eene heuvelreeks met bosschen af. En in den omtrek van het woonhuis
waren de boomen krachtig en heerlijk groen, en de bloemen prijkten
met een rijkdom van kleuren.
Maar de vlakte, die zich daartusschen uitstrekte, was bruin. Haar
bedekte verzengd gras, hier en daar afgewisseld door een plek
vaalgroene halmen, terwijl kleine boschjes de ruggen der heuvels, die
eenige afwisseling brachten in de rechte lijn der velden, bedekte,
en weer in de hellingen verdwenen, waar gras en doorngewas welig
groeiden. Het hoofdstation bestond uit een klein dorp op den top
van een heuvel. Jaren geleden, toen Esther niet grooter was dan haar
kleine Generaal nu, had er alleen eene ruw getimmerde woning gestaan
op den heuveltop, met een paar hutten van boomschors als bijgebouwen.
En Mr. Hassal was van den morgen tot den avond in het zadel geweest,
en had harder gewerkt dan twee van zijne drijvers samen, en mevrouw
Hassal had hare liefhebberijen laten rusten, hare handwerken, hare
guitaar, haar schilderdoos, en had geschrobd en gekookt en gewasschen
als menige vrouw van een landbezitter vóór haar gedaan had, tot de
angstig verbeide wolmarkt hun betere dagen bracht.
Toen verrees eene groote, steenen woning juist tegenover het kleine,
oude buitenhuis met zijn door flesschen afgeperkt tuintje, waar
nooit iets aristocratischers te zien was geweest dan de snuitjes
van biggetjes en scharlakenroode geraniums. Het was een zeer mooi
buitenhuis, met eene menigte luchtige kamers, vele vensters en een
diepe veranda. Het kleine roode gebouwtje was keuken, buitendien
bevatte het kamertjes voor de twee dienstmeisjes, en aan het groote
woonhuis was het met eene overdekte gang verbonden.
Een honderd ellen ver weg stond eene woning, die twee vertrekken
bevatte, en bewoond werd door den zoon van een Engelschen baronet,
die tegen zeventig pond in het jaar en vrijen kost, de boeken van
Yarrahappini hield en het opzicht voerde over de magazijnen.
Nog wat verder stonden twee hutten van boomschors, zij waren tegen
elkaar aan gebouwd. Tettawonga, een oude, kromme inboorling, woonde
in de eene, en voerde weinig meer uit, dan rooken, en iederen morgen
vertellen, wat hij van het weer dacht. Twintig jaar geleden had hij
meegeholpen om een stevig fundament te maken voor het roode woonhuis,
dat geheel gereed gebouwd daarheen was gebracht op een grooten,
door ossen getrokken wagen.
Voor vijftien jaar had hij met zijn tomahawk een van twee
struikroovers, die zich in Yarrahappini poogden te nestelen, in de
afwezigheid van den eigenaar gedood, en had hij de kleine bevende
mevrouw Hassal en Esther naar eene veilige plaats gebracht, was
teruggegaan, en had den anderen een slag op het hoofd gegeven, die
hem bedwelmde, tot hulp kwam opdagen.
Zoo had hij zich natuurlijk een recht verworven op de hut en het
dagelijksch rantsoen en de pijp, die nooit van zijne lippen kwam.
Twee werklieden van de bezitting woonden in de andere hut, wanneer
zij niet uit waren naar veraf gelegen weiden.
Vlak bij het huis was een groot, waterdicht gebouw, met eene zware,
van een hangslot voorziene deur.
"O, laten we daar eens ingaan," zeide Nell, aangetrokken door de
grootte van het hangslot; "het ziet er uit als een huis, waarin
schatten geborgen worden, uit een boek. Mogen we er niet in,
grootmamaatje?"
Zij waren bezig alle gebouwen te verkennen--de zes kinderen in een
troepje, mevrouw Hassal, die zij allen "grootmamaatje" noemden,
zeer tot haar genoegen, en Esther met den jongen.
"Je moet het gaan vragen aan Mr. Gillet," zeide de oude dame, "hij
bewaart de sleutels van het voorraadshuis. Kijk, hij woont aan den
overkant in dat huisje naast het waterreservoir, en spreekt beleefd,
kinderen, alsjeblieft!"
"Zulk een beschaafd man," zeide zij zachtjes tot Esther, "zoo knap,
zoo welgemanierd, als hij alleen maar niet zoo dronk."
Meg en Judy gingen, met Baby achter haar aan rennende, zoo vlug als
hare korte beentjes het haar veroorloofden.
"Binnen!" zeide eene stem, toen zij klopten.
Meg aarzelde zenuwachtig, en een man opende de deur. Een groote,
magere man, met rustelooze, zwaarmoedige oogen, een bruin, breed
voorhoofd, en zorgvuldig geknipten baard.
Judy deelde mede, dat mevrouw Hassal hen gezonden had om de sleutels,
als hij er niet tegen had.
Hij verzocht haar binnen te komen en te gaan zitten, terwijl hij naar
het gevraagde zocht.
Meg was verwonderd over de kamer, gelijk hare blauwe oogen duidelijk
te kennen gaven, want zij had alleen maar van hem hooren spreken als
van den magazijnmeester. Er was een boekenrekje, waarop zij Shakespeare
en Browning en Shelley en Rosetti en Tennyson, William Morris en vele
anderen zag, waarvan zij vroeger nooit gehoord had. Er hingen aardig
in een lijst gezette photographieën en gravures van Engelsche en
Europeesche tafereelen aan de muren. Er was een klein geëmailleerd
zilveren vaasje op een hoekje, en eenige bloemen met lange ranken
bloeiden daarin. De tafel met de overblijfselen van het ontbijt er
op, was even keurig op kleine schaal als die, welke zij zooeven had
verlaten, in het groote woonhuis.
Hij kwam uit de binnenkamer terug met de sleutels. "Ik was bang, dat
ik ze op eene verkeerde plaats gelegd had," zeide hij. "De middelste
past op het hangslot, Miss Woolcot; de dikke koperen is voor de twee
kisten, en de lange stalen voor de kast."
"Dank u vriendelijk; ik vrees, dat wij u bij het ontbijt gestoord
hebben!" zeide Meg, terwijl zij opstond en eene kleur kreeg, omdat
zij dacht, dat hij hare verbazing over het boekenrekje had opgemerkt.
Hij deed, alsof hij hare verlegenheid niet merkte en hield de deur voor
haar open, met eene buiging, waar wel iets hoffelijks in was. Althans,
dit vond Meg, terwijl zij vol verbazing er over peinsde, hoe het
kon, dat men gezouten vleesch bij den centenaar en kisten vol meel
bezat. Hij keek haar na, toen zij over het gras liepen--ten minste
hij keek naar Meg in haar luchtig mousselinen japonnetje met licht
blauw ceintuur, Meg met haar strooien zonnehoed en haar glanzende
vlecht van kroezend haar, die tot op haar middel hing.
Judy's lange zwarte beenen en verkreukt batist kleedje hadden niets
schilderachtigs.
Mevrouw Hassal maakte het hangslot van het voorraadshuis open. Welk
een koor van "o's!" en "hè's!" rees er op uit de kinderen.
Baby had nog nooit in haar leven zooveel suiker bij elkaar gezien;
naar haar gezichtje te oordeelen, was zij wel gaarne een paar uur
alleen in deze groote kamer geweest.
En dan de krenten! Er was een groote houten kist boordevol--het
zouden wel ongeveer vijftig pond zijn, dacht mevrouw Hassal, toen
zij er haar naar vraagden.
Bunby nam stil een handvol weg en stopte die in zijn zak, terwijl
iedereen bezig was naar den berg van kaarsen te kijken.
