En Bunby bracht dikwijls zijne witte muizen en zijn blind marmotje

in hare kamer en liet de diertjes los over haar deken loopen, en Pip

zat meestal te timmeren aan een klein tafeltje dicht bij haar bed,

zoodat zij ieder nieuw werk kon zien en de vorderingen kon gadeslaan.

Meg, die haar omgang met Aldith bijna geheel verbroken had, wijdde

zich met hart en ziel aan de verpleging van hare zuster; zij gaf

haar allerlei kleine geschenken--een schoenentasch, met verschillende

afdeelingen, een zakje voor kam en borstel, met het monogram J. W. in

rose zijde daarop geborduurd, een klein werkmandje met naaldenboekje,

speldenkussen en verder toebehooren. Judy vreesde, dat zij na haar

herstel nu ook verplicht zou zijn netjes te worden.

Het genoegen, dat haar de geschenkjes blijkbaar veroorzaakten, deed

een geest van mededinging onder de anderen ontwaken.

Eens was Pip een geheelen dag onzichtbaar; eerst in den avond

vertoonde hij zich weer, en liep trots naar het bed. Hij had eene

kleine chiffonière gemaakt, waarvan drie laden werkelijk, hoewel met

groote omzichtigheid, geopend konden worden.

"Dit is niet voor poppenkleeren,"--zeide hij, nadat zij alle

gebruikelijke betuigingen van dankbaarheid uitgeput had,--"want ik

weet, dat je daar niet van houdt, maar je kunt er je kleine prullen

in bewaren--haarlintjes, naaigereedschap, er is plaats genoeg."

Zij hoorden een geluid, alsof op de gang iets voortgesleept werd, en

Bunby kwam de kamer binnen, achterwaarts loopende, en voortslepende een

vreemd voorwerp, dat uit vijf of zes aaneengespijkerde planken bestond.

"Dit is een stoel," verklaarde hij, en veegde de bewijzen van zijne

inspanning van zijn voorhoofd. "Ik zal er natuurlijk de een of andere

stof over spijkeren, zoodat je er niet door kunt vallen; maar ik dacht,

dat ik hem je nu wel eerst eens kon laten zien."

Er kwam een glimlach om Judy's lippen, maar zij dankte hem hartelijk.

"Ik wilde niet iets maken, waaraan je toch niets hadt, zooals Pip

gedaan heeft!" vervolgde het kleine ventje, en hij keek verachtelijk

naar de chiffonière. "Dit is iets wat je gebruiken kunt; als je

weer opstaat, dan kan je er bij den haard op zitten, Judy, en lezen

of naaien of iets anders doen. Je vindt dit ook mooier dan Pip's

cadeautje, is het niet zoo?"

Judy wist behendig beide partijen te vriend te houden, door hen te

vragen, de geschenken naast alle andere bij het hoofdeinde van haar

bed te plaatsen.

"Wat zal je veel mee te nemen hebben, als je weer naar school gaat,

Judy!" zeide Nell, terwijl zij de verzameling met een paar gehaakte

mofjes en een wollen poppenlijfje verrijkte.

Maar Judy keek haar slechts verwijtend aan, en lag het overige gedeelte

van den avond met haar hoofd naar den muur gekeerd.

Dit was het, wat haar al de veertien dagen van hare ziekte met angst

vervuld had--de gedachte aan de school in de toekomst.

"Wat zal er met mij gebeuren, als ik weer beter ben, Esther?"--vraagde

zij den volgenden morgen op gedrukten toon, toen hare stiefmoeder

haar kwam bezoeken. "Spaart hij heel veel slaag voor mij op? En moet

ik de eerste week weer terug?"

Esther stelde haar gerust.

"Deze drie maanden blijf je hier, en zeer waarschijnlijk de volgende

drie maanden ook, Judy! Hij heeft gezegd, dat je met een paar der

anderen naar buiten zult gaan, tot je weer geheel sterk geworden bent;

en onder ons gezegd, geloof ik, dat je wel nooit weer de kostschool

zult terug zien."

Toen deze vrees dus verdwenen was, ging Judy's gezondheid steeds

sneller vooruit, zoodat haar krachtig gestel zelfs den dokter

verbaasde.

Na drie weken liep zij weer door het huis, mager en met groote oogen,

maar vol grappen en vol ondeugende plannen. De visites van den dokter

werden gestaakt; hij zeide, dat tot nu toe alles naar wensch was

gegaan, maar dat zij in eene andere omgeving moest komen en eenigen

tijd geen zeelucht mocht inademen.

"Laat haar een paar maanden vrij in de buitenlucht loopen,

Woolcot!" zeide hij bij zijn laatste bezoek; "er is tijd toe noodig,

om al het gebeurde te boven te komen, en haar hare kracht en gezondheid

te doen herkrijgen."

"Zeker, zeker; ik zal haar naar buiten sturen!" antwoordde de kapitein.

Hij kon den schrik niet vergeten, die hem vijf of zes weken geleden

op den ouden zolder bevangen had, en zou er in toegestemd hebben haar

naar de Sahara te brengen, indien dit noodig geoordeeld was geworden.

De dokter had hem mede gedeeld, dat hare longen zeer gevaarlijk

aangedaan waren.

"Het is niet gezegd, dat zij aan tering moet sterven," had hij

gesproken, "maar er is altijd gevaar voor deze vreeselijke kwaal in

dergelijke gevallen. En de kleine Judy is zulk een wild rusteloos

schepseltje; alles wat zij doet, doet zij met hart en ziel, en zij

schijnt vreugde en leed duizendmaal dieper te gevoelen, dan andere

kalmere naturen. Zorg goed voor haar, Woolcot; zij zal eens eene

uitstekende vrouw worden--ja, eene buitengewone vrouw."

De kapitein rookte vier groote sigaren in de eenzaamheid van zijne

studeerkamer, alvorens hij kon beslissen, hoe hij het best "goed voor

haar kon zorgen".

Eerst bedacht hij, haar met Meg en de gouvernante voor eenigen tijd

naar de bergen te zenden, maar dan rees de moeielijkheid, dat de andere

drie in dien tijd geen onderwijs zouden genieten. Hij zou hen naar

school kunnen zenden of eene andere gouvernante nemen; zeker, maar dan

waren er weer de onkosten, die in overweging moesten genomen worden.

De meisjes alleen te laten gaan, daar kon geen sprake van zijn,

want Meg had, niettegenstaande hare zestien jaren, getoond, niet veel

meer dan een gansje te zijn; en op Judy moest toegezien worden. Toen

dacht hij er aan, dat Esther er ook niet zeer goed uitzag; Judy's

verpleging en de zorgen voor den Generaal bleken te veel voor haar

te zijn geweest, en zij was lang niet meer de stralende, bloeiende

Esther van vroeger. Hij wist, dat hij haar naar buiten moest laten

gaan, en het kind eveneens, natuurlijk.

En dan dacht hij weer aan de onkosten. En aan de andere kinderen.

Hij herinnerde zich, dat de Kerstvacantie niet meer ver af was; wat zou

er van het huis worden, indien Pip en Bunby en de twee jongste meisjes

konden doen en laten wat zij wilden, en niemand het opzicht hield? Hij

zuchtte diep, en klopte de asch van zijn vierden sigaar op het tapijt.

Toen kwam de brievenbesteller over het pad en voorbij het venster. Hij

keek glimlachend en raakte zijn pet aan met een vergenoegden blik. Het

was alsof hij wist, dat hij in een der brieven de oplossing bracht

van het raadsel, dat op het voorhoofd van den kapitein ontelbare

rimpels te voorschijn riep.

Een vijfde sigaar werd juist uit het kistje genomen, eene groeve

vertoonde zich boven de linker wenkbrauw, een steek van iets dat

zeer veel geleek op jicht gaf aanleiding tot een paar woorden "in

eene vreemde taal," toen Esther binnenkwam met een glimlach om de

lippen en een open brief in hare handen.

"Van moeder!" zeide zij. "Het schijnt, dat Yarrahappini haar te stil

begint te worden, en dus vraagt zij mij, of ik met den Generaal eenige

weken, bij haar kan komen?"

"Ha!" zeide hij.

Dit zou zeker een der moeielijkheden doen verdwijnen. Wel was het

landgoed zeer ver weg, maar, het was Esthers vroegere tehuis, en zij

had het niet weergezien sedert haar huwelijk. Daar zou zij zeer snel

weer sterk worden.

"O, en Judy ook!"

"Ha!" zeide hij.

Twee rimpels verdwenen van zijn voorhoofd.

"En Meg, omdat ik schreef, dat zij er bleek uitzag." De kapitein

legde zijn sigaar weer in het kistje. Hij vergat dat er iets bestond,

wat jicht heette.

"De uitnoodiging kon nooit beter te pas zijn gekomen!" zeide hij. "Neem

haar onvoorwaardelijk aan; niets kon beter geweest zijn; en het is

een buitengewoon gezond klimaat. De andere kinderen kunnen--"

"O, vader vooral wenscht, dat Pip ook zal komen, omdat hij zulk een

flinke jongen is."

"Op mijn woord, Esther, je ouders hebben harten vol ware

menschenliefde. Is er nog iemand anders in de uitnoodiging begrepen?"

"Alleen maar Nell en Bunby en Baby. O, en moeder zegt, dat wanneer je

ooit lust mocht hebben, eenige dagen te komen jagen, je haar altijd

hartelijk welkom zult zijn."

"De gastvrijheid der squatters is wereldberoemd, maar dit overtreft

alles, Esther!" De kapitein stond op, en rekte zich uit met het

vergenoegde gelaat van een man, die zich verlost voelt van eene

nachtmerrie. "Neem de uitnoodiging onvoorwaardelijk aan--voor

allen. De gevolgen mogen zij zelf ondervinden; maar ik ben bang,

dat men op Yarrahappini treurige ervaringen zal gemaakt hebben,

eer de maand voorbij is!"

Hoe treurig deze ervaringen zouden zijn, kon hij toen in de verste

verte niet vermoeden.

HOOFDSTUK XV.

DRIEHONDERD MIJLEN IN DEN TREIN.

Zij vulden eene geheele coupé--wel was er nog eene plaats open, maar

men scheen niet begeerig die in te nemen, nadat men een haastigen

blik naar binnen geworpen had.

Daar zaten zij met hun achten, en alleen Esther was degene, die

toezicht hield--Esther in eene rose blouse, en met een matrozenhoedje,

met een gelaat zoo stralend en ondeugend als dat van Pip. De kapitein

had hen naar het station gebracht, en Pat zorgde voor de bagage. Hij

had de kaartjes genomen--twee gewone voor Esther en Meg, en vier voor

half geld voor de vier anderen. Baby werd zelfs niet met een kaartje

voor half geld voorzien, zeer tot hare eigen verontwaardiging--het

was eene beleediging voor hare vier en een half jaar, om voor niets

te kunnen reizen evenals de Generaal.

Maar de kosten van deze stukjes bordpapier hadden den kapitein zeer

ongelukkig doen kijken: hij kreeg niet meer dan achttien stuivers

terug van de tien pond, die hij gegeven had; want Yarrahappini lag

op de grenzen van het onbekende land.

Hij gaf de achttien stuivers uit aan geïllustreerde tijdschriften,

en uit de keuze van deze bleek wel, dat hij geen hoogen dunk had

van den letterkundigen smaak zijner familie; hij voorzag bovendien

Esther van een boekdeel in geel linnen gebonden, waarop eene dame

in het groen was afgebeeld, die in de armen van een heer, welke in

purper was uitgedost, flauw viel, en Meg met Mark Twain's "Springende

Kikvorsch," omdat hij in den laatsten tijd eene zekeren zwaarmoedigen

blik in hare oogen had opgemerkt.

Toen werd de bel geluid, een gefluit deed zich hooren, conducteurs

liepen in groote haast her- en derwaarts, en men nam afscheid,

vroolijk of treurig, al naar de omstandigheden.

Eene vrouw stond droevig te schreien op het perron, en een meisje

met vriendelijke oogen, vol tranen, leunde uit het venster van een

tweede-klasse coupé en sprak haar toe; daar was een squatter met

gebruind gelaat, die een pet van stof ophad, en eveneens stoffen

schoenen, en voor wie de driehonderd mijlen lange reis eene weinig

belangrijker gebeurtenis was, dan een maaltijd; en daar was de

jonge man, die voor zijne zaken op reis moest, en wien eene reis

naar Engeland weinig korter voorkwam, nu hij voor een geheel jaar

van zijne vrouw en zijn kind afscheid nam; en waggons, waarin dames

zaten, die weer naar de wildernis terugkeerden na hun jaarlijksch of

halfjaarlijksch bezoek aan de Sydneysche beschaafde wereld; en daar

waren de acht reizigers, die ons in het bijzonder interesseeren, en

die zich voor het portier en de vensters verdrongen, om den kapitein

nog eens toe te knikken, en vaarwel te zeggen.

Hij zag er volstrekt niet neerslachtig uit, toen de trein met veel

rumoer wegstoomde--met zwierigen stap wandelde hij het perron af, alsof

het vooruitzicht twee maanden als jonggezel te moeten doorbrengen,

ook wel zijne lichtzijde had.

Te half zeven in den namiddag vertrokken zij, en zij zouden in

Curlewis, het station, dat het dichtst bij Yarrahappini gelegen

was, ongeveer te vijf uur in den volgenden morgen aankomen. Nu het

gezelschap zoo talrijk was, kon er geene sprake van zijn, billetten

voor den slaapwaggon te nemen, maar in het koffernet lagen verscheidene

reisdekens, en twee of drie windkussens, bestemd voor hen, die zich

vermoeid mochten gaan gevoelen. Het denkbeeld, zoovele uren in den

trein door te brengen, was al de kinderen heerlijk voorgekomen; geen

enkele van hen behalve Judy had ooit verder dan veertig of vijftig

mijl ver gereisd, en het scheen hun buitengewoon verrukkelijk toe,

steeds voort te stoomen, als het donker, zou geworden zijn even goed

als bij daglicht.

Maar lang voor het tien uur in den avond was verloren hunne

droomen allen glans en alle bekoorlijkheid. Nell en Baby hadden eene

woordenwisseling gehad over het opblazen der windkussens, en waren te

moede en te kribbig, om weer vrede te sluiten; Pip had Bunby wegens de

eene of andere duistere reden een tik gegeven, en kreeg twee schoppen

terug; Judy had hoofdpijn, en het geraas was juist niet geschikt,

om die te doen verdwijnen; Meg was moe geworden van het staren naar

het duistere landschap, door hetwelk zij heengleden, en dacht er aan,

of Alan zou merken, dat zij nu niet meer op de stoomboot verscheen; en

de arme kleine Generaal vervulde de warme lucht met luide klaagtonen

over de raadselachtige behandeling, die hij onderging, en die hij

zich moest laten welgevallen.

Esther had hem zijne bovenkleertjes uitgetrokken, en een schilderijtje

van hem gemaakt, door hem een roomkleurig flanellen nachtjaponnetje

en een rose wollen jasje aan te trekken. En een half uur lang had

hij er zich blijmoedig in geschikt, dat hij van de eene hand in de

andere werd gegeven, geliefkoosd en gekust. Hij had zelfs toegelaten,

dat Nell in zijne rose teentjes een voor een beet, en een geruimen

tijd onzin praatte over kleine biggetjes, die naar de markt gingen,

en meer dergelijke dwaze dingen uitvoerde.

Hij had bijna niet tegengesparteld, toen er eene twist was gerezen

over het bezit van zijne persoon, en Bunby zich aan zijn hoofd en zijn

lichaampje had vastgeklampt, terwijl Nell heftig aan zijne beenen trok.

Maar na een poosje, toen Esther op een der banken een bedje voor hem in

orde gemaakt, en hem daarop had neergelegd, drongen de onaangenaamheden

die hem wachtten, tot zijn bewustzijn door.

