In den tuin was de grond wit van de afgevallen rozenbladeren, en de

lucht vervuld met hunne laatste geuren; lang, slank pampasgras teekende

zich met sierlijke lijnen tegen de lucht af; eenige inlandsche boomen,

die tusschen de gekweekte heesters waren blijven staan, strekten

zilverwitte armen omhoog naar de maan, en maakten een spookachtigen

indruk op het voortsnellende meisje. Zij vloog het hek uit en naar

het eerste grasveld, waarheen de rozengeur niet meer kwam, en waar

alleen eene scherpe hooilucht in de stille atmosfeer zweefde. Zij zag

meer gomboomen, en meer witte spookachtige armen; opeens bewoog zich

iets bij het hek, eenige zacht gefluisterde woorden werden geuit,

en Meg stootte vol schrik een kreet uit.

"Hier is de c-c-c-catapult, Meg! neem haar maar!" zeide Bunby, met

een bleek en treurig gezicht.

"Akelige jongen! wat kom je hier doen?" zeide Meg boos, zoodra zij

van haar schrik bekomen was.

"Ik wilde je alleen maar een genoegen doen, M-M-Meggie!" zeide de

kleine jongen droevig snikkend.

Hij had zijne beide armen om haar middel geslagen, en begroef zijn

neus in hare wit mousselinen japon. Zij schudde hem haastig van zich.

"Goed, goed; dank je!" zeide zij. "Ga nu naar huis, Bunby! Ik wilde

in den maneschijn alleen eene wandeling maken."

Hij stopte zijne vingers zoo diep in zijne oogen als maar eenigszins

mogelijk was, opende zijn mond, en zijne onderlip trok hij al lager

en lager naar beneden.

"Ik--ik heb je iets verteld, wat--wat niet waar is!" zeide hij

schreiend, en heen en weer wiegelend waar hij stond.

"Zoo? Nu, het is goed! Ga nu maar naar huis!" zeide zij ongeduldig. "Je

vertelt altijd onwaarheden, Bunby, dus ben ik volstrekt niet

verwonderd. Kom, ga nu!"

"M-maar ik moet je er a-alles van zeggen!" zeide hij, nog altijd

bezig zijne oogen in zijn hoofd te drukken.

"Het is niet noodig! Voor dezen keer zal ik je vergeven!" zeide zij

grootmoedig, "maar je moogt het niet meer doen. Ga nu maar gauw naar

huis, of anders kom je niet klaar met je werk, en dan straft miss

Marsh je."

Zijne oogen kwamen weer op hun gewone plaats terug, en zoo ook zijne

handen. Met een volkomen verlicht hart ging hij naar huis. Toen hij

een paar stappen geloopen had, kwam hij terug.

"Ben je erg gesteld op de catapult, Meg?" zeide hij vleiend. "Je bent

maar een meisje, en dus denk ik, dat je er niet veel aan zult hebben!"

"Neen, ik heb er niets aan. Hier, daar heb je haar, en denk aan je

werk!" antwoordde Meg, ongeduldig nu hij zoo treuzelde.

En Bunby, buitengewoon gelukkig, wendde zich voor de tweede maal van

haar af en liep vroolijk heen.

In wilde haast, bevende, snelde Meg door de twee nog overige

grasvelden.

In het struikgewas aan het einde was alles stil; er was geen geritsel,

geen geluid van eene stem, en ook weerklonk niet het geaffecteerde

lachje, dat gewoonlijk Aldith's aanwezigheid aankondigde.

Meg bleef ademloos staan en gluurde door de takken; eene lange gestalte

leunde tegen het hek.

"Andrew!" riep zij met gedempte stem, en vergat in haar angst, dat

zij hem nooit bij den naam noemde. "Waar zijn de anderen? Is Aldith

niet gekomen?"

Zij rook een sigaar, en dichterbij komende, zag zij tot haar

doodelijken schrik dat het Alan was.

"O!" riep zij op onbeschrijfelijken toon.

Haar hart bonsde van schrik en schaamte, en scheen toen stil te staan.

Zij zag hem aan alsof zij hem smeekte niet al te slechte gedachten

van haar te koesteren, maar zijn gelaat vertoonde de uitdrukking

van minachting, die zij begonnen was zoo te vreezen, en zijne lippen

krulden zich tot een fijnen glimlach.

