In den zijmuur van het huis was het venster der provisiekamer;

dikwijls had hij er verlangend naar opgezien, maar hij had nooit

gewaagd er in te klimmen, want een vreeselijke, kruipende cactus wond

zich tegen den muur.

Maar nu, voor Judy, zou hij het doen of sterven. Hij liep om het huis

en naar het zijvenster; er was niemand te bespeuren, overal scheen het

even rustig. Martha, dit had hij gezien, was in de keuken bezig met

kooken, en het andere dienstmeisje witte de veranda aan de voorzijde

van het huis. Hij wierp een vastberaden blik op de groote, puntige

dorens, en klom in het volgende oogenblik tusschen hen door omhoog.

O, wat prikten en schramden zij hem! Zijn eene arm gaapte met eene

groote wond, zijn linkerkous werd weggescheurd en een diepe roode

schram werd op zijn been zichtbaar, zijne handen bloedden en trilden

van pijn.

Maar hij had de vensterbank bereikt, en dat was zijn doel.

Hij schoof het kleine raam omhoog, en wrong met veel moeite zijn

dik lichaampje er doorheen. Toen kwam hij op eene plank terecht, en

liet zich van daar op den grond glijden. Hij had geen tijd om naar

zijne kwetsuren te kijken, slechts een weemoedige blik sloeg hij op de

breedste schram en begon toen naar proviand te zoeken. De provisiekamer

was merkwaardig leeg--geen bewijsje van cakes, geen hapje gelei, geen

gevogelte waar ook. Hij brak een groot stuk van een brood, en pakte

zorgvuldig wat boter in een courant. Er stond nog koud vleesch op een

schotel, hij sneed er een stevige homp van af, en vereenigde dit met

een stuk van een zandtaart tot een pakket. Hij borg dit alles in zijn

matrozenbuisje, en vulde zijne zakken met sinaasappels, geconfijte

citroenschillen, krenten en andere lekkernijen, die hij alle in

de stopflesschen vond. En toen maakte hij zich tot den moeielijken

terugtocht gereed.

Hij klom op de plank, stak zijn hoofd buiten het venster, en wierp

een wanhopigen blik op den cactus. En in het oogenblik, dat hij

nederknielde, weerklonk achter hem het geluid, dat een sleutel maakt,

als hij in een slot wordt omgedraaid.

Radeloos keek hij om zich heen,--daar stond Martha in de deur, en

tot zijn doodelijken schrik sprak zij met zijn vader, die zich in de

gang bevond.

"Ik zoek de arnica!" zeide de kapitein. "Naar alle waarschijnlijkheid

is zij in de provisiekamer, omdat ze daar niet hoort te zijn. Ik heb

haar in mijne slaapkamer op den schoorsteenmantel laten staan, maar de

een of ander schijnt noodig gevonden te hebben, er aan te komen. Waarom

kunnen jelui toch niet met je handen van mijne zaken afblijven?"

"En waarom zou ik haar ergens anders gezet hebben?" antwoordde

Martha. "Ik maak er mijn beslag niet mede aan, om het gebak luchtig

te doen zijn, ten minste in den regel niet."

Zij schudde het hoofd, en door deze beweging werd zij de kleine,

knielende, bevende gestalte bij het venster gewaar.

Nu was de deur maar half open, en haar meester stond juist op den

drempel, dus kon zij alleen van het schouwspel genieten.

Tweemaal opende zij den mond om te spreken, maar Bunby keek haar

zoo innig smeekend aan, dat zij hem weer sloot en zelfs de flesschen

op de plank naast de deur begon na te zien, om hem gelegenheid tot

ontsnappen te geven.

Nog ééne minuut en hij zou gered zijn geweest--nog ééne minuut en

hij zou midden tusschen de doornen van den cactus hebben gehangen,

die nu evenwel al het afschrikwekkende verloren hadden.

