Eenige oude, tegen den muur opgehangen karpetten hielden den

tocht tegen. Judy's bed, zacht en warm, bevond zich in een hoek;

zij had een stoel om op te zitten, eene tafel om aan te eten,

zelfs eene waschkom. En zij had den geheelen dag gezelschap, ook

dikwijls den geheelen nacht. Eens was Meg weggeslopen, nadat zij de

deur harer slaapkamer afgesloten had, en had ook op het bed op den

zolder geslapen; eens was Nellie gegaan, en een anderen avond had

Pip een paar wollen dekens genomen en had hij zich zelf een leger

in het stroo gemaakt. Zij bezochten haar op alle uren van den dag,

en kropen de een na den ander, de krakende ladder op, wanneer zij

maar onopgemerkt konden wegkomen.

De gouvernante had toevallig veertien dagen vrij gekregen, om hare

zieke moeder op te passen, en dus konden de meisjes en Bunby over

al hun tijd beschikken. Pip ging laat naar school, en kwam vroeg

naar huis, en zocht van Esther briefjes voor den directeur af te

bedelen. Zelfs bleef hij eens stilletjes weg, en droeg de straf,

die hem daarvoor later werd opgelegd, met kalme gelatenheid.

Judy zag er nog altijd bleek en vermoeid uit, en haar hoest was

werkelijk onrustbarend; maar zij kreeg weldra hare oude, levendige

opgewektheid weer, en genoot onuitsprekelijk van haar avontuur.

Het eenige onaangename was de zeer beperkte ruimte van den zolder.

"Jelui moet het zoo inrichten, dat ik eene wandeling kan gaan maken,"

zeide zij op een morgen zeer beslist. "Ik ben er van overtuigd, dat

mijne beenen langzamerhand korter beginnen te worden, nu ik ze niet

meer kan gebruiken. Tegen het eind van de week zal ik vergeten zijn,

wat wandelen is."

Pip dacht niet, dat haar wensch vervuld kon worden; Meg smeekte haar,

zich niet bloot te stellen; maar Bunby en Nell waren vol geestdrift

voor het plan.

"Meg zou met vader kunnen gaan praten," zeide Bunby, "en Pip zou

den Generaal kunnen plagen, tot Esther niet meer uit de kamer zou

durven gaan, en dan konden ik en Judy gauw naar beneden klimmen en

een wandelingetje maken, en we zouden weer terug zijn, vóór iemand

iets gemerkt had."

Judy schudde het hoofd.

"Daar zou ik al zeer weinig aan hebben," zeide zij. "Als ik ga,

wil ik ook een tijdje in de vrije lucht blijven. Zouden we niet een

picnic aan den waterkant kunnen houden?"

"He ja, laten we dat doen!" riep Bunby, met stralende oogen.

"Ik geloof heusch, dat we het wel konden wagen, vooral daar het toch

ook Zaterdag is, en Pip niet naar school hoeft," vervolgde Judy, en in

hare gedachten spon zij het geheele plan uit. "Twee van jelui zouden

voor eten kunnen zorgen. Zegt Martha, dat jelui een picnic willen

houden,--zij zal blij genoeg zijn, dat zij niet voor het middageten

behoeft te dekken--en dan gaan jelui vooruit. Twee anderen kunnen op

wacht staan, om te zien, of er geen vijand te bekennen is, terwijl

ik naar beneden kom en door de grasvelden loop, en als we maar eens

om den hoek van den weg zijn, zijn we gered!"

Dit scheen alles zeer uitvoerbaar, en in zeer korten tijd waren alle

toebereidselen gemaakt. Pip stond op wacht bij het gebouwtje, en had

op zich genomen, Judy's uittocht te bewaken, Bunby was bij de veranda

achter het huis op post gezet, om uit te kijken en driemaal te fluiten,

als er eenig gevaar was.

Hij zou een kwartier, gerekend naar de keukenklok, wachten, en dan,

indien alles veilig was, den grooten theeketel en een brood medenemen,

en de anderen op den weg opvangen. Het was eene saaie bezigheid,

om daar te staan wachten, en, als een peinzende ooievaar, stond hij

op één been, en hield zich bezig met de gebeurtenissen der laatste,

veel bewogen dagen nog eens te overdenken.

Een gedrukte stemming had zich van hem meester gemaakt, maar hoe dit

kwam, kon hij moeielijk zeggen. Misschien bezwaarde hem de leugen, die

hij aan zijn vader verteld had, en waarover hij niet weer gesproken

had, omdat het paard leelijk hinkte, en hem de moed in de schoenen

zonk, elken keer dat hij aan de rijzweep van zijn vader dacht.

Misschien was het de reactie na de groote opwinding. Of het kon

een knagend gevoel van verongelijking zijn, omdat zijne dappere

daden ten bate van Judy bij de anderen zoo weinig bewondering

hadden ingeoogst. Zij schenen ze hem volstrekt niet aan te rekenen,

en lachten zelfs elken keer, dat hij er eene toespeling op maakte,

of de algemeene aandacht op zijne schrammen zocht te vestigen. Twee

of drie krabben op zijne beenen waren werkelijk leelijk genoeg,

en terwijl hij stond te wachten stroopte hij zijne kousen omlaag en

keek met medelijdende blikken en iets als een snik naar zijne wonden.

"Niemand bekreunt zich om mij!"--pruttelde hij, en eene traan--hij kon

ze altijd zoo gemakkelijk schreien--plaste neer op zijn uitgestrekt,

ontbloot been. "Judy houdt het meest van Pip, en hij is toch nooit op

den cactus geklommen; Meg denkt, dat ik altijd jok, en Nellie zegt,

dat ik te vies ben om met eene tang aan te raken--niemand bekreunt

zich om mij!"

Nog eene groote, dikke traan welde omhoog en viel toen neer.

"Heb je daar wortel geschoten?" vraagde eene stem.

Zijn vader, die in de opengeslagen veranda-deur stond te rooken,

had hem gade geslagen, en zich over zijne ongewone, groote kalmte

verwonderd.

Bunby schrikte op, en trok zijne kousen omhoog.

"Ik doe niets geen kwaad!" zeide hij treurig, na een poosje. "Niets

geen kwaad! Ik ga naar een picnic!"

"Zoo!" zeide de kapitein. "Je zaagt er uit, alsof je over het een of

andere nieuwe kattekwaad nadacht, of berouw had over een ondeugenden

streek--nu, wat is het geval?"

Bunby werd bleek, maar herhaalde, dat hij "niets geen kwaad deed."

De kapitein was in eene loome, plaagachtige stemming, en zijn dik

zoontje scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om hiervan

blijk te geven.

"Het zou wel goed zijn, als je eens hier kwaamt, en al het kwaad, dat

je deze week uitgevoerd hebt, opbiechtet!" zeide hij ernstig. "Ik ben

den geheelen morgen vrij, en het wordt tijd, dat ik je eens ernstig

onder handen neem!"

Bunby naderde de leuning van den hem aangewezen stoel, en werd witter

dan ooit.

"Zoo, nu kunnen we op ons gemak praten. Dus, Dinsdag heb je uit de

provisiekamer gestolen--dat is één misdaad," zeide hij om hem op weg

te helpen. "Ga voort."

"Ik heb niets anders uitgevoerd!" stotterde Bunby. Hij voelde, dat

het met hem gedaan was, en dat de geschiedenis van den cricketbal

ontdekt zou worden. Hij keek zelfs zenuwachtig rond, of de rijzweep

nergens te zien was. Ja, daar lag die van Esther met den zilveren

knop, achteloos op een stoel neergeworpen. Hij vond nog den tijd om

vurig te wenschen, dat Esther wat netter mocht zijn.

"Werkelijk niets, Bunby? op je woord?" zeide zijn vader op

indrukwekkenden toon.

"Ik w-was aan het knikkeren!" zeide hij met bevende stem. "Hoe zou

ik dus het paard hebben kunnen kwaad doen?"

"Het paard? Ha!"--riep zijn vader. Er ging hem een licht op, en zijn

gelaat werd zeer ernstig. "Wat heb je naar Mazeppa gegooid, waardoor

hij kreupel geworden is? Antwoord mij onmiddellijk!"

Bunby wierp een schuwen blik naar de zweep.

"N-n-niets,"--zeide hij--"h-heusch niets! Mijn c-c-cricketbal lag in

den stal. Ik was aan het knikkeren!"