"Ik--ik wilde alleen maar even eene wandeling maken; het is zulk een

mooien avond!" zeide zij, met een akelig gevoel van machteloosheid,

en toen als om zich te rechtvaardigen, voegde zij er bij: "en dan,

het zijn de weiden van mijn vader!"

Hij bleef tegen het hek leunen, en keek op haar neer.

"Flossie gaf mij uw briefje, en omdat het voor mij bestemd scheen, en

zij mij buitendien zeide, dat het voor mij was, maakte ik het open,"

sprak hij.

"U wist, dat het voor Andrew was!" zeide zij, maar zij keek hem

niet aan.

"Dat vermoedde ik, toen ik het gelezen had," antwoordde hij langzaam;

"maar Andrew is van avond nog niet thuis geweest, en dus kwam ik in

zijne plaats, het is hetzelfde, als het maar een jongen is, nietwaar?"

Het meisje gaf niets ten antwoord, maar hief hare hand op, en trok

het doekje dichter om haar hoofd.

Zijne lippen krulden zich iets meer.

"En hoe men kust weet ik ook, dat verzeker ik u ... Waarschijnlijk had

u dat van mij niet verwacht! O ja, ik weet wel, dat u gezegd heeft,

dat u niet gekust wilde worden, maar dat zeggen de meisjes altijd,

nietwaar?--zelfs wanneer zij het anders meenen."

Altijd sprak Meg nog niet, en de kalme, onbarmhartige stem vervolgde:

"Ik vrees, dat het nog wel niet donker genoeg voor u is. De maan is

al heel vervelend, vindt u ook niet? Maar, we kunnen misschien een

eindje verder nog wel eene donkerder plek vinden, en dan kan ik u

zonder gevaar zoenen. Nu? is u altijd zoo stil met Andrew?"

"O, spreek niet zoo!" zeide Meg met smeekende stem.

Dadelijk liet hij den spottenden toon varen.

"Miss Meg, u leek vroeger zulk een flink, aardig meisje," zeide hij

bedaard, "waarom laat u zich bederven door die afschuwelijke Aldith

MacCarthy, want zij is afschuwelijk, hoewel u er misschien niet zoo

over denkt."

Meg sprak niet, en bewoog zich niet, en hij vervolgde met een

vriendelijken ernst, waartoe zij hem niet in staat had geacht.

"Ik heb haar op de boot gade geslagen, en gezien hoe zij u systematisch

bedierf, en ik kon niet nalaten te denken, hoe jammer dat is. Ik heb

mij voorgesteld wat ik zou voelen, wanneer mijn klein zusje Flossie

ooit in de handen van zulk een meisje viel, en begon te coquetteeren

en zich dwaas aan te stellen, en ik dacht er toen ook aan, of u het

mij zou kwalijk nemen, als ik er met u over sprak. Is u zeer boos op

mij, Miss Meg?"

Maar Meg leunde het hoofd tegen het ruwe hek, en begon te

snikken--kleine, droge, innig droevige snikken, die tot het gevoelige

hart van den jongeling spraken.

"Ik had niet zoo moeten spreken, als ik in het begin deed--ik ben een

lomperd geweest," zeide hij vol berouw, "vergeef het mij, wil u? och,

doe het, Miss Meg, ik zou liever mijne hand afhouwen, dan u werkelijk

pijn doen!"

Dit laatste was ten minste een kleine troost, en Meg hief eene halve

seconde lang het hoofd op; wit en ernstig was haar gelaat in het

maanlicht, en nat van tranen.

"Ik--ik--o! ik ben heusch niet zoo slecht als u denkt," zeide

zij deemoedig; "ik wilde in het geheel niet gaarne deze wandeling

maken, en o! heusch, heusch, heusch, ik zou niemand toestaan mij te

zoenen. Geloof het toch!"

"Ik geloof u, ik geloof u werkelijk," zeide hij met overtuiging;

"ik heb het alleen gezegd, omdat--wel, omdat ik een groote, ruwe

lomperd ben, en niet weet hoe ik met een teer, zacht meisje moet

spreken. Lieve Miss Meg, geef mij uwe hand en zeg mij, dat u mijne

onbesuistheid vergeeft."

Meg strekte eene kleine, witte hand uit, en hij drukte deze met

warmte. Toen liepen zij samen door de grasvelden, en scheidden bij

een gebroken hek, dat toegang gaf tot den tuin.

"Ik zal nooit meer coquetteeren zoolang als ik leef!" zeide zij met

grooten ernst, toen hij afscheid van haar nam; en hij antwoordde

bemoedigend:

"Ik ben er van overtuigd, dat u het niet zal doen--dat is iets voor

meisjes als Aldith! U moest alleen maar daarop gewezen worden. Vaarwel,

Miss Meg!"

HOOFDSTUK IX.

GEVOLGEN.

"Hoe kwam het toch, dat gij dit deedt?

Berouw komt spoedig, zoo ge weet!"

Maar Megs moeielijkheden waren nog niet ten einde. Toen zij het

huis binnentrad, kwam Nell in de vestibule op haar toe geloopen,

en staarde haar aan.

"Waar ben je toch geweest?" zeide zij, en hare ronde oogen waren een

en al verbazing. "Ik heb je overal gezocht."

"Waarom?" vraagde Meg kort.

"Dokter Gormeston en Mevrouw Gormeston en twee dames Gormeston zijn

in het salon, en ik geloof, dat ze heelemaal niet meer weg gaan."

"Nu?" zeide Meg.

"En de Generaal is weer ziek, en Esther zegt, dat zij hem voor niets

en voor niemand eene seconde alleen wil laten."

"Nu?" zeide Meg nog eens.

"En vader is zoo kwaad als hij maar zijn kan, en hij moet ze allen

bezig houden. Hij heeft: "Mijn eerste liefde" en "Mona" gezongen,

en hij heeft hun alles van zijne paarden verteld, en nu denk ik,

dat hij niet weet, wat met hen te beginnen!"

"Nu, daar kan ik niets aan doen," zeide Meg met moede stem, en alsof

wat Nellie zeide, haar in het geheel niet aanging.

"Dat zal dan toch wel dienen!" riep Nell scherp. "Ik heb gedaan wat

ik kon, hij heeft om de meisjes gezonden, en omdat jij er immers niet

was, waren er alleen Baby en ik."

"En wat hebben jelui gedaan?" vraagde Meg, nieuwsgierig tegen wil

en dank.

"O, Baby heeft met de eene juffrouw Gormeston zitten praten, en zij

vraagden mij, iets op de piano te spelen," sprak zij, "en dus heb

ik mijn nieuwe stukje gespeeld. Toen ik er mede klaar was, merkte

ik eerst dat er twee kruisen aan den sleutel staan," voegde zij er

treurig bij. "En toen heeft Baby aan mevrouw Gormeston verteld hoe

Judy den Generaal in de kazerne heeft gelaten, en hoe zij daarom naar

de kostschool gezonden is, en van den groenen kikvorsch, dien Bunby

haar gegeven heeft, en toen zeide vader, dat wij maar liever naar

bed moesten gaan, en vraagde, wanneer jij nu toch eindelijk kwaamt."

"Ik ga, ik ga!" zeide Meg haastig, "hij zal er morgen vreeselijk

woedend om zijn. En, Nell, ga Martha zeggen, dat zij over een half

uurtje wijn en koekjes binnen brengt."

Zij wierp haar shawltje af, bracht vlug het haar in orde, en keek

in den spiegel der vestibule of de nachtwind de sporen harer tranen

had weggevaagd.

Toen ging zij het salon binnen, waar haar vader stond, met een hoogrood

en ongelukkig gezicht zijn best doende om vier gasten te amuseeren,

die tot het soort, gewoonlijk bekend als "zwaar op de hand," behoorden.

"Speel eens iets, Meg!" zeide hij, toen de begroeting was afgeloopen,

en allen in een diep zwijgen dreigden te vervallen; "of zing eens,

dat is nog beter,--heb je niet iets om te zingen?"

Nu had Meg eigenlijk eene aangename, frissche, niet zeer sterke stem,

naar welke men wel met genoegen kon luisteren, maar dien avond was

zij vermoeid en opgewonden en treurig. Zij koos een eenvoudig lied

en zong dikwijls valsch en zonder de minste uitdrukking.

Zij wist, dat haar vader, zoolang haar gezang duurde, op heete kolen

stond, en dat hare fouten hem doodelijk ergerden, en toen het lied

geëindigd was, begon zij, liever dan zich om te keeren, en allen aan

te moeten zien, Kowalski's Marche Hongroise te spelen. Maar de toetsen

schenen naar haar toe te komen en hare handen te willen grijpen, en de

piano scheen te wankelen en verontrustend heen en weer te schuiven;

zij liet een afschuwelijken dissonant hooren, toen zij, om zich vast

te houden, naar den muzieklessenaar greep, en gleed een oogenblik

later van den stoel en viel flauw, juist in Dr. Gormeston's armen,

die gelukkig bij tijds uitgestrekt werden.

Opgewonden, overprikkeld als zij was, had de drukkende warmte van

het salon haar bevangen.

Kapitein Woolcot was buitengewoon geschokt door dit voorval; met geen

enkele van zijne kinderen was ooit te voren zoo iets gebeurd, en toen

Meg op de sofa lag, en haar blond hoofdje tegen de roode kussens

steunde, terwijl haar gelaat zoo bleek en zielloos was, geleek zij

wonderlijk veel op hare moeder, die hij nu vier jaren geleden naar

het kerkhof gebracht had. Hij ging naar den filter om een glas water

te halen, en, terwijl het vocht uit de kraan liep, dacht hij er dof

en werktuigelijk over na, of zijne kleine gestorven vrouw misschien

ook dacht, dat hij te snel had gehandeld, toen hij Esther tot hare

opvolgster koos. En daarop, terwijl hij naast de sofa stond, en naar

dat gelaat keek, dat zooveel had van dat eener doode, dacht hij met

eene koude huivering, of Meg ook zou sterven, en wanneer dit gebeurde,

of zij dan die zelfde kleine vrouw zou kunnen zeggen, dat Esther aan

zijne zijde meer liefde ondervond dan haar deel was geweest.

Zijn gepeins werd afgebroken door de scherpe, verbaasde stem van den

dokter. Hij sprak met Esther, die haastig was geroepen, en die Megs

taille had helpen openhaken.

"Het meisje heeft zich veel te veel geregen!" zeide hij. "Dat moet u

toch ook opgemerkt hebben, mevrouw! Wanneer die drukking altijd even

sterk is geweest, dan was die alleen al genoeg, om haar half dood te

maken. Eene flauwte!--het verbaast mij, dat haar zoo iets niet eerder

overkomen is!"

Eene wolk trok over Esther's liefelijk, nu zoo bezorgd gelaat--nog

eens was zij in het uitoefenen harer taak te kort geschoten. Haar

echtgenoot keek haar met een duisteren blik aan, terwijl hij bij de

sofa stond, waarop de jonge gestalte in hare verkreukte mousselinen

japon lag, en haar hart zeide haar, dat zij niet als eene moeder voor

deze kinderen zorgde.

Later, toen Meg te bed lag en alles meer tot kalmte was gekomen,

zocht zij bijna schuchter haar echtgenoot op.

"Ik ben eerst twintig, Jack! Wees niet hard!" zeide zij met een

snik. "Ik kan niet geheel voor hen zijn, wat zij voor hen was, is

het wel zoo?"

Hij kust het jonge, schoone hoofd dat tegen zijn schouder lag, en

sprak een paar teedere woorden tot haar. Maar telkens en telkens weer

stond hem dien nacht Megs wit, onbeweeglijk gelaat voor den geest,

zooals het op de roode kussens gelegen had, en hij wist, dat de wind,

die de gordijnen voor het venster bewoog, enkele minuten geleden met

het lange gras op het kerkhof gespeeld had.

HOOFDSTUK X.

BUNBY ALS HELD.