Maar het lot was hem niet gunstig. En dit kwam alleen, omdat Martha

Tomlinson's schoen een afgeloopen hak had. Toen zij zich omdraaide

glipte haar voet uit haar schoen, en om haar evenwicht te bewaren,

strekte zij eene hand uit. En toen zij de hand uitstrekte stootte

zij tegen eene kruik. En de kruik deelde den schok mede aan een

schotel. Deze sloeg om, en schoof de groote melkkan van de plank,

zoodat zij op den grond sloeg. Ik weet niet, of ge ooit beproefd hebt,

een planken vloer schoon te maken, nadat er melk op gevallen was, maar

in ieder geval ben ik er van overtuigd, dat ge u wel kunt voorstellen,

dat het een onaangenaam werk is, vooral als ge hem denzelfden morgen

pas duchtig geschrobd had. Men kan er zich dus eigenlijk niet over

verbazen, dat Martha, in hare groote woede over het ongeluk, zich

boos omwendde, en naar het kind wijzende, dat als versteend in het

venster zat, op wanhopigen toon vraagde, hoe de goede heiligen het met

dien akeligen jongen konden uithouden, haar geduld, in ieder geval,

was ten einde.

De kapitein kwam met een woedenden stap de provisiekamer binnen,

en commandeerde Bunby met luide stem, naar beneden te komen.

Het jongentje liet zich in hevigen angst op den grond glijden.

"Hij steelt en pakt overal wat weg, en hij liegt dat hij zwart

ziet!" zeide Martha Tomlinson, terwijl zij met een onvriendelijken

blik naar het ongelukkige kind keek.

Twee, drie, vier, vijf woedende tikken met de rijzweep, die de kapitein

in de hand had, en Bunby dook onder zijn arm weg en vluchtte huilende

de gang door en de achterdeur uit.

Hij liep over de grasvelden, en snikte bij iederen voetstap, maar

voelde zich tegelijkertijd door het verheffende gevoel bezield,

dat hij dit alles droeg terwille van een ander.

Had iemand hem dit vroeger voorspeld, dan zou hij het nauwelijks hebben

kunnen gelooven, dat hij ooit zoo iets edels volbrengen zou, en de

gedachte daaraan verzachtte de pijn, die de klappen en de schrammen

hem veroorzaakten. Hij beproefde zijn gesnik te onderdrukken, toen

hij het gebouwtje bereikte, en stopte zelfs voor dat doel eene handvol

krenten in zijn mond, voor hij er was aangekomen.

Maar het gezicht, dat weer te voorschijn kwam door het luik naast Judy,

was hoogst treurig, en droeg de sporen van tranen en van krabben.

Zij bewoog zich niet, hoewel hare oogen half geopend waren, en hij

knielde neer en raakte haar schouder aan.

"Hier breng ik je wat, Judy! Wil je nu niet iets eten?"

Zij schudde langzaam het hoofd.

"Neem wat koud vleesch, of wat rozijnen; ik heb ook geconfijte

citroenschil, als je daar soms meer zin in hebt!"

Zij schudde nogmaals het hoofd. "Neem alles maar weer mede weg!" zeide

zij zacht kermend.

Diepe teleurstelling was op zijn klein, verhit gelaat te lezen.

"En ik heb doodsangsten uitgestaan om het te krijgen! He, wat ben je

een akelig spook!" riep hij.

"Ach, ga heen!" kermde Judy, terwijl zij haar hoofd onrustig dan

naar deze, dan naar gene zijde bewoog. "O, wat doen mijne voeten mij

pijn! neen--mijn hoofd, en mijne zijde--o, ik weet niet wat ik heb!"

"Hier en hier heb ik slaag gehad," zeide Bunby, de plaatsen

aanwijzende, en met zijne mouw veegde hij de dikke tranen weg, die

hij om zijn eigen ongeluk geschreid had. "Die ellendige oude cactus

heeft me overal gekrabd!"

"Denk je, dat ik nog veel mijlen zal moeten afleggen?" zeide Judy,

en zoo vlug, dat de woorden in elkaar schenen te vloeien. "Ik heb

honderden geloopen, en ben nog niet thuis. Ik denk, dat het komt,

omdat de aarde rond is, en ik zal zeker spoedig het schoolhek weer

binnen komen!"

"Wees niet zoo idioot!" zeide Bunby knorrig.