Hij had thuis een wiegje, dat op een kleinen vergulden standaard

rustte, die hem altijd een lust voor de oogen was--hij kon niet

begrijpen, waarom hij dat moest ontberen, en genoegen nemen met een

driedubbel gevouwen reisdeken. Hij was buitendien gewend aan een

gedempt licht, eene stille kamer, en een waarschuwend fluisteren van

sst! sst! wanneer de een of ander zoo ver ging, geritsel te maken.

Hier flikkerde het groote, gele licht den geheelen tijd door, en elk

der luidruchtige familieleden, in wier handen hij zooveel moest dulden,

was niet verder dan een paar voet van hem verwijderd.

Dus verhief hij zijne stem en schreide. En toen hij tot de ontdekking

kwam, dat hij door schreien zijn wiegje niet kon terugkrijgen, evenmin

als de kleine, dansende kwasten van het muskietengaas, begon hij

twee tonen hooger, en toen zelfs op dat oogenblik Esther hem alleen,

om hem te bedaren, op den schouder bleef kloppen, barstte hij in een

oorverdoovend geschreeuw uit.

Nellie liet al hare lange krullen over zijn gezichtje dansen, om

zijne aandacht te trekken, maar hij pakte ze arglistig en trok er

aan, tot haar de tranen in de oogen kwamen. Esther en Meg zongen

wiegeliedjes tot haar keel haar begon pijn te doen. Judy probeerde in

de kleine ruimte met hem op en neer te loopen, maar hij hield zich

stijf in hare armen, en zij was niet krachtig genoeg om hem vast te

houden. Ten laatste viel hij van uitputting in slaap, diep snikkend

ademend en nu en dan een hikkend, droevig geluid makend.

Toen werd Bunby slapende op den grond ontdekt, met zijn hoofd onder

eene bank, en dus moest hij opgetild worden, en in eene gemakkelijker

houding neergezet; en Baby, die in een hoekje rechtop neerzat,

knikkebolde als een klein rose en wit meizoentje, dat door de

zonnewarmte bedwelmd is.

Een voor een verstreken de lange uren, steeds verder en verder stoof de

trein met zijne roode oogen door het stille, slapende land, zwaaiende

om reuzenbochten, langzamer zich tegen de steilten opwerkend, met

pijlsnelle vaart door de eindeloos zich uitstrekkende vlakte snellend.

De duisternis week voor een vaal licht, en mijlen lang verhieven zich

nu, eentonig, jonge gomboomen tusschen den trein en den hemel. De zon

verrees, en de aarde werd liefelijk en rozig, als een kind, dat uit

zijne sluimering ontwaakt. En toen kwamen de vale tinten weer terug,

de teedere, trillende lichteffecten verdoofden, en de regen begon

te vallen. Stroomen regen, die tegen de ratelende vensters sloegen,

voortgezwiept door een snijdenden morgenwind, die van de bergen kwam

gevlogen. En zij waren een afgemat, slaperig kijkend, neerslachtig

achttal, toen zij te vijf uur op het perron te Curlewis uit den waggon

stapten. Judy hoestte van de vochtige morgenlucht en werd snel naar

de wachtkamer gebracht en in een reisdeken gepakt.

En toen werden hunne koffers en valiezen uitgeladen en de trein

stoomde weer weg, en daar stonden zij nu treurig en verlaten te kijken,

want het scheen wel, dat er niemand was, die hen kwam halen.

Daar weerklonk het geluid van wielen, die door plassen rolden, het

knallen van eene zweep, den hoefslag van paarden en zij stormden

allen weer naar voren en keken over de witte paaltjes, die het perron

afsloten, naar den weg.

Zij zagen een groot, overdekt rijtuig, gemend door eene wijde, gele

olie-jas, die zeker het omhulsel was van een koetsier, en nog een hoog,

ander rijtuig, waarvan een zeer groote man afklom.

"Vader!"

Esther stormde naar buiten in den regen. Zij sloeg hare armen om

den druipenden regenjas en eerst na een paar minuten hief zij zich

weer op. Misschien was dit de oorzaak, dat hare oogen en wangen zoo

vochtig waren.

"Mijn klein meisje--Esther--kind!" zeide hij, en tilde haar bijna

van den grond op, toen hij haar kuste, hetgeen een zonderlingen

indruk op Meg maakte, in wier oogen hare stiefmoeder eene deftige

persoonlijkheid was.

Toen leidde hij hen allen snel naar de rijtuigen, vijf stapten in

het eene en drie in het andere. Zij hadden nog vijf en twintig mijlen

te rijden.

"Wanneer hebben jelui het laatst iets gegeten?" vraagde hij; het speet

hem de neerslachtige gezichtjes van de kinderen te moeten zien. "Moeder

heeft cakes en sandwiches voor jelui meegegeven, maar koffie of iets

anders warms kunnen we eerst krijgen, als we thuis zijn."

Esther vertelde hem, dat zij te Newcastle, om negen uur, het laatst

koffie gehad hadden, maar dat deze zoo brandend heet was geweest,

dat zij haar grootendeels niet hadden kunnen uitdrinken, en weer vlug

hadden moeten instappen. De zweep werd over de paarden gelegd en zij

vlogen over de modderwegen in een draf, dien Pip, niettegenstaande

zijne vermoeidheid, met genoeg bewonderen kon. Maar het was toch een

zeer onbehagelijke rit, en de Generaal schreide bijna onafgebroken

van het oogenblik van vertrek tot zij aankwamen, zeer tot Esthers

misnoegen, want zoo kon zijn grootvader, bij deze eerste kennismaking,

niet den besten indruk van hem krijgen.

Ten slotte, toen iedereen begon te gevoelen, dat zijn geduld uitgeput

raakte, verbrak een hoog wit hek de eentonigheid van druipend natte

heggen.

"We zijn thuis!" riep Esther vroolijk. Zij liet den Generaal op hare

knie dansen.

"Daar, van dat hek, viel mamaatje, toen zij drie jaar oud was,"

zeide zij, en keek er vol genegenheid naar, toen Pip het open wierp.

Nog eens ging het door den plassenden regen; de wielen rolden nu

zacht voort, want de weg was bedekt met natte, gevallen bladeren.

"Waar is het huis?" zeide Bunby, terwijl hij tusschen Pips arm die op

den bok zat, door keek; hij zag nog steeds niets dan eene eindelooze

laan van gomboomen. "Ik dacht dat je zeidet, dat wij er waren, Esther!"

"O, het woonhuis is niet zoo dicht bij het hek als op Misrule,"

zeide zij. En dit was inderdaad zoo.

Vijftien minuten gingen voorbij alvorens zij de schoorsteenen konden

ontdekken, toen moest er een tweede hek geopend worden.

Er vertoonde zich aan hun oog een goed onderhouden grintweg,

bloembedden met palmhegjes er om, een rijkdom van rozestruiken,

die vooral Meg verheugde, en twee geschoren, nu zeer natte

tennisgrasvelden.

En toen het huis.

De veranda trok al hun aandacht, want deze was zoo bijzonder groot,

zoo groot als eene gewone kamer, en er stonden sofa's en stoelen,

en tafeltjes hier en daar, hangmatten hingen in de hoeken, en eene

dichte, groene kruipende plant met verregende vlinderbloemen slingerde

zich tegen een buitenmuur.

"He!" zeide Pip. "He! wat ben ik stijf! Neen maar, wat begin je

daar nu?"

Want Esther had haar zoontje op zijn knie gezet, gleed uit het rijtuig

en liep de trap, die naar de veranda leidde, op. Daar stond een klein

oud dametje, met eene heel groot huishoudschort voor. Esther sloot haar

in hare armen, en zij kusten elkander en hielden elkander omstrengeld,

tot zij beiden begonnen te schreien.

"Mijn lief klein meisje!" snikte de oude dame, terwijl zij met bevende

hand Esther's natte haren en nog natter wangen betastte.

En Bunby, die ook dadelijk uitgestapt was keek van de slanke gestalte

zijner stiefmoeder naar het kleine figuurtje van hare moeder en lachte.

Esther snelde terug naar het rijtuig, nam den Generaal van Pip aan,

en, weer de treden opspringende, legde zij hem in haar moeders armen.

"Is hij niet een dikkertje!" zeide Bunby, deelende in haar trots. "U

moet eens naar zijn beentjes zien!"

De oude dame zat één oogenblik neer in den natsten stoel, dien zij

vinden kon, en drukte hem tegen zich aan.

Maar hij balde zijne verkleumde vuistjes, vocht zich vrij, en

schreeuwde om Esther.

Mr. Hassal had de rijtuigen nu ledig gepakt, en kwam de trap op.

"Zou je hun niet eens iets te eten geven, moedertje?" zeide hij,

en de oude dame liet in haar schrik haar kleinzoon bijna vallen.

"Ach! ach!" zeide zij, "waar zijn mijne gedachten? Wel, wel! Dat ik

daarvoor niet eerder gezorgd heb!"

Tien minuten later hadden zij allen drooge kleederen aan, en zaten

in de warme eetkamer met grooten eetlust te ontbijten.

"Wat had ik een honger!" zeide Bunby. Hij had den mond vol geroosterd

brood, en was bezig zijn vierde ei te openen, terwijl hij een schotel

in het oog hield, waarvan het eene gedeelte met honig, het andere

met geslagen room gevuld was.

"Die lieve oude borden!" Esther nam het hare op, toen zij het

leeggegeten had en keek vol liefde naar de blauwe rozen, die er op

geschilderd waren. "En als ik bedenk, dat den laatsten keer, dat ik

er van een at, ik..."

"Een bruidje was," zeide de oude dame, "en den sluier hadt je toen

weggeslagen, en iedereen keek naar je, want je sneedt de taart. Twee

zijn er sedert dien tijd maar gebroken--en, het is waar ook, Hannah,

het dienstmeisje, dat gekomen is na Emily, heeft den hengsel van het

suikermandje gebroken en een stuk uit de spoelkom geslagen."

"Waar zat vader toen?" vraagde Meg. In hare gedachten bevolkte zij de

kamer met bruiloftsgasten, de ham en de coteletten, het geroosterde

brood en de eieren en de schalen met vruchten, waren veranderd in

eene groote, hooge, witte taart met zilveren bladeren.

"Juist waar Pip nu zit," zeide mevrouw Hassal, "en hij hielp Esther

met de taart, omdat zij haar met zijn sabel sneed. Wat heb je toen

een groot gat in het tafelservet gemaakt, Esther, het was mijn beste

damasten met de convolvulus-bladeren, maar ik heb het natuurlijk

gestopt!"

Baby had haar kop omgeworpen, en de koffie liep nu over haar heen en

over haar bord en over Bunby, die naast haar zat.

Zij barstte in tranen uit van vermoeidheid, en omdat zij zenuwachtig

was door al het nieuwe, dat haar omringde. Zij gleed van haar stoel

en onder de tafel. Meg tilde haar op.

"Mag ik haar naar bed brengen?" zeide zij. "Zij schijnt doodelijk

vermoeid."

"Mag ik ook naar bed?" sprak Nellie, terwijl zij haar ontbijt verder

liet staan en haar stoel naar achteren schoof. "Ik heb zulk een slaap!"

"En ik dan!" Bunby at in vliegende haast alles wat op zijn bord lag

en stond op. "En die akelige koffie loopt in mijne laarzen!"

En dus, juist toen de zon begon te glimlachen en de tranen van den

hemel weg te jagen, gingen zij allen naar bed om de schade van den

onrustigen nacht in te halen, en het was zes uur en weer theetijd

voor een van hen de oogen opende.

HOOFDSTUK XVI.

YARRAHAPPINI.

Yarrahappini in den zonneschijn, dien zonneschijn, die den zilveren

draad van den thermometer tot 100° doet stijgen!

Zeven kleine Australiërs · 第 8 / 12 段