Een grenswachter had gemeld dat een prachtige gomboom, dien zij lang

den Koning der Koree's genoemd hadden, door eene hevige windhoos

omgewaaid was geworden, en Mr. Hassal beval dadelijk dat, hoe groot

de moeite ook zijn zou, hij weggehaald moest worden om eene soort

van dam dwars door het riviertje te Krangi-Bahtoo, de plaats, waar

men den picnic wilde houden, te vormen. De gevallen woudreus lag

twintig mijlen van het woonhuis, en zes mijlen van Krangi-Bahtoo;

en de afspraak was, dat de wagen het gezelschap veertien mijlen ver

zou rijden, dan den boom zou halen, en hem bij het riviertje brengen,

waar hij voorloopig kon blijven liggen, en vervolgens de kinderen in

de koelte van den avond weer als rijtuig zou dienen.

Wanneer het niet zijn plan geweest was zijne dochter op het bal

te vergezellen, zou Mr. Hassal zelf gegaan zijn om een oog op de

werkzaamheden te houden. Nu vertrouwde hij echter den grooten kar

aan vier mannen toe, en gelastte hun, een paar helpers te gaan halen,

wanneer zij aangekomen zouden zijn.

Krangi-Bahtoo--of Eendenwater, zooals wij, minder welluidend, zouden

zeggen--was de naam van den oorsprong van het riviertje, dat den

grond uitholde en een poel vormde, tot het zich juist op dit punt

een weg begon te banen, tusschen steile rotsen door en losse steenen,

waar de kangoeroes dartelden en met de jagers verstoppertje speelden,

terwijl het beschaduwd werd door blauwe gomboomen en roode gomboomen,

die zich in den blauwen hemel daarboven schenen te verliezen.

Tettawonga had verteld van een geest, die daar woonde, waar het

borrelende water een vijver vormde, een diepen schoonen vijver,

welks oevers door fijne varens sierlijk omlijst werd, en welks

waterspiegel de zware, dichte boomen, die hem als met een gordel

omgaven, weerkaatste.

Het water had daar leven gebracht, de zwarte zwaan bouwde zijn nest

tusschen het grasachtige riet, de wilde eend nam in zig-zag lijnen

zijn vlucht. In de boomen huisden de orgelvogel, de glansspreeuw,

eenige soorten van paradijsvogels, en vervulden de lucht met geluiden,

hoewel dan ook niet met liefelijk gezang. En de bruine, de zwarte, en

eene menigte andere vergiftige slangen gleden kronkelend tusschen de

gevallen bladeren en het gras, en hielden zich gereed, elken indringer

te ontvangen. En zoo kwam het, dat er eene voorwaarde verbonden was

aan den picnic, die den kinderen overigens zoo van harte gegund werd.

Een ieder mocht medegaan, en mocht op den ossenwagen meerijden,

maar de picnic moest op eenigen afstand van het ravijn gehouden

worden en niemand had verlof zich daarheen te begeven, op straffe

van oogenblikkelijk terug naar Sydney gezonden te worden.

Zij beloofden allen, dit bevel te zullen opvolgen. Mevrouw Hassal,

nietig als zij was, verstond de kunst, zich onvoorwaardelijk te

doen gehoorzamen.

Toen werd er een ongelooflijk aantal manden, volgepakt met allerlei

heerlijke eetwaren, op den wagen gezet.

Mr. Gillet zou medegaan, om de kinderen niet geheel onder elkaar te

doen zijn, en om op te passen dat niemand een zonnesteek kreeg.

Hij had Heine in den eenen zak als voorbehoedmiddel tegen de

verveling, die deze lange, ongewone dag misschien zou meebrengen;

een zwaarlijvigen, uitpuilenden Tennyson in den anderen, en een

pak Engelsche couranten onder zijn arm, toen hij op den wagen klom,

waar alle zeven reeds gezeten waren. Alle zeven? Zeker.

Judy had zonder den Generaal niet van de partij willen zijn, en had

gezegd "met haar leven er voor te zullen instaan," dat hem geene

ongelukken zouden overkomen.

Mr. Gillet keek bijna verstoord, toen hij het geheele troepje aanwezig

vond, zonder dat de tot ondeugendheid neigenden thuis bleven, of iemand

anders buiten hem zelven mee ging, die eenig gezag kon uitoefenen. Een

oogenblik twijfelde hij, onder de gegeven omstandigheden, aan zijn

persoonlijk overwicht.

Judy ving den weifelenden blik op.

"U zegt bij u zelven een gedicht op, Mr. Gillet!" zeide zij.

"Ik?" sprak hij, en keek verwonderd. "Werkelijk niet. Waarom denkt

u dat, Miss Judy?"

"Ik kan het duidelijk hooren!" zeide zij. "Uwe oogen vertellen er van,

en uw linker oor, om niet te spreken van de punten van uw snor."

"Judy!" riep verwijtend Meg, die door de eene of andere omstandigheid

buitengewoon stil was.

Hij wendde voor, boos te zijn--sloot zijne oogen, hield zijn linker

oor vast, en bedekte zijn snor.

"Wat zouden ze kunnen zeggen?" sprak hij.

""O, dat ik was waar 'k wilde zijn!

Dan was ik niet, waar ik nu ben;

Maar waar ik ben, daar moet ik zijn,

En waar ik 't wilde, kan ik niet."

Meg, ik verzoek je vriendelijk uit te scheiden, met op mijne teenen

te trappen!"

En zoo werd Mr. Gillet zelfs vroolijk en spraakzaam, om te toonen,

dat hij zich amuseerde, en de ossen werden aangestoken door den

opgewekten geest, die achter hen heerschte, en bewogen zich een klein

weinig sneller voorwaarts dan slakken. Toen zij ongeveer tien mijlen

ver gekropen waren, begon de langzame beweging en de hitte, die op

hen neerviel, hen een weinig te kalmeeren.

"Als er niet iemand is, die een liedje zingt, of een verhaal vertelt,

of iets voordraagt, of een grapje vertoont, dan stap ik uit en prik

de ossen met mijn hoedenaald!" zeide Judy.

Zij stond op om hare stijf geworden beenen te ontspannen, en poogde

zelfs een pas-de-seul uit te voeren, maar een gleuf in den weg was

oorzaak, dat aan hare bewegingen alle bevalligheid ontbrak. Zij viel

weer op den wagen neer.

"Hoe zou u het vinden, als ik u eens eenige gedichten voorlas, Miss

Meg?" zeide Mr. Gillet.

Zijne hand tastte naar zijn zak, de groote, zware Tennyson werd te

voorschijn gehaald; maar Judy en Pip en Bunby en Nell en Baby deden

een kreet van verontwaardiging hooren.

"Dan zou ik nog liever uit willen stappen en de ossen en alles

voortslepen!" zeide Pip; dus werd het boek weer weggeborgen.

"Een verhaaltje over het een of ander," zeide Judy,--"over een

koekoeboerra, als u niets beter verzinnen kan!"

Zulk een vogel--met een deftig, geheimzinnig uiterlijk--zat op

eene haag aan den kant van den weg, en zoo kwam juist hij Judy in

de gedachten.

"Wel, u zou een vervelender verhaaltje kunnen hooren dan dat wat ik ken

over den koekoeboerra, of goboerra of landmansklok--of hoe u hem wil

noemen," zeide Mr. Gillet, en streek peinzend langs zijn snor; "maar

eigenlijk is Tettawonga de man, om deze oude legenden te vertellen;

wat ik u zal mededeelen, is dus maar een verhaal uit de tweede hand,

en vrij vertaald."

Judy zette zich tot luisteren, en wiegde den Generaal heen en weer,

om hem stil te houden.

"Wacht even tot ik deze vrucht naar hem heb geslingerd"--zeide Pip,

haalde er een uit zijn zak, en verdreef den vogel van de haag. "Hij

mocht eens de leugens, die er over hem verteld worden, hooren en zich

gekrenkt gevoelen."

"Voor vele, vele jaren," Judy trok den neus op bij dit ouderwetsche

begin, "voor vele, vele jaren," zeide Mr. Gillet, "toen dit jonge land

nog jonger was, en onvergelijkelijk veel schooner, toen Tettawonga's

voorvaderen dapper en sterk en gelukkig waren als zorgelooze kinderen,

toen hun verschrikkelijkste droom hun nog nooit van een tijd had

doen droomen zoo verschrikkelijk als de blanke man over hun ras zou

brengen, toen--"

"O, spaar ons de inleiding!" pruttelde Pip ongeduldig.

"Toen," vervolgde Mr. Gillet, "om kort te gaan, een Gouden Eeuw dit

land in zijn zonneschijn hulde, spreidden een jonge koekoeboerra

en zijn wijfje de vleugels uit, en vertrokken naar de purperen

bergen aan gene zijde der gomboomen. Iederen nacht en iederen

dag hielden zij eenigen tijd rust, om zich met wormen, hagedissen,

boschmuisjes en rupsen te voeden, hetgeen toen het eenige voedsel was

der koekoeboerra's. Op een dag, toen zij over een bilwy vlogen--wat

een klein stroompje is, Miss Judy--waren zij zeer verschrikt, toen zij

een wipparoo--de naam, dien Tettawonga aan eene slang geeft, Pip--over

een steen zagen liggen. Hare kop was opgeheven, haar mond wijd open,

en haar nek zeer opgeblazen, en juist boven den kop van het monster

fladderde, angstig klapwiekend en piepend, een mooi klein vogeltje,

dat de koekoeboerra dadelijk herkende als zijnde de jeeda, het kleine

blauwe winterkoninkje.

"De wipparoo scheen al het mogelijke te doen, om het aardige kleine

diertje, dat van vrees en opwinding bijna uitgeput was, angstig

te maken. Het vloog steeds naderbij, staarde onafgebroken in de

glinsterende oogen der slang, en ten laatste, met een doordringenden

schreeuw, viel het hulpeloos in zijne gapende kaak. De koekoeboerra's

waren zeer bedroefd, toen zij het treurige uiteinde van de arme

jeeda zagen, en vlogen vlug weg uit het gezicht van de vreeselijke

wipparoo. Weldra zagen zij haar echter haastig door het gras glijden,

zonder twijfel op weg naar haar hol na het uitgezochte maal. Zij

kwam langs een blok hout, dat langzaam lag te branden, en zoodra de

wipparoo dit ontdekt had, legde zij zich, daar zij zeer moede was,

er naast neer, en sliep den slaap des onrechtvaardigen.

"In haar droom zag zij de jeeda weer boven zich fladderen, en

plotseling haar kop ver omhoogstrekkende, opende zij haar vreeselijke

kaken--toen eensklaps het mooie, blauwe vogeltje er zich uit bevrijdde,

en ongedeerd vlug weg vloog."

"Heb ik van mijn leven!" zeide Bunby. "Ga voort; die was nog handiger

dan Jonas!"

"De koekoeboerra's waren zoo verheugd, toen zij de wonderbare redding

van de jeeda zagen, dat zij in een luid gelach uitbarstten--de eerste

keer, dat een vogel gelachen heeft. Toen zonk de groote, roode zon,

die Tettawonga en alle Koree's, Euroka noemen, weg achter de oranje

getinte bergen, en de wereld werd grijs.

"Een slanke, jonge Koree, die kwam aanwandelen, zag de wipparoo, en

met een slag van zijn sterke nulla-nulla, dat, vertaald, een knots is,

scheidde hij haar kop van haar lichaam."

"Ik zou haar om mijn hoofd gezwaaid en haar rug verbrijzeld hebben,

zooals Tettawonga doet!" zeide Pip. "Weet u zeker, dat hij het ook

niet zoo deed, Mr. Gillet?"

"Daar zou ik niet gaarne een eed op moeten doen," zeide deze heer,

"aangezien de Koree het tijdelijke met het eeuwige verwisseld

heeft, en dus niet als getuige kan opgeroepen worden. En verder: de

koekoeboerra's sluimerden den geheelen nacht in een dichtbijzijnden

boom; maar toen de zon weer begon haar boog langs den hemel te

beschrijven, ontwaakten zij met een lach op hunne lippen--snavels

moest ik zeggen, Miss Judy--want zij dachten er aan, hoe de jeeda

aan de onbarmhartige wipparoo ontsnapt was. En sedert dien tijd,

zoo sterk werkte dit voorval op hunne lachspieren, bij zonsopgang

en zonsondergang, en ook wel eens tusschen dien tijd, barsten deze

vreemdsoortige vogels in het lachen uit, dat u allen goed kent, en

wanneer zij eene slang zien, pakken zij haar met hunne sterke bekken

en dooden haar, als de Koree deed.

"Miss Meg, die zilverachtig groene gomboom voor u, duidt Eendenwater

aan."

Wat waren zij verheugd eindelijk te kunnen opstaan en hunne ledematen

op den grond uitstrekken. Niemand van hen had gedacht, dat met een

ossenspan rijden zoo vervelend, saai en ongemakkelijk was, als het

na de eerste paar mijlen bleek te zijn.

Toen zette de wagen zijn weg voort.

"Ik ben benieuwd of zij terug zullen zijn vóór zonsondergang, als zij

niet wat vlugger voortmaken," zeide Mr. Gillet; "het is nu tijd voor

den lunch."

Zij bevonden zich op een groot grasveld, dat aan eene zijde plotseling

naar het ravijn en het moerassige land afdaalde, hetwelk bekend was

onder den naam van "Eendenwater."

Groote boomen wierpen hun schaduw aan den eenen kant, en langs den

anderen bevond zich de omheining van prikkeldraad, die aantoonde,

dat zij zich nog niet van Yarrahappini verwijderd hadden; verder op

stond de eenzame hut van een der drijvers.

Zij gingen gezamenlijk naar hem toe, om hem te spreken en om zijne

eenzame woning te zien, vóór hij zich bij de mannen met den kar zou

gevoegd hebben.

Zij kwamen in eene kleine kamer, met een grooten haard en een

schoorsteen, waaraan een pan, een ketel, een kop en een lepel

hingen. Er stond een leger in eenen hoek, met een paar blauwe dekens er

op, eene houten tafel en een stoel in het midden van het vertrek. Bij

den haard was eene ruwe kast tegen den muur bevestigd. Zij was van eene

oude zeepkist gemaakt, en bestemd, om levensmiddelen te bergen. Aan

een spijker in de lage zoldering hing een zak van muskietengaas,

en de gonzende vliegen, die hem omgaven, gaven te kennen, dat hij

vleesch bevatte. De muren waren behangen met menig nummer van Het

geïllustreerde Nieuwsblad van Sydney en De Courant voor Stad en Land,

een courant van een maand oud lag op den stoel, waar de eigenaar hem

had neergeworpen.

De drijver was eene studie in bruine tinten: bruine, droomerige

oogen; bruin, stoffig haar; eene bruine, door de zon uitgedroogde

en verschrompelde huid, een bruine, onverzorgde baard, eene bruine

broek van geribd fluweel, en eene bruine jas.

Zijne pijp was evenwel zwart--zij zag er uit, alsof zij minstens

twintig jaar was gebruikt geworden.

"Zou u niet liever dichter bij het woonhuis willen zijn?" vraagde

Meg. "Is het hier niet eenzaam?"

"Daar merk ik niets van," zeide de bruine man tot zijne pijp of

zijn baard.

"Wat voer je wel uit als je niet in de velden bent?" vraagde Pip.

"Rooken," zeide de man.

"Maar Zondags, en 's avonds?"

"Rooken," zeide hij.

"Op Kerstdag," zeide Baby, vooruitdringend om dezen vreemden man te

zien, "wat doet u dan?"

"Rooken," antwoordde hij.

Judy wenschte te weten hoe lang hij in het kleine huis gewoond had,

en allen stonden versteld toen zij hoorden, dat hij zeven jaar lang

daarin den meesten tijd had doorgebracht.

"Verleer je wel eens niet het praten?" zeide zij met eene stem,

waaruit schrik en verbazing spraken.

Maar hij antwoordde kalm zijn baard dat er toch altijd de kat was.

Baby had haar reeds gevonden onder de petroleum-aetherkan, die als

emmer dienst deed, en het dier had haar op drie plaatsen gekrabd:

bruin, als haar baas, had zij kwaardaardige oogen, groote snorren en

was mager als een hout; maar eene genegenheid, die reeds jaren bestond,

verbond die beiden.

Mr. Gillet deelde hem Mr. Hassal's verlangen mede, dat hij de andere

mannen zou vergezellen en bij den boom helpen.

Hij trok een bruinen hoed over zijn voorhoofd en begaf zich naar

den ossenkar, die den kronkelenden weg opgekropen was tot bij den

heuveltop.

"Water van de ton, is dichterbij dan de rivier!" sprak hij tot zijne

pijp voor hij heenging, en zij vonden zijn watervoorraad en vulden

hun ketel voor den lunch.

De gebraden kippen en eendvogels van mevrouw Hassal smaakten

uitstekend, hoewel de zon haar best deed, ze zelfs op de schotels

nog te braden. En de appeltaart en abrikozengebakjes verdwenen snel,

en van de vruchtensalade, welke uit twee hermetisch gesloten flesschen

te voorschijn kwam, bleef geen lepelvol over.

Mr. Gillet had alles medegebracht om een meelkoek te bereiden, op

uitdrukkelijk verzoek, en maakte na den lunch daartoe aanstalten,

opdat zij den koek bij hun thee 's middags zouden kunnen nuttigen.

De koek werd zonder twijfel bewonderenswaardig vlug klaar gemaakt.

Mr. Gillet schudde eenvoudig eenig meel uit een zak op een bord,

voegde daar een weinig zout en wat water bij; toen kneedde hij dit

alles, vormde van het deeg een koek, en legde dezen op de asch van

het vuur, waarna hij hem met de warme, witte asch bedekte.

"Hoe vies!" zeide Nell, en trok haar mooi neusje op.

Maar toen hij gaar was, en Mr. Gillet hem opnam en de asch

verwijderde--zie! toen was hij luchtig en licht en prachtig wit.

Dus aten zij hem, en spraken vol geestdrift af, bij iederen volgenden

picnic in de grasvelden van Misrule zulk een koek te maken.

Zij vulden twee borden met eetwaren en zetten deze in de kast van den

bruinen man en Mr. Gillet legde zijne ongelezen Engelsche couranten

op den stoel naast de kast.

"Die courant is een maand oud," zeide hij, ootmoedig, ziende dat Meg

voor de eerste maal dien dag, hem glimlachend aankeek.

HOOFDSTUK XIX.

EEN LICHTBLAUW HAARLINT.

"Zij in haar maagdelijke schoonheid

Als een heiligenbeeld zoo rein--

Hoe zouden die smarten en zonden,

Voor haar gevaarlijk ooit zijn?"

Aanleiding tot de omstandigheid, dat onze aanminnige, bleeke Margaret

karig met hare glimlachjes was geweest, had dezelfde man, die alleen

ze miste, gegeven.

Eene warme vriendschap was in deze maand ontstaan tusschen het kleine,

bevallige meisje, dat met zulke heldere, blauwe oogen eene toekomst

tegemoet zag, die, dit gevoelde zij, schoon moest zijn, en den man,

welke zooveel doorleefd had, welke terug kon staren op een verleden,

dat zwart en treurig was door zijne eigen schuld.

Hij reed iederen dag met de meisjes uit, omdat mevrouw Hassal het

niet aangenaam vond, wanneer zij verre afstanden alleen aflegden;

en daar Judy haar paard zelden stapvoets liet loopen, en Meg het hare

niet kon laten galoppeeren, was het natuurlijk, dat hij den geheelen

tijd door aan de zijde der bedaarde en vreesachtige rijdster bleef.

"U herinnert mij aan een zusje van mij, dat gestorven is!" zeide

hij eens langzaam tot Meg, na een vertrouwelijk gesprek. "Misschien,

als zij nog in leven was, zou ik nu niet zoo verachtelijk zijn!"

Megs gelaat overtoog een hoogroode blos, en pijnlijk ontroerd keek

zij voor zich. Het kwam haar vreeselijk voor, dat hij zou weten,

dat zij niet onkundig was van zijne afdwalingen.

"Wie weet, of zij niet om u lijdt!" fluisterde zij zoo zacht, dat

hij haar nauwelijks verstaan kon, en toen deed hare vermetelheid

haar verbleeken, en zij liet haar paard een weinig sneller loopen,

om hare verschrikte blikken te verbergen.

Op den terugweg viel het lichtblauwe haarlint, dat haar vlecht hield

samengebonden, op den grond. Hij steeg af, en raapte het op. Meg

strekte hare hand er naar uit, maar hij maakte den strik los, en wond

het langzaam om zijne groote hand.

"Mag ik het houden?" zeide hij met zachte stem. "Als mijn blauwe

lint? Ik ken de voorwaarden, waartoe men zich daardoor verbindt."

"Als u daaraan zou willen denken--o, als u dat wilde ..." zuchtte

Meg meer, dan dat zij het sprak. Toen kwam Judy aangegaloppeerd,

en zij reden alle drie naast elkander naar huis. Het maakte haar zoo

gelukkig gedurende de warme, lange dagen, die nu volgden; voor een

meisje, dat juist het leven binnentreedt, kan er geen reiner, dieper

gevoel van vreugde bestaan, dan dat wat haar geschonken wordt door

het bewustzijn, dat zij een invloed ten goede uitoefent op een man

of eene vrouw, ouder dan zij zelve, bezoedeld en levensmoede. Arme

kleine Meg! In hare liefelijke, zonnige droomen had zij haar grooten

protégé gezien als wederom zijnde een man onder mannen, met opgeheven

hoofd zijne plaats in de wereld innemende, terugkeerende naar het

moederland en de jonkvrouw afhalende, die volgens hare vruchtbare

verbeeldingskracht daar geduldig op hem wachtte; en, dit alles omdat

zij, Meg Woolcot, zich zijner had aangetrokken, en hem den weg had

gewezen, dien hij moest volgen.

En toen ging zij zich in een hangmat in de veranda aan de achterzijde

van het huis wiegen, en al hare luchtkasteelen stortten in, en kwetsten

en verwondden haar in hun val.

Achter haar bevond zich eene dichte kruipende plant, en door de takken

en bladeren heen kon zij Tettawonga hooren praten met de keukenmeid.

"Mr. Gillet weer aan den gang!" zeide hij, en grijnsde met den kant

van zijn mond, waar de pijp niet was. Meg hief zich in doodelijken

schrik op. Sedert zij te Yarrahappini was, had zij deze uitdrukking

te dikwijls met betrekking tot werklieden van de bezitting hooren

gebruiken, om niet te weten, dat daaronder een aanval van hevige

drankzucht verstaan werd.

"Goede hemel! Dat verwondert me niets!" zeide de dienstbode. "Hij is

den laatsten tijd veel te matig geweest; ik denk, dat hij geprobeerd

heeft nuchter te blijven zoolang de logés er zijn, maar dat kan hij

toch niet volhouden! Wie heeft nu de sleutels?"

"Mevrouw Hassal," zeide hij. "Jij haar gaan helpen--hij zal vandaag

wel niet naar de magazijnen omzien, Mr. Gillet--hi, hi, ha, ha!"

Dat was er dus met hem gebeurd in die drie dagen, gedurende welke

zij hem niet gezien had! Zij had gehoord, dat hij in opdracht van

Mr. Hassal naar de naastbijwonende buren gereden was, maar had er

niet aan gedacht, dat hem zoo iets zou overkomen zijn. Den vijfden

dag had zij hem in de verte gezien, eens, toen hij uit de magazijnen

kwam en eens toen hij buiten zijne eigen deur stond te rooken, en

geen van beide keeren had zij iets buitengewoons aan hem waargenomen,

alleen misschien, dat zijne schouders iets meer gebogen waren.

Den zesden dag had de picnic plaats.

Even luchthartig en vroolijk als de anderen kon zij niet zijn, nu zij

zoo teleurgesteld, nu haar vertrouwen in de menschen zoo geschokt was.

Wat was hij zwak, dacht zij; hoe karakterloos! Al haar medelijden

had plaats gemaakt voor eene jeugdige, diepe verontwaardiging.

Zij had hem ternauwernood hare hand gereikt, toen zij elkander in den

morgen ontmoet hadden, en was gedurende den langen rit opzettelijk

koud en uit de hoogte tegen hem.

Na den lunch geraakte het gezelschap verspreid. Judy nam den Generaal

en ging met hem naar den kant der boomen; Pip en Bunby hielden zich

bezig met sprinkhanen vangen; Baby en Nell plukten wilde bloemen. Meg

knielde neer om de lepels en vorken in te pakken en de overgeschoten

eetwaren weer in de manden te leggen, om ze voor de mieren te

beveiligen.

"Dat zal ik wel doen--u ziet er zoo warm uit, Miss Meg; blijf u maar

kalm zitten!" zeide Mr. Gillet.

"Dank u, ik wil het liever zelf doen," antwoordde Miss Meg, met

ijskoude kalmte.

Zij keek hem niet aan, maar hare lippen stonden zoo strak, dat hij kon

vermoeden hoe toornig de blik harer heldere, blauwe oogen zijn moest.

Hij bood niet nogmaals zijne diensten aan, maar bleef haar met eene

raadselachtige uitdrukking op het gelaat aan zitten staren, terwijl

zij het een en ander inpakte. Toen zij bijna gereed was, haalde hij

iets uit zijn zak te voorschijn.

"Dit moet ik u terug geven," zeide hij, en overhandigde haar het blauwe

lint, keurig opgevouwen, maar daar, waar het gestrikt was geweest,

kreukels vertoonende.

Zij nam het aan zonder hare oogen op te slaan, verkreukelde het in

hare hand, en stak het in haar zak.

"Ik had bijna gehoopt, dat u het mij zou hebben laten behouden,

ondanks alles"--zeide hij, "als een talisman voor de toekomst, maar

uwe lippen zijn te streng, Miss Meg, dan dat ik deze hoop langer zou

kunnen koesteren."

"Het zou even vruchteloos zijn, als het geweest is!" antwoordde zij

stijf. Maar hare handen bewogen zich zenuwachtig, en zij pakte de

resten van een ham en van een confiturentaart samen in een mand.

"Dus behoef ik mij geene illusies te maken?" zeide hij.

"Het zou tot niets leiden!" herhaalde Meg, terwijl zij sinaasappels

en bananen met eene verhoogde kleur opraapte.

Hij begrijpt niet, hoe slecht hij geweest is, hij denkt, dat alles

maar dadelijk vergeven en vergeten moet zijn, dacht zij.

Hij ledigde langzaam den trekpot op den grond, sloot hem met zijn

zwart geworden deksel, en bond er eene courant om heen. Toen keek

hij weer naar haar, en de wijze, waarop haar zijdeachtig haar op haar

voorhoofd viel, deed hem aan zijn gestorven zusje denken.

"Ik smeek u mij het lint terug te geven, Miss Meg!" zeide hij.

Megs hart en hoofd kampten een hevigen strijd; haar hart was gevoelig

en warm, en zeide haar, het lint te voorschijn te halen, en het hem

dadelijk te geven; het hoofd sprak, dat hij zwaar gezondigd had, en dat

zij hem haar misnoegen moest laten blijken, zelfs wanneer zij hem ten

laatste zijn verzoek zou toestaan. Het hoofd behaalde de overwinning.

"Mijn invloed is klaarblijkelijk vruchteloos,--dat eindje lint zou

in de toekomst toch niets baten!" zeide zij zeer koud.

Hij leunde tegen den boom en gaapte, alsof het onderwerp hem verder

geene belangstelling inboezemde.

"U heeft gelijk!" zeide hij.

Meg had min of meer een gevoel van verslagenheid.

"Als u werkelijk veel aan het lint gelegen is, kan u het natuurlijk

hebben!" zeide zij uit de hoogte.

Zij nam het uit haar zak, en reikte het hem toe.

Maar hij deed geene poging het aan te nemen.

"Behoud het en bind er uw haar weer mede vast, juffertje!" zeide

hij. "Inderdaad, ik geloof ook niet, dat het van eenig nut zou zijn."

Meg ging met gloeiende wangen voort, alles, op te bergen, en hij

stopte zijne pijp en rookte, en sloeg haar al dien tijd lui gade.

"Het is wel vreemd," zeide hij, meer alsof hij bij zich zelf eene

opmerking maakte, dan dat hij tot haar sprak, "maar de vrouwen,

die er het zachtst uitzien, zijn bijna altijd het hardst."

Meg opende haar mond om te spreken, maar vond geene woorden, dus

sloot zij hem weer, en begon voor de vierde maal Mevrouw Hassal's

vorken te tellen.

Zeven kleine Australiërs · 第 10 / 12 段