De kapitein schudde hem even aan den arm.

"Heb je Mazeppa met den cricketbal gegooid?" zeide hij streng.

"N-n-neen, n-neen!"--fluisterde Bunby, wit tot in zijne lippen. Toen

overweldigde hem ten deele zijn berouw en hij voegde er bij: "Hij

rolde uit mijn z-z-zak, en M-Mazeppa kwam juist voorbij en st-stootte

er tegen met zijn poot."

"Zeg de waarheid of het zal je slecht gaan!"--zeide de kapitein,

opstaande, en Esther's rijzweep in de hand nemende.--"En dus--heb

jij Mazeppa kreupel gemaakt?"

"Ja!" zeide Bunby, en hij barstte in tranen uit, en wrong zich in

allerlei bochten, om aan de zweep te ontkomen.

Daarop, toen de slagen op zijne rampzalige schouders nederdaalden,

vervulde hij de lucht met zijn gewonen kreet van: "Ik heb het niet

gedaan, het was mijn schuld niet!"

"Jij verachtelijke schavuit!"--zeide zijn vader, toen hij een oogenblik

moest pauzeeren, daar zijn arm pijn deed van het slaan. "Ik zal dien

lagen geest van leugenachtigheid en lafheid uit je ranselen, en als

je niet verandert, zie ik je liever dood voor mij liggen!" Zwiep,

zwiep. "Wat moet er van je groeien?" Zwiep, zwiep. "Liegen omdat je

bang bent voor slaag!" Zwiep, zwiep, zwiep, zwiep.

"U slaat me dood, u slaat me dood! Ik voel, dat u me dood slaat!" gilde

het kind, en wentelde zich over den grond. "Ik heb het niet gedaan,

het was mijn schuld niet. Sla de anderen liever!"

Zwiep, zwiep, zwiep. "Denk je, dat de anderen zoo onbeschaamd

zouden liegen? Philip heeft nooit gelogen. Judy zou liever hare tong

afbijten." Zwiep, zwiep, zwiep. "Je gaat naar een picnic? Je kunt

op je kamer picnic houden tot morgen ochtend vroeg." Zwiep, zwiep,

zwiep. "Nu--maak dat je wegkomt!"

Meer had geen menschelijk wezen kunnen verdragen.

De laatste slag was eene ware marteling geweest voor zijne trillende

schouders en zijn gepijnigden rug. Hij dacht aan de anderen, die,

gelukkig en zonder zorg, daar buiten in den helderen zonneschijn op

weg waren naar de rivier, zonder het minste vermoeden van wat hij

doorstaan moest, en zijn hart scheen door de hevigheid van zijne

verbittering en zijne wanhoop te zullen moeten barsten. "Judy is

thuis!" zeide hij hijgend en hartstochtelijk. "Zij is in het oude

gebouwtje. Boe-hoe-hoe! Ze houden het geheim voor u! Boe-hoe! Zij

gaat naar den picnic, en zij is van school weggeloopen."

HOOFDSTUK XIII.

ONGENOODE GASTEN.

De kapitein liep langzaam door de grasvelden met zijn tuinhoed

achterover. Na het tooneel met zijn tweeden zoon was hij min of

meer vermoeid, en zijne oogen keken peinzend rond. Hij geloofde niet

aan de waarheid van Bunby's laatste mededeeling, maar toch vond hij

haar niet volstrekt onwaarschijnlijk, en daarom had hij een bezoek

aan het gebouwtje niet juist overbodig geoordeeld. Niet dat hij,

hoe dan ook, geloofde, zijne verbannen dochter daar te vinden, want

Bunby had immers gezegd, dat zij een picnic aan den waterkant wilden

houden? Maar hij dacht, dat hij misschien toch wel de eene of andere

aanduiding ontdekken zou. De deur van het gebouwtje sloeg open, en

het zonlicht stroomde naar binnen en bracht dwars door de ruimte een

balk van gouden stof aan.

Er was hier geen teeken van de aanwezigheid van bewoners, behalve

wanneer een haarlint van Meg en eenige sinaasappelschillen als zoodanig

beschouwd konden worden.

