bootje. Met zijn beenen omklemde hij de kielstang, zijn handen hielden
het roer onder de wateroppervlakte vast en zijn gelaat met groote
moeite verborgen houdend onder den rand der boot, zoodat slechts een
klein gedeelte boven het water uitkwam, juist genoeg om nog adem te
kunnen halen, vervolgde hij zijn tocht door de rivier.
Het verblijf in het water hinderde hem niet.
Integendeel, dat was bij de zwoele temperatuur, welke dien dag
heerschte, eerder aangenaam.
Hinderlijk was alleen de vermoeiende houding, die hij moest aannemen om
niet te worden opgemerkt.
De vaart duurde meer dan een uur en alleen de korte oogenblikken,
waarin de „Mouche” aan de talrijke aanlegplaatsen stillag, gaven hem de
gelegenheid om even van houding te veranderen.
Die pauzes gebruikte de niet betalende passagier om zijn ledematen, die
stijf en stram werden door de ongewone houding, zooveel mogelijk in
beweging te houden.
Zijn plan stond vast. Zoodra de stoomboot de stad verliet, zoodra het
schip de landelijke oevers der Seine zou hebben bereikt, daar, waar
inplaats van de hooge steenen kademuren, die den stroom omgaven, zacht
glooiende heuvels en dicht riet de bedding der rivier insloten, zou hij
het kleine bootje, dat hem zoo trouw meesleepte, vaarwel zeggen.
Onder water zwemmend, om niet nog in het laatste oogenblik opgemerkt te
worden door de bemanning of de passagiers van de „Mouche”, zou hij het
riet opzoeken, vanwaar het hem niet moeilijk zou vallen om aan land te
komen.
De stoomboot had het Trocadero achter zich, de huizen van Passy gleden
langzaam voorbij, de laatste der monumentale bruggen, die binnen de
grenzen der stad den stroom kruisen, was reeds gepasseerd en aan beide
zijden strekte zich het zonnige landschap uit.
Het beslissende oogenblik was nu gekomen.
Raffles wachtte nog, tot de boot op een bijzonder smal punt van de
rivier was gekomen.
Hij moest ervoor zorgen, dat de afstand, dien hij onder water door
moest zwemmen, zoo klein mogelijk was, want hoewel hij ervan overtuigd
was, tot de goede zwemmers te behooren, moest hij er toch rekening mee
houden, dat zijn kleeren zich vol water hadden gezogen en door hun veel
grootere zwaarte hem het zwemmen niet gemakkelijker zouden maken.
Hij was er de man niet naar om zich door welke moeite dan ook, als deze
onvermijdelijk was, te laten afschrikken, maar ook was hij verstandig
en ervaren genoeg om niet uit dwaze ijdelheid en alleen om te zien,
hoever zijn krachten gingen, zichzelf meer in te spannen dan noodig
was.
De oevers kwamen nu dichter bij elkaar en het riet, dat langs den
rechteroever groeide, kon hoogstens vier of vijf meter van hem
verwijderd zijn.
Nog eenmaal haalde Raffles diep adem, daarop liet hij de kleine boot,
die hem tot hier had gebracht, met een flinken stoot los en in een paar
slagen had hij het dichte riet bereikt.
Voorzichtig zette hij zijn voeten in den weeken bodem, richtte zich op
en stak het hoofd boven water.
Door de lange riethalmen zag hij, dat de boot zich verwijderde en hij
keek het vaartuig na, totdat het bij de volgende bocht aan zijn oogen
onttrokken was.
Nu kwam het er op aan, op het droge te komen.
De zon was intusschen ondergegaan. Slechts de bleeke stralen van de
maan vielen op het aardrijk neer.
Hij beklom den oever en keek om zich heen.
Een lichte plek aan den hemel wees hem, waar de stad lag.
Zoekend liet hij zijn blikken langs het riet gaan en plotseling
ontdekte hij, in het groen verborgen, vlak aan den oever een bootje.
Snel had hij zijn plan gemaakt.
Hij liep naar het kleine vaartuigje, met een haastige beweging had hij
het touw, waaraan het vastlag, losgemaakt en met een sprong zat hij in
het bootje.
Snel greep hij de riemen, die in het notedopje lagen en met een paar
slagen bevond hij zich weer op de rivier, waar hij dicht langs het
hooge riet voortgleed, zoodat hij door dezen natuurlijken muur voor
aller blikken verborgen was.
Hij kon niet nagaan, hoe laat het was, want zijn horloge was tengevolge
van het binnendringende water blijven staan.
Zoo goed het ging, wrong hij het water uit zijn kleeren, daarop stak
hij dwars den stroom over en ging aan land.
Na eenig zoeken vond hij een huurrijtuig, waarvan hij gebruik maakte.
In een half uur had hij Neuilly bereikt en al heel spoedig ontmoette
hij de eerste camelots, die de avondbladen te koop aanboden.
Al dadelijk hoorde hij zijn eigen haam roepen.
Hij hoorde de verkoopers het sensatienieuws van den dag uitschreeuwen
en lachend luisterde hij naar de heesche stemmen:
„De wonderlijke vlucht van den Engelschen meesterdief!”
„De geheimzinnige vlucht van Raffles!”
„Hij blijft verdwenen!”
„Hij komt niet weer te voorschijn!”
Het was bijna tien uur, toen Raffles behoedzaam den voortuin van zijn
huis in de Avenue du Bois de Boulogne binnensloop.
Haastig snelde hij de trap op en trad zijn studeerkamer binnen.
Met een uitroep van blijde verrassing vloog zijn vriend Charly hem
tegemoet. Vol angstige spanning had de trouwe jongen op hem gewacht.
„Dat is weer gelukt!” sprak Raffles met een glimlach, „maar ik geloof
toch, dat het verstandig van ons zou zijn, voor eenigen tijd afscheid
te nemen van Parijs. Men moet nooit met vuur spelen.”
Hij ging zijn kleedkamer binnen en toen hij na een half uurtje daaruit
weer te voorschijn kwam, zou niemand, ook kapitein Baxter niet, in den
eleganten man van de wereld John Raffles hebben vermoed, dien hij
dienzelfden morgen nog onder zijn eigen veilige bewaking meende te
hebben.