"Ik kan er zeker en stellig op rekenen, nietwaar Marian, dat je er

nooit een woord van zult zeggen, ik vertrouw op je, en als je doet wat

je beloofd hebt, kan ik naar huis gaan en weer terug komen, en niemand

zal er ooit iets van weten. En leen mij twee shillings, wil je? Ik

heb niet veel geld meer. Bunby, egoïste jongen, haal mij toch wat

melk! Urenlang vraag ik je er al om, en je laat mij maar versmachten!"

"Eet wat vleesch, Judy!--ach Judy, wees niet zoo vreemd en onaardig,

ik heb werkelijk doodsangsten uitgestaan toen ik het voor je haalde,"

zeide Bunby, en beproefde met trillende vingers een stuk in haar mond

te duwen.

Het kleine meisje wierp zich op de andere zijde en begon weer te

kreunen.

"Zeven en zeventig mijlen," zeide zij, "en gisteren heb ik elf

geloopen, dat is dus elfhonderd zeven en zeventig--en zes den dag

daarvoor omdat ik eene blaar op mijn voet had--dat is elfhonderd

drie en tachtig. En als ik tien mijlen per dag loop, zal ik thuis

zijn in elfhonderd drie en tachtig maal tien, dat is duizend

en--en--hoeveel? hoeveel is het? Bunby, kind, kan je mij niet

zeggen hoeveel? Mijn hoofd doet te veel pijn om uit te rekenen

hoeveel jaren duizend en zooveel dagen in jaren zijn--dat is een

jaar,--twee jaar--twee jaar--drie jaar voor ik er ben. O, Pip, Meg,

drie jaar! O Esther! vraag hem, vraag hem of hij me niet wil laten

thuiskomen! Drie jaar--drie--drie!"

De laatste woorden werden bijna gillend uitgestooten en het kind

richtte zich op, en beproefde te loopen.

Bunby greep haar arm en hield haar vast.

"Laat me gaan, versta je mij niet?" zeide zij met heesche stem. "Zoo

zal ik er nooit komen! Drie jaren, en zooveel mijlen!"

Zij duwde hem op zijde en wilde over den zolder loopen, maar hare

knieën knikten en zij viel buiten kennis neer. "Meg--ik ga Meg

halen!" zeide de kleine jongen met trillende, angstige stem, en hij

gleed door de opening en spoedde zich naar huis.

HOOFDSTUK XI.

EENE VLUCHTELING.

Als een wervelwind stoof hij Meg's slaapkamer binnen. "Zij is in

het oude gebouwtje, Meg, en, zeker weet ik het niet, maar ik denk,

dat zij gek geworden is; en ik ben vreeselijk geslagen geworden,

en de cactus heeft me bijna heelemaal open gekrabd, en ik heb toch

niets gezegd. En nu wil ze niet eens eten. Zij is weggeloopen--ik

geloof zeker, dat ze gek is!"

Meg beurde haar bleek, ontzet gelaat van het kussen op.--"Wie dan

toch--wat--"

"Judy!" zeide hij, en barstte door overspanning in tranen uit. "Zij

is in het oude gebouwtje, en ik geloof, dat zij gek is geworden!"

Meg stond langzaam op, deed hare kleeren aan, en zelfs toen nog

niets van het avontuurlijke verhaal geloovende, ging zij met hem

naar beneden.

In de vestibule ontmoetten zij hun vader, die juist uit wilde gaan.

"Ben je weer beter?" zeide hij tot Meg. "Je hadt den geheelen dag in

bed moeten blijven, maar, misschien zal de lucht je goed doen."

"Dat denk ik ook," antwoordde zij werktuigelijk.

"Ik kom in de eerste uren niet naar huis--het zou zelfs kunnen zijn,

dat Esther en ik eerst morgen ochtend terug kwamen."

"Goed!" sprak Meg.

"Pas vooral op de kinderen, en wees zelve voorzichtig--en, dat is

waar ook, Bunby gaat vandaag zonder thee naar bed--hij zal niet van

honger sterven, daar ben ik zeker van."

"Goed!" zeide het meisje nogmaals, en zij kwam eerst tot het besef van

wat de laatste woorden beduidden, toen Bunby dicht bij haar elleboog

verbolgen: "Gemeen!" fluisterde.

Toen kwam de dogcart voor, en de kapitein vertrok tot hunne

onuitsprekelijke verlichting.

"Nu, wat is dit voor eene dwaze geschiedenis?" zeide Meg, terwijl

zij zich tot haar broertje wendde. "Het zal wel weer een van je

verzinseltjes zijn, kleine ondeugende jongen!"

"Kom maar mee!" antwoordde Bunby, en hij leidde haar door de

grasvelden. Halverwege ontmoetten zij Pip en Nell, die vroeger dan

plan was geweest van de vischvangst terugkwamen. Nellie keek treurig

voor zich, en liep op een eerbiedigen afstand achter haar broeder aan.

"Men zou even goed een phonograaf mee kunnen nemen als Nellie!" zeide

hij, een blik vol toorn op deze schuldige werpend. "Zij heeft den

geheelen tijd door gebabbeld, zoodat ik geen oogenblik kans had,

dat een visch zou aanbijten."

"Judy is thuis!" zeide Bunby, vol van het groote nieuws. "Niemand heeft

haar gezien behalve ik, ik heb mijn leven voor haar gewaagd door op

cactussen te klimmen en in vensters en wat al niet, en ik heb slaag

gehad van vader, maar ik heb toch niets verteld, nietwaar, Meg? Ik heb

haar hier in het oude gebouwtje ondergebracht, en heb vleesch en van

allerlei voor haar gehaald--kijk nu toch eens even naar mijne beenen!"

Vol fierheid toonde hij zijne schrammen, maar Meg ging haastig verder,

en Pip en Nellie volgden, een en al verbazing. Bij het gebouwtje

gekomen stonden zij stil.

"Het is een grap van Bunby!" zeide Pip verachtelijk. "Het is nog niet

de eerste April, mijn zoon!"

"Kom dan toch mee!" antwoordde Bunby, en klom omhoog. Pip volgde,

en stootte een zachten kreet uit; daarop klauterden Meg en Nell,

met meer moeite, naar boven, en toen was het gezelschap bijeen.

Judy was tot rust gekomen, en lag met wijd geopende oogen, moede,

naar de dakbalken te staren.

Zij keek hen glimlachend aan, toen zij zich allen om haar

schaarden. "Als Mahomet niet naar den berg wil komen..." zeide zij,

en hoestte toen twee of drie minuten lang.

"Wat ben je begonnen, Judy, zusjelief?" zeide Pip, met eene vreemde

trilling in zijne stem. Het gezicht van zijne lievelingszuster,

die mager, met holle wangen, uitgeput daar neer lag, greep zijn warm

jongenshart aan. Er kwam een nevel voor zijne oogen.

"Hoe ben je hier gekomen, Judy?" zeide hij, sterk met de oogleden

knippend.

En het meisje keek tot hem op met haar eigenaardigen, stralenden

blik. "Rijpaardjes houden ze er bij ons op school niet op na,"

zeide zij, "maar misschien dacht je, dat ik in een ballon hierheen

was komen drijven?"

Weer hoestte zij.

Meg viel op hare knieën en sloeg hare armen om haar klein, mager zusje.

"Judy!" riep zij. "O, Judy, Judy, mijn arm kind!"

Judy lachte even en noemde haar dwaas, maar weldra verdween die

opgeruimde stemming en begon zij zenuwachtig te snikken. "Ik heb zulk

een honger!" zeide zij ten laatste droevig.

Alle vier sprongen op, als wilden zij de gezamenlijke magazijnen van

Sydney leeg gaan dragen, om haar honger te stillen. Maar Meg ging

weer zitten en legde het hoofdje met de woeste krullen in haar schoot.

"Pip, ga jij naar huis," zeide zij, "en haal wijn en een glas, en in

den vliegenkast staat een gebraden kip; ik kreeg daar een gedeelte

van bij den lunch, en Martha zeide, dat zij het overblijvende zou

wegzetten, en dat ik het bij de thee kon krijgen; en kom gauw terug,

Pip!"

"Natuurlijk!" zeide Pip bij zich zelven, en hij vloog de trap af,

naar het woonhuis.

"Wel heb ik van mijn leven!" zeide Martha, toen zij hem vijf minuten

later in de gang tegenkwam, en hij eene karaf van geslepen glas onder

den arm had, een wijnglas bij zich had dat hij met de tanden bij den

voet vasthield, en een schotel met koude kip in zijne hand droeg,

waarop ook nog een stapeltje boterhammen lag. "Wel heb ik van mijn

leven! En wat nu nog meer?"

"Loop naar je grootje!" zeide Pip, stormde haar in groote haast

voorbij, en maakte een omweg om naar het gebouwtje te komen, daar

hij dacht, dat zij hem wellicht bespiedde.

Hij knielde naast zijn zusje neer, en verkwikte haar met kleine

stukjes kip en teugen wijn, en streek over haar woesten haardos,

en noemde haar wel vijftig maal zijn liefste zusje, en smeekte haar

toch vooral nog een beetje te eten.

En Judy, die den blik der bruine, vochtige oogen boven haar,

opving, at alles wat hij haar gaf, hoewel het haar in het begin bijna

onmogelijk scheen. Zij zou hebben gegeten, al had hij haar olifantshuid

aangeboden, nu zij gevoelde, dat zij van dezen broeder meer hield,

dan van wien ook op de geheele wereld, en dat hij zulk een verdriet

had. En het voedsel deed haar goed, zij ging opzitten en praatte na

eene korte poos op geheel natuurlijken toon.

"Je hadt het heusch niet moeten doen, Judy, heusch niet! En wat vader

tegen je zal zeggen, nu, dat zullen we moeten afwachten."

"Hij zal er nooit iets van weten, dat ik hier ben," antwoordde zij

snel. "Ik zou het jelui nooit vergeven, als je het hem verteldet. Ik

kan maar eene week hier blijven. Ik heb alles uitstekend ingericht,

en ik zal op dezen zolder logeeren; vader komt hier nooit, dus ben

ik hier veilig, en jelui komt mij eten brengen. En na eene week"--zij

zuchtte diep, "moet ik weer weg!"

"Heb je werkelijk al die mijlen geloopen alleen om ons weer te

zien?" zeide Pip, en weer was er die vreemde trilling in zijne stem.

"Een paar maal onder weg heb ik kunnen sporen of rijden," zeide zij,

"maar overigens heb ik altijd geloopen, ik ben bijna eene week

onderweg geweest."

"Hoe heb je dat kunnen uithouden, Judy? Waar sliep je, wat at je?" riep

Meg uit, met groote droefheid.

"Dat ben ik bijna alweer vergeten!" zeide Judy, en zij sloot hare

oogen. "Ik heb aan kleine woningen om eten verzocht, en soms vraagde

men mij, of ik niet wilde blijven slapen. En dan had ik nog drie

shillings en zes pennies--daar ben ik lang mede toegekomen. Ik heb

maar twee nachten buiten geslapen, en toen had ik toch altijd mijn

manteltje."

Megs gelaat was bleek van ontsteltenis, bij het verhaal van haar

zusters avonturen. Zeker zou geen ander meisje dan Judy Woolcot op

het buitensporige denkbeeld zijn gekomen al die mijlen te voet af te

leggen met drie shillings en zes pennies in den zak.

"Hoe heb je het kunnen doen?" was alles, wat zij zeide.

"Ik was niet van plan geweest, den geheelen weg te loopen," zeide Judy

met een flauw glimlachje. "Ik had zeven shillings in een stukje papier

in mijn zak gestoken, evenals de drie shillings en de zes pennies,

en ik wist, dat ik daarvoor een heel eind zou kunnen komen met den

trein. Maar ik verloor het eene papiertje onder weg, en ik wilde daar

niet voor teruggaan, dus moest ik natuurlijk loopen."

Meg raakte hare wang even aan.

"Het is geen wonder, dat je zoo mager geworden bent!" zeide zij.

"O, Marian en ik hebben alles bedisseld!" zeide Judy, met een

glimlach. "Marian is mijn vriendinnetje en zij doet alles wat ik haar

zeg. En zij woont in Katoomba."

"Nu?" zeide Meg nieuwsgierig, toen hare zuster zweeg.

"Nu, zie je, heel veel meisjes op school hebben de mazelen, en dus

moest Marian thuis komen, want hare familie was bang dat zij ze ook

zou krijgen. En Marians moeder had mij gevraagd, een veertien dagen

mede te komen, en dus had Miss Burton aan vader geschreven en gevraagd

of ik mocht. En toen heb ik een brief geschreven en gevraagd, of ik

die veertien dagen niet liever thuis mocht komen."

"Daar heeft hij nooit iets van gezegd!" zeide Meg zacht.

"Neen, dat kan ik wel begrijpen. Nu, hij heeft terug geschreven

en antwoordde mij "neen" en haar "ja." En dus brachten zij ons op

een goeden dag naar den trein, en in Katoomba zouden wij afgehaald

worden. En toen wij onderweg waren, kwam ik plotseling op de gedachte:

"Waarom zou ik niet op mijn eigen houtje naar huis gaan?" Dus zeide ik

Marian, dat zij thuis moest vertellen, dat ik naar huis was gegaan,

en dat zij haar verhaal zoo moest inrichten, dat niemand er aan zou

denken, hierover aan Miss Burton te schrijven. En toen hield de trein

in Blackheath op, en ik sprong er uit, en zij ging naar Katoomba, en ik

kwam naar huis. Dat is de geheele geschiedenis. En dus, jelui begrijpt,

daar ik mijn geld verloren had, bleef mij niets over dan te loopen."

Meg streek over het stoffige, verwarde haar van haar zusje.

"Maar je kunt hier niet eene week lang logeeren!" zeide zij

bezorgd. "Door het slapen in de open lucht heb je je eene ernstige

verkoudheid op den hals gehaald, en ik ben er van overtuigd, dat je

ziek bent. Wij zullen alles aan vader moeten zeggen. En ik zal hem

verzoeken, je niet terug te zenden."

Judy vloog op, hare oogen fonkelden.

"Als je dat doet," zeide zij, "als je dat doet, dan loop ik van avond

nog weg naar Melbourne, of naar Jeruzalem, en dan kom ik nooit, nooit

weer terug! Hoe kom je daar aan, Meg? Nadat ik dit alles gedaan heb,

alleen maar opdat hij er niets van zou weten! O, hoe kom je er aan?"

Zij wond zich tot een hevigen toestand van overspanning op.

"Je begrijpt immers wel, Meg, dat ik eenvoudig morgen weer naar

school zou worden gestuurd. Is dat niet zoo, Pip? En op school zou

mij op den koop toe nog heel wat te wachten staan. Mijn plan is zoo

eenvoudig mogelijk. Ik heb hier eerst een week lang pret met jelui,

en dan ga ik weer terug naar school--jelui kunt mij allen geld leenen

voor den trein. Den 25sten ontmoet ik Marian in Katoomba; we zullen

samen terugkeeren en niemand zal ooit iets te weten komen. Die hoest

beduidt niets; vroeger heb ik ook altijd gehoest, en het heeft mij

nooit kwaad gedaan. Zoolang jelui mij genoeg eten brengt, en bij mij

komt, is alles in orde."

De rust en het voedsel en het zien der welbekende gezichten hadden

haar reeds goed gedaan, haar gelaat was minder spits, en een zacht

rose tintte langzaam hare wangen.

Meg had een beklemmend gevoel van verantwoordelijkheid, en zij achtte

zich verplicht, ten minste aan iemand het gebeurde te vertellen;

maar de anderen overreedden haar.

"Zoo laag zou je toch niet kunnen zijn, Meg!" had Judy met overtuiging

gezegd, toen zij gesmeekt had Esther alles te mogen vertellen.

"Zulk een flapuit!" had Bunby er toe gevoegd.

"Zulk een verachtelijk schepsel!" had Pip uitgeroepen.

En dus zweeg Meg, maar was buitengewoon ongelukkig.

HOOFDSTUK XII.

ZWIEP, ZWIEP!

Op den vierden dag van Judy's verblijf op den zolder, deelde Martha

Tomlinson haar kameraad en lijdensgenoot, Bridget, mede, dat zij

geloofde, dat de kinderen samen zwoeren om haar naar "den overkant"

te krijgen.

Bridget had dien nacht niet buitengewoon goed geslapen, en dus gaf zij

als antwoord de opmerking ten beste, dat zij veronderstelde, dat de

lieve jeugd haar daar wenschte te zien, waar zij ook behoorde te zijn.

Ik moet u misschien vertellen, dat "aan den overkant" hetzelfde

beduidde als Gladesville, en dat dit het Meer-en-Berg van Sydney is.

Verscheidene oorzaken hadden de ongelukkige Martha er toe gebracht,

aan zulk eene samenzwering te gelooven. Bij voorbeeld, toen zij

eens op een morgen Pips bed wilde gaan opmaken was de helft van het

beddegoed verdwenen. De witte sprei was netjes over de matras gelegd,

maar er was niets te bekennen van dekens, lakens of kussens. Zij zocht

op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen, ondervraagde de kinderen,

wendde zich zelfs tot Esther, maar de vermiste voorwerpen werden

niet gevonden.

"Een man met een broek van geribd fluweel zwerft hier iederen avond

om het huis!" zeide Pip, terwijl hij weemoedig naar zijn ontredderd

bed keek. "Het zou mij niet verwonderen, als die daar iets mede te

maken had."

Welke veronderstelling alles behalve aangenaam voor Martha was,

aangezien de man met de broek van geribd fluweel haar vurigste en

uitverkoren aanbidder was.

Den volgenden dag verdween de waschkom uit Megs slaapkamer, en

daarop een stoel uit de kinderkamer, evenals een vloerkleedje,

om niet te spreken van zulke kleine voorwerpen als een trekpot,

een spirituslampje, kopjes en schotels, een halve ham, en een volle

trommel met gembernootjes.

Dit alles verdroot Martha, want de voorwerpen schenen te verdwijnen,

terwijl de kinderen in bed waren; en hoewel zij hen verdacht, en

hen voortdurend gade sloeg, kon zij geen duidelijk bewijs van hunne

schuld machtig worden, en evenmin de drijfveer ontdekken, die er hen

toe zou kunnen brengen, het een en ander weg te nemen.

En telkens als er weer iets kwijt was, vraagde Pip of de in geribd

fluweel gekleede jongeling den vorigen avond in den omtrek van het

huis gezien was. En daar dit altijd het geval was, kon Martha niets

anders doen, dan met een toornigen blik op haar plaaggeest, de kamer

uitstuiven.

Op zekeren avond was de kleine schaaktafel uit de kinderkamer door

eene geheimzinnige macht weggetooverd.

Den volgenden morgen, toen Martha aan het vegen was, kwam Pip naar

haar toe, en deed, alsof hij in tranen zwom.

""Hoe lieflijk is het nederig viooltje!"" zeide hij met gebroken

stem. "Ach, Martha, Martha! nu eerst, nu je dagen bij ons geteld zijn,

zien wij in, welk een schat wij in je bezitten!"

"Ach, ga heen!" zeide zij, en sloeg naar hem met den steel van den

stoffer. "Ik denk er niet aan, heen te gaan, hoor! Als ik er niet meer

was, zouden jelui heelemaal uit den band springen. Neen, je bent nog

niet zoo gauw van Martha Tomlinson af!"

"Maar moet je dan niet naar hem toe gaan, Martha?" zeide hij

vriendelijk. "De inrichting van zijn huis moet nu wel nagenoeg compleet

zijn. Hij heeft wel is waar nog geen sauspan en geen strijkijzers, maar

overigens dan ook alles, Martha; en ik wil je nu ook wel vertellen,

dat ik van plan ben, je als huwelijksgeschenk een strijkijzer cadeau

te doen, dus behoef je niet te wachten, tot hij het is komen halen."

"Ga de kamer uit!" zeide Martha nog eens, terwijl zij den veger in

zijn gezicht duwde, en hem bijna in het stof deed stikken. "Je weet

van dwaasheid niet wat je zegt!"

Op den zolder in het gebouwtje ging alles naar wensch.

Zeven kleine Australiërs · 第 6 / 12 段