hadden zich ieder aan een harer armen vastgeklampt. Gedurende de drie
dagen, die tusschen dien noodlottigen Donderdag en dezen treurigen
morgen verloopen waren, had zij koppig willen toonen, dat zij zich de
geheele zaak niet aantrok. Nooit was hare stemming opgewekter, haar
oog schitterender, hare tong scherper geweest, dan gedurende dezen
tusschentijd; en zij had tegen iedereen beweerd, en in het bijzonder
tegen haar vader, dat zij zich het verblijf in eene kostschool heerlijk
dacht, en zich op haar vertrek verheugde.
Maar dezen morgen was zij ineengezakt. De dagen te voren had haar
vurig, kinderlijk hart haar gezegd, dat haar vader toch niet zóó wreed
zou kunnen zijn, dat het niet in ernst zijn plan kon wezen haar onder
vreemden te zenden, ver weg van het oude, vervallen Misrule en van al
haar broeders en zusters; hij zeide het alleen maar om haar schrik
aan te jagen, dit praatte zij gedurig zich zelve voor, en zij zou
hem toonen, dat zij geen lafhartig klein kind was.
Maar Zondagavond, toen zij een koffer naar beneden zag brengen en
dien zag volpakken met hare kleederen en voorzien worden van haar
naam, was het alsof een koude hand zich om haar hart sloot. Maar,
zeide zij tot zich zelve, hij liet dit alles geschieden om haar te
doen gelooven, dat zij werkelijk vertrekken moest.
En nu was het morgen geworden, en zij kon zich niets meer diets
maken. Esther was bij haar bed gekomen, en had haar treurig gekust, met
eene bezorgde en teedere uitdrukking op haar lief aangezicht. Zij had
haar man gesmeekt zoo innig als zij nog nooit gesmeekt had, het vonnis
der arme Judy te vernietigen, maar de kapitein was onvermurwbaar. Zij
en alleen zij was de belhamel bij alle ondeugende streken, de anderen
zouden zich behoorlijk gedragen, wanneer zij er niet meer was om hen
tot allerlei stoutigheden aan te zetten, en gaan moest zij. Bovendien
zeide hij, zou het tot haar eigen heil zijn. Hij had eene uitmuntende
school voor haar gekozen; de directrices er van waren vriendelijk, maar
streng, en Judy's karakter liep gevaar bedorven te worden door gebrek
aan eene strenge leiding. Dit was inderdaad in zeker opzicht waar.
Judy ging plotseling rechtop in haar bed zitten, bij het gezicht van
Esther's bekommerd gelaat.
"Er is niets aan te doen, lieve kind, schik je naar vaders wil!" zeide
zij vriendelijk. "Maar je zult gaan als een moedig meisje, nietwaar,
Ju?--Jij hebt tot nu toe altijd, zooals Pip zegt: de huik naar den
wind kunnen hangen."
Judy verkropte een hevigen snik, en haar arm klein gezicht werd bleek
en angstig.
"Het is goed, Esther! Toe, ga maar gerust ontbijten," zeide zij met
eene stem, die alleen maar een weinig beefde; "zou je den Generaal
bij mij willen laten, Esther? Ik zal hem mede naar beneden brengen!"
Esther zette haar klein, dik zoontje op het kussen en ging heen met
een blik vol liefde en zorg.
En Judy nam het kleine ventje in hare armen, en trok de beddelakens
over hun beider hoofd, en hield hem stevig, bijna wanhopig een minuut
of twee tusschen hare armen gekneld, en verborg haar gezicht in zijn
zacht, dik nekje en kuste hem tot hare lippen pijn deden.
Hij verweerde zich dapper tegen deze gewelddadige handelwijze, en
protesteerde ten laatste, met een woedenden kreet, tegen gesmoord
te worden. Dus wierp zij het dek weg en stapte uit bed, en liet hem
tusschen de kussens rondkruipen, en uit een gaatje in een er van de
veertjes plukken.
Zij kleedde zich haastig en zenuwachtig, maakte het haar met meer
zorg dan gewoonlijk op, en ging toen met den Generaal naar de
kinderkamer. Alle anderen waren hier, en klaarblijkelijk waren zij
met Esther over haar aan het spreken. De drie meisjes keken bedroefd
en verontwaardigd; Pip was juist terecht gezet, omdat hij oneerbiedig
over zijn vader had gesproken, en zag gemelijk voor zich uit; en Bunby,
niet wetende wat hij anders zou doen in zulk een hachelijk oogenblik,
was vliegen gaan vangen en trok haar wreedaardig de vleugels uit.
Het was een somber ontbijt. De bel weerklonk als teeken dat de koffie
beneden klaar was, en Esther moest dus de kinderen alleen laten. Een
ieder presenteerde Judy van alles, wat op de tafel stond, en sprak
haar beleefd toe. Zij scheen niet meer hun gelijke te zijn, maar een
persoontje, dat niet zoo lichtvaardig behandeld kon worden terwille
der waardigheid, die het groote verdriet haar gaf. Hare japon was
nieuw--een keurig, blauw serge kleedje, direct uit de handen der
naaister; hare laarzen waren glimmend gepoest, hare kousen zonder
luchtgaatjes. Dit alles werkte er toe mede, om haar eene Judy te
maken geheel verschillend van de slordige en drukke Judy van een paar
dagen geleden, die gewoonlijk aan het ontbijt kwam, er uit ziende,
alsof hare kleederen met eene hooivork op haar geworpen waren.
Baby wijdde zich ééne minuut aan hare gort, maar toen overstelpten
haar hare aandoeningen, en, met een zwakken klaagtoon, liep zