slaapkamer door, die nu, sedert Judy's vertrek, van haar alleen was. In
de eenzaamheid garneerde zij hare hoeden en veranderde ze telkens
weer, vermaakte zij hare japonnen, las zij hare novellen, en zat met
hangende haren voor haar spiegel, peinzende over den tijd, waarin zij
"groot" zou zijn en een man haar hart zou geschonken hebben. Want
haar en Aldith scheen alleen deze periode van het leven liefelijk
en begeerlijk. Meg vlijde zich gaarne in een grooten leunstoel, die
naar hare kamer was verbannen, omdat de veeren gesprongen waren, en
droomde dan lang schoone, ijdele droomen van een minnaar met "lange
zwarte wimpers en eene militaire houding". Natuurlijk was het hoogst
laakbaar op haar teederen leeftijd van zestien jaren zulke gedachten te
hebben, maar dan moeten wij bedenken, dat het meisje geene moeder had,
die deze verdoolde phantasie weer op het goede pad had kunnen brengen,
en dat zij eene dochter van het Zuiden was.
Australische meisjes beginnen bijna altijd veel eerder over "vrijages
en zulken onzin", zooals ouderwetsche menschen zeggen, te denken,
dan hare Engelsche zusters. Terwijl zij nog in de korte-jurken-periode
zijn, en terwijl haar haar nog los op haar rug hangt, stellen zij de
levendigste belangstelling in jongens van de naburige scholen, broers
van andere meisjes, jonge klerken, en dergelijken. Niet omdat zij
goede speelkameraden zouden kunnen zijn, maar omdat zij hen beschouwen
in het licht van mogelijke aanstaande "hartsvrienden". Ik zeg niet,
dat Engelsche meisjes nooit aan zulke dingen denken. Volstrekt niet;
in iedere school zullen er wel een of twee dwaze, giggelende jonge
schepseltjes met soortgelijke neigingen te vinden zijn, die met een
pak klappen weer naar haar cricket en hare poppen toe moesten gezonden
worden. Maar in dit land der jeugd is het meer regel dan uitzondering,
en dit is de grootste fout van het zeer jonge Australische meisje. Zij
is als eene perzik, eene mooie, gave perzik, die bijna in één dag tot
rijpheid is gekomen, en die haast heeft het teedere waas te vernielen
dat haar grootste bekoorlijkheid is, alleen om hare schitterende, warme
kleur duidelijker te doen uitkomen. Aldith had, tot hare voldoening,
haar eigen "waas" weggewreven, en was op het oogenblik druk bezig
dat van Meg te doen verdwijnen, dat zeer zacht en liefelijk was,
voor zij er aan raakte. De novellen hadden iets weggenomen en het
"Block" nog iets meer, maar zij was van nature verstandig, en het
duurde lang, eer men aan haar eene verandering kon bespeuren. En
nu, onder voogdijschap harer vriendin, was zij binnengeleid in de
verrukkelijke geheimen der liefdesavonturen, en voorloopig vervulde
de gedachten daaraan haar eenigszins doelloos jong leven. Maar dit
alles eindigde met eene gebeurtenis, welker herinnering haar nog
jaren daarna een pijnlijken blos op de wangen jaagde.
Na de Fransche les, die zij, als ik reeds vertelde, tweemaal in de
week namen, kwamen de vriendinnen gewoonlijk met de boot van vijf uur
terug. En op deze boot waren ook altijd twee jonge lui, die den naam
Courtney droegen, en een derde jonge man, Aldith's bijzonder eigendom,
James Graham. Nu was het jonge volkje met elkaar in kennis gekomen op
picnics en dergelijke feestjes in den omtrek, maar deze kennismaking,
in plaats van, nu zij elkaar meermalen ontmoetten, te rijpen tot
eene hartelijke, aangename vriendschap, had aanleiding gegeven tot
flauwe geheimzinnigheden en eene aanstellerige verliefdheid. James
Graham, zeventien jaar oud, was werkzaam op het kantoor van een
advocaat, en scheen weinig haast te hebben zich tot een flinken
man te ontwikkelen. Hij droeg een stok, en was zeer gesteld op een
keurigen hoed en een hoog boord en mooie laarzen, die gewoonlijk
van bruin leder waren. En hij bezat een knevel, zoo dun, als men er
zich maar een kan verbeelden, dien hij met groote zorg behandelde,
en dien Aldith aanbiddelijk vond. Aldith's levendigheid en gevatheid
vielen in zijn smaak en binnen zeer korten tijd drukten zij elkander
heimelijk briefjes in de hand, en zuchtten daarbij sentimenteel. Niet
dat deze briefjes iets buitengewoons bevatten, zij waren gewoonlijk
tamelijk vormelijk.
"Hooggeachte Miss MacCarthy", luidde bijvoorbeeld een. "Waarom was u
gisteren niet op de boot? Ik keek naar u uit zoolang ik maar eenigszins
hopen kon, u nog te zien verschijnen, en moest toen een vervelenden
tocht op het water maken. Wat staat die groote hoed u allerliefst,
en die narcissen, die ge draagt, passen beeldig bij uwe japon. Zou
ik u om een dezer bloemen mogen verzoeken? geef er mij ééne, Aldith!
Met eerbiedige hoogachting
Uw vriend
James Graham."
En Aldith's antwoord, geschreven op een blaadje van haar notitieboekje
met een rose potloodje, afkomstig van een balboekje, en dat zij altijd
in hare beurs bij zich had, mocht den volgenden inhoud hebben:
"Waarde Mr. Graham,
Wat mag de reden zijn, dat ge de bloemen, die ik in mijne japon
gestoken had, verlangt te bezitten? Ik heb ze den geheelen dag
gedragen, en zij zijn verwelkt en slap. Ik kan mij niet verbeelden,
wat gij aan haar zoudt hebben. Maar, indien u werkelijk op haar gesteld
is, zal ik ze u natuurlijk geven. Ik ben zoo blijde, dat mijn hoed
u bevalt. Ik zal hem nu altijd gaarne dragen. Heeft u mij werkelijk
gisteren gemist? Ik liet mijn portret maken. Marguerite vindt, dat
het zeer goed lijkt, ik vind het werkelijk te geflatteerd.
Met een vriendelijken groet
L. Aldith Evelyn MacCarthy."
Een groote vriend van Mr. James Graham was een der reeds genoemde
Courtneys, en wel degene, dien men Andrew noemde. Hij was een knappe
jongen van achttien jaren, nog scholier, maar hij bezat hoogst
innemende manieren en een paar waarlijk mooie oogen.
En sedert zijn vriend en trouwe metgezel James begonnen was "zich
te interesseeren" voor "de kleine MacCarthy", bedankte hij er voor,
geheel buiten alles te staan. Dus begon hij op in het oog loopende
wijze werk te maken van Meg, die tot onder haar zacht, mooi ponyhaar
bloosde, iederen keer dat hij tot haar sprak, en met een pijnlijk
verlegen en schuldig gezicht voor zich keek, telkens als hij haar
iets vleiends zeide.
De andere jonge man, Alan Courtney, was zeer groot en breed van
schouders, maar zijn gezicht was volstrekt niet bijzonder fraai. De
uitdrukking van zijn gelaat was ernstig, zijne oogen waren grijs en
lagen diep in zijn hoofd, zijne bruine haren zagen er uit, alsof hij
ze gedurig den verkeerden kant op streek. Hij was student, speelde
uitstekend voetbal, en vermaakte zich op weg naar huis, nooit op de
manier van Andrew en diens vriend.
Hij gaf gewoonlijk een nauwelijks merkbaar knikje met het hoofd,
wanneer hij voorbij de kleine groep kwam, nam zijn hoed zoo weinig
mogelijk als met de voorschriften der beleefdheid in overeenstemming
te brengen was, af, en liep door naar het verst verwijderde gedeelte
der boot. Eens toen hij voorbij kwam, keek Aldith juist door hare
wimpers heen smachtend zijn broeder aan, en Meg was er bijna zeker
van dat zij hem bij zich zelf had hooren zeggen: "Belachelijke
zotten!" Hij zat gewoonlijk eenzaam op de boot te rooken--sigaren
bij het begin van de vaart, en tegen het einde haalde hij een kort,
zwart, onaanzienlijk pijpje voor den dag--en Meg dacht dan heimelijk,
dat hij er toch wel mannelijk uitzag, en dan zuchtte zij diep.
Want ik kan u nu even goed als later vertellen, wat er met dit dwaze,
kleine meisje gebeurd was, na enkele maanden den invloed van Aldith
en der novellen ondergaan te hebben. Zij was verliefd geworden, en
dit wel met eene innigheid zoo groot, als dit op den lieven leeftijd
van zestien jaar maar mogelijk is; en het was op Alan, die niet
vriendelijk keek, noch aangename manieren had--niet op Andrew, die
sprekende oogen bezat en lokken, die "zijn voorhoofd deden gelijken op
de rijzende zon," niet op Andrew, die haar teedere blikken toewierp,
en haar onder bedekte termen duizend maal verzekerde: "Aan u heb ik
mijn hart verloren," maar op Alan, die volstrekt geene notitie van
haar nam dan bij gelegenheid door eene half spotachtige buiging.
Arme Meg! Zij was zeer treurig in dezen tijd, en toch was het eene
soort van zoete treurigheid, die zij koesterde en voor uitdooven
bewaarde. Niemand vermoedde haar geheim. Zij zou liever gestorven
zijn, dan er zelfs tegenover Aldith iets van te laten doorschemeren,
en ontving Andrew's briefjes en glimlachjes alsof niets haar aangenamer
kon zijn. Maar zij werd mager, hare oogen schenen steeds grooter te
worden, en 's avonds schreef zij lange verhalen in haar dagboek, en
buitendien een snel aangroeiende verzameling gedichten, waarin "hart"
en "smart," "traan" en "staan," "zwerven" en "sterven," "zucht" en
"lucht" de meest voorkomende rijmwoorden waren. Zij verdroeg Andrew
om verschillende redenen. Ten eerste was hij de broer van Alan,
en vertelde altijd allerlei verhalen van "Al," en pochte hij op de
kranige figuur, die deze op het voetbalveld maakte; en dan zou Aldith
haar geheim kunnen raden, indien zij hem geheel afstootte. Buitendien
had Andrew de langste wimpers, die zij ooit gezien had, en zij moest
toch iemand hebben, die haar allerlei aangenaams zeide, ook al was
dit niet degene, van wien zij dit het liefst gehoord had.
Maar eens op een dag kwam er eene crisis.
"Geen tochtjes meer met onze lieve boot, eene geheele maand
lang!" sprak Aldith, van haar hoekje in de kajuit.
"Dat is verschrikkelijk! Wat bedoelt u, Miss MacCarthy?" zeide James
Graham, met overdreven wanhopige stem.
"Monsieur H. heeft de klasse eene maand vacantie gegeven. Hij gaat
naar Melbourne!" antwoordde Aldith met een zucht.
Meg zorgde plichtmatig voor de echo, en Andrew zeide woedend, dat
Monsieur H. het hangen niet waard was. Hij zou wel eens willen weten,
waarom hij zoo onmenschelijk handelde; en hoe moesten Jim en hij hun
leven in dien tusschentijd voortsleepen?"
James was degene, die dadelijk een middel wist, om het leed te
verzachten.
"Zouden wij met ons vieren niet eens 's avonds kunnen eraan
wandelen?" sloeg hij voor.
Aldith en Andrew vonden dit voorstel schitterend; en hoewel Meg eerst
vast besloten het hoofd geschud had, liet zij zich toch overhalen,
en beloofde mede te zullen gaan.
Zij zouden elkaar ontmoeten in een boschje, dat aan het verst
verwijderde grasveld van Misrule grensde, ongeveer een uur wandelen,
en tegen half acht terugkeeren, eer het donker werd.