Het was weer eens uitgekomen, dat Bunby een geheel weefsel van

onwaarheden had verteld. Het was ditmaal een ernstig geval, en hij

gevoelde zich naar verhouding ongelukkig. Iedereen was uit behalve Meg,

die nog te bed lag na haar aanval van bewusteloosheid, en hij was op

een der grasvelden eenzaam een spelletje cricket gaan spelen. Maar

zelfs niettegenstaande een spiksplinternieuwen cricketbal kan dit

spel na een poosje alle bekoorlijkheid verliezen, wanneer men geheel

alleen voor alles staat. Dus bracht hij weldra zijn bal naar den tuin,

en begon op goed geluk met den bal te gooien, terwijl hij er over

mijmerde, wat hij zou beginnen. Het paard van zijn vader stond aan

het andere einde van het grasveld, en loom en zonder na te denken

ging Bunby naar dien kant en wierp toen zijn bal rakelings over den

grond naar het dier toe om het "eens op te laten springen." Niets

lag verder van hem af dan de gedachte, het dier te willen kwetsen,

en toen de bal tegen den poot van het paard sloeg, en het hinkend

weg liep, vloog hij naar hem toe, bleek en vol angst. Aan de manier,

waarop het arme dier den poot hield opgetrokken, en trilde, wanneer hij

het aanraakte, kon hij merken, dat hij het ernstig bezeerd had. Een

doodelijke schrik greep hem aan, en hij liep haastig weg, vervuld

met zijne gewone gedachte, van zich ergens te willen verbergen. Maar

tot zijne hevige ontsteltenis zag hij, toen hij het grasveld reeds

half achter zich had, zijn vader met een kameraad door de poort van

het tuinhek komen en langzaam in de richting van het paard, dat zeer

kostbaar en fraai was, voortloopen.

Vol berouw over wat hij gedaan had, verborg hij den cricketbal voor in

zijn matrozenbuisje, en nadat hij zich plotseling op zijne knieën had

laten vallen, begon hij met grooten ijver te knikkeren. Zijn bevende

duim had ongeveer een dozijn knikkers her- en derwaarts gestuurd,

toen hij luide zijn naam hoorde roepen.

Hij stond op, klopte het stof van zijne trillende beenen, en ging

langzaam naar zijn vader.

"Ga Pat zeggen, dat hij dadelijk hier moet komen!" zeide

de kapitein. Hij hield den poot van het paard in zijne hand en

onderzocht dezen vol angst. "Als hij er niet is, zend Pip dan. Ik

kan niet begrijpen, hoe het gekomen is--weet jij er iets van, Bunby?"

"Wel neen, natuurlijk niet! Ik heb--niets gedaan!" antwoordde Bunby

klappertandend, maar zijn vader was te afgetrokken om de duidelijke

kenteekenen van zijne schuld op te merken, en zeide hem dadelijk heen

te gaan.

Dus ging hij naar den stal, en zond Pat naar zijn vader.

En toen sloop hij het huis binnen, kaapte twee appels en een cake

uit de eetkamer, en ging weer heen om diep wanhopig te zijn tot het

oogenblik, waarop hij zou biechten.

Hij kroop naar een leeg staand gebouwtje niet ver van het woonhuis

gelegen; in vroegeren tijd was dit een stal geweest, en het had twee

verdiepingen, waarvan de bovenste alleen bereikt kon worden door middel

van een ladder, die zich in een toestand van groot verval bevond. Bunby

klauterde naar boven, zette zich innig bedroefd op een bos stroo neer,

en begon peinzend op een der appels te bijten.

Wanneer er ooit een kleine jongen eene verstandige, liefhebbende moeder

noodig had, dan was het wel dit ventje met zijn bemorst gezicht en

zijn bezwaard hart, dat met zijn hoofd tegen een balk vol spinrag zat

en neerslachtig mompelde: "Ik kan het niet helpen! Het was de schuld

van het paard!"

Hij meende iets te hooren bewegen op den tweeden zolder, welke

door een laag beschot van dien, waarop hij zat, gescheiden

was. "Kischt--kischt, maakt dat je wegkomt!" riep hij, denkende,

dat er ratten waren. Verscheiden malen stampte hij met zijne zware

laarzen op den vloer.

"Kischt!" riep hij nog eens.

"Bunby!"

Het kind werd tot in de lippen bleek. Zijn naam, die daar zoo

vreemd en zacht gefluisterd werd, dat geritsel zoo dicht in zijne

nabijheid--o! wat zou dat beduiden!

"Bunby!"

Nog eens weerklonk zijn naam. Ditmaal luider, maar de stem, die

hem uitsprak, was vermoeid, en de klank er van deed hem zonderling

aan. Het geritsel werd hoorbaarder, er gleed iets over het beschot,

liep over den vloer, en kwam naar hem toe. Hij snikte van angst en

wierp zich plat op den grond, en verborg zijn gezicht, waaruit alle

kleur geweken was, in het stroo.

"Bunby!" zeide de stem nog eens, en eene hand raakte even zijn arm aan.

"Help me--help me!" gilde hij. "Meg--vader--Esther!"

Maar op zijn mond werd haastig eene hand gelegd, en eene andere trok

hem omhoog.

Hij had zijne oogen zeer vast gesloten, om den geest niet te zien, die,

zooals hij wist, gekomen was om hem voor zijne zonden te straffen. Maar

iets dwong hem, ze te openen, en toen--kon hij ze van verbazing niet

weer sluiten.

Want het was Judy, die hare hand op zijn mond had gelegd, en Judy,

die naast hem stond.

"Groote hemel!" zeide hij, vol innige verwondering. Hij staarde haar

aan om zich te overtuigen, dat zij werkelijk van vleesch en bloed

was. "Hoe kom jij hier?"

Maar Judy gaf geen antwoord. Zij nam eenvoudig den appel, die nog

over was, en den cake uit zijne hand en, nadat zij was gaan zitten,

at zij deze zwijgend op.

"Heb je niets anders?" vraagde zij angstig.

Toen merkte hij eerst op hoe mager zij was, en hoe slecht zij er

uit zag. Hare kleederen hingen bijna in flarden om haar lichaam,

hare laarzen waren gescheurd en wit van het stof, haar bruin gezicht

was ingevallen en toonde scherpe lijnen, en haar haar was dof en hing

woest in vlokken om haar hoofd.

"Groote hemel!" zeide Bunby nog eens, en zijne oogen schenen uit zijn

hoofd te zullen rollen--"groote hemel, Judy, wat heb je uitgevoerd?"

"Ik--ik ben weggeloopen, Bunby!" zeide Judy met trillende stem. "Ik

heb den geheelen weg, van de school tot hier, te voet afgelegd. Ik

had zulk een verlangen naar jelui allen!"

"Wel heb ik van mijn leven!" zeide Bunby.

"Ik heb eerst alles goed overlegd," vervolgde Judy, terwijl zij met

eene loome beweging, het haar naar achteren streek. "Ik kan mij nu

niet alles herinneren, ik ben zoo moede, maar alles zal in orde komen."

"Maar wat zal hij zeggen?" riep Bunby met verschrikte oogen, want

hij had aan zijn vader gedacht.

"Hij zal er natuurlijk niets van te weten komen," antwoordde Judy op

een toon, alsof zij vond, dat dit van zelf sprak. "Ik zal hier op dezen

zolder een tijdje wonen, en jelui kunt mij hier allen komen bezoeken

en mij eten en allerlei brengen, en dan zal ik weer terug gaan naar

school." Zij zonk achterover in het stroo en sloot gedurende een paar

minuten uitgeput hare oogen; Bunby kon de oogen niet van haar afwenden.

"Hoe ver is het van je school tot hier?" zeide hij eindelijk.

"Zeven en zeventig mijlen." Judy trilde terwijl zij sprak. "Van Lawson

tot Springwood heb ik in een goederentrein gezeten, en een klein

eind heb ik ook nog in een kar afgelegd, maar overigens heb ik alles

geloopen. Ik ben bijna eene week onderweg geweest," voegde zij er na

een oogenblik zwijgens bij, en sloot toen weer voor geruimen tijd de

oogen. Een paar tranen, die zij uit zwakte en uit medelijden met zich

zelve schreide, drongen tusschen hare zwarte wimpers door en lieten

een smal, helder spoor op hare wangen na. Bunby voelde, hoe zijn keel

dichtgenepen werd bij dit gezicht, zoo lang hij zich kon herinneren,

had hij Judy nooit zien schreien. Hij liefkoosde hare magere hand,

hij wreef zijn hoofd tegen haar schouder en zeide: "Houd je goed,

houd je goed!" met min of meer onvaste stem.

Maar dit maakte, dat een half dozijn groote, zware druppels tusschen

de gesloten oogleden doorstroomden, en Judy draaide zich om, en legde

zich voorover om hare tranen te verbergen. Toen richtte zij zich in

eene zittende houding op, en begon werkelijk te lachen.

"Als nu de dames Burton mij eens konden zien!" zeide zij. "O, ik

heb alles zoo slim bedisseld; zij denken, dat ik veertien dagen te

logeeren ben in Katoomba--o Bunby, je moest de krullen eens kunnen

zien, die Miss Marian tegen haar wangen geplakt draagt!" Zij zweeg,

lachte zenuwachtig opgewonden, en begon toen te hoesten, tot de tranen

weer in hare oogen kwamen.

"Ga gauw iets voor mij halen om te eten," zeide zij wrevelig, toen

zij weer op adem kwam, "je kondt ook wel eens bedenken, dat ik sedert

gisteren morgen niet gegeten heb; maar, je hebt altijd alleen aan je

zelven gedacht, Bunby!"

Hij stond op en maakte zich gereed heen te gaan, alles in de grootste

haast. "Wat wil je hebben? Wat zal ik halen?" zeide hij, en een been

stond reeds op de bovenste trede.

"Alles is goed, als het maar veel is," zeide zij,--"het komt er niet

op aan, wat het is! Ik geloof, dat ik dit stroo zou kunnen eten,

en de balken zou kunnen stukbijten alsof ze van beschuit waren. Het

heeft mij werkelijk moeite gekost, niet met jou te beginnen, Bunby! Je

bent zoo dik, dat er aan jou menig goed kluifje moet zijn!"

In hare oogen tintelde de oude levenslust, maar zij begon opnieuw te

hoesten, en toen de hoestbui bedaard was, lag zij uitgeput neer.

"Roep een van de anderen!" riep zij met zwakke stem, toen zijn hoofd

verdween. "Jij alleen bent niet van groot nut!"

Zijn hoofd dook weer een oogenblik op, en hij beproefde met een

glimlach het leed, dat hare woorden hem veroorzaakten, te verzetten,

want juist op dat oogenblik zou hij zonder een zucht te slaken voor

haar gestorven zijn.

"Het spijt mij erg voor je, Judy!" zeide hij vriendelijk, "maar alle

anderen zijn uit. Kan ik je niet helpen? Ik zal alles graag voor je

doen, Judy!"

Judy lette niet op het zachte gesnuif, dat de laatste woorden

vergezelden, en keerde haar gelaat naar den muur.

Weer rolden twee groote tranen langs hare wangen.

"Hadden zij nu niet thuis kunnen blijven?" zeide zij met een

snik. "Konden zij nu niet begrijpen dat ik mijn best zou doen, om

terug te komen. Waar zijn zij?"

"Pip is gaan visschen," antwoordde hij, "en Nell draagt de mand voor

hem. En Baby is bij de Courtney's, en Esther is met den Generaal naar

de stad gegaan. En Meg ligt ziek te bed, omdat zij gisterenavond te

stijf geregen was en flauw gevallen is."

"Zij zullen mij wel geen oogenblik gemist hebben!" was hare bittere

gedachte, toen zij hoorde, hoe alles zijn gewonen gang ging, terwijl

zij zooveel doorgemaakt had, alleen om hen allen te zien.

Toen kwam weer dat gevoel van zwakte terug, en zij sloot hare oogen

en lag volkomen stil, tijd, plaats en honger vergetende.

Bunby spoedde zich met gevleugelden tred over het grasveld; het

gezicht van zijn vader, die bij den stal stond, veroorzaakte hem een

plotselingen schrik, en deed hem aan zijne eigen zorgen denken, maar

deze gedachten zette hij van zich af, en vloog verder. De deur van de

provisiekamer was gesloten. Martha, de keukenmeid, zorgde er wel voor,

dat dit meestal het geval was, wegens zijne eigen zondige voorliefde

voor hare taarten en gebakken; alleen door middel eener krijgslist

zou hij er in kunnen komen, dit moest hij, tot zijn spijt, zelf inzien.

Maar Judy's honger! Geen eten gehad te hebben sedert gisteren morgen!

Hij herinnerde zich, zelfs nu nog met eene aandoening van pijn, het

afschuwelijke gevoel dat hij de vorige week gehad had, toen hij voor

straf zonder thee naar bed was gestuurd. Hij sloot de lippen vast

op elkander en zijne oogen straalden van de geestdrift, waarmede een

heldhaftig besluit hem bezielde.

Zeven kleine Australiërs · 第 5 / 12 段