LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 16 BIJ DE PARIJSCHE APACHEN.
BIJ DE PARIJSCHE APACHEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
OP HET SPOOR.
Het was ongeveer negen uur in den morgen toen de rechter van instructie
Bastien zijn bureau in het paleis van justitie te Parijs binnentrad.
Zijn secretaris had juist een portefeuille met akten op de plaats van
zijn chef neergelegd en stond nu in onderdanige houding gereed om den
heer Bastien bij het afleggen van hoed en jas de behulpzame hand te
bieden en zich daarop naar zijn eigen kamer te begeven.
Bastien nam aan zijn schrijftafel plaats en zonder een blik te slaan op
de voor hem liggende papieren, keek hij door het openstaande venster
naar buiten, naar het grauwe water van de Seine, die langs de
noordzijde van het paleis van justitie stroomt, slechts door een smalle
kade daarvan gescheiden.
Bastien verveelde zich.
Hij vond geen voldoening in het uitoefenen van zijn beroep, dat hij op
den duur eentonig vond.
Reeds jarenlang droomde hij van een groote, geweldige strafzaak, waarin
niemand eenig spoor van de daders zou kunnen ontdekken en welke
ingewikkelde geschiedenis door zijn scherpzinnigheid zou worden
opgehelderd.
Hij twijfelde geen oogenblik aan zijn eigen, groote bekwaamheden, maar
de dagelijksche sleur van onbeduidende diefstallen en kleine
overtredingen stelde hem niet in de gelegenheid zijn droom te
verwezenlijken.
De zoo vurig verwachte „groote zaak” kwam niet.
Nog nooit had hij tegenover een geslepen misdadiger gestaan.
De arme drommels, die voor hem gebracht werden, waren verre van listig,
zij bekenden meestal zonder veel omhaal van woorden hun schuld. Zij
gaven hem niet de gelegenheid, veel scherpzinnige strikvragen te
stellen en Bastien’s arbeid beperkte zich er toe hunne bekentenissen op
protocol te brengen, een werkje, dat evengoed door zijn secretaris kon
worden opgeknapt.
De rechter van instructie wierp eindelijk een blik op de portefeuille
met akten, die vóór hem lag en hij begon juist de papieren te
voorschijn te halen, toen er aan de deur werd geklopt.
Op zijn „Entrez!” trad de secretaris binnen, die hem een visitekaartje
overhandigde.
Bastien las:
+----------------------------------+
| |
| JAMES BAXTER. |
| |
| London Scotland Yard. |
| |
+----------------------------------+
Blijde verrassing maakte zich van hem meester bij het lezen van den
naam van het wereldberoemde detective-bureau in Engeland’s hoofdstad.
Als een beambte van deze groote instelling hem kwam bezoeken, dan kon
dat niet zijn voor een geringe aangelegenheid en Bastien zag in zijn
verbeelding reeds zijn lang gekoesterde hoop verwezenlijkt.
„Laat dien heer binnen!”
De secretaris ging heen en Bastien draaide zich om in zijn stoel, om
den binnentredende goed te kunnen zien.
Toen Baxter binnentrad, stond hij op en nadat zij zich aan elkaar
hadden voorgesteld, bood hij zijn bezoeker een stoel aan en sprak:
„En, Mr. Baxter, wat verschaft mij de eer van uw bezoek?”
„Dat is gauw gezegd,” antwoordde de Engelschman hem. „Lord Lister, die
onder den naam Raffles in Engeland zijn schurkenstreken heeft
uitgevoerd en die door ons wordt gezocht, bevindt zich in Parijs.”
Bastien sprong op.
„Raffles, dezelfde, op wiens gevangenneming de Engelsche
overheidspersonen een premie van 1000 pond hebben gezet?”
„Jawel” vervolgde Baxter, „hij is het en, naar mij uit betrouwbare bron
werd bericht, is deze Raffles in Parijs en het verbaast mij zeer, dat
hij hier nog geen misdaad heeft gepleegd, die u ter oore is gekomen.”
„Neen, tot dusverre heb ik hiervan nog niets vernomen,” antwoordde
Bastien, „en ik geloof, dat die Lord Lister, als hij zich, zooals gij
denkt, werkelijk in Parijs bevindt, er belang bij zal hebben, zich hier
kalm te houden”
„Ik geloof dat niet,” meende Baxter, „waarom zou Raffles hier
voorzichtiger zijn dan in Engeland?”
„Zeker, mr. Baxter!” verklaarde Bastien, „want als het u mocht
gelukken, hem hier op te sporen en op grond der in Engeland gepleegde
strafzaken in hechtenis te laten nemen, dan zouden aan zijn uitlevering
naar Engeland vele groote bezwaren verbonden zijn.
„Mocht hij daarentegen hier een misdaad begaan, dan moest hij voor een
Fransche rechtbank verschijnen en het vooruitzicht op jarenlangen
dwangarbeid in Nieuw Caledonië zal den gentleman wel tot
voorzichtigheid aansporen.”
Baxter scheen het hiermede eens te zijn.
Na eenig nadenken sprak hij:
„Het zou mij voldoende zijn, hem op Franschen bodem in hechtenis te
nemen. De uitlevering zou wel is waar eenigen tijd in beslag nemen,
maar ernstige bezwaren zouden zich niet voordoen.
„Ik wilde gaarne weten, of ik op uwe hulp mag rekenen?”
„Natuurlijk!” haastte Bastien zich te verzekeren, toen opnieuw aan de
deur werd geklopt.
Nu bracht de secretaris een brief, geadresseerd aan den rechter van
instructie en met het opschrift: „dringend, veel spoed!”
Bastien vroeg Baxter vergunning om den brief te mogen openen, maar
nauwelijks had hij een blik geslagen op het papier, dat hij uit het
couvert haalde, of hij uitte een kreet van verbazing.
„Weet gij, van wien deze brief komt?” vroeg hij aan Baxter.
„Neen!” antwoordde deze.
„Van Raffles!” klonk het terug.
Als door een adder gebeten, sprong Baxter op van zijn stoel en snelde
naar Bastien om met hem samen den brief te lezen.
Beiden waren naar het raam geloopen en met vliegende haast lazen zij
het volgende:
„Heer rechter van instructie! Ik weet, dat op dit oogenblik de heer
Baxter van Scotland Yard uit Londen zich in uw bureau bevindt en
daar het mijn vurigste wensch is, dezen waardigen beambte bij zijn
inspannend werk de behulpzame hand te bieden, kan ik niet nalaten,
u eenige hulpmiddelen aan te wijzen, die het u misschien mogelijk
zullen maken, mij te pakken.
Ik zelf heb er mijn vriend Baxter op attent gemaakt, dat ik mij in
Parijs bevind.
Baxter was zoo vriendelijk om dit feit zoo interessant te vinden,
dat hij zelf van Londen hierheen reisde en gisteravond zijn intrek
nam in „Hotel Terminus.”
Ik heb hem voortdurend in het oog gehouden en volgde hem ook heden
op zijn weg naar u.
Ik veronderstel, dat hij bij u hulp komt vragen om mij op te sporen
en omdat hij er naar verlangt, weer iets van mij te hooren, stel ik
hem voor, naar mij te informeeren bij den heer Menuisier in de Rue
Bayen.
Dezen achtenswaardigen man, die zich in den loop der jaren een
aanzienlijk vermogen bijeen heeft gewoekerd, heb ik het bedrag van
zesmaal honderdduizend francs afhandig gemaakt en dat nog wel
zonder eenige daad van geweld. Integendeel, de heer Menuisier heeft
mij het geld persoonlijk overhandigd. Met mijn gewone
bescheidenheid, die den heer Baxter zoo goed bekend is, stelde ik
mij tevreden met de zesmaal honderdduizend francs, die de heer
Menuisier mij gaf om valsch bankpapier te vervaardigen. Deze brave
man zal waarschijnlijk niet heel openhartig tegenover u zijn, maar
met uwe welsprekendheid zal het u wel gelukken, alles wat gij wilt
weten, uit hem te krijgen.
Ik zal niet in gebreke blijven, u telkens, na korte tusschenpoozen,
steeds weer opnieuw iets van mij te laten hooren, ik beveel mij in
uwe vriendschap aan en blijf
hoogachtend
JOHN. C. RAFFLES.”
De beide beambten hadden den brief uitgelezen en terwijl Bastien
sprakeloos zijn Engelschen collega aankeek, sprak Baxter:
„Dat is net iets voor Raffles!”
Hij had den brief in zijn zak gestoken en wendde zich weer tot den
rechter van instructie.
„Wij moeten dien heer Menuisier dadelijk gaan opzoeken.”
Verbaasd staarde Bastien den Engelschman aan.
„Maar gelooft gij werkelijk aan het bestaan van een heer Menuisier,
denkt gij, dat de brief waarheid bevat?”
„Gij kent Raffles niet,” verklaarde de ander. „Dit is niet de eerste
brief, dien ik van hem krijg, hij deelt de volle waarheid mee, met
leugens laat de kerel zich niet in!”
„Dat moet een vreemd mensch zijn”, sprak Bastien hoofdschuddend.
Daarop nam hij hoed en jas en verliet met Baxter het gerechtsgebouw.
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET HUIS VAN DEN WOEKERAAR.
Het liep tegen elf uur des voormiddags toen een auto uit de breede
Avenue Niel de smalle, vuile Rue Bayen inreed en stilhield voor het
huis, waarin de heer Menuisier, de oude woekeraar, met zijn
huishoudster Coralie woonde.
Het wantrouwen van Menuisier, een zijner voornaamste eigenschappen, was
nog enorm veel grooter geworden sinds Raffles hem, vermomd als
schilder, zesmaal honderdduizend francs afhandig had gemaakt voor het
vervaardigen van valsch bankpapier.
Hij beefde van machtelooze woede, als hij bedacht, hoe die zoogenaamde
schilder het tuinhuis van hem had gehuurd en hem in de val had gelokt.
Hoewel hij nog genoeg over had om zijn verdere levensjaren onbezorgd te
kunnen doorbrengen, kon hij toch niet over het geleden verlies
heenkomen en als iets zijn woede nog kon verergeren, dan was het de
gedachte, dat hij niet den moed had om de hulp van het gerecht in deze
zaak in te roepen.
Hij moest zelfs blij zijn als niets van de geschiedenis uitlekte want
hij was strafbaar, omdat hij het geld had gegeven voor het vervaardigen
van valsch bankpapier.
Vanuit zijn raam had hij de auto gezien en toen twee elegant gekleede
heeren uitstapten, die zijn huis naderden, vermoedde hij, dat zij voor
zaken kwamen.
Ontstemd nam hij in zijn ouden leunstoel plaats, terwijl hij zich
voornam, zijn slachtoffers dezen keer danig te plukken.
Maar een doodelijke angst maakte zich van hem meester, toen hij op het
visitekaartje, dat de oude Coralie hem overhandigde, las:
+-----------------------------------------+
| |
| HENRY BASTIEN |
| |
| Officier van het Rechter van |
| Legioen van Eer. Instructie. |
| |
+-----------------------------------------+
Een rechter van instructie bij hem! Bevend van angst stond hij op met
het verzoek, de heeren binnen te laten,
Bastien en Baxter traden de kamer binnen en toen de oude Coralie was
heengegaan, wendde de rechter van instructie zich tot den ouden man met
de vraag:
„Zijt gij de heer Menuisier?”
Na een bevestigenden hoofdknik van den woekeraar vervolgde hij:
„Een Engelsche spitsboef, bekend onder den naam Raffles, heeft u
afgezet voor zesmaal honderdduizend francs.”
„Ik weet niet, heeren...” klonk het van Menuisiers trillende lippen,
maar de rechter van instructie liet hem niet uitspreken.
„Gij wilt ontkennen, en ik begrijp de reden daarvan, want gij hebt
Raffles dat geld gegeven om samen valsch bankpapier te vervaardigen”.
„Dat is niet waar”, riep Menuisier uit, nu weer brutaal wordend.
„De schurk heeft mij het geld afgenomen, dat ik hem uit medelijden gaf,
opdat hij in staat zou zijn te profiteeren van een uitvinding van
hemzelf”.
„Wat was dat voor een uitvinding?” vroeg Bastien.
„Ik weiger u daarop het antwoord”, sprak Menuisier, „want ik ben van
plan, haar nu zelf uit te voeren om tenminste weer in het bezit te
komen van een gedeelte van mijn geld.”
Bastien keek den woekeraar spottend aan.
„Mijnheer Menuisier, ik ken uw verleden zeer nauwkeurig en kan daarom
niet in uw braafheid en goede trouw gelooven.
„Maar dit onderwerp kunnen wij laten rusten; vertel mij liever eens, op
welke wijze Raffles zich bij u heeft geïntroduceerd.”
„Hij huurde mijn tuinhuis onder den naam van een schilder Rapin.”
„Is dit tuinhuis reeds weer bewoond?”
„Neen”.
„Geleid ons erheen!”
Menuisier nam zijn sleutels op en ging door den tuin de heeren voor.
Onderweg had de oude gelegenheid om na te denken. Als hij bij zijn
beweringen bleef, zou hij niets te vreezen hebben, want men kon hem
niets bewijzen.
Hij had de deur opengesloten en trad met de beide beambten de kamer
binnen, waarvan de eene hoek in beslag werd genomen door den ouden
schoorsteenmantel. In den hoek daartegenover stond een eenvoudig bed en
in het midden van het vertrek bevond zich een klein tafeltje.
Deze schamele meubelen was alles wat zich in de kamer bevond.
„Dus hier heeft Raffles gewoond?” vroeg Bastien den gastheer.
Maar Menuisier was vastbesloten, alle onaangename vragen te ontwijken
en op onverschilligen toon antwoordde hij:
„Ik weet niet, of mijn huurder Raffles was, hij noemde zich Rapin.
Bovendien ben ik niet door hem benadeeld. Ik heb geprobeerd, zaken met
hem te doen; in hoeverre mij dat gelukt is of niet, daarover wensch ik
niet te spreken”.
Baxter, die nieuwsgierig had rondgekeken, zonder iets te ontdekken, wat
zijn aandacht waard was, sprak nu tot Bastien:
„Ik weet, dat Raffles niet liegt, zijn mededeelingen zijn altijd
overeenkomstig de waarheid, maar zoolang wij hem niet hebben, kunnen
wij dezen man niets bewijzen en moeten wij genoegen nemen met zijn
verklaring. Maar bevat dit tuinhuis geen andere ruimte?” vroeg hij
opeens aan Menuisier.
„Jawel”, antwoordde deze. „Aan de andere zijde van de gang is nog een
kamer”, en reeds had hij de deur geopend om zijn beide bezoekers naar
het andere vertrek te geleiden.
De deur was achter de drie mannen gesloten, niemand bevond zich meer in
de kamer.
Plotseling klonk een zacht gekraak uit den hoek, waar zich de
schoorsteen bevond. De schoorsteenmantel werd naar voren bewogen en
opende zich als een deur. In de donkere muuropening stond Raffles.
Hij had aan het eind van de onderaardsche gang, die door de Catacomben
het achterhuis der Rue Bayen verbond met de door hem bewoonde villa in
de Avenue van het Bois de Boulogne, gehoord, wat hier gesproken werd.
Nu luisterde hij voorzichtig of hij niets hoorde in het andere vertrek.
Maar alles bleef stil en met zachte, onhoorbare schreden sloop Raffles
naar het tafeltje midden in de kamer.
Hierop legde hij een groot, wit couvert, waarop met flinke, groote
letters een adres geschreven was.
Daarna verdween hij zonder geluid te maken weer in zijn schuilplaats en
sloot den schoorsteenmantel weer dicht.
Hij was ervan overtuigd, dat het vinden van den brief den beiden
beambten tot een nauwkeurig onderzoek van de kamer aanleiding zou
geven, want het schrijven kon alleen door een geheime gang binnen
gebracht zijn.
Daarom nam hij aan de binnenzijde de klink, waarmee de draaiende
schoorsteenmantel kon worden geopend, er uit, daarop ging hij kalm op
de trap zitten, die naar het onderaardsche gewelf leidde en luisterde
aandachtig.
Zijn geheim was goed bewaard, want nu de klink was weggenomen, was het
onmogelijk om den schoorsteenmantel weg te schuiven, zelfs al zou een
zoekende hand toevallig op de veer drukken, die diende om vanuit de
kamer den weg naar de catacomben te openen.
Raffles behoefde niet lang te wachten.
Na eenige oogenblikken kwamen de beambten met Menuisier in de kamer
terug.
Baxter’s argusblikken vielen dadelijk op het witte couvert, dat op de
tafel lag.
Hij nam het op, maar een doodelijke schrik maakte zich van hem meester,
toen hij het adres las, dat in duidelijke letters op het couvert stond:
„Aan de heeren
BASTIEN en BAXTER
als vriendelijke hulp in deze lastige zaak van Raffles”.
„Raffles is hier geweest!” riep hij uit, terwijl hij Bastien het
couvert onder den neus duwde.
Een rilling voer door Menuisiers leden, de sleutels rinkelden in zijn
sidderende handen en zijn dungrijs haar stond van ontzetting overeind.
Hier waren bovennatuurlijke dingen in het spel!
Verlamd van schrik leunde hij tegen de deur en staarde met strakke
oogen naar Baxter, die nu het couvert opende, om den inhoud te
onderzoeken.
Het couvert bevatte de overeenkomst tusschen Menuisier en Rapin wat
betrof de gezamenlijke vervaardiging van valsch bankpapier. De
handteekening van den woekeraar stond er duidelijk onder.
„Het is een leugen!” schreeuwde de oude man, „de handteekening is
valsch!”
„Zwijg! Gij zijt op het oogenblik bijzaak!” beet Bastien hem toe.
Hij zag de oude Coralie in den tuin loopen en riep haar.
„Is er in de laatste vijf minuten iemand door het huis hierheen
gekomen?” schreeuwde hij haar in het oor.
Het duurde geruimen tijd, eer de halfdoove oude vrouw hem had begrepen;
eindelijk echter antwoordde zij, dat er niemand geweest was, en dat zij
zelf de huisdeur had moeten openen in dat geval.
Baxter had tot dusverre zwijgend naar de gesprekken geluisterd.
Nu richtte hij zich tot Bastien.
„Ik geloof ook niet, dat Raffles hier langs den gewonen weg gekomen is.
Er bevindt zich hier waarschijnlijk een geheime toegang.
„Zijt gij met iets dergelijks bekend?” vroeg hij Menuisier.
Deze schudde ontkennend het hoofd, maar de Engelsche detective was
reeds bezig de muren te onderzoeken en te bekloppen.
Tevergeefs! Nergens hoorde hij eenig dof geluid, nergens vond hij een
verdachte nis.
Zijn vingers gleden zoekend langs den schoorsteenmantel, zij drukten op
elk knopje in het snijwerk, zij zochten zelfs in de opening van den
schoorsteen, maar niets verried de aanwezigheid van een geheime gang.
Vermoeid gaf Baxter het op.
„Deze kamer moet bewaakt worden”, sprak hij tot Bastien. „Gij kunt
politiebeambten halen van het dichtstbijgelegen politiebureau, dat zal
u geen moeite kosten, als gij uw identiteit bewijst, ik zal zoolang
hier wachten”.
Bastien aarzelde geen oogenblik om te gaan.
Terwijl de oude woekeraar nog steeds in stomme wanhoop tegen de deur
leunde, begon Baxter opnieuw het vertrek te doorzoeken.
Hij ging op den vloer liggen en onderzocht met pijnlijke zekerheid
elken vierkanten centimeter van de planken.
Maar ook dit had geen beter resultaat dan het vorige onderzoek en
blijkbaar zeer teleurgesteld liet hij de bewaking van het vertrek over
aan de twee politiebeambten, die Bastien medebracht.
Menuisier werd meegedeeld, dat hij voorloopig nog op vrije voeten
bleef, maar onmiddellijk gehoor moest geven aan de eerste de beste
oproeping, die hij van den rechter van instructie zou krijgen.
Daarop stapten de beide heeren weer in de auto, die nog voor de deur
stond te wachten en reden weg.
Bastien was koortsachtig opgewonden, want het oogenblik om zijn
eerzucht te bevredigen, was nu nabij.
Dit was de groote zaak, waarop hij jarenlang had gewacht en hij moest
nu alles in het werk stellen om Raffles, den Grooten Onbekende, meester
te worden.
DERDE HOOFDSTUK.
IN HET HOL VAN APACHEN.
Parijs is niet alleen de stad van weelde en genot, Parijs herbergt ook
binnen haar muren een bende misdadigers, die wreeder en afschuwelijker
zijn dan in eenige andere stad ter wereld.
Die kerels zijn berucht geworden onder den naam Apachen.
In sommige wijken van Parijs wonen zij in goed georganiseerde benden.
Het grootste gedeelte van hun inkomsten vindt zijn oorsprong in
diefstal en inbraak, maar misdaden, gepaard aan moord en doodslag,
verschaffen hun dikwijls buitengewoon grooten buit.
De dagelijksche strijd, dien de Parijsche politie tegen de Apachen
voert, zou wanhopig zijn als er niet een omstandigheid bijkwam, gunstig
voor de politie.
De kleinere benden zijn namelijk zeer jaloersch op elkaar.
Zij, die in den strijd met de politie overwinnen, bevechten elkaar
onderling en deze vechtpartijen ontaarden soms in bloedbaden, die op
klaarlichten dag op de openbare straat worden gehouden.
Eerst als de politie den boel uiteen komt drijven, slaan beide partijen
op de vlucht.
Zij sleepen hun gewonden met zich mee, maar het gebeurt meer dan eens,
dat 4 of 5 dooden op het terrein van den slag achterblijven.
Als een van deze kerels levend in handen van de politie valt, wordt
hij, zoover de wet het toelaat, naar de strafkoloniën van Frankrijk,
naar Nieuw-Caledonië gezonden.
Maar ondanks dit alles worden de Apachen elkaar niet ontrouw, steeds
nieuwe aanhangers vinden zij in de onderste lagen der bevolking en in
onverminderd aantal zetten zij den strijd tegen de openbare veiligheid
voort.
Elke vreemde ambtenaar van politie, die Parijs bezoekt, bezoekt de
plaatsen, waar de Apachen feestvieren en zoo had ook kapitein Baxter
het geleide van twee geheime agenten meegekregen, waarmede hij op
dienzelfden avond, waarop de huiszoeking bij Menuisier had plaats
gehad, de afgelegen wijken der hoofdstad bezocht.
Het was niet alleen beroepsnieuwsgierigheid, die den Engelschman dezen
tocht deed maken, hij koesterde ook de hoop, dat hij toevallig iets
over Raffles zou vernemen.
Hij vermoedde niet, dat de man, dien hij zoo ijverig zocht, zeer dicht
bij hem was.
Raffles had namelijk rekening gehouden met de gewone nieuwsgierigheid
der detectives en terwijl hij in de vestibule van het hotel Terminus
zat, zag hij, zelf onkenbaar vermomd, dat Baxter tegen 8 uur in den
avond met de beide Fransche politie-agenten uit de eetzaal van het
hotel kwam.
Het drietal bleef dicht bij Raffles staan en deze kon duidelijk hooren,
hoe een der agenten den Engelschman het programma voor dien avond
voorstelde.
Hij hoorde, dat de drie heeren zich op hun tocht door het nachtelijke
Parijs in de kroeg „De Wakende Engel” zouden ophouden voor het maken
van volksstudies.
Raffles kende deze verzamelplaats van Parijsche misdadigers en toen
Baxter hem den rug toedraaide en met zijn beide gidsen naar buiten
ging, stond ook hij op.
Hij moest zich haasten, om zich op zoodanige wijze te vermommen, dat
hij zonder op te vallen in de nabijheid van Baxter en diens gidsen kon
komen.
Het liep tegen elf uur in den avond.
De smalle Rue Popincourt, die van de Place de la Bastille door een der
ellendigste wijken van Parijs loopt, was pikdonker en stil. Deze stilte
werd slechts zelden gestoord door den sleependen stap van een
patrouilleerend politie-agent, of door den snelleren gang van een naar
huis terugkeerend arbeider.
De smalle, leelijke gevels der huizen verhieven zich in het nachtelijk
duister en uit de vensterruiten, die sinds menschenheugenis niet door
een reinigende hand van vuil en stof waren ontdaan, drong slechts hier
en daar een sombere, gele lichtschijn naar buiten.
De talrijke kroegen, die zich hier, evenals in alle arme wijken,
bevonden, hadden juist hun ramen gesloten en daardoor de rust in de
straat werkelijk grooter gemaakt.
Slechts uit een der huizen drong, hoewel gedempt, het lawaai van
vroolijke, overmoedige gasten naar buiten.
Hier bevond zich „De wakende Engel”, een herberg, die bekend stond als
het hoofdkwartier der Apachen uit dit stadsgedeelte.
De politie kende de stamgasten van deze kroeg en misschien was het
daarom, dat de waard, de heer Pistolet, meer vrijheid had op het gebied
van nacht-permissie, dan de eigenaren der andere herbergen, die door
een meer fatsoenlijk publiek werden bezocht.
Een smalle steenen trap, die de aanraking van een bezem niet kende,
leidde door een zwartberookte kelderruimte naar de lokalen van „De
Wakende Engel”, waar de heer Pistolet den schepter zwaaide.
Wie deze trap zag, kon alleen met afschuw en bange vrees denken aan de
ruimte, die daar achter moest liggen, en dat voorgevoel bedroeg hem
niet.
Langs de eertijds witgekalkte wanden stonden smalle tafels en banken,
onzedelijke opschriften en teekeningen bedekten de muren.
De longen der bezoekers werden vergast op een mengsel van tabaksrook,
etenslucht en bierwalm, waarbij zich nog voegde de geur van goedkoope,
slechte parfums, afkomstig van de vrouwelijke gasten van „De Wakende
Engel”.
Deze lucht vulde als een vieze walm de tamelijk groote maar lage ruimte
en twee gaslichten, die van de zoldering afhingen, hadden moeite om
door dezen sluier heen te dringen.
Als men aan dit slechte licht gewend was en eindelijk in staat om de
zich in het vertrek bevindende voorwerpen waar te nemen, zag men aan
den muur tegenover den ingang de toonbank, waarachter zich de groote,
sterke Pistolet heen en weer bewoog.
Een versleten, vuil tapijt, dat achter de toonbank aan den muur hing,
diende als portière en verborg de deur, die naar de keuken leidde.
Hier was een oude, tandelooze vrouw bezig de gerechten te bereiden, die
op de spijskaart vermeld stonden.
Pistolet was zoowel bij de misdadigers als bij de politie niet bemind,
maar zeer populair.
Maar de politie vermoedde, dat Pistolet, als het zijn persoonlijk
voordeel gold, gemeene zaak maakte met de Apachen, terwijl deze laatste
weer hem ervan beschuldigden, als het hem voordeel bracht, als
politiespion te spelen.
De vermoedens van beide partijen hadden recht van bestaan, maar de
diensten, die Pistolet soms aan de overheid bewees, waren belangrijk,
zoodat men, waar het hem gold, veel door de vingers zag.
Pistolet, die onder meer reeds zes jaar dwangarbeid in Cayenne achter
den rug had, beschikte over fabelachtige lichaamskracht en wie hem met
opgestroopte hemdsmouwen en reusachtig gespierde armen, het vierkante,
brutale hoofd op den stierennek, achter zijn toonbank zag staan,
begreep dadelijk, dat diegene der partijen, die de hulp van dezen
ongetemden oermensch op zijn hand had, de overwinning moest behalen.
Er was een vrij groot aantal gasten aanwezig.
De jongens, wier vriendinnen ginds op de boulevards haar schandelijk
bedrijf uitoefenden, zaten hier hun cigarette te rooken en kaart te
spelen, terwijl naast hen de glazen warme wijngroc stonden, de
lievelingsdrank dezer heeren.
Bijna alle tafels waren door dergelijke groepen bezet, waarbij zich
soms een meisje voegde, dat van buiten kwam om haar vriend de opbrengst
van haar beroep te brengen.
De gesprekken waren luidruchtig en vroolijk en nu en dan stond een der
heeren op om bij een oude piano, die in een der hoeken stond, en
begeleid door zijn dame, een lied ten beste te geven.
Aan een der tafels zat een man alleen.
Toen hij binnengekomen was, was hij door de stamgasten met wantrouwen
ontvangen.
Daar hij echter kalm en rustig aan een der tafeltjes plaats nam, een
flesch rooden wijn bestelde en onverschillig begon te drinken, bemoeide
men zich weldra niet meer met hem.
Hij zag er uit als een van de arbeiders, die werkzaam waren aan de
kanalisatie. Zijn pet bedekte het geheele voorhoofd; dikke lokken zwart
haar kwamen van onder den rand te voorschijn.
Tusschen de roode, dikke lippen, die omgeven waren door een donkeren
baard, hield hij een kort pijpje.
De man ledigde met kalme onverschilligheid zijn wijnflesch.
Hij mengde zich niet in de gesprekken, die rondom hem gevoerd werden,
hij nam geen deel aan het applaus, dat op de voordrachten volgde en als
een der meiden hem een nieuwsgierigen blik toewierp, waarin iets
uitdagends lag, keek hij een anderen kant uit.
Tegen half twaalf werd de deur weer geopend en op den drempel
verschenen drie mannen.
Het waren Baxter en zijn geleiders.
De komst der beide bekende politie-agenten scheen de stamgasten
onrustig te maken en zelfs Pistolet voelde zich geroepen om de heeren,
die aan een tafeltje dicht bij het buffet gingen zitten, beleefd
tegemoet te gaan.
Nog voordat hij zijn avondgroet had uitgesproken, had hij reeds van een
der beambten de geruststellende verzekering ontvangen, dat het bezoek
alleen ten doel had een buitenlandsch collega te amuseeren.
Pistolet vertelde dit onder het bedienen aan zijn gasten en weldra
heerschte weer algemeene vroolijkheid.
De aanwezige vrouwen alleen keken met groote belangstelling naar den
vreemdeling, die onder geleide van twee politie-agenten hier was
gekomen en eenige van haar naderden lachend het tafeltje, in de hoop,
een glas van den goeden wijn te krijgen, die daar gedronken werd.
En die verwachtingen werden verwezenlijkt.
Galant bood Baxter stoelen aan en weldra was hij omringd door een kring
van vrouwen, onder wie één, een groote, forsche vrouw, die in het
bijzonder opviel.
„Kom, Margot, je wilt mij toch niet ontrouw worden?” klonk het
schertsend van een der tafeltjes, waar de „vriend” van Margot zat.
De groote vrouw antwoordde:
„Hij is minstens zoo mooi als jij en als hij goed betaalt, wel, waarom
dan niet?”
Een luid gelach weerklonk, toen zij op Baxters schoot ging zitten en
haar volle, vleezige armen om zijn schouders legde.
De detective van Scotland Yard gevoelde zich niet op zijn gemak.
Hij had het gesprokene, echte Parijsche achterbuurttaal, niet begrepen
en vond de brutaliteit dezer vrouw meer dan onaangenaam.
Zijn beide geleiders probeerden om hem van zijn zwaar „schootkindje” te
bevrijden, maar de andere meisjes hielden hen terug met de woorden:
„Och kom, wij doen uw Engelschman immers geen kwaad! Wij willen alleen
maar, dat hij zich amuseert!”
De eenzame gast in de werkmansblouse keek glimlachend naar het
tooneeltje, want hij zag duidelijk, dat Baxter zich volstrekt niet
amuseerde met deze vrouwspersoon, die het hem met haar opdringerigheid
meer dan lastig maakte.
Plotseling kwam er beweging in de groep.
Baxter sprong op en zijn beide handen omknelden de vuisten van Margot,
die in haar vingers een portefeuille hield.
„Geef mijn portefeuille terug!” riep Baxter uit, maar de vrouw had
Baxter’s eigendom reeds naar het tafeltje geworpen, waar haar „beminde”
zat.
Maar zoover kwam het niet.
Bliksemsnel was de man met de werkmansblouse opgesprongen en had de
portefeuille gegrepen en op hetzelfde oogenblik stormden de gasten van
het tafeltje, zes in aantal, op hem aan.
Maar de vreemdeling week niet terug. Terwijl hij met de linkerhand, de
portefeuille overreikte aan de toegesnelde politie-agenten, hield hij
met, de rechter de mannen, die hem te lijf wilden, een pistool voor den
neus.
„Wie een stap voorwaarts doet, krijgt een kogel door, de hersens!”
Als aan den grond genageld bleven de Apachen staan en doodsche stilte
heerschte een oogenblik in het vertrek.
Plotseling riep een heesche vrouwenstem:
„Draai het licht uit!”
Snel stak de vreemdeling zijn hand in den zak.
Reeds op hetzelfde oogenblik waren de vier gasvlammen uitgedoofd, maar
tezelfdertijd verlichtte een electrische zaklantaarn met helderen
schijn het tooneel.
Geen der kerels waagde het, den man, die in dreigende houding tegenover
hen stond, te naderen.
Alleen Margot, die in het korte oogenblik van duisternis achter hem
geslopen was, sprong nu als een tijger, op hem en greep hem met beide
handen in den baard.
De man keerde zich om, om het wijf van zich af te schudden, maar het
was te laat, Margot viel reeds op den grond en trok in haar val een
valschen baard, een pruik en de pet van den vreemdeling mee
Als door den bliksem getroffen staarde Baxter, die op den achtergrond
gebleven was, naar den man, die zoo dapper zijn partij had gekozen en
als een kreet klonk het van zijn lippen:
„Raffles, dat is Raffles! Houdt hem vast!”
Met een „vervloekt!” doofde Raffles, want hij was het, zijn electrisch
licht uit, maar reeds hielden de beide reuzenarmen van Pistolet hem
omkneld.
„Maakt licht, ik houd hem vast!” schreeuwde Pistolet.
Het gas brandde weer, Baxter, de beide agenten en de Apachen drongen nu
om den man heen, die, zonder zich te kunnen verdedigen, in de armen van
den herbergier was geklemd.
De strijd om de portefeuille scheen vergeten te zijn.
Er was nu slechts één ding, dat elks belangstelling gaande hield.
Raffles, de groote onbekende, van wien ontelbare legenden de rondte
deden, stond te midden van hen.
„Geef de boeien!” riep Baxter.
Raffles verbleekte.
„Wat, gij wilt mij hier, te midden van de menschen tegen wie ik u heb
beschermd, gevangennemen?” riep hij tot Baxter in het Engelsch.
„Dat laat mij koud!” hoonde de detective, „ik ben blij, dat ik u heb,
ontsnappen zult gij mij niet meer!”
De beide agenten deden den gevangene handboeien aan, zijn voeten werden
gebonden en Pistolet, die blij was dat hij der politie een dienst kon
bewijzen zonder de Apachen te benadeelen, droeg den weerloozen Raffles
de keldertrap op naar een rijtuig, dat men had laten aanrukken.
Hierin namen, behalve de gevangene, ook Baxter en de beide
politie-agenten plaats.
De drie mannen hielden gedurende den rit hun geladen revolvers in de
hand, als vreesden zij nog de zelfverdediging van den geboeiden
Raffles.
Een blik vol oneindige verachting uit Raffles’ oogen trof Baxter.
„Gij zult niet lang pleizier hebben van uw vangst. Ik verzeker u, dat
ik eerder vrij ben dan gij vermoedt.”
„Laat dat rustig aan mij over,” antwoordde Baxter.
„Dezen keer ontsnapt gij mij niet, al moest ik u ook aan mijn eigen
lichaam vastbinden!”
En steeds verder ging de tocht naar het gerechtsgebouw, waar Raffles,
de Groote Onbekende, tegen 1 uur in den morgen werd opgesloten.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE MOORD.
In „De Wakende Engel” werd alles weer rustig en gewoon, nadat Raffles
was weggebracht, Dergelijke voorvallen zijn voor dit publiek niets
buitengewoons. Bloedige gevechten met de politie komen in hun omgeving
bijna dagelijks voor en omdat het dezen keer een vreemdeling gold, een
man, met wien zij persoonlijk niets te maken hadden, was de oude
stemming spoedig weer teruggekeerd.
Tegen twee uur in den morgen begon de kroeg leeg te loopen, en toen de
oude houten klok, die haar eentonig getik deed hooren, twee doffe
slagen deed hooren, zette Pistolet nog een groote flesch rooden wijn
neer op het tafeltje, waaraan Margot en twee Apachen waren blijven
zitten.
Daarop sloot de waard de kelderdeur, draaide drie van de vier
gaslichten uit en nam bij het drietal aan het tafeltje plaats.
„Jij hadt ons door die vervloekte portefeuille van den Engelschman
bijna den geheelen avond bedorven”, sprak Pistolet op ontevreden toon
tot Margot.
„Ja, zoo’n stommerik!” meende een der beide Apachen. „Het is de moeite
waard, zoo’n uitgehongerden detective te plunderen, als een goed zaakje
op je wacht!”
Margot trok zich van deze verwijten niets aan, vooral omdat zij merkte,
dat Letourneur, haar minnaar, haar partij trok.
„Laat haar met rust”, mompelde Letourneur. „Houd op met dat gezanik,
het is goed afgeloopen en daarmee uit! We hebben nu geen tijd om
verwijten te maken, want dat andere geschiedenisje moet om half vijf
achter den rug zijn.”
De beide anderen schenen dit ook in te zien en Pistolet sprak nu tot
Margot:
„Nou, wat ben je aan den weet gekomen?”
„Alles!” antwoordde het meisje vol zelfvoldoening.
„Het zal wel van een leien dakje gaan, maar de oude schijnt iets op
zijn geweten te hebben, want ze hebben hem vanmiddag twee agenten in
huis gestuurd”.
„Vervloekt!” riep Crachat uit.
„Dan kunnen we dus voorloopig niets beginnen”, mompelde Pistolet.
„Jawel”, viel Margot haastig in. „De beide agenten zijn in het tuinhuis
onder dak gebracht en Menuisier’s slaapkamer, waar de brandkast staat,
bevindt zich aan de voorzijde van het huis. Wat daar gebeurt, behoeft
men achter niet te hooren.”
En vol trots, omdat haar mededeelingen zoo belangrijk waren, vervolgde
zij:
„Jullie weet, dat mijn tante, de oude Coralie, huishoudster is bij
Menuisier. Vroeger was zij zijn liefje. Ik bezoek haar zoo eens in het
halve jaar. Nu kwam Letourneur op den verstandigen inval, dat bij den
oude wel iets te halen zou zijn.
„Zooals we hadden afgesproken, ben ik er vanmiddag weer heen gegaan.
„Er is daar iets niet in orde, al weet ik niet precies wat, want mijn
tante weet het ook niet. Ik denk, dat Menuisier ook een bak heeft
uitgehaald, want sinds elf uur vanmorgen wordt het achterhuis door twee
agenten bewaakt en de oude ligt ziek in bed.”
„Blijft de politie er den geheelen nacht?”, vroeg Crachat.
„Om de vier uur worden zij afgelost”, vertelde Margot, „maar in het
voorhuis is niets te vreezen, want zij moeten in het tuinhuis blijven.”
„Dat begrijp ik niet”, sprak Pistolet schouderophalend.
Op brutalen toon echter mengde Letourneur zich in het gesprek.
„Dat gaat ons niets aan. Als zij elke vier uur worden afgelost, betrekt
nu om drie uur een nieuwe wacht het tuinhuis. Daarop wachten wij en
daarop sluipen we aan de voorzijde het huis binnen.”
„Maar hoe zullen wij binnenkomen zonder lawaai te maken?” vroeg
Crachat.
Op deze vraag scheen Margot gewacht te hebben.
Zij haalde uit den zak van haar japon een bos sleutels te voorschijn.
„Hier”, sprak zij, zonder verdere verklaring.
„De huissleutels?” vroeg Pistolet
Margot knikte bevestigend en vol trots voelde zij de bewonderende
blikken van haar makkers op zich gericht.
„Ik heb ze mijn tante afgenomen zonder dat die het gemerkt heeft”,
berichtte zij met een vroolijk lachje.
„Nu, dan durven jullie zeker wel, helden!” bromde Letourneur en met een
energiek „vooruit!” stond hij op.
De anderen volgden hem, aarzelend weliswaar, maar zonder zich tegen
zijn vastberadenheid te durven verzetten.
Pistolet haalde nu een kleine dievenlantaarn te voorschijn, die hij
aanstak. Daarop draaide hij ook de laatste gasvlam uit en nu ging het
gezelschap, de vuile portière op zij schuivend, de keuken binnen, waar
zij langs een smal trapje het sous-terrain van het huis bereikten.
Pistolet lichtte hen bij, daarop sloot hij zijn lantaarn, stak die bij
zich en opende de buitendeur.
Nu stond het clubje op straat.
„Hebben jullie de werktuigen?” vroeg Letourneur aan de beide mannen en
op hun bevestigend antwoord vervolgde hij:
„Goed, ik heb de sleutels, jullie blijft bij elkaar, ik ga met Margot,
wij vinden elkaar bij den Arc de Triomphe.”
Margot en haar galant verdwenen in de donkere straat en begaven zich
naar de Place de la Bastille.
Daar stonden verscheiden huurrijtuigen, waarvan zij er een namen en tot
aan het eind van de Avenue des Champs-Elysées reden.
Te voet gingen zij naar den Arc de Triomphe, in welks donkere schaduw
Crachat en Pistolet reeds op hen wachtten.
„Vooruit!” riep Letourneur tot de beide mannen en zonder verder een
woord samen te wisselen, liepen zij samen langs de Avenue Mac Mahon
naar de Rue Bayen.
Het huis van Menuisier was reeds op den hoek der straat duidelijk
zichtbaar en het moest drie uur zijn, want juist werd de huisdeur
geopend en de oude Coralie liet twee agenten uit, die door hun makkers
waren afgelost.
Crachat en Pistolet waren naar de overzij van de straat geslopen on
niet gezien te worden en Letourneur liep gearmd met Margot verder, als
een verliefd paartje op een nachtelijke wandeling.
De beide politieagenten passeerden hen rakelings.
Bij den hoek van de eerstvolgende zijstraat ontmoette het viertal
elkaar weer.
Zoo kort mogelijk werd nogmaals overlegd, wat hun te doen stond.
Volgens Margot’s meening viel er, bij de doofheid van Coralie, niet te
vreezen, dat deze eenig geluid aan de voordeur zou hooren, maar toch
was het zaak, deze zoo zacht mogelijk open te sluiten, om niet de
nieuwsgierigheid der politieagenten in het tuinhuis op te wekken.
„Dat zal ik wel klaarspelen”, sprak Letourneur, terwijl hij een
oliekannetje uit een van zijn zakken te voorschijn haalde. Een gedeelte
van de olie liet hij in het sleutelgat loopen, daarop stak hij
voorzichtig den sleutel in het gat, draaide dezen onhoorbaar om en
opende de deur.
Met ingehouden adem sloop de bende naar binnen, terwijl Letourneur de
deur weer sloot.
Het was donker beneden in het huis, slechts in den tuin viel een zwakke
lichtstraal door de vensters van het tuinhuis.
„Daar bevinden de agenten zich!” fluisterde Margot. Daarop gaf zij,
omdat zij de inrichting van het huis kende, haar minnaar een hand en
leidde hem de trap op, die naar de woning van Menuisier voerde.
De anderen volgden terstond.
„Wat moeten wij met de oude Coralie doen?” vroeg Crachat. „Als zij ons
ziet, roept zij om hulp”.
„Die is er geweest, voordat zij haar muil kan roeren!” beet Letourneur
hem toe.
Daarop haalde hij zijn sleutels te voorschijn om de gangdeur open te
sluiten, maar deze moeite kon hij sparen, want de oude Coralie had de
deur nog niet op het nachtslot gedaan.
Het viertal betrad nu de gang, maar reeds op den drempel bleven zij
staan, want in de keuken brandde licht en bij het fornuis stond, met
den rug naar hen toegekeerd, Coralie, die bezig was, een of ander
gerecht klaar te maken.
Langzaam sloop Letourneur naar de openstaande keukendeur, alleen
Pistolet volgde hem; in zijn rechterhand schitterde een korte dolk.
Toen Margot’s beminde den drempel der keukendeur had bereikt, draaide
de oude Coralie zich om.
Haar blik viel op de beide mannen, die in de deuropening stonden.
In groote ontzetting sperde zij haar doffe oogen wijd open, zij wilde
schreeuwen, maar reeds was Letourneur op haar toegesprongen, zijn
lange, beenige vingers omklemden den mageren hals der oude vrouw.
Een dof geluid kwam van haar lippen.
„Stoot toe!” beval Letourneur, en zonder aarzelen stiet Pistolet den
dolk zoover mogelijk in het hart der oude huishoudster.
Coralie’s lichaam schokte, haar magere armen, die wanhopige pogingen
deden om Letourneurs handen te grijpen, vielen slap neer en haar
wijdgeopende oogen bleven met starenden blik op haar moordenaars
gericht. Daarop ging nogmaals een rilling door het geheele lichaam en
zij was dood.
Letourneur, wiens handen nog steeds den hals der vrouw omspannen
hielden, liet het lijk langzaam op den vloer zakken en ging met
Pistolet naar Margot en Crachat, die bij de keukendeur het tooneel
hadden gadegeslagen.
„Waar slaapt de oude man?” vroeg Letourneur fluisterend.
Margot wees naar een deur aan het eind van de gang.
„Wij mogen niet wachten, tot hij wakker wordt”, meende Pistolet, „want
als hij schreeuwt, zijn wij verloren!”
„Die wordt stom gemaakt”, antwoordde Letourneur, „en jij knapt dat
zaakje op, Crachat. Margot blijft bij de deur staan om op te passen,
terwijl Pistolet en ik de brandkast openen”.
Crachat verbleekte.
„Moet ik den oude dooden?”
„Lafaard!” sprak Letourneur op minachtenden toon, maar Margot maakte
een eind aan het gesprek.
„Laat Crachat op den loer staan, ik neem den oude voor mijn rekening.
Zoo’n afgeleefden kerel durf ik wel aan!”
Letourneur keek haar aan met een blik vol dankbare bewondering. Zij nam
Crachat zijn dolk uit de rechterhand en naderde vastberaden de deur van
Menuisiers slaapkamer.
Terwijl zij de deur opende, verlichtte Pistolet’s lantaarn reeds de
kamer. In een hoek stond het bed, waarin de woekeraar sliep.
Of liever—hij sliep niet.
Door de gebeurtenissen van den vorigen dag kon hij den slaap niet
vatten en toen een heldere lichtstraal in zijn kamer viel, richtte hij
zich met een ruk in zijn bed op.
Voordat hij zich rekenschap kon geven, wie hem in dit ongewone uur kwam
storen, voelde hij den last van een zwaar lichaam, dat zich op hem
wierp.
Margot was op de borst van den ouden man gesprongen. Met haar
linkerhand trachtte zij zijn hoofd in de kussens te drukken, terwijl
zij in de andere hand den dolk zwaaide.
Maar de wanhoop gaf den grijsaard onnatuurlijke kracht. Terwijl zijn
hijgend gekreun in de kussens verstikt werd, woelden zijn vingers in
den zwarten haardos van zijn vijandin. Met de linkerhand greep hij naar
het doodend wapen en plotseling had hij de greep beetgepakt.
Met zijn rechterhand trok hij met alle kracht aan de haren der vrouw,
die het uitgilde van pijn en den dolk losliet.
„Help! kom gauw, de kerel is sterker dan ik dacht!” riep zij tot de
anderen en Pistolet en Letourneur snelden naar het bed.
Maar het was te laat.
Menuisier had met zijn linkerhand den dolk vastgegrepen en dezen in
Margot’s zijde gestooten.
Met een vloek viel Pistolet’s vuist nu neer op het hoofd van den
woekeraar, die bewusteloos achterover viel. Daarop trok hij het mes uit
Margot’s wonde en stiet het in het hart van Menuisier.
Letourneur had Margot op den vloer neergelegd en trachtte nu tevergeefs
het bloed te stelpen, dat uit de wond stroomde.
„Laat mij”, klonk het kermend van de lippen van het jonge meisje.
„Het is met mij gedaan, laat mij stil liggen, kijkt, wat je pakken kunt
en maak, dat je wegkomt”.
„Verbind haar wond met een zakdoek”, fluisterde Pistolet tot
Letourneur. „Ik haal intusschen de brandkast leeg, daarna zullen wij
zien, hoe wij haar weg brengen”, en dadelijk begon hij zijn plan ten
uitvoer te brengen, terwijl Crachat sidderend en hulpeloos op eenigen
afstand toekeek, hoe Letourneur zich bezig hield met het stervende
meisje.
De oude ijzeren brandkast bood niet veel weerstand. Spoedig sprong de
deur open, maar een nieuwe verrassing wachtte hier den waard van de
„Wakende Engel.” De kast was leeg, alleen eenige boeken en een pak
quitanties lagen voor hem en hoe nauwkeurig hij met zijn lantaarn ook
alles doorzocht, aan geldswaarde was niets te vinden.
Met een woedenden vloek wendde hij zich tot Letourneur, die nog steeds
op den grond geknield lag, maar die scheen geen belang meer in de zaak
te stellen, want vóór hem lag Margot te sterven.
„Gaat gauw heen, maakt dat gij wegkomt, laat mij hier”, stiet zij er
met moeite uit; daarop viel zij achterover en was een lijk.
Letourneur richtte zich op.
„Wij moeten haar meenemen”.
„Dat zou nergens voor dienen”, antwoordde Pistolet. „Wij kunnen haar
toch niet meer levend maken en als wij haar nu hier vandaan sleepen,
verraden wij onszelf. Laat dat dus en kom mee!”
Alle trots scheen in Letourneur gebroken te zijn; willoos liet hij zich
met den van vrees sidderenden Crachat naar buiten schuiven.
Pistolet had nog de tegenwoordigheid van geest, om de gangdeur af te
sluiten, opdat het zoo lang mogelijk zou duren, eer de lijken werden
ontdekt.
Daarop ging het drietal de trap af naar beneden en nadat zij
voorzichtig de huisdeur achter zich in het slot hadden getrokken,
stonden zij op straat.
Maar nu bekroop ook Pistolet een groote vrees en, als door duivels
achterna gezeten, snelden de drie misdadigers de straten door.
VIJFDE HOOFDSTUK.
GEVANGEN.
Groote opgewondenheid heerschte den volgenden morgen in de Fransche
hoofdstad.
Raffles, de beruchte Lord Lister, was gevangen genomen.
Men had hem aangetroffen in een hol van de Apachen en de man, met wiens
gevangenneming de overheidspersonen van alle beschaafde landen zich
reeds maandenlang bezighielden, op wiens hoofd de Londensche politie de
som van duizend pond had gezet, die man bevond zich sinds den
gepasseerden nacht in de gevangenis van het Parijsche gerechtshof en
zou voor de eerste maal voor den rechter van instructie gebracht
worden.
Alle couranten bevatten kolommenlange artikelen over de zaak met
opvallende, zeer in het oog loopende opschriften.
De camelots, de echte Parijsche courantenverkoopers, maakten
uitstekende zaken.
Voor de café’s en op de straat, aan de stations en in de restaurants,
overal trok men hun de couranten uit de handen en de belangstelling van
iedereen scheen zich te concentreeren op de gevangenneming van dezen
geheimzinnigen man.
Charly Brand, de vriend van Raffles, die onder den naam Mc Allan de
villa bewoonde, welke Raffles als de Amerikaan Harrison in de Avenue du
Bois de Boulogne bezat, nam juist het ochtendblad op, dat hem elken
morgen tegelijk met zijn ontbijt werd binnengebracht.
Hij wist niets van alles wat er gebeurd was, want het geschreeuw van de
courantenjongens werd niet gehoord in deze voorname wijk van de stad.
Wel had hij zijn vriend in twee dagen niet gesproken, maar daarin lag
niets buitengewoons.
Raffles was dikwijls dagen achtereen verdwenen en als hij dan
terugkeerde, stelde Charly hem geen enkele onbescheiden vraag omtrent
het gebeurde der laatste dagen.
Hij wist, dat Raffles uit principe alleen dan met hem over zijn
aangelegenheden sprak, als dat beslist noodig was.
Dat was in Charly’s eigen belang, want hij zou anders de medeplichtige
zijn van den meesterdief. En het was beter, dit zooveel mogelijk te
vermijden.
Charly nam het nummer van de „Matin” op en vouwde het blad open.
Onmiddellijk viel zijn blik op het opschrift, dat in reuzenletters
prijkte boven een artikel, dat de geheele eerste pagina in beslag nam:
Raffles in Parijs gevangen genomen!
Vol ontzetting sprong hij op.
Wat was dat?
Zijn vriend gevangen genomen?
Raffles in handen gevallen van de politie?
Met koortsachtige haast boog hij zich weer over de courant, waarin hij
alles las.
Van Baxter’s aanwezigheid in Parijs, van het tooneel dat zich had
afgespeeld in de kroeg „De Wakende Engel”..... de courant was goed
ingelicht; men vertelde, dat Raffles in een cel der gevangenis van het
gerechtsgebouw was opgesloten en dien morgen om elf uur voor het eerst
voor den rechter van instructie Bastien gebracht zou worden.
Charly had het geheele artikel gelezen en deed nu zijn best om zijn
groote ontroering meester te worden.
Hij dacht slechts aan dit ééne: hoe het hem mogelijk zou zijn, zijn
vriend uit den nood te helpen.
Hij zag nog niet in, hoe hem dit zou kunnen gelukken, maar vóór alles
besloot hij, zoo mogelijk, in de nabijheid van Raffles te komen en hij
haastte zich om zijn toilet te voltooien en zich naar het paleis van
justitie te begeven.
Het was bijna elf uur, toen hij het hek bereikte, dat het voorplein van
het Parijsche gerechtsgebouw van de straat scheidt.
Een talrijke menigte omringde het gebouw en de naam van Raffles zweefde
op aller lippen.