Hij zag de wrakke, eigengemaakte ladder, die tegen de opening in

de zoldering geleund stond, en hoewel hij over het algemeen meer

eerbied voor zijne ledematen had, dan zijne kinderen voor de hunne,

waagde hij er zich op. Zij kraakte geweldig, toen hij de bovenste

sport bereikt had en van deze op den zolder stapte.

Het been van een ham, eene doos met dominosteenen en een gebarsten

kussen lagen aan deze zijde van het schot, anders niets, dus ging

hij verder en keek over de schutting op den anderen zolder.

"Gezellig genoeg ingericht," mompelde hij. "Het zou mij niet kunnen

schelen zelf hier een tijdje te kampeeren," en het kwam zelfs bij

hem op dit te doen, en voor Judy "eene verrassing" te zijn, als

zij terugkwam. Maar hij verwierp dit plan als niet overeenstemmend

met zijne waardigheid. Hij herinnerde zich, dat hij in zijn huis

geruchten had gehoord van verdwenen huisraad en er kwam iets als een

glimlach om zijn mond, toen hij het oude tafeltje met de spirituslamp

en den trekpot er op, het beddegoed en de waschkom zag. Maar met

een strengen blik fronsde hij weldra het voorhoofd. Waren zeven en

zeventig mijlen geene voldoende hinderpaal voor Judy's ondeugende

plannen? Hoe durfde zij hem zoo tarten, zij een kind van dertien

jaar tegenover haar vader? Hij sloot de lippen onheilspellend vast,

ging weer naar beneden, en liep met zwaren tred naar huis terug.

"Esther!" riep hij met eene trillende stem onder aan de trap.

En: "Ik kom, beste man--één minuutje!" klonk het ten antwoord.

Een minuutje scheen ditmaal tien minuten te kunnen duren, en toen

kwam zij, de mooie jonge moeder, met haar lachend dik zoontje in hare

armen. Hare oogen keken zoo teeder en zacht, er lag zooveel liefde

in haar blik, dat hij zich ongeduldig afwendde; hij wist zeer goed

hoe het zijn zou; zij zou hem bedelen en smeeken, zijn dochtertje

te vergeven, als zij alles gehoord had, en wanneer zij er dan weer

stralend en liefelijk uitzag, als op dit oogenblik, zou hij haar

niets kunnen weigeren.

Een paar minuten stond hij in gepeins verzonken.

"Wat wilde je, John?" zeide zij. "En waar sta je aan te denken? Ik

heb juist een nieuw kiesje gevonden, kom eens kijken!"

Hij kwam, half onwillig, en voelde met zijn pink in het mondje van

zijn jongste zoontje.

Esther hield zijne hand vast, tot hij een zeer klein hard voorwerp

voelde. "Het derde," zeide zij trots, "vindt je het niet aardig?"

"Hum!" zeide hij. Toen bleef hij nog een oogenblik peinzen, en wreef

zich na eene minuut of twee in de handen, alsof hij zeer over zich

zelf tevreden was.

"Zet je hoed op, Esther, en kleed den Generaal ook aan," zeide hij,

terwijl hij vriendelijk een tikje gaf op het hoofd van dezen jongen

heer. "Laten we eene wandeling gaan maken naar de rivier; de kinderen

wilden ook aan den waterkant een picnic houden, en dus kunnen wij er

op rekenen, onderweg thee te krijgen."

"Dat is een heerlijk idee!" zeide zij, "vindt je ook niet, Bababsie,

vindt je ook niet, mijn kind?"

Zij riep Martha, die bezig was het salon te vegen, op de grondige

manier, die haar bijzonder eigen was, toe: "Wil je even den hoed van

den Generaal halen, Martha, den witten zonnehoed met de keelbanden;

hij ligt op mijn bed, denk ik, of op een stoel, of ergens anders--o! en

breng dan meteen mijn grooten hoed met de papavers mede!"

Martha ging, en kwam na eenig zoeken met de gevraagde kleedingstukken

terug.

En Esther zette den witten zonnehoed op haar eigen krullend, springend

haar en deed den Generaal kraaien van het lachen op zijne zitplaats,

op de tafel der vestibule. En toen drukte zij hem op het hoofd van

den kapitein, en zette diens tuinhoed op het kopje van haar zoon en

verscheidene minuten gingen zoo al vroolijk stoeiend voorbij.

Eindelijk waren zij gereed, en verlieten de vestibule.

"Jongeheer Bunby zit in zijne kamer opgesloten; je moogt er hem

op geene voorwaarde uitlaten, Martha!" zeide de kapitein onder het

heengaan.

"O, Jack!" riep Esther verwijtend uit.

"Laat het zijn zooals ik gezegd heb," sprak hij; "gun mij een weinig

vrijheid met mijne eigen kinderen, Esther! Hij is een leugenachtige

deugniet; ik schaam mij, dat ik hem mijn zoon moet noemen."

En Esther, aan de wankelmoedigheid van haar stiefzoon denkende, vond

geen bezwaar zich met de hoop te troosten, dat de straf heilzaam voor

hem zou zijn.

Zij liepen over een pad door het woud, dat den weg zeer verkortte,

en toen lag daar de blauwe, vriendelijke rivier voor hen, waarin de

zon flikkerende vlammetjes strooide.

"Daar zitten zij," riep Esther, "op de oude plaats! Zie je het

vuur, mijn ventje? zie je den rook, mijn lieveling? Zij zijn met

hun vieren--neen, met hun vijven! Wie is er dan bij?"--zeide zij

verwonderd, toen zij dichter bij de groep op het gras kwamen.

Voor zij genoegzaam genaderd waren om de gezichten te herkennen,

scheen de kring plotseling verbroken te worden.

Een van de leden keerde zich opeens af en vluchtte weg over het gras,

stortte zich in het dichte kreupelhout en verdween uit het gezicht

in minder tijd dan noodig is, om dit te vertellen.

"Wie was er bij jelui?" vraagde Esther, toen zij de kinderen bereikten.

Een oogenblik bleef alles stil, toen wierp Pip een paar takjes op

het vuur en antwoordde droog:

"Eene vriendin van Meg, een meisje met een hazenhart, die een

doodelijken angst heeft voor vader. Ik geloof, dat zij denkt, dat

militairen met scherp geslepen wapenen rondwandelen, en niets liever

doen, dan er op inhouwen!"

Hij lachte even, Nell gichelde zenuwachtig, en Baby begon te schreien.

Meg, bleek als eene doode, nam haar op en begon, om haar te bedaren,

haastig de geschiedenis van de drie beren te vertellen.

Esther keek min of meer verbaasd, maar dacht er natuurlijk niet aan,

eenig verband te zoeken tusschen de vluchtende gestalte en Judy.

En de kapitein scheen niets te zien of te merken. Hij lag op het

gras en liet den Generaal over zich heen klimmen; hij schertste met

Esther; hij vertelde verscheiden verhalen uit zijne jeugd, en scheen

zich geen oogenblik bewust te zijn, dat zijn gehoor onoplettend en

afgetrokken was.

"Hebben jelui geen thee gezet?" zeide Esther eindelijk. "Wij rekenden

er op, hier thee te kunnen drinken."

"Bunby is niet verschenen, en die zou de thee meebrengen!" zeide Pip

gemelijk. De buitengewone beminnelijkheid van zijn vader kwam hem

verdacht voor, en hij wilde zich niet voor den gek laten houden.

"Ach," zeide de kapitein ernstig, "dat treft slecht. Toen wij van huis

gingen, scheen Bunby niet al te wel te zijn, en er over te denken,

de rest van den dag in zijne slaapkamer door te brengen."

Pip stookte met kracht het vuur op, en Meg wierp een verschrikten

blik naar haar vader, die haar vriendelijk glimlachend aankeek.

Na een uur lang dezen gedwongen toestand gerekt te hebben, stelde de

kapitein voor, naar huis terug te keeren.

"Het begint koel te worden," zeide hij, "het zou me spijten voor het

nieuwe kiesje van onzen Generaal, als het zijn leven moest beginnen

met pijn te doen--laten we naar huis gaan, en daar zien, dat we

thee krijgen."

Dus namen zij de onaangeroerde manden in de hand, en de stoet zette

zich in beweging.

De kapitein wenschte, dat Pip en Meg met hem zouden loopen, en hij

zond Baby en Nell voor zich uit, ieder aan een kant van Esther,

die den Generaal afwisselend bij de hand had en droeg.

Dit richt hij zoo in, dacht de sluwe Pip, om te verhoeden, dat wij

nieuwe plannen smeden. En toen zij thuis waren gekomen, noodigde hij

hen allen uit in zijne rookkamer te komen, een cabinetje naast de

eetkamer gelegen.

Esther ging met den Generaal naar boven, maar de anderen volgden

zwijgend hun vader.

"Ga zitten, Pip, mijn jongen," zeide hij opgewekt. "Kom, Meg, maak

het je gemakkelijk, neem plaats in dien leunstoel. Nell en Baby kunnen

zich op de sofa zetten."

Gedwongen gingen zij op de plaatsen zitten, die hij hun aanwees,

en keken angstig naar zijn gelaat.

Hij koos eene pijp van het rek boven den schoorsteenmantel, voorzag

haar van een nieuw mondstuk, en vulde haar met zorg.

"Daar jelui je nu in het bezit hebt gesteld van mijne kamer," zeide

hij op hoogst aangenamen toon, "zal ik beter doen, met hier niet te

rooken. Straks kom ik terug en dan zullen wij wat praten. Ik zal eerst

maar eens eene pijp gaan rooken op den zolder van het gebouwtje. Voert

geen kattekwaad uit, terwijl ik weg ben!"

Hij stak een lucifer aan, hield dezen bij de tabak, en, zonder een blik

op de zwijgende kinderen geworpen te hebben, verliet hij de kamer,

en deed de deur achter zich op slot. Voor de tweede maal liep hij

door de grasvelden, en voor de tweede maal stootte hij de krakende

deur open. De sinaasappelschil lag op dezelfde plaats, waar hij haar

eerst gezien had, alleen was zij wat drooger en verschrompelder. Het

haarlint zat in juist denzelfden strik. De ladder kraakte op precies

dezelfde plaats, en het scheelde weer niet veel, of hij was, toen hij

de bovenste sport bereikte, er af gevallen. De dominosteenen lagen daar

nog altijd, het been van de ham en het kussen namen dezelfde plaatsen

in; het eenige verschil was, dat over het eerste nu een groot aantal

zwarte mieren kropen, en dat de wind met het kussen gespeeld had,

en de veeren naar alle kanten had doen stuiven.

Hij liep naar de andere zijde, niet zachtjes, maar met zijn gewonen,

vasten, militairen stap. Er bewoog zich niets. Hij bereikte het

beschot en keek er over heen.

Judy lag op het geïmproviseerde bed, in een diepen slaap verzonken,

uitgeput na hare snelle vlucht van den oever der rivier. Zij had een

rok van Meg aan, die haar buitengewoon lang en mager deed schijnen;

met verbazing vraagde hij zich, of zij zóó gegroeid kon zijn?

"Er zal geen einde aan de moeite en zorgen komen, die zij mij

zal veroorzaken, als zij groot geworden is!" zeide hij, halfluid,

met een gevoel van medelijden voor zich zelf omdat hij haar vader

was. En toen werd hij vervuld met wrevel en toorn, terwijl hij haar

daar bleef gade slaan, en zij zoo kalm voortsliep. Moest zij altijd

de verstoordster zijner rust zijn? moest zij hem altijd dwarsboomen?

"Judy!" zeide hij met luide stem.

De gesloten oogleden sprongen open, de nevel van slaap en vergetelheid

trok weg van de donkere oogen, en zij rees overeind, met doodelijk

ontsteld gelaat.

"Wat voer je hier uit, als ik vragen mag?" zeide hij, koud en hoog.

Een donkerroode blos kleurde hare wangen, haar voorhoofd, en verdween

toen weer, zoodat zelfs hare lippen wit werden, maar zij gaf geen

antwoord.

"Ik veronderstel, dat je van school bent weggeloopen," vervolgde hij,

op denzelfden koelen toon. "Heb je iets tot je verontschuldiging

te zeggen?"

Judy sprak noch verroerde zich, zij staarde hem alleen aan met even

geopenden mond.

"Heb je iets tot je verontschuldiging te zeggen, Helen?" herhaalde hij.

"Neen, vader," zeide zij.

