In de verte teekende zich aan drie zijden met eene zachte blauwe lijn

eene heuvelreeks met bosschen af. En in den omtrek van het woonhuis

waren de boomen krachtig en heerlijk groen, en de bloemen prijkten

met een rijkdom van kleuren.

Maar de vlakte, die zich daartusschen uitstrekte, was bruin. Haar

bedekte verzengd gras, hier en daar afgewisseld door een plek

vaalgroene halmen, terwijl kleine boschjes de ruggen der heuvels, die

eenige afwisseling brachten in de rechte lijn der velden, bedekte,

en weer in de hellingen verdwenen, waar gras en doorngewas welig

groeiden. Het hoofdstation bestond uit een klein dorp op den top

van een heuvel. Jaren geleden, toen Esther niet grooter was dan haar

kleine Generaal nu, had er alleen eene ruw getimmerde woning gestaan

op den heuveltop, met een paar hutten van boomschors als bijgebouwen.

En Mr. Hassal was van den morgen tot den avond in het zadel geweest,

en had harder gewerkt dan twee van zijne drijvers samen, en mevrouw

Hassal had hare liefhebberijen laten rusten, hare handwerken, hare

guitaar, haar schilderdoos, en had geschrobd en gekookt en gewasschen

als menige vrouw van een landbezitter vóór haar gedaan had, tot de

angstig verbeide wolmarkt hun betere dagen bracht.

Toen verrees eene groote, steenen woning juist tegenover het kleine,

oude buitenhuis met zijn door flesschen afgeperkt tuintje, waar

nooit iets aristocratischers te zien was geweest dan de snuitjes

van biggetjes en scharlakenroode geraniums. Het was een zeer mooi

buitenhuis, met eene menigte luchtige kamers, vele vensters en een

diepe veranda. Het kleine roode gebouwtje was keuken, buitendien

bevatte het kamertjes voor de twee dienstmeisjes, en aan het groote

woonhuis was het met eene overdekte gang verbonden.

Een honderd ellen ver weg stond eene woning, die twee vertrekken

bevatte, en bewoond werd door den zoon van een Engelschen baronet,

die tegen zeventig pond in het jaar en vrijen kost, de boeken van

Yarrahappini hield en het opzicht voerde over de magazijnen.

Nog wat verder stonden twee hutten van boomschors, zij waren tegen

elkaar aan gebouwd. Tettawonga, een oude, kromme inboorling, woonde

in de eene, en voerde weinig meer uit, dan rooken, en iederen morgen

vertellen, wat hij van het weer dacht. Twintig jaar geleden had hij

meegeholpen om een stevig fundament te maken voor het roode woonhuis,

dat geheel gereed gebouwd daarheen was gebracht op een grooten,

door ossen getrokken wagen.

Voor vijftien jaar had hij met zijn tomahawk een van twee

struikroovers, die zich in Yarrahappini poogden te nestelen, in de

afwezigheid van den eigenaar gedood, en had hij de kleine bevende

mevrouw Hassal en Esther naar eene veilige plaats gebracht, was

teruggegaan, en had den anderen een slag op het hoofd gegeven, die

hem bedwelmde, tot hulp kwam opdagen.

Zoo had hij zich natuurlijk een recht verworven op de hut en het

dagelijksch rantsoen en de pijp, die nooit van zijne lippen kwam.

Twee werklieden van de bezitting woonden in de andere hut, wanneer

zij niet uit waren naar veraf gelegen weiden.

Vlak bij het huis was een groot, waterdicht gebouw, met eene zware,

van een hangslot voorziene deur.

"O, laten we daar eens ingaan," zeide Nell, aangetrokken door de

grootte van het hangslot; "het ziet er uit als een huis, waarin

schatten geborgen worden, uit een boek. Mogen we er niet in,

grootmamaatje?"

Zij waren bezig alle gebouwen te verkennen--de zes kinderen in een

troepje, mevrouw Hassal, die zij allen "grootmamaatje" noemden,

zeer tot haar genoegen, en Esther met den jongen.