"Zelf gemaakt, liefje, natuurlijk!" zeide de oude dame. "Wel, ik
zou er niet toe kunnen overgaan eene gekochte kaars te gebruiken,
evenmin als gekochte zeep!"
Zij liet hen de groote staven van zuiver ruikende, gele zeep zien,
en fijnere, lichter gekleurde voor de waschtafel.
Hammen en zijden spek hingen in groot aantal aan de balken. "Dit zijn
schapenhammen," zeide zij, wijzende naar een gedeelte. "Die heb ik
voor de drijvers."
Pip wenschte te weten, of het de bedoeling was, dat het magazijn hun
moest dienen voor hun geheele leven, er was genoeg; hij was verbaasd
te hooren, dat het iedere zes maanden opnieuw voorzien werd.
"Twintig tot dertig man, dat zijn dus de grenswachters en drijvers
op verschillende gedeelten der bezitting, en tweemaal dit aantal
in scheer- of drijfjachttijd, om niet te noemen de daglooners,
die iederen dag hier werken--het is, alsof men een leger voedt,
kinderen!" zeide zij. "En dan moest ik toch ook zorgen, voor jelui
allen genoeg voorraad te hebben--vooral voor Bunby."
Zij knipoogde schalks met hare kleine, grijze oogen, toen zij naar
dien kleinen jongen keek.
"U kan ze terugkrijgen," zeide Bunby, half pruilend. Hij haalde een
half dozijn krenten uit zijn zak te voorschijn. "Ik had niet gedacht,
dat het u iets kon schelen, bij zulk eene menigte; wij hebben maar
eene flesch vol thuis."
Waarop de oude dame hem op zijn hoofd tikte, een blik openmaakte,
en zijne handen met vijgen en dadels vulde.
"En moet u iederen dag voor al die mannen koken?" zeide Meg, benieuwd
welke keukenkachel daar groot genoeg voor zijn kon.
"Neen, schatje!" antwoordde de oude dame. "Wel neen! Iedere man
zorgt voor zich zelf in zijne eigen hut; zij krijgen zelfs niet eens
brood, alleen porties meel, om voor zich zelf hun twaalfuurtje te
bereiden. Ook geven wij hun eene bepaalde hoeveelheid vleesch, thee,
suiker, tabak, kaarsen, zeep en nog het een en ander."
"Waar bewaart u de wol en zulke dingen?" zeide Pip, wiens geest zich
verheven gevoelde boven de zelfgemaakte kaarsen; "ik kan geen enkele
loods of iets dergelijks ontdekken."
Mevrouw Hassal deelde hem mede, dat die op een mijl afstand stonden,
bij het riviertje, waar de schapen op een bepaalden tijd van het
jaar gewasschen en geschoren werden. Maar de hitte was te groot, dan
dat zelfs Pip verlangde, om juist nu er heen te gaan; dus namen zij
Mr. Hassal in beslag, verlieten grootmama met Esther, den Generaal en
Baby, en gingen naar de uit baksteen gebouwde stallen in de nabijheid.
Daar waren drie of vier voertuigen met kappen, maar in het geheel
geen paarden, deze waren verderop in de weiden. Zij liepen over het
grasveld den heuvel op. Een half dozijn paarden gaven gehoor aan een
eigenaardig gefluit van Mr. Hassal; de andere waren wilde, ongetemde
dieren, die de manen schudden en op het zien van menschen naar de
verst afgelegen gedeelten, waar de boomen groeiden, vluchtten.
Pip koos er een uit, een grijs, met lange harddraverspooten, en
een smallen mooien kop; hij was wat trotsch, dat hij verstand van
paarden had! Judy koos een zwart, met roodachtige, beweeglijke oogen,
maar Mr. Hassal stond het haar niet toe, daar het een wisselvallig
temperament had, en dus moest zij zich tevreden stellen met een bruin
diertje, met zachten, satijnachtigen neus.
Meg vraagde om een "heel erg mak" op fluisterenden toon, zoodat Judy
en Pip haar niet konden hooren, en kreeg een oud beestje, dat mevrouw
Hassal achttien jaar geleden gedragen had. Ieder dier was bestemd om
geheel ter beschikking te staan van het jonge volkje, gedurende hun
verblijf te Yarrahappini. Maar de ritjes moesten plaats hebben voor
het ontbijt of na de thee (werd hun gezegd), als zij er eenig genoegen
van verwachtten; het was anders te warm om paard te rijden. Nellie
was teleurgesteld in de schapen, uitermate teleurgesteld. Zij had
verwacht, groote, sneeuwwitte dieren te vinden, die tam zouden zijn,
en haar zouden toelaten, linten om hunne nekken te strikken, en hen
rond te leiden.
Van den heuveltop zag zij den volgenden morgen het eene omheinde
grasveld na het andere, elk met eene bruine, langzaam bewegende massa;
zij rende naar beneden, door den zonneschijn, met Bunby, om ze van
dichterbij te bekijken.
"O, hoe jammer!" riep zij uit, en ware tranen van teleurstelling
sprongen haar in de oogen, toen zij de groote, luie dieren met hunne
lange, vuile, gehavende vachten zag.
"Wacht maar een tijdje, vrouwtje!" zeide Mr. Hassal. "Wacht maar,
tot dat wij ze baden!"
HOOFDSTUK XVII.
DE RUNDEREN VAN YARRAHAPPINI.
"De wilde stugge kudde te drijven in de omheining ...
Met een loopend vuur van zweepen en vurig hoefgetrap ...."
Pip kan nauwelijks slapen op een nacht, een maand na hunne aankomst,
daar hij dacht aan de vee-drijfjacht, die op het programma stond voor
den volgenden dag. Hij was aan het zoeken geweest naar de eene of
andere nieuwe bezigheid, want hij was een jongen, voor wien afwisseling
het zout van het leven was. In het begin was hij er zeker van geweest,
nooit het konijnenschieten vervelend te gaan vinden. Mr. Hassal had
hem het "aardigste, bovenste beste geweertje" gegeven, en Tettawonga
was den eersten dag met hem uitgegaan, en had zijne opgetogenheid,
dat hij er twee geschoten had, met groote minachting bejegend.
"In de boschjes, konijn genoeg. Jager kan gaan naar het noorden,
naar het zuiden, jager kan gaan waarheen hij wil. Bah, ieder goed
prikkeldraad doet, elk goed vergif doet. Bah!"
Maar Pip kon niet zoo spoedig ontmoedigd worden en dacht werkelijk,
dat hij den Yarrahappinischen staat een groot voordeel gedaan had,
door die twee zachte, vlugge, bruine diertjes te schieten. Hij nam
ze mee naar huis, en liet ze vol trots aan de meisjes zien, maakte
zijn volkomen schoon geweer schoon, en ging den volgenden dag met
zijne uitvallen voort.
Tettawonga nam zijne pijp van zijne lippen, toen hij hem weer zag,
en lachte, een luiden, gichelenden lach, die Pip rood deed worden
van drift.
"Morgen en morgen weer! Konijn nu gauw weg gaat. Jongen komt met groot
geweer, konijn dadelijk bang is, gaat onder den grond. Ha, ha, hi, hi!"
Pip begreep zijn gebrekkig Engelsch genoeg om te weten, dat met hem
den draak gestoken werd, en zeide hem boos: "zijn zottepraat voor
zich te houden."
Daarop schouderde hij het geweer, waarop hij zoo overmatig trotsch
was, en ging naar den anderen kant van de prikkeldraadomheining,
waar het gelukkig jachtterrein was van het kleine knaagdier, dat
Mr. Hassal belette rijk te worden.
Hij schoot er dien dag vijf, den volgenden vier, den daarop volgenden
zeven, maar na een tijdje begon het hem te vervelen, en ging hij op
vogels jagen, met meer plezier, maar minder zekerheid van de vangst.
Iederen dag was tot aan den rand gevuld met genietingen, en was het
alleen maar niet zoo ontzaglijk warm geweest, dan zou die eerste
maand te Yarrahappini er een geweest zijn, van volkomen tevredenheid
en geluk.
En nu was er de vee-drijfjacht!
Het ontbijt werd op den morgen van de groote gebeurtenis zeer vroeg
gebruikt; tegen half zes was het reeds afgeloopen, en Pip, in een
koorts van rusteloosheid, vertelde aan Mr. Hassal, dat hij er zeker
van was, dat zij te laat zouden zijn, en alles misloopen.
Judy had ijverig gepleit, om toestemming te krijgen mede te gaan, maar
iedereen zeide, dat hiervan geene sprake kon zijn--het werd zelfs in
twijfel getrokken, of het verstandig was Pip toe te staan het gevaar
onder de oogen te komen, dat onafscheidelijk is van het drijven van het
wildste gedeelte der kudde, dat van veraf gelegen weiden was opgejaagd.
Maar hij had zoo naar den dag verlangd, en zich zoo doelmatig gekleed,
dat Mr. Hassal niet het hart had, hem thuis te laten.
Hij kwam naar beneden om te ontbijten in een baaien hemd en een oude,
saaien broek, om zijn middel vastgemaakt met een lederen gordel, in
welken een ontbloot dolkmes, pas geslepen, los weg was gestoken. Geen
overreding kon hem er toe brengen eene jas te dragen, noch het mes
in de scheede te bergen.
Het grijze paard werd om het huis naar de trap der veranda gebracht,
evenals Mr. Hassal's prachtig rijdier. Mr. Gillet zat op een goed
onderhouden appelschimmel; hij had drie zweepen met houten handvat,
twee van wel zestien voet lang, de derde was korter, en deze bood
hij Pip aan.
Het gelaat van den jongen gloeide. "Hoera, Fizz!" riep hij uit, en hij
stond in de stijgbeugels op en zwaaide de zweep om zijn hoofd. "Wat
zou je er voor geven, om van plaats te ruilen?"
Hij drukte de sporen in de zijden van het paard en stortte zich
holderdebolder in een wilden galop den heuvel af.
Het was anderhalve mijl naar de omheinde grasvelden voor de kudden,
en daar heerschte de grootste opgewondenheid.
Pip kon niet begrijpen van waar al die mannen gekomen waren. Er
waren wel twintig of dertig drijvers; scheerders, die niets te doen
hadden; twee inboorlingen, buiten Tettawonga, die rookte en slaperig
en vergenoegd toekeek, en verscheidene andere werklieden der bezitting.
Op het eerste omheinde grasveld waren vijfhonderd stuks vee, die
daar den nacht te voren in gedreven waren, en die nu den aanblik
van een zee van wildzweepende staarten en hoorns aanboden.--Wat een
hoorns!--groote, gekromde, angstverwekkende hoorns, waarmede zij
elkander openreten en woedend bevochten, daar zij zagen, dat zij niet
bij den gemeenschappelijken vijand konden komen.
In het eerste oogenblik voelde Pip zich een weinig afkeerig de veilige
plaats op den rug van zijn paard te verlaten. Het gedreun van de
hoeven en hoorns, de wilde aanvallen, gedaan door de wanhopige dieren
op de omheining, deden hem verwachten, deze iedere minuut krakend te
zien bezwijken.
Maar al de anderen waren gaan zitten op de bovenste dwarslat van de
omheining, en keken neer op de verwoede dieren; daarom maakte hij
ten slotte zijne teugels aan een boom vast en trad omzichtig vooruit,
om dit voorbeeld te volgen.
Op een plotseling signaal van Mr. Hassal lieten de mannen zich aan
beide zijden aan den binnenkant der omheining zakken. Het doel was
een tweehonderd stuks vee in de aangrenzende versterkte omheining, van
welke het hek wijd open stond, te drijven. Pip was hoogst verwonderd
over den moed der mannen; voor een oogenblik had zijn hart in zijn
keel geklopt, toen de eene stier na den anderen zich een weg door
hen trachtte te banen; maar de lucht weergalmde van zweepgeklap en
van het geluid van stokslagen, en het eene beest na het andere trok
naar het midden terug, den kop druipend van bloed.
Toen holde een ontzaglijk groot zwart dier, met een gebrul, dat
den grond scheen te doen trillen, woest springend naar het hek;
de geheele kudde kwam achter hem aan. Bliksemsnel vormden de mannen
achter hen eene rij, schreeuwend, gillend, klappend met de zweepen,
om ze vooruit te drijven. Pip vloog op, en hitste ze aan, geheel
buiten zich zelven van opwinding. Toen hield hij zijn adem weer in.
Mr. Hassal en een van de inboorlingen slopen behoedzaam vooruit,
langs den doorgang, door welken de onstuimige stroom van hoorns en
ruggen zich stortte. Een half dozijn krachtige slagen van de mannen,
en de laatste aanvoerder deinsde één oogenblik achteruit, de troep
achter zich terugdringend.
In dit oogenblik hadden de twee mannen de sluitboomen dichtgeschoven
en de kudde was in twee gedeelten verdeeld.
Wederom twee rijen drijvers, zweepgeklap, gebrul, bloed, hoorns,
huiden, en hoeven in de lucht, en een veertig- of vijftigtal was
binnen de derde omheining geborgen,--eene lange, nauwe ruimte met
eene opening aan het eind, leidende naar de eindafdeeling.
Pip leerde van Mr. Gillet het doel van deze afscheiding: sommige
der dieren waren bijna waardeloos, men had hen aan een opkooper
toegewezen voor een paar pond het stuk, enkel de waarde van de hoorns,
de huid en het vleesch. Andere waren voortreffelijke, vette beesten,
gereed voor den slager en de markt van Sydney. En andere weer bleken
buitengewoon schoone dieren van groote waarde als fokvee, en moesten
in een afzonderlijk perk gebracht worden.
De man bij den laatsten doorgang verrichtte bet hoogst gewichtige werk
van het uitkiezen. Hij was gewapend met een korten, dikken stok, en
terwijl de andere mannen de dieren naar hem toe dreven, besliste hij
bliksemsnel tot welke klasse zij behoorden. Een hevige slag op den
neus, eene vlugge opeenvolging van harde slagen tusschen de oogen,
en het meest woeste beest deinsde verblind terug waarheen de drijver
het zond. Den geheelen dag werd het werk voortgezet, en juist toen
de groote, warme, purperen schaduwen schuin over de vlakten begonnen
te vallen, verzekerden zij den laatsten sluitboom, was het gevecht
afgeloopen, en waren de dieren in de voor hen bestemde perken.
Pip at genoeg gezouten vleesch en ander voedsel om hem half dood
te maken, dronk meer thee dan waarover hij ooit beschikt had op
één avond in al zijn veertien jaar, slingerde zich in zijn zadel,
daarbij den oudsten drijver zoo goed mogelijk nadoende, en bedacht,
dat als hij slechts eene zwarte, leelijke pijp zooals Tettawonga
en de andere mannen kon hebben, zijn geluk volmaakt en hij een man
geworden zou zijn.
Hij kwam thuis "zoo moe als een hond", en vermaakte zijne zusters en
Bunby met een levendig verhaal van de gebeurtenissen van den dag,
terwijl hij breedvoerig uitweidde over zijne eigen kracht en de
menigvuldige gevaren, waaraan hij ontsnapt was.
Den volgenden dag reden Esther en Judy met de anderen naar de omheinde
grasvelden om vee te zien wegdrijven.
De besten van het gedeelte, die Mr. Hassal alleen verlangd had af te
scheiden, niet te verkoopen, waren door het hek naar buiten gedreven,
terug naar hunne vroegere velden en weiden.
De "landopeters", een honderd vijftig stuks, met een half dozijn
drijvers, gezeten op de beste paarden der bezitting, die voor
hen uitgezocht waren, werden bevrijd uit hunne opsluiting, in een
toestand van waanzinnige woede, met veel geklap van zweepen en gegil,
samengedreven tot eene kudde, en over de vlakte voortgejaagd in de
richting van den weg. En een uur of twee later werd de beste troep
slachtvee weggeleid, en wederom heerschte er rust op Yarrahappini.
Gedurende de twee dagen van opwinding hadden alle kinderen omtrent
hunne toekomst een besluit genomen. Zij hadden allen beroepen gekozen
van landelijken aard.
Pip was van plan drijver te worden en vee te merken en kudden op te
jagen, zijn geheele leven door. Judy besloot zijn aide-de-camp te zijn
op voorwaarde, dat hij haar in het zadel liet blijven, en haar eene
even lange zweep als hij had, verschafte. Meg dacht, dat het haar wel
zou aanstaan, den rijksten squatter van Australië te trouwen, en den
Gouverneur en den Premier te logeeren te krijgen voor jachtpartijen
en dergelijke dingen, en bals te geven, waarheen alle menschen uit
honderd mijlen in den omtrek zouden komen. Nell besloot, dat zij zeep
en kaarsen, zoowel gekleurde als ongekleurde zou maken, als zij tot
de jaren des onderscheids zou gekomen zijn, en Baby had grooten zin
kampen vol lieve lammertjes te houden, die nooit schapen werden.
Bunby geraakte over geen dezer plannen in vuur.
"Ik zou liever willen zijn, zooals Mr. Gillet!" zeide hij, en zijne
oogen keken droomerig.
"Daar zou ik voor danken. Geen boeken en cijfers! Geef mij een gedeelte
van Salt Bush, en eenige duizenden schapen!" zeide Pip.
"Hoor hij, hoor hij!" riep Judy er tusschen.
"Ezels!" zeide Bunby op een toon van groote minachting. "Bewaart
Mr. Gillet niet de sleutels van het magazijn?--denk dan toch eens
aan de krenten en vijgen!"
HOOFDSTUK XVIII.
DE PICNIC TE KRANGI-BAHTOO.
Esther was naar een bal gegaan, niet in eene lichte japon met groote
pofmouwen, met lagen hals, verrukkelijk schoon onder haar châle en
kanten, niet door den duisteren nacht naar eene zee van licht en
liefelijke muziek.
Zij was gegaan, in het heldere licht van den morgen, in eene linnen
japon met lichtblauw overhemd, een matrozenhoedje, en eene reisvoile.
Onder den bok, waarop Mr. Hassal zat, stond eene doos, waarin zich
eene mooie japon bevond van lichtgele zijde, opgemaakt met luchtig
chiffon. En daar waren gele schoenen en kousen, een veeren waaier in
eene hoedendoos op haar schoot, en een keurige onderrok met sleep,
versierd met allerliefste strookjes, die Meg hartelijker dan ooit
deed verlangen, groot te zijn. Maar geen van deze dingen zou nog in
de eerste uren worden gebruikt.
Het bal had plaats in eene woning, die de kleinigheid van vijf en
vijftig mijlen ver van Yarrahappini gelegen was, en dus had zij
natuurlijk tamelijk vroeg moeten vertrekken, om zich op haar gemak
te kunnen "mooi maken" zooals Pip dit noemde.
De kinderen zouden, als eene vergoeding daarvoor, dat zij aan dit
genoegen geen deel konden nemen, onder elkander een buitengewonen
picnic mogen houden.
In de eerste plaats was de plek, die zij daarvoor uitgekozen hadden,
veertien mijlen ver; in de tweede plaats zou de reis daarheen niet
in alledaagsche rijtuigen of op gewone paarden gemaakt worden, maar
op een sleeperswagen, getrokken door een span van twaalf ossen.