Haar gelaat toonde een moeden, pijnlijken trek, die hem anders zeker

zou getroffen hebben, maar hij was thans te vertoornd, om dit op

te merken.

"Volstrekt geene verontschuldiging of geldige reden?"

"Neen vader!"

Hij ging terug naar het luik. "In anderhalf uur vertrekt een trein,

je reist daarmede van hier," zeide hij, met bedaarde stem. "Ik

zal maatregelen nemen om je op school te doen bewaken, nu ik zie,

dat je niet te vertrouwen bent. Je komt met Kerstmis niet thuis,

en waarschijnlijk ook niet met de zomervacantie!"

Dit was even goed als een doodvonnis. De zolder draaide voor Judy's

oogen in het rond, in hare ooren zong en gonsde het.

"Kom!" zeide de kapitein. Judy snakte naar adem, zij hijgde en begon

te hoesten.

Zij hoestte vreeselijk, haar tenger lichaam beefde. Dit duurde zoo

twee of drie minuten, hoewel zij den zakdoek voor den mond hield om

te beproeven, het hoesten tegen te gaan.

Zij was zeer bleek, toen zij tot bedaren kwam, en voor het eerst

merkte hij op, hoe hol hare wangen waren.

"Het is beter, dat je eerst mede naar huis komt," zeide hij minder

hard, "dan kunnen wij zien of Esther niet iets voor den hoest heeft."

En toen snakte hij op zijne beurt naar adem, en werd zijn gebronsd

gelaat vaalbleek.

Want roode, vreeselijke vlekken bezoedelden het wit van den doek,

dien het kind van haar mond had genomen.

HOOFDSTUK XIV.

DE UITNOODIGING VAN DEN SQUATTER.

En dus werd er geen dogcart voor Judy ingespannen, zij werd niet

naar den trein gebracht, zij behoefde niet beschaamd onder haar

schoolkameraadjes terug te keeren, zij had niet het vooruitzicht van

lange maanden, die zonder vacantie voorbij zouden gaan.

Maar, in de plaats daarvan, een warm, zacht bed, en versterkend

voedsel, en vriendelijke woorden, en onafgebroken zorg. Want de

avontuurlijke tocht, de gebrekkige voeding, en de twee nachten in de

open lucht hadden het meisje inderdaad in een gevaarlijken toestand

gebracht. De eene long was ernstig aangedaan, had de dokter gezegd;

het was hem een raadsel, zeide hij tot hare huisgenooten, hoe zij

het nog zoo lang uitgehouden had; een gewoon meisje zou reeds lang

allen moed verloren, en zich te bed gelegd hebben. Maar hij zeide

dit, omdat hij den onbuigzamen geest en de vaste energie niet kende,

die Judy's voornaamste karaktertrekken waren.

"Hadt je in het geheel geen pijn?" vraagde hij, verbaasd door het feit,

zulk eene stemming en zulk een ernstigen toestand tegelijkertijd aan

te treffen.

"Jawel, soms in mijne zijde!"--antwoordde zij achteloos.--"Hoe lang

zal het nog duren voor ik op kan staan, dokter?"

Deze vraag stelde zij hem iederen morgen, hoewel, om de waarheid

te zeggen, zij met waren angst dacht aan het oogenblik, waarop zij

hersteld verklaard zou worden.

Zij gevoelde eene loomheid en moeheid in hare beenen, die haar

deed twijfelen, of zij ooit weer ver zou kunnen loopen, en een meer

bescheiden teeken van beterschap versmaadde zij. Buitendien bespeurde

zij eene knagende pijn onder de armen, en als zij hoestte, stond zij

de hevigste benauwdheid uit.

Toch was zij niet ziek genoeg om niet belang te stellen in alles, wat

er om haar heen gebeurde, en verlangde, dat de anderen haar zouden

vertellen, wat buitenshuis voorviel--wie het gelukkigst was geweest

bij het cricketspel, welke bloemen ontloken waren in het weelderige

hoekje van den tuin, dat haar toebehoorde, hoe vele eieren de kippen

per dag legden, hoe het met het aantal der Guineesche biggetjes en

der kanaries gesteld was, en welke schoenen of kleeren de nieuwe

jonge hond vernield had.

Zeven kleine Australiërs · 第 7 / 12 段