"Je moet het gaan vragen aan Mr. Gillet," zeide de oude dame, "hij

bewaart de sleutels van het voorraadshuis. Kijk, hij woont aan den

overkant in dat huisje naast het waterreservoir, en spreekt beleefd,

kinderen, alsjeblieft!"

"Zulk een beschaafd man," zeide zij zachtjes tot Esther, "zoo knap,

zoo welgemanierd, als hij alleen maar niet zoo dronk."

Meg en Judy gingen, met Baby achter haar aan rennende, zoo vlug als

hare korte beentjes het haar veroorloofden.

"Binnen!" zeide eene stem, toen zij klopten.

Meg aarzelde zenuwachtig, en een man opende de deur. Een groote,

magere man, met rustelooze, zwaarmoedige oogen, een bruin, breed

voorhoofd, en zorgvuldig geknipten baard.

Judy deelde mede, dat mevrouw Hassal hen gezonden had om de sleutels,

als hij er niet tegen had.

Hij verzocht haar binnen te komen en te gaan zitten, terwijl hij naar

het gevraagde zocht.

Meg was verwonderd over de kamer, gelijk hare blauwe oogen duidelijk

te kennen gaven, want zij had alleen maar van hem hooren spreken als

van den magazijnmeester. Er was een boekenrekje, waarop zij Shakespeare

en Browning en Shelley en Rosetti en Tennyson, William Morris en vele

anderen zag, waarvan zij vroeger nooit gehoord had. Er hingen aardig

in een lijst gezette photographieën en gravures van Engelsche en

Europeesche tafereelen aan de muren. Er was een klein geëmailleerd

zilveren vaasje op een hoekje, en eenige bloemen met lange ranken

bloeiden daarin. De tafel met de overblijfselen van het ontbijt er

op, was even keurig op kleine schaal als die, welke zij zooeven had

verlaten, in het groote woonhuis.

Hij kwam uit de binnenkamer terug met de sleutels. "Ik was bang, dat

ik ze op eene verkeerde plaats gelegd had," zeide hij. "De middelste

past op het hangslot, Miss Woolcot; de dikke koperen is voor de twee

kisten, en de lange stalen voor de kast."

"Dank u vriendelijk; ik vrees, dat wij u bij het ontbijt gestoord

hebben!" zeide Meg, terwijl zij opstond en eene kleur kreeg, omdat

zij dacht, dat hij hare verbazing over het boekenrekje had opgemerkt.

Hij deed, alsof hij hare verlegenheid niet merkte en hield de deur voor

haar open, met eene buiging, waar wel iets hoffelijks in was. Althans,

dit vond Meg, terwijl zij vol verbazing er over peinsde, hoe het

kon, dat men gezouten vleesch bij den centenaar en kisten vol meel

bezat. Hij keek haar na, toen zij over het gras liepen--ten minste

hij keek naar Meg in haar luchtig mousselinen japonnetje met licht

blauw ceintuur, Meg met haar strooien zonnehoed en haar glanzende

vlecht van kroezend haar, die tot op haar middel hing.

Judy's lange zwarte beenen en verkreukt batist kleedje hadden niets

schilderachtigs.

Mevrouw Hassal maakte het hangslot van het voorraadshuis open. Welk

een koor van "o's!" en "hè's!" rees er op uit de kinderen.

Baby had nog nooit in haar leven zooveel suiker bij elkaar gezien;

naar haar gezichtje te oordeelen, was zij wel gaarne een paar uur

alleen in deze groote kamer geweest.

En dan de krenten! Er was een groote houten kist boordevol--het

zouden wel ongeveer vijftig pond zijn, dacht mevrouw Hassal, toen

zij er haar naar vraagden.

Bunby nam stil een handvol weg en stopte die in zijn zak, terwijl

iedereen bezig was naar den berg van kaarsen te kijken.

"Zelf gemaakt, liefje, natuurlijk!" zeide de oude dame. "Wel, ik

zou er niet toe kunnen overgaan eene gekochte kaars te gebruiken,

evenmin als gekochte zeep!"

Zij liet hen de groote staven van zuiver ruikende, gele zeep zien,

en fijnere, lichter gekleurde voor de waschtafel.

Hammen en zijden spek hingen in groot aantal aan de balken. "Dit zijn

schapenhammen," zeide zij, wijzende naar een gedeelte. "Die heb ik

voor de drijvers."

Pip wenschte te weten, of het de bedoeling was, dat het magazijn hun

moest dienen voor hun geheele leven, er was genoeg; hij was verbaasd

te hooren, dat het iedere zes maanden opnieuw voorzien werd.

"Twintig tot dertig man, dat zijn dus de grenswachters en drijvers

op verschillende gedeelten der bezitting, en tweemaal dit aantal

in scheer- of drijfjachttijd, om niet te noemen de daglooners,

die iederen dag hier werken--het is, alsof men een leger voedt,

kinderen!" zeide zij. "En dan moest ik toch ook zorgen, voor jelui

allen genoeg voorraad te hebben--vooral voor Bunby."

Zij knipoogde schalks met hare kleine, grijze oogen, toen zij naar

dien kleinen jongen keek.

"U kan ze terugkrijgen," zeide Bunby, half pruilend. Hij haalde een

half dozijn krenten uit zijn zak te voorschijn. "Ik had niet gedacht,

dat het u iets kon schelen, bij zulk eene menigte; wij hebben maar

eene flesch vol thuis."

Waarop de oude dame hem op zijn hoofd tikte, een blik openmaakte,

en zijne handen met vijgen en dadels vulde.

"En moet u iederen dag voor al die mannen koken?" zeide Meg, benieuwd

welke keukenkachel daar groot genoeg voor zijn kon.

"Neen, schatje!" antwoordde de oude dame. "Wel neen! Iedere man

zorgt voor zich zelf in zijne eigen hut; zij krijgen zelfs niet eens

brood, alleen porties meel, om voor zich zelf hun twaalfuurtje te

bereiden. Ook geven wij hun eene bepaalde hoeveelheid vleesch, thee,

suiker, tabak, kaarsen, zeep en nog het een en ander."

"Waar bewaart u de wol en zulke dingen?" zeide Pip, wiens geest zich

verheven gevoelde boven de zelfgemaakte kaarsen; "ik kan geen enkele

loods of iets dergelijks ontdekken."

Mevrouw Hassal deelde hem mede, dat die op een mijl afstand stonden,

bij het riviertje, waar de schapen op een bepaalden tijd van het

jaar gewasschen en geschoren werden. Maar de hitte was te groot, dan

dat zelfs Pip verlangde, om juist nu er heen te gaan; dus namen zij

Mr. Hassal in beslag, verlieten grootmama met Esther, den Generaal en

Baby, en gingen naar de uit baksteen gebouwde stallen in de nabijheid.

Daar waren drie of vier voertuigen met kappen, maar in het geheel

geen paarden, deze waren verderop in de weiden. Zij liepen over het

grasveld den heuvel op. Een half dozijn paarden gaven gehoor aan een

eigenaardig gefluit van Mr. Hassal; de andere waren wilde, ongetemde

dieren, die de manen schudden en op het zien van menschen naar de

verst afgelegen gedeelten, waar de boomen groeiden, vluchtten.

Pip koos er een uit, een grijs, met lange harddraverspooten, en

een smallen mooien kop; hij was wat trotsch, dat hij verstand van

paarden had! Judy koos een zwart, met roodachtige, beweeglijke oogen,

maar Mr. Hassal stond het haar niet toe, daar het een wisselvallig

temperament had, en dus moest zij zich tevreden stellen met een bruin

diertje, met zachten, satijnachtigen neus.

Meg vraagde om een "heel erg mak" op fluisterenden toon, zoodat Judy

en Pip haar niet konden hooren, en kreeg een oud beestje, dat mevrouw

Hassal achttien jaar geleden gedragen had. Ieder dier was bestemd om

geheel ter beschikking te staan van het jonge volkje, gedurende hun

verblijf te Yarrahappini. Maar de ritjes moesten plaats hebben voor

het ontbijt of na de thee (werd hun gezegd), als zij er eenig genoegen

van verwachtten; het was anders te warm om paard te rijden. Nellie

was teleurgesteld in de schapen, uitermate teleurgesteld. Zij had

verwacht, groote, sneeuwwitte dieren te vinden, die tam zouden zijn,

en haar zouden toelaten, linten om hunne nekken te strikken, en hen

rond te leiden.

Van den heuveltop zag zij den volgenden morgen het eene omheinde

grasveld na het andere, elk met eene bruine, langzaam bewegende massa;

zij rende naar beneden, door den zonneschijn, met Bunby, om ze van

dichterbij te bekijken.

"O, hoe jammer!" riep zij uit, en ware tranen van teleurstelling

sprongen haar in de oogen, toen zij de groote, luie dieren met hunne

lange, vuile, gehavende vachten zag.

"Wacht maar een tijdje, vrouwtje!" zeide Mr. Hassal. "Wacht maar,

tot dat wij ze baden!"

HOOFDSTUK XVII.

DE RUNDEREN VAN YARRAHAPPINI.

"De wilde stugge kudde te drijven in de omheining ...

Met een loopend vuur van zweepen en vurig hoefgetrap ...."

Pip kan nauwelijks slapen op een nacht, een maand na hunne aankomst,

daar hij dacht aan de vee-drijfjacht, die op het programma stond voor

den volgenden dag. Hij was aan het zoeken geweest naar de eene of

andere nieuwe bezigheid, want hij was een jongen, voor wien afwisseling

het zout van het leven was. In het begin was hij er zeker van geweest,

nooit het konijnenschieten vervelend te gaan vinden. Mr. Hassal had

hem het "aardigste, bovenste beste geweertje" gegeven, en Tettawonga

was den eersten dag met hem uitgegaan, en had zijne opgetogenheid,

dat hij er twee geschoten had, met groote minachting bejegend.

"In de boschjes, konijn genoeg. Jager kan gaan naar het noorden,

naar het zuiden, jager kan gaan waarheen hij wil. Bah, ieder goed

prikkeldraad doet, elk goed vergif doet. Bah!"

Maar Pip kon niet zoo spoedig ontmoedigd worden en dacht werkelijk,

dat hij den Yarrahappinischen staat een groot voordeel gedaan had,

door die twee zachte, vlugge, bruine diertjes te schieten. Hij nam

ze mee naar huis, en liet ze vol trots aan de meisjes zien, maakte

zijn volkomen schoon geweer schoon, en ging den volgenden dag met

zijne uitvallen voort.

Tettawonga nam zijne pijp van zijne lippen, toen hij hem weer zag,

en lachte, een luiden, gichelenden lach, die Pip rood deed worden

van drift.

"Morgen en morgen weer! Konijn nu gauw weg gaat. Jongen komt met groot

geweer, konijn dadelijk bang is, gaat onder den grond. Ha, ha, hi, hi!"

Pip begreep zijn gebrekkig Engelsch genoeg om te weten, dat met hem

den draak gestoken werd, en zeide hem boos: "zijn zottepraat voor

zich te houden."

Daarop schouderde hij het geweer, waarop hij zoo overmatig trotsch

was, en ging naar den anderen kant van de prikkeldraadomheining,

waar het gelukkig jachtterrein was van het kleine knaagdier, dat

Mr. Hassal belette rijk te worden.

Hij schoot er dien dag vijf, den volgenden vier, den daarop volgenden

zeven, maar na een tijdje begon het hem te vervelen, en ging hij op

vogels jagen, met meer plezier, maar minder zekerheid van de vangst.

Iederen dag was tot aan den rand gevuld met genietingen, en was het

alleen maar niet zoo ontzaglijk warm geweest, dan zou die eerste

maand te Yarrahappini er een geweest zijn, van volkomen tevredenheid

en geluk.

En nu was er de vee-drijfjacht!

Het ontbijt werd op den morgen van de groote gebeurtenis zeer vroeg

gebruikt; tegen half zes was het reeds afgeloopen, en Pip, in een

koorts van rusteloosheid, vertelde aan Mr. Hassal, dat hij er zeker

van was, dat zij te laat zouden zijn, en alles misloopen.

Judy had ijverig gepleit, om toestemming te krijgen mede te gaan, maar

iedereen zeide, dat hiervan geene sprake kon zijn--het werd zelfs in

twijfel getrokken, of het verstandig was Pip toe te staan het gevaar

onder de oogen te komen, dat onafscheidelijk is van het drijven van het

wildste gedeelte der kudde, dat van veraf gelegen weiden was opgejaagd.

Maar hij had zoo naar den dag verlangd, en zich zoo doelmatig gekleed,

dat Mr. Hassal niet het hart had, hem thuis te laten.

Hij kwam naar beneden om te ontbijten in een baaien hemd en een oude,

saaien broek, om zijn middel vastgemaakt met een lederen gordel, in

welken een ontbloot dolkmes, pas geslepen, los weg was gestoken. Geen

overreding kon hem er toe brengen eene jas te dragen, noch het mes

in de scheede te bergen.

Het grijze paard werd om het huis naar de trap der veranda gebracht,

evenals Mr. Hassal's prachtig rijdier. Mr. Gillet zat op een goed

onderhouden appelschimmel; hij had drie zweepen met houten handvat,

twee van wel zestien voet lang, de derde was korter, en deze bood

hij Pip aan.

Het gelaat van den jongen gloeide. "Hoera, Fizz!" riep hij uit, en hij

stond in de stijgbeugels op en zwaaide de zweep om zijn hoofd. "Wat

zou je er voor geven, om van plaats te ruilen?"

Hij drukte de sporen in de zijden van het paard en stortte zich

holderdebolder in een wilden galop den heuvel af.

Het was anderhalve mijl naar de omheinde grasvelden voor de kudden,

en daar heerschte de grootste opgewondenheid.

Pip kon niet begrijpen van waar al die mannen gekomen waren. Er

waren wel twintig of dertig drijvers; scheerders, die niets te doen

hadden; twee inboorlingen, buiten Tettawonga, die rookte en slaperig

en vergenoegd toekeek, en verscheidene andere werklieden der bezitting.

Op het eerste omheinde grasveld waren vijfhonderd stuks vee, die

daar den nacht te voren in gedreven waren, en die nu den aanblik

van een zee van wildzweepende staarten en hoorns aanboden.--Wat een

hoorns!--groote, gekromde, angstverwekkende hoorns, waarmede zij

elkander openreten en woedend bevochten, daar zij zagen, dat zij niet

bij den gemeenschappelijken vijand konden komen.

In het eerste oogenblik voelde Pip zich een weinig afkeerig de veilige

plaats op den rug van zijn paard te verlaten. Het gedreun van de

hoeven en hoorns, de wilde aanvallen, gedaan door de wanhopige dieren

op de omheining, deden hem verwachten, deze iedere minuut krakend te

zien bezwijken.

Maar al de anderen waren gaan zitten op de bovenste dwarslat van de

omheining, en keken neer op de verwoede dieren; daarom maakte hij

ten slotte zijne teugels aan een boom vast en trad omzichtig vooruit,

om dit voorbeeld te volgen.

Op een plotseling signaal van Mr. Hassal lieten de mannen zich aan

beide zijden aan den binnenkant der omheining zakken. Het doel was

een tweehonderd stuks vee in de aangrenzende versterkte omheining, van

welke het hek wijd open stond, te drijven. Pip was hoogst verwonderd

over den moed der mannen; voor een oogenblik had zijn hart in zijn

keel geklopt, toen de eene stier na den anderen zich een weg door

hen trachtte te banen; maar de lucht weergalmde van zweepgeklap en

van het geluid van stokslagen, en het eene beest na het andere trok

naar het midden terug, den kop druipend van bloed.

Toen holde een ontzaglijk groot zwart dier, met een gebrul, dat

den grond scheen te doen trillen, woest springend naar het hek;

de geheele kudde kwam achter hem aan. Bliksemsnel vormden de mannen

achter hen eene rij, schreeuwend, gillend, klappend met de zweepen,

om ze vooruit te drijven. Pip vloog op, en hitste ze aan, geheel

buiten zich zelven van opwinding. Toen hield hij zijn adem weer in.

Mr. Hassal en een van de inboorlingen slopen behoedzaam vooruit,

langs den doorgang, door welken de onstuimige stroom van hoorns en

ruggen zich stortte. Een half dozijn krachtige slagen van de mannen,

en de laatste aanvoerder deinsde één oogenblik achteruit, de troep

achter zich terugdringend.

In dit oogenblik hadden de twee mannen de sluitboomen dichtgeschoven

en de kudde was in twee gedeelten verdeeld.

Wederom twee rijen drijvers, zweepgeklap, gebrul, bloed, hoorns,

huiden, en hoeven in de lucht, en een veertig- of vijftigtal was

binnen de derde omheining geborgen,--eene lange, nauwe ruimte met

eene opening aan het eind, leidende naar de eindafdeeling.

Pip leerde van Mr. Gillet het doel van deze afscheiding: sommige

der dieren waren bijna waardeloos, men had hen aan een opkooper

toegewezen voor een paar pond het stuk, enkel de waarde van de hoorns,

de huid en het vleesch. Andere waren voortreffelijke, vette beesten,

gereed voor den slager en de markt van Sydney. En andere weer bleken

buitengewoon schoone dieren van groote waarde als fokvee, en moesten

in een afzonderlijk perk gebracht worden.

De man bij den laatsten doorgang verrichtte bet hoogst gewichtige werk

van het uitkiezen. Hij was gewapend met een korten, dikken stok, en

terwijl de andere mannen de dieren naar hem toe dreven, besliste hij

bliksemsnel tot welke klasse zij behoorden. Een hevige slag op den

neus, eene vlugge opeenvolging van harde slagen tusschen de oogen,

en het meest woeste beest deinsde verblind terug waarheen de drijver

het zond. Den geheelen dag werd het werk voortgezet, en juist toen

de groote, warme, purperen schaduwen schuin over de vlakten begonnen

te vallen, verzekerden zij den laatsten sluitboom, was het gevecht

afgeloopen, en waren de dieren in de voor hen bestemde perken.

Pip at genoeg gezouten vleesch en ander voedsel om hem half dood

te maken, dronk meer thee dan waarover hij ooit beschikt had op

één avond in al zijn veertien jaar, slingerde zich in zijn zadel,

daarbij den oudsten drijver zoo goed mogelijk nadoende, en bedacht,

dat als hij slechts eene zwarte, leelijke pijp zooals Tettawonga

en de andere mannen kon hebben, zijn geluk volmaakt en hij een man

geworden zou zijn.

Hij kwam thuis "zoo moe als een hond", en vermaakte zijne zusters en

Bunby met een levendig verhaal van de gebeurtenissen van den dag,

terwijl hij breedvoerig uitweidde over zijne eigen kracht en de

menigvuldige gevaren, waaraan hij ontsnapt was.

Den volgenden dag reden Esther en Judy met de anderen naar de omheinde

grasvelden om vee te zien wegdrijven.

De besten van het gedeelte, die Mr. Hassal alleen verlangd had af te

scheiden, niet te verkoopen, waren door het hek naar buiten gedreven,

terug naar hunne vroegere velden en weiden.

De "landopeters", een honderd vijftig stuks, met een half dozijn

drijvers, gezeten op de beste paarden der bezitting, die voor

hen uitgezocht waren, werden bevrijd uit hunne opsluiting, in een

toestand van waanzinnige woede, met veel geklap van zweepen en gegil,

samengedreven tot eene kudde, en over de vlakte voortgejaagd in de

richting van den weg. En een uur of twee later werd de beste troep

slachtvee weggeleid, en wederom heerschte er rust op Yarrahappini.

Gedurende de twee dagen van opwinding hadden alle kinderen omtrent

hunne toekomst een besluit genomen. Zij hadden allen beroepen gekozen

van landelijken aard.

Pip was van plan drijver te worden en vee te merken en kudden op te

jagen, zijn geheele leven door. Judy besloot zijn aide-de-camp te zijn

op voorwaarde, dat hij haar in het zadel liet blijven, en haar eene

even lange zweep als hij had, verschafte. Meg dacht, dat het haar wel

zou aanstaan, den rijksten squatter van Australië te trouwen, en den

Gouverneur en den Premier te logeeren te krijgen voor jachtpartijen

en dergelijke dingen, en bals te geven, waarheen alle menschen uit

honderd mijlen in den omtrek zouden komen. Nell besloot, dat zij zeep

en kaarsen, zoowel gekleurde als ongekleurde zou maken, als zij tot

de jaren des onderscheids zou gekomen zijn, en Baby had grooten zin

kampen vol lieve lammertjes te houden, die nooit schapen werden.

Bunby geraakte over geen dezer plannen in vuur.

"Ik zou liever willen zijn, zooals Mr. Gillet!" zeide hij, en zijne

oogen keken droomerig.

"Daar zou ik voor danken. Geen boeken en cijfers! Geef mij een gedeelte

van Salt Bush, en eenige duizenden schapen!" zeide Pip.

"Hoor hij, hoor hij!" riep Judy er tusschen.

"Ezels!" zeide Bunby op een toon van groote minachting. "Bewaart

Mr. Gillet niet de sleutels van het magazijn?--denk dan toch eens

aan de krenten en vijgen!"

HOOFDSTUK XVIII.

DE PICNIC TE KRANGI-BAHTOO.

Esther was naar een bal gegaan, niet in eene lichte japon met groote

pofmouwen, met lagen hals, verrukkelijk schoon onder haar châle en

kanten, niet door den duisteren nacht naar eene zee van licht en

liefelijke muziek.

Zij was gegaan, in het heldere licht van den morgen, in eene linnen

japon met lichtblauw overhemd, een matrozenhoedje, en eene reisvoile.

Onder den bok, waarop Mr. Hassal zat, stond eene doos, waarin zich

eene mooie japon bevond van lichtgele zijde, opgemaakt met luchtig

chiffon. En daar waren gele schoenen en kousen, een veeren waaier in

eene hoedendoos op haar schoot, en een keurige onderrok met sleep,

versierd met allerliefste strookjes, die Meg hartelijker dan ooit

deed verlangen, groot te zijn. Maar geen van deze dingen zou nog in

de eerste uren worden gebruikt.

Het bal had plaats in eene woning, die de kleinigheid van vijf en

vijftig mijlen ver van Yarrahappini gelegen was, en dus had zij

natuurlijk tamelijk vroeg moeten vertrekken, om zich op haar gemak

te kunnen "mooi maken" zooals Pip dit noemde.

De kinderen zouden, als eene vergoeding daarvoor, dat zij aan dit

genoegen geen deel konden nemen, onder elkander een buitengewonen

picnic mogen houden.

In de eerste plaats was de plek, die zij daarvoor uitgekozen hadden,

veertien mijlen ver; in de tweede plaats zou de reis daarheen niet

in alledaagsche rijtuigen of op gewone paarden gemaakt worden, maar

op een sleeperswagen, getrokken door een span van twaalf ossen.

Zeven kleine Australiërs · 第 9 / 12 段