hij de
pijnlijke stilte verbrak door aan den commissaris van politie te
vragen:
„Hoe ziet die Margot er uit?”
Ook de commissaris vergat geheel, dat een gevangene deze vraag tot hem
richtte en hij gaf antwoord.
Hij beschreef de groote, donkere vrouw met haar brutale, wilde
schoonheid. Hij schilderde haar zwart haar, dat in zware golven het
lage voorhoofd omgaf, haar gevulde, zinnelijke lippen, die nog in den
dood bloedrood waren gebleven, die nog in den dood van woeste begeerte
hadden gesproken.
Raffles luisterde naar de woorden van den commissaris en mèt hem
luisterden de rechter van instructie en kapitein Baxter, op wiens
gelaat steeds duidelijker een trek van misnoegen zichtbaar werd.
De commissaris had uitgesproken en nog voordat Bastien een vraag kon
stellen, sprak Raffles met luide stem:
„Mijnheer de rechter van instructie ik zal u zeggen, wie de moordenaars
zijn van den ouden Menuisier en zijn huishoudster!”
Sprakeloos van verbazing staarden Bastien en de commissaris den
gevangene aan alsof hij een bovenaardsche verschijning was en bijna
eerbiedig klonk van de lippen van Bastien de vraag:
„Ja, maar Mylord, hoe kunt gij daarvan iets weten?”
„Kapitein Baxter heeft dezelfde gedachten als ik,” ving Raffles aan,
„ik zie het aan zijn ontroering, hij heeft naar aanleiding van de
beschrijving van den commissaris van politie, evenals ik, in de
vermoorde Margot la Brune dezelfde vrouwspersoon herkend, die
gisteravond in „de Wakende Engel” beproefd heeft, hem zijn portefeuille
af te nemen.
„Ik was zoo dwaas, Mr. Baxter in zijn strijd tegen de schurkenbende bij
te staan. In dank daarvoor nam hij mij gevangen. Als uwe agenten zich
meester hadden gemaakt van die vrouw, die op heeterdaad als
zakkenrolster werd betrapt, dan zouden Menuisier en zijn huisgenooten
nu nog leven.”
Een vragende blik van den rechter van instructie trof den Engelschen
detective, wien de verklaringen van Raffles hoogst onaangenaam waren.
„Mr. Baxter, gelooft gij ook, dat deze Margot la Brune en de vrouw, van
gisteravond een en dezelfde persoon waren?”
„Ja,” antwoordde Baxter eenvoudig.
Maar reeds nam Raffles weer het woord.
Het was, alsof alle rollen omgekeerd waren, alsof de gevangene het
onderzoek leidde, de gevangene, naar wien de beambten vol eerbied
luisterden.
„Het gaat nu niet meer om Margot”, sprak Raffles. „want zij is dood en
met haar heeft de justitie niet meer te maken. Laat echter onmiddellijk
den waard uit „De Wakende Engel” gevangen nemen. Ik geloof, dat de man
Pistolet heet en als de schurk niet medeplichtige in deze misdaad is,
dan was hem in elk geval bekend, dat deze zou worden gepleegd. Ik zal u
dat dan dadelijk bewijzen.
„Tracht verder twee kerels te pakken te krijgen, die bij Margot
behoorden en waarvan de een Letourneur en de andere Crachat werd
genoemd.”
„Ja, maar ik kan toch maar niet, omdat gij het verlangt...” viel
Bastien hem op on vasten toon in de rede.
Raffles liet hem niet uitspreken.
„Jawel, dat kunt gij, laat de kerels gevangen nemen en ondervraag ze
dadelijk.”
Nu wendde Baxter zich tot Bastien: