ruil voor alles, wat u voor mij deed?" zeide hij, nam zijne pijp
uit zijne mond en keek naar het zilveren beslag, alsof hij de daarop
gegraveerde letters wilde ontcijferen.
"Zeker niet!"
Zij legde het pakje neer en keek met kalme, verwonderde oogen tot
hem op. "Zeg wat u wil, ik zal het gaarne aanhooren."
Hij ging rechtop zitten, en speelde met het uiteinde van een riem,
terwijl hij sprak.
"U heeft broers," zeide hij, "eens zullen zij dingen doen, die
minder goed zijn,--want alleen vrouwen als u, Miss Meg, en engelen
kunnen altijd het rechte pad blijven bewandelen. Wees niet te hard
voor hen. Doe geene poging, om hen het onderscheid te laten merken
tusschen uwe deugd en hunne verdorvenheid. Zij zullen het duidelijk
genoeg zien, maar het zal hun niet aangenaam zijn, als gij er hen
opmerkzaam op maakt. Wees vriendelijk en vergevensgezind--zij zullen
zich zoo rampzalig gevoelen, als ge maar kunt wenschen. De wereld
heeft een eigenaardigen afkeurenden blik, en een onuitputtelijken
schat van liefdelooze woorden--zou men niet kunnen volstaan, met er
haar het monopolie van te laten?"
"O!" zuchtte Meg. Hare wangen waren donkerrood, en alle hoogheid was
uit hare houding verdwenen.
Hij wond met groote zorg den riem om niets en ging met zachte stem
voort:
"Veronderstel, dat Pip den een of anderen dag iets zeer verkeerds deed,
en dat de wereld steenen op hem wierp, tot hij gewond en gebroken
was. En veronderstel, dat hij, diep treurig, thuis kwam bij zijne
zusters. En Meg, die alles wat slecht is, verafschuwt, werpt nog eenige
kleine steentjes op hem, opdat de pijn hem eene les zou geven, welke
hij niet meer zou kunnen vergeten. En Judy, die bedenkt, dat hij haar
broer is en verdriet heeft, slaat hare armen om hem heen, en spreekt
hem moed in, en helpt hem weer den strijd met de wereld beginnen, en
voegt hem geen hard woord toe, noch ziet hem met een boozen blik aan,
want zij denkt, dat die hem reeds genoeg worden toegevoegd. Welke
zuster denkt u, Miss Meg, zal den meesten invloed hebben?"
Meg's kleine, liefelijke mond trilde, hare oogen waren strak
neergeslagen, omdat de tranen er uit zouden gesprongen zijn, als zij
zou hebben opgekeken.
"O!" zeide zij nogmaals. "O, wat ben ik slecht geweest--o!"
Zij bedekte het gelaat met hare handen, want een der snel opgewelde
tranen trilde aan hare wimpers.
Mr. Gillet legde den riem en de pijp neer, en keek naar haar met een
zachten, teederen blik.
"Ik ben meer dan tweemaal zoo oud als u, Miss Meg, bijna oud genoeg om
uw vader te zijn,--u vergeeft mij, nietwaar, dat ik u dit alles heb
gezegd? Ik dacht aan mijn zusje, dat gestorven is. Ik had nog eene
zuster, die was een jaar ouder, maar zij was hardvochtig--ééns maar
ging ik naar haar toe. Zij is eene der beste vrouwen van Engeland
nu, maar hare woorden zijn streng. Mijne kleine Miss Meg, ik kan de
gedachte niet verdragen, dat u misschien ook hardvochtig zou worden."
Dikke tranen waren tusschen de vorken gevallen. Meg schreide, omdat zij
wel moest bedenken, welk een hatelijk schepsel zij was. Eerst had Alan
haar de les gelezen, en over zijn zusje gesproken, en nu ook deze man.
Hij gaf een verkeerden uitleg aan haar zwijgen.
"Ik heb het recht niet, zoo tot u te spreken, omdat mijn leven alles
behalve onbevlekt is geweest, dat denkt u op het oogenblik, nietwaar,
Miss Meg?" zeide hij zeer treurig.
Meg liet hare handen vallen.
"O neen!" zeide zij. "O! hoe kan u op die gedachte komen? Ik vind het
alleen zoo vreeselijk, dat ik zoo slecht geweest ben!" Zij greep in
haar zak en nam er het lint uit.
"Wil u het terugnemen?" zeide zij.--"O, neem het, ik gevoel me anders
zoo schuldig. O, ik bid u, neem het!"
Zij keek naar hem met vochtige, smeekende oogen, en strekte de hand
met het lint naar hem toe.
Hij nam het, streek het glad, en legde het in zijn zakboek.
"God zegene u!" zeide hij, en de toon waarop hij deze woorden uitte,
deed Meg snikken.
HOOFDSTUK XX.
JUDY.
Over het gras vloog eene kleine, lichte gestalte, Judy in een rose
japonnetje met hare woeste krullen dansende om haar gelaat.
"Wil u zoo graag een zonnesteek krijgen--waar is dan toch uw hoed,
Miss Judy?" vraagde Mr. Gillet.
Judy schudde hare donkere haren.
"Dat kan ik heusch niet zeggen," antwoordde zij,--"de Generaal wil
eene banaan, en als jelui alle sinaasappels opgegeten hebt, bezwijk
ik binnen de eerste vijf minuten!"
Meg schoof den mand met vruchten over het servet naar haar toe,
en beproefde hare oogen door den rand van haar hoed te verbergen.
Maar Judy's schitterende, donkere kijkers hadden de vochtige wimpers
op het eerste gezicht ontdekt.
"U heeft zeker allerlei domme gedichten zitten voorlezen, waardoor Meg
is gaan schreien!" zeide zij, met een uitdagenden blik van Mr. Gillet
naar het boek op het gras. "U beiden moest u schamen, hoort dat
nu thuis op een picnic? In ieder geval heeft het sinaasappelen
uitgespaard!"
Zij nam een half dozijn groote sinaasappelen uit den mand, evenals
vier of vijf bananen, en liep met vluggen tred terug naar de boomgroep,
waar de Generaal in zijn linnen jurkje, juist kon gezien worden.
Hij zat kalm in den grond te wroeten en de aarde in zijn kleinen,
rooden mond te stoppen, toen zij met de bananen terugkwam.
Hij keek met een allerliefsten glimlach tot haar op.
"Baby!" zeide zij, en wierp zich op hem in een van hare ontstuimige
buien van teederheid--"baby!"
Zij kuste hem wel vijftig maal; het gevoel van liefde, dat zij voor
dit kleine, dikke, vuile ventje koesterde, overstelpte haar somstijds.
Toen trok zij hem op hare knie en veegde met een punt van zijn jurkje
zooveel mogelijk de aarde uit zijn mond.
"Narna," zeide hij, zich losworstelende, tot hij weer op den grond
zat; dus ontdeed zij eene groote gele banaan van de schil, en gaf
hem die in zijne kleine hand.
Hij at er iets van, en kneep de rest stijf tusschen zijne handjes,
daarop keek hij er vol genoegen naar, hoe het moes in kleine,
op wurmen gelijkende rolletjes tusschen zijne dikke vingertjes te
voorschijn kwam.
Toen smeerde hij het in zijn gezichtje, en wreef het zelfs over zijn
haar, terwijl Judy met haar vijfden sinaasappel bezig was.
Dus moest zij hem natuurlijk klappen geven, omdat hij zoo vies was,
of voorwenden dit te doen, wat op hetzelfde neerkwam. En toen moest
hij haar slaan, hetgeen niet bij voorgewende klappen bleef.
Hij sloeg haar met een stok, dien hij bij zich vond, hij beukte op
haar gezicht en rukte aan haar haar en liet zich zelf telkens op haar
neervallen, en dit alles zoo vol ijver en met zulk een grooten ernst,
dat zij, ook wanneer hij haar werkelijk pijn deed, niets kon doen
dan lachen.
"Dood?" zeide hij ten laatste angstig. En zij begon luid te schreien,
het gezicht in de handen en met schokkende schouders, zooals het
voor eene boetvaardige berouwhebbende past. En toen sloeg hij zijne
armpjes om haar hals, en pakte haar, en zeide "Ju-Ju" met een gedempt
stemmetje, en klopte haar op de wangen, en gaf haar wel honderd stijve,
natte zoentjes met zijn open mondje, tot zij weer bijgekomen was.
Daarop speelden zij krijgertje, en de Generaal viel wel twintig maal
op den grond, en schramde zijne knieën en zijne handen, en hief zich
weer op, en waggelde weer verder.
Plotseling bleef Judy stil staan; een insect was bezig zich in
haar pols te boren. Alleen de twee zwarte pooten staken nog buiten
haar huid uit, en geruimen tijd trok zij en trok zij zonder eenig
gevolg. Toen brak het insect in tweeën, en zij moest de eene helft
laten waar zij was, in de hoop dat grootmama er haar later wel van
zou kunnen bevrijden.
Twee of drie minuten lang was zij bezig geweest met hare pogingen,
om het dier te verwijderen, en toen zij opkeek was de Generaal een
eindje verder, en liep weg zoo vlug als zijne kleine dikke beenen dit
toelieten, altijd denkende, dat zij achter hem aan kwam. Juist, toen
zij weer begon te loopen, keek hij om, met schitterende, ondeugend
kijkende oogjes, en een lachend gezichtje, dat o! zoo vuil was.
En toen--ach God!
Het is zoo hard dit te moeten schrijven. Mijne pen vertelde tot nu
toe slechts zonnige tafereelen, en nu!
"Jij kleine ondeugd!" riep Judy, en deed, alsof zij zeer vlug
liep. Toen scheen de geheele wereld voor hare oogen te draaien.
Een boom stortte neer, een van de zware, hooge stammen, die reeds
lang geene bladeren meer droegen. Hij had den geheelen dag staan
wankelen, door en door vermolmd; nu kwam een windvlaag opzetten,
die hem neerstrekte. Een woesten, schorren kreet stootte Judy uit,
toen snelde zij voort, met uitgestrekte armen op het kleine ventje af,
dat met lachende oogen en lippen vlak op zijn dood afliep.
De slag deed de boomen rondom schudden, de lucht scheen te splijten.
Zij hadden het gehoord--al de anderen--den wilden kreet, en toen het
dreunende gekraak.
Hoe trilden hunne knieën! hoe bleek waren hunne gezichten, toen zij
allen naar de plaats, vanwaar het geluid gekomen was, snelden.
Zij wentelden hem van de kleine lichaampjes af--den langen
zilverachtigen stam, waarop de gom droog en dood in streepen
kleefde. Judy lag met het gelaat naar den grond en uitgestrekte armen.
En onder haar lag de Generaal, een beetje verdrukt, hoogst verbaasd,
maar volkomen ongedeerd.
Meg sloot hem één oogenblik in haar armen, maar zette hem toen neer,
en voegde zich bij de anderen, die vlak om Judy stonden.
O dat kleine, donkere, stille hoofd, dat onbeweeglijke lichaampje in
zijn rose, verkreukt kleedje, die kleine, magere, uitgestrekte handen!
"Judy!" zeide Pip, met smeekende, hevig angstige stem.
Maar het eenige antwoord was de wind in de kronen der boomen en de
hijgende ademhaling der anderen.
Mr. Gillet begreep, dat hij handelend op moest treden. Hij ging met
Pip naar de hut van den drijver, en zij namen de deur uit hare lederen
hengsels en droegen deze de heuvel af.
"Ik zal haar optillen," zeide hij, en sloeg zijne armen om de kleine
gestalte, lichtte haar langzaam, langzaam, zachtjes op, en legde haar
op de deur met het gelaat naar den hemel gericht.
Maar zij kreunde--o, hoe kreunde zij!
Pip, die, bij het eerste teeken van leven zijn keel als het ware had
voelen dichtknijpen, kon zich bijna niet meer goed houden, toen deze
korte, jammerende tonen over hare lippen kwamen.
Zij hieven de draagbaar op, en brachten haar naar de kleine hut op
den top van den heuvel.
En toen sprak Mr. Gillet, buiten de deur, tot Pip en Meg, die beiden
verslagen, door den schrik geheel verdoofd, schenen.
"Het zal uren duren, voor wij hulp kunnen krijgen, en het is nu vijf
uur!" zeide hij. "Pip, er woont een dokter te Boolagri, tien mijlen
van hier. Haal hem--loop den geheelen weg door hard. Ik zal terug
naar huis gaan--dat is veertien mijlen. Miss Meg, ik kan niet in
een ommezien terugzijn. Ik zal een rijtuig halen, de ossenkar gaat
te langzaam, en schudt te veel, hij kan niet dienen, ook al kwam hij
dadelijk terug, U moet bij haar blijven, en haar water geven als zij
daarom vraagt--dat is alles wat u voor haar doen kan."
"Zou zij dood gaan?" zeide Meg.
Hij dacht aan alles wat zou kunnen gebeuren alvorens hij hulp bracht,
en durfde haar niet onvoorbereid achterlaten.
"Ik denk, dat haar ruggegraat gebroken is," zeide hij zeer kalm. "Als
dit zoo is, dan is er geene hoop meer."
Pip snelde den weg op, waarlangs hij den dokter bereiken kon.
Mr. Gillet gaf nog een paar aanwijzingen, toen keek hij naar Meg.
"Alles hangt van u af; u moet kalm en bedaard blijven!" zeide
hij. "Verleg haar niet, blijf gedurig bij haar."
Hij begaf zich naar den weg, die naar beneden leidde.
Zij vloog hem achterna.
"Zou zij sterven terwijl u weg is?--en er niemand anders dan ik bij
haar blijft?"
Hare oogen staarden hem woest, vol doodelijken angst aan.
"God weet het!" zeide hij, en ging verder.
Het kwam hem bijna te wreed voor, het jonge meisje alleen achter te
laten, haar alleen zulke vreeselijke uren te laten doorbrengen.
"Help mij, goede God!" steunde zij, terwijl zij terugijlde, maar niet
naar de zware, laaghangende wolken keek. "Help mij, goede God! God,
help mij, help mij!"
HOOFDSTUK XXI.
TOEN DE ZON ONDERGING.
Welk een zonsondergang!
Van af den voet van den met gras begroeiden heuvel strekte zich een
vurig roode hemel uit, met purperen donzige wolken, die in banken
boven elkaar gestapeld waren, tot waar de wegstervende gloed in het
verbleekende blauw wegsmolt. De boomgroep was zwart van kleur geworden,
en strekte sombere, roerlooze, scherp tegen den oranjekleurigen
achtergrond uitkomende armen uit. De wind was geheel gaan liggen,
en de lucht drukte op alles, warm en bezwaard met de beklemmende
vreemde stilte van het bosch.
En op den top van den heuvel, in de deur van de kleine, bruine hut,
hare wijdgeopende oogen naar den heerlijk schoonen hemel geslagen,
lag Judy te sterven. Zij was nu zeer rustig, hoewel zij druk gesproken
had--gesproken over allerlei. Zij zeide hun, dat zij volstrekt geene
pijn had.
"Maar ik zal sterven, als ik opgelicht word," zeide zij.
Meg zat naast haar, neergehurkt op den grond. Zij had hare oogen
niet van het gezichtje afgewend, dat daar lag op een kussen van
regenmantels, zij had hare bleeke lippen geen enkele maal geopend om
een woord te zeggen.
Daarbuiten stonden onbeweeglijk de ossen en hunne gestalten teekenden
zich tegen den hemel af.--Judy zeide, dat zij er uit zagen als
opgezette dieren, die gephotografeerd moesten worden. Zij glimlachte
daarbij even, maar Meg zeide: "O, doe dat niet!" en kromp ineen.
Twee der mannen waren weggegaan, om hulp te zoeken, die zij toch niet
zouden vinden; de anderen stonden op eenigen afstand, en praatten
met gedempte stem tot elkander.
Er was voor hen niets te doen. De bruine man had gesproken--iets wat
zelden gebeurde.
Hij had den Generaal in slaap gesust, en hem op het leger gelegd en
de blauwe deken om hem heen geslagen. En toen had hij warme, sterke
thee gezet, en had met tranen in zijne oogen de kinderen gevraagd,
daarvan te drinken, maar geen enkele wilde dit doen.
Baby was op den grond in slaap gevallen, hare armen stijf om Judy's
rijglaars geslagen.
Bunby stond, met eene uitdrukking van ontzetting op zijn bleek
gelaat, achter de draagbaar. Zijne oogen waren op het haar van zijn
zusje gevestigd, maar hij durfde niet naar haar gezicht kijken, uit
angst voor wat hij daar zou zien. Nellie was geen oogenblik kalm,
nu eens liep zij naar de haag en keek den weg af, waarover reeds de
schaduwen van den avond zweefden, dan wierp zij zich achter de hut
met het gelaat op den grond en riep: "Maak haar beter, God! God,
maak haar beter, maak haar beter! O! kunt ge haar niet beter maken?"
De schaduwen rondom de kleine woning namen diepere tinten aan,
de omtrekken der buffels waren niet meer zichtbaar, slechts eene
onduidelijke zwarte massa lag daar tusschen de hut en den hemel. Achter
de boomen verglom het vurige schijnsel; hier en daar waren nog gele,
lichtende vlammen, maar de gloeiende zonneschijf was weggedoken,
en de purperen, luchtige sluier zonk in het niet.
De kreet van een pluvier verbrak de stilte, wild, klagend, snijdend
was het geluid. Meg huiverde en ging rechtop zitten. Judy's voorhoofd
werd vochtig, zij sperde de oogen wijd open, hare lippen beefden.
"Meg!" zeide zij met eene fluisterende stem, die de lucht doorkliefde;
"o, Meg, ik ben zoo bang! Meg, ik ben zoo bang!"
"God!" zeide Megs hart.
"Meg, zeg iets. Meg, help mij! Wat wordt het al donker, Meg; Meg,
ik kan niet sterven! O, waarom komen zij nog niet?"
Nellie vloog weer naar de haag, om daarop te fluisteren:
"Maak haar beter, God--o, ik smeek u, God!"
"Meg, ik kan niets bedenken om te zeggen. Kan jij niet iets zeggen,
Meg? Zijn er geen gebeden voor de stervenden in het gebedenboek?--Ik
ben het vergeten. Spreek toch, Meg!"
Meg's lippen bewogen, maar het was haar niet mogelijk een woord
te uiten.
"Meg, ik ben zoo bang! Ik kan aan niets anders denken, dan aan "wat
wij eenmaal zullen ontvangen", en dat is vergiffenis, nietwaar? En in
het Onze Vader komt ook niets voor, dat mij kan helpen. Meg, ik wilde,
dat wij naar de Zondagsschool gegaan waren en daar van allerlei geleerd
hadden. Wat wordt het al donker, Meg! O, Meg, houd mijne handen vast!"
"In den hemel zal het--niet--donker zijn!" spraken Megs lippen.
Zelfs wanneer zij iets zeggen kon, was het niets dan een gestamelden,
vroeger gehoorden zin, dien zij murmelde.
"Als er alles van goud en edelgesteenten is, dan wil ik er liever niet
heen!" Het kind begon nu te schreien. "O, Meg, ik wil liever blijven
leven! Hoe zou jij het vinden, Meg, om te sterven, als je nog maar
dertien jaar bent? Hoe eenzaam zal ik zijn zonder jelui allen. O,
Meg! o, Pip, Pip! o, Baby! Nell!"
De tranen stroomden over hare wangen, hare borst hijgde.
"O, zeg iets, Meg!--zeg een gezang op!--spreek toch!" De halve
inhoud van het boek der "Oude en Nieuwe gezangen" dwarrelde door
Megs gedachten. Welk kon zij uitkiezen, dat rust zou brengen in die
koortsachtige oogen, die met zulk een angstigen smeekenden blik op
haar gelaat gevestigd waren?
Toen opende zij de lippen:
""Kom slechts tot Mij, gij moeden,
Dan geef 'k u zoete rust
O, gij--""
"Ik ben niet moede, ik verlang niet naar rust!" zeide Judy, op
jammerenden toon.
En Meg begon weer:
""Mijn God, mijn Vader, als ik dwaal,
Ver weg, langs 's levens doornig pad
Leer mij dan de gelaten taal:
Uw wil geschiede!""
"Dat is voor oude menschen," zeide de matte, zangerige stem. "Hij
kan niet verwachten, dat ik dit zal zeggen!"
Toen herinnerde Meg zich het schoonste van alle gezangen, en zeide
het eerste en het laatste couplet zonder een oogenblik te haperen, op:
""Verlaat mij niet, snel valt de avondstonde,
De duisternis groeit aan; o Heer, verlaat mij niet.
Als andre hulp ontbreekt, en alle bijstand vliedt,
Helper der hulploozen, mijn God, verlaat mij niet!
Houd Gij Uw kruisbeeld voor mijn brekend oog,
Schijn door de duisternis, en richt mijn oog ten hemel!
De dageraad breekt aan, en 't ijdele aardrijk vliedt
In leven en in dood, o Heer, verlaat mij niet!"
"O, en Judy, liefste, wij vergeten, dat moeder in den hemel is,
Judy je zult niet alleen zijn! Herinner je je moeders oogen niet,
mijn kleine Judy?"
Judy werd kalm, en steeds kalmer. Zij sloot de oogen, zoodat zij de
toenemende duisternis niet bespeuren kon.
Megs armen waren om haar heen geslagen, Megs wang was tegen haar
voorhoofd gevlijd, Nell hield hare handen vast, Baby hare voeten,
Bunby's lippen waren op hare lokken. Zoo gingen zij met haar recht
op de Groote Vallei af, waar zelfs geen licht is voor aarzelende
kindervoeten.
De schaduwen waren koud, en legden zich kil om hunne harten; zij konden
den wind van de onbekende wateren op hunne voorhoofden voelen; maar
alleen zij, die op het punt stond naar genen oever over te steken,
hoorde het zachte geklots der golven.
Juist toen het water hare voeten bespoelde vertoonde zich eene gestalte
in de deur.
"Judy!" riep eene smartelijke stem, en Pip duwde hen op zijde en viel
naast haar neer.
"Judy, Judy, Judy!"
Het licht flikkerde nog eens op in hare oogen. Zij kuste hem eenmaal,
tweemaal met hare bleeke lippen; zij gaf hem hare beide handen,
en haar laatsten glimlach.
Toen streek de wind over hen allen, en, met eene plotselinge rilling,
ging zij heen.
HOOFDSTUK XXII.
HET LAATSTE HOOFDSTUK.
"Zij scheen voor 't verdergaan des tijds
Een wezen, niet bestand."
"Zij heeft nu geen gevoel, geen kracht,
Zij hoort, noch ziet nu meer;
Maar wordt nu door de aardsche kracht
Al draaiende in 't rond gebracht
Met boom en rots en steen."
Zij gingen weer naar huis, zes kinderen, en Esther, die voortaan
ernstiger zou zijn, daar zij den prijs, die voor het leven van haar
kleinen, aangebeden zoon betaald was, nimmer zou kunnen vergeten. De
lucht van Yarrahappini scheen als een zware last op hen te drukken.
Toen dus de kapitein, die ijlings uit Sydney vertrokken was om zijn
arm klein meisje nog voor het laatst te zien, vraagde of zij liever
naar huis zouden willen gaan, antwoordden zij allen: "Ja!"
Er was een groen grasveld op den top van een heuvel achter het
woonhuis, en een groep acacia's, nu donkergroen, maar teeder getint
en bevallig in het voorjaar.
Daar legden zij kleine Judy neer. Om het grasperk liet Mr. Hassal
hooge, witte palen zetten; het grafje bevond zich aan den kant
der boomen.
De plek geleek op een klein kerkhof in een kinderland, waar er maar
één gestorven was.
Of op een mooi groen veld, met een klein bed.
Meg was verheugd, dat de verhevenheid naar het oosten gekeerd was;
de zon zonk achter haar weg--zoolang zij leefde kon zij niet meer naar
de oranje en gele en purperen tinten zien, die bij zonsondergang den
hemel kunnen kleuren. Maar ver in het oosten steeg de zon in stille
majesteit op, en het licht kwam langzaam naar den heuveltop in teeder
rose en trillend blauw en lichtend grijs, maar nooit in harde, gele
vlammen, die heete tranen in de oogen doen springen.
Toen zij Judy's rustplaats op den laatsten dag vaarwel zeiden, werd
deze kalm en liefelijk door den maan beschenen.
Allen plukten eenige halmpjes van de versche zoden, en gingen toen
heen. Niemand schreide, de kalme witheid der maan, de bleeke,
stralende sterren, de matte wind, die door de takken ruischte,
hielden hunne tranen terug tot zij het hek achter zich gesloten en
haar op den stillen heuveltop alleen gelaten hadden.
Zij gingen terug naar Misrule, een ieder om den levensdraad weer
op te nemen, en het weefsel voort te zetten, waaraan, God zij dank,
moet worden gewerkt, want anders zouden dagelijks de harten breken.
Meg was ouder geworden; zij zou nooit meer zóó jong zijn als zij was,
voor die roode zonsondergang zijn beeld in haar hart grifde.
In hare oogen was een dieper licht gekomen; zulke tranen, als zij
geweend had, verhelderen het oog, tot het leven eene duidelijker,
meer omvattende beteekenis krijgt.
Nellie en zij gingen den eersten Zondag na hunne terugkomst naar de
kerk. Aldith zat een paar banken verder, wuft als altijd, gekleed in
een kleurig toiletje, en coquet glimlachend naar de bank der Courtney's
kijkend, en naar de Graham's, die vlak achter dezen zaten.
Wat was Meg van haar vervreemd! Het scheen jaren geleden, dat zij al
hare aandacht aan den laatsten smaak voor hoeden gewijd had, aan den
snit van eene robe cloche en de beste methode om de handen blank te
maken. Jaren geleden, dat zij schuchtere pogingen had gedaan om zich
met flirten te vermaken. Jaren geleden, bijna, dat zij op Yarrahappini
het blauwe lint gegeven had, dat een grooteren invloed had dan zij
ooit vermoedde.
Alan keek naar haar van uit zijne bank--naar de kleine gestalte
in het treurige zwart der rouw, naar de vlecht, die het glanzende
haar samenvatte, maar welker eind niet meer gekruld was, naar den
zwaarmoedigen trek om de jonge lippen, den ernst der blauwe oogen. Hij
kon het zich bijna niet voorstellen, dat dit hetzelfde onnadenkende
meisje was, die den brief geschreven had, en door de duisternis
was komen sluipen om zijn weinig galanten jongeren broeder te
ontmoeten. Hij nam hare hand in de zijne, toen de kerk uit was; zijne
grijze oogen, die plotseling vochtig werden, vulden door hun warmen
blik de enkele woorden van deelneming aan, die hij stamelend uitsprak.
"Laten wij altijd vrienden blijven, Miss Meg!" zeide hij, toen zij
bij het hek van Misrule afscheid namen.
"Gaarne!" antwoordde Meg.
En deze hartelijke, oprechte vriendschap werd van schoone beteekenis
in hun beider leven, zij steunde Meg en maakte den jongen man zachter.
Pip werd weer vroolijk en opgeruimd als vroeger, zooals het ook den
jongen met het gevoeligste hart gaan zal, dank zij zijne jeugd; maar
somtijds kreeg hij plotseling een aanval van zwaarmoedigheid, en dan
verdween hij, er zich niet om bekommerende, of een spel cricket of
voetbal in vollen gang was, of wel hij stond van tafel op, als het
rumoer het hevigst was.
Bunby vertoonde aan de wereld een even morsig gezicht als vroeger,
en handen die zelfs nog smeriger waren, want in hem had zich in den
laatsten tijd eene neiging tot het machinevak geopenbaard, en in zijn
vrijen tijd maakte hij drukpersen--of wat daarvoor moest doorgaan--en
vreeswekkende en wonderbaarlijke machines, van een oude kachel en
eenige potten en roestige pannen, die hij voor het lot weggeworpen
te worden, gered had.