"Ik zal je dien dag iets vragen, Meg!" fluisterde Andrew toen zij op
het punt waren, van elkander te scheiden. "Ik ben benieuwd of ik het
zal krijgen."
Meg bloosde, zenuwachtig en onrustig, en vroeg zich zelve af, of hij
haar om een haarlok zou verzoeken, iets, wat Jim reeds van Aldith
gekregen had.
"Wat?" zeide zij werktuigelijk.
"Een zoen!" fluisterde hij.
In het volgende oogenblik hadden de anderen zich bij hen gevoegd,
en het antwoord vol verontwaardiging, dat haar op de lippen zweefde,
bleef onuitgesproken. Zij moest hem zelfs hare hand geven, om het
te doen schijnen, alsof er niets gebeurd was, en oogenschijnlijk als
goede vrienden van elkander te gaan.
"Precies half zeven, Marguerite! Ik zou het je nooit vergeven, als
je niet kwaamt!" zeide Aldith, toen zij bij het hek afscheid namen.
"Ik--je--o Aldith! ik begrijp niet, hoe ik zal kunnen komen," stamelde
Meg, weer met hoogroode wangen. "Ik heb nog nooit zoo iets gedaan. Ik
ben er van overtuigd, dat het niet goed is."
Maar de minachtende trek om Aldith's mond maakte haar beschaamd over
zich zelve.
"Je bent geloof ik, twaalf jaar, Marguerite!" zeide deze jonge dame
kalm; "je bent waarlijk niet ouder dan twaalf jaar! Je deedt beter
met weer eene pop te nemen, en een prentenboekje met fabeltjes. Ik
zal Andrew vragen, om je een te koopen, en ook een stuk touw, om je
in je tafelstoel vast te binden."
Zulk een hoon was te veel voor Meg. Zij beloofde haastig en
onvoorwaardelijk op den bepaalden tijd aanwezig te zullen zijn, en
liep snel het voetpad op, om aan de roepstem der hard luidende bel
voor de thee gehoor te geven.
Gedurende de twee volgende dagen drukte haar geheim haar als een last
van schuld, en zij verlangde vurig naar eene vertrouwde, die haar zou
kunnen raden, hoe zij in deze netelige zaak moest handelen. Judy kon
zij daarvoor niet kiezen: deze was te eerlijk, te verstandig, en had
daarenboven te veel van een kind en een jongen--zij zou haar nooit
zoo iets durven vertellen. Zij kon zich den blik van verontwaarding
in de groote, heldere oogen harer zuster voorstellen, het schaterende
gelach, dat zulk een verhaal zou uitlokken, de vernietigende, handig
gekozen plagerijen, die zij trillende, zou moeten aanhooren. Ook
Esther niet--daar deze immers hare stiefmoeder was, kon Meg het juist
haar niet vertellen, en buitendien, in het mondje van den Generaal
verscheen langzamerhand eene dubbele rij witte paarltjes, zijne
gezondheid werd daardoor aangetast, en veroorzaakte zijne moeder te
veel zorg, om haar voor Meg's gedruktheid oogen te geven.
Toen de dag, waarop de wandeling zou plaats vinden, genaderd was,
had zij zich in een toestand van hevige opwinding gebracht.
Half zeven was de afgesproken tijd; zooals zij wist, was het dan
nog helder licht. Zij zag in, dat zij inderdaad niet mocht, niet
kon gaan. Veronderstel dat haar vader of Esther, eenige van hare
spotachtige jongere zusters of broeders, in de nabijheid zouden zijn
en de ontmoeting zien, of een der buren--zij zou de schande nooit
kunnen overleven! En toch, gaan moest zij, want anders zou Aldith
haar verachten. Buitendien had zij zich voorgenomen Andrew kalm
te zeggen, dat zij hem niet kon veroorloven tot haar te spreken,
als hij gedaan had. Na de laatste, verschrikkelijke, gefluisterde
woorden, vond zij het noodzakelijk, hem duidelijk te doen begrijpen,
dat zij zijn gedrag niet goed vond, en wel "zijne vriendin" wilde zijn,
maar ook niets anders.
Maar waarom hadden zij niet een uur gekozen als het reeds donkerder
zou zijn? zeide zij bij zich zelve: dan zou er geen gevaar bestaan van
gezien te worden; zij zou dan het huis uit kunnen sluipen zonder de
minste moeielijkheid, en door de grasvelden loopen, beschermd door de
schemering; terwijl, wanneer het nog licht was, en zij zou beproeven
ongemerkt weg te vluchten, ten minste twee of drie van de kinderen
achter haar aan zouden komen loopen en haar edelmoedig zouden aanbieden
"mede te gaan."
Ten laatste, te bang om, terwijl het nog dag was, te gaan, en ook niet
willende, dat Aldith boos op haar zou kunnen zijn, omdat zij in het
geheel niet gekomen was, deed zij in hare opwinding eene wanhopige
daad--iets zoo gewaagds, dat zij er langen tijd niet dan met afschuw
aan kon denken.
"Waarde Mr. Courtney,"--schreef zij, voor haar toilet zittende,
haastig met potlood--"het zou niet aardig zijn, om zoo vroeg te
wandelen. Laten wij later gaan, wanneer het geheel donker is. Het
zal dan veel prettiger zijn, want niemand zal ons dan kunnen zien. En
laten wij elkaar ontmoeten geheel aan het einde der grasvelden, waar
het boschje zeer dicht is, daar kan niets ons storen. Ik schrijf Aldith
ook tegen dien tijd te komen, en zij zal het Mr. Graham doen weten.
Geheel de uwe,
M. Woolcot.
P. S. Ik moet u uitdrukkelijk verzoeken, mij niet te kussen. Ik zou
werkelijk zeer boos zijn, wanneer u het deed. Ik houd daar niet van."
De laatste woorden schreef zij in zenuwachtige haast, want zij had
grooten angst, dat hij zijn woord zou houden, indien zij dit niet bij
de eerste de beste gelegenheid voorkwam. Toen deed zij het briefje
in eene enveloppe en schreef er het adres op, terwijl het zelfs geen
oogenblik bij haar was opgekomen, er iets vreemds of onbehoorlijks in
te vinden, dat een jong meisje er zoo op gesteld was, de ontmoeting
in het donker te doen plaats hebben.
Daarop schreef zij eenige woorden aan Aldith, en zeide haar er vast
op te rekenen, haar te half negen achter de grasvelden te vinden,
terwijl zij zelve weg zou sluipen, wanneer de kinderen naar bed gingen
en haar zeer waarschijnlijk niet zouden opmerken.
En toen ging zij naar den tuin om boden voor de twee briefjes
te zoeken. De kleine Flossie Courtney had den middag bij Nellie
doorgebracht, en Meg riep haar terug, juist toen zij het hek door
ging om naar huis te wandelen, en, zonder dat de kinderen het zagen,
vertrouwde zij haar het briefje toe.
"Geef dit aan je broer Andrew dadelijk als hij uit school
komt!" fluisterde zij, en stopte in hetzelfde oogenblik een groot
stuk chocolade in den mond van het kleine meisje. Bunby werd daarop
omgekocht, met eene belofte van dezelfde licht smeltende snoepernij,
om met het andere briefje naar Aldith te loopen, en Meg haalde weer
vrij adem, daar zij het dreigende gevaar op listige wijze meende
gekeerd te hebben.
Maar er scheen geen zegen op de briefjes te rusten!
Bunby overhandigde het zijne aan de meid van de familie MacCarthy,
en gaf op eene vraag van het dienstmeisje ten antwoord: "Ik zal wel op
antwoord moeten wachten, meisjes moeten er altijd een hebben op niets."
Aldith was aan hare kamer gebonden door eene plotselinge hevige
verkoudheid, en schreef hare vriendin een briefje, om haar mede te
deelen, dat zij te ziek was om uit te gaan, en aan Mr. Graham en
aan Mr. Courtney ook geschreven had, daar zij de wandeling eene week
wenschte uit te stellen.
Nu kwam dit briefje, in zijne lichtrose, driekante enveloppe, in
Bunby's zak terecht tusschen zijne knikkers en noten en touwtjes. En,
als wel te voorzien was, zag hij op den terugweg eenige kameraadjes,
met wie hij weldra aan den kant van den weg op zijne knieën zat
te knikkeren.
Hij verloor tien knikkers, en zijne allermooiste, roste een jongen
af, die zich onwettig in het bezit had gesteld van zijn meest geliefd
"bastje", kwam een uur later in treurige stemming thuis, en bespeurde
bij het hek dat hij Aldith's coquet briefje verloren had.
Nu had Meg hem acht chocoladen okkernoten bij zijne terugkomst beloofd,
en wanneer ons heertje eene zwakheid had, die zich meer deed gelden
dan de andere, dan was het zijne groote partijdigheid voor deze soort
van lekkernij, en, daar hij in weken geene enkele geproefd had, was
het geen wonder dat zijn hart bijna brak bij de gedachte, dat hij ze
door eigen schuld verbeurd had.
"Ik begrijp wel dat ze onuitstaanbaar genoeg zal zijn om te zeggen,
dat ik ze niet verdiend heb, alleen omdat ik het gekke briefje van
dat schepsel verloren heb," zeide hij, diep ongelukkig, tot zich
zelven, "en ik kan me wel denken, dat er niets anders in stond, dan:
"Liefste Marguerite, laten wij elkander altijd en altijd onze geheimen
vertellen"; dat heb ik haar tweemaal hooren zeggen, en dus zal zij
het nog wel eens schrijven." De verleiding greep hem aan, plotseling,
stormenderhand.
Bunby was van nature de meest gewetenlooze kleine leugenaar,
die ooit bestaan had, en alleen Judy's onkreukbare eerlijkheid en
nadrukkelijk uitgesproken verachting voor al wat onoprecht was,
hadden hem tamelijk betrouwbaar doen blijven. Maar Judy was mijlen
weg, en kon hem onmogelijk angstig maken door een blik vol innige
verstoordheid. Hij stond nu voor de deur der kinderkamer en draaide
met aarzelende vingers den deurknop om.
"Wat ben je lang weggebleven!" zeide Meg van de tafel, waar zij een
doos vol handschoenen zat te naaien. "Wat heeft zij gezegd?"
Juist naast haar elleboog stond de begeerlijke bonbonnière, waarin
de bruine, met fondant omgeven okkernoten lagen.
"Zij zeide: "Het is goed!"" sprak Bunby stuursch.
Meg telde de acht chocolaadjes in hare kleine, onreine hand, en zette
haar naaiwerk voort met een zucht van verlichting. En Bunby, met een
schichtigen, schuwen blik in zijne oogen, stopte al de chocolaadjes
op eens in zijn mond, als om de mogelijkheid van een plotseling berouw
te voorkomen.
Het andere briefje ging het even slecht. Flossie ging naar huis,
peinzende over een zeker Kate Greenaway-mutsje, dat Nell beloofd
had voor hare nieuwe pop te zullen maken.
"Groen met rose lint," zeide zij zachtjes bij zich zelve toen zij de
trap van het huis haars vaders opging. Alan lag in de veranda in een
gemakkelijken stoel en rookte zijne zwarte pijp.
"Wat moet groen zijn?" riep hij lachend.--"Guineesche biggetjes
of kangoeroes?"
"De hoed van Clarice Maud," zeide het kleine meisje, en opende dadelijk
een ernstig gesprek met hem over de kleur, die hij het geschiktst
vond voor den wintermantel van dezen wassen jonge dame.
Toen wilde zij het huis binnen gaan.
"Wat steekt daar uit je zakje, Flossie?" zeide hij, toen zij hem
voorbij liep.
Zij bleef even stilstaan en tastte in haar zak.
"O, dat had ik bijna vergeten, en ik heb beloofd, dat ik er aan zou
denken,--hier is een briefje voor jou, Alan!" zeide zij, en gaf Meg's
rampspoedig episteltje in de hand, voor welke het niet bestemd was.
HOOFDSTUK VIII.
EEN CATAPULT EN EENE CATASTROPHE.
De schemering had zich zeer kalm en zeer ongemerkt uitgebreid over
den tuin, en de grasvelden, en de rivier. Er was een zwak windje aan
den waterkant, maar het scheen na dezen warmen, langen dag bijna te
moede om zich te verheffen en het water te rimpelen. Langzaam, zeer
langzaam nam het grauwe, stille licht af, en een of twee bleeke sterren
begonnen daar hoog, boven in de lucht, te stralen. In de verte, achter
de gomboomen, aan gene zijde der rivier, stond eene nog bleeker maan;
reeds kon eene streep van het water haar een glimlach toezenden. Meg
hoopte, dat zij niet vóór acht uur boven de kronen der boomen zou
gerezen zijn, want dan zouden de uitgestrekte grasvelden in een stroom
van maanlicht baden, en zij zou kunnen gezien worden. Onder de thee,
en gedurende het eerste gedeelte van den avond, was zij afgetrokken
en prikkelbaar in haar angst, en twee of drie maal snauwde zij Bunby
tamelijk onvriendelijk af.
Van een uur of zes af had hij onophoudelijk om haar heen gedraaid.
Het was een karaktertrek van dezen kleinen jongen, dat, wanneer hij
de verleiding niet had kunnen weerstaan en van het pad der waarheid
was afgeweken, hij volkomen ongelukkig was, tot hij gebiecht had, en
met zijne vieze handjes in zijne schreiende oogen had gewreven, tot
hij een beeld bood "om van te droomen, maar niet om te beschrijven."
Pip zeide, dat dit kwam omdat hij een lafaard was, en de zedelijken
moed miste om te gaan slapen met eene leugen op zijn geweten uit
vrees van te zullen ontwaken en een engel met een vlammend zwaard
naast zijn bed te zien staan. En tot mijn spijt moet ik toegeven,
dat dit eene meer ware beschouwing van het geval was, dan wanneer
men aannam, dat de kleine jongen werkelijk overtuigd was van het
afkeuringswaardige zijner daad, en niets liever wenschte, dan haar
weder goed te maken. Want als de gelegenheid zich maar voordeed,
zou hij den volgenden dag weer struikelen, en 's avonds naar dezen
of genen toekruipen en, met zijne vuistjes in zijne oogen, stamelen,
dat hij: "iets gezegd had, dat niet waar was, boe-hoe!"
Tegen zeven uur was hij dus dezen avond buitengewoon berouwvol gestemd
geweest; verscheidene tranen waren langs zijne wangen gerold, en hadden
zich vermengd met den inkt van het huiswerk, dat hij bezig was voor
de gouvernante te maken. Hij installeerde zich naast Meg's elleboog,
en bleef naar haar opzien met een treurigen smeekenden blik, die haar
in groote verlegenheid bracht, want zij was door zijn vreemd gedrag
begonnen te vermoeden, dat hij op de eene of andere wijze den inhoud
van het briefje vernomen had, en haar van haar voornemen zocht af
te houden. Hoe langer hij haar bleef aanstaren, hoe rooder zij werd,
en hoe minder zij zich op haar gemak begon te gevoelen.
"Je mag mijne nieuwe c-c-catapult hebben!" fluisterde hij met een
droevigen, teederen blik, dien zij als eene bede om veilig thuis te
blijven uitlegde.
Eindelijk stonden de wijzers op acht uur, en op een oogenblik dat de
kinderen een hevigen woordenstrijd voerden over het bezit van een hond,
die in den middag Misrule was binnengeloopen, sloop zij onbemerkt de
kamer uit. Er was niemand in de vestibule, en zij nam het luchtige,
flatteerende doekje, dat zij daar verborgen had, sloeg het om het
hoofd, en liep de zijdeur uit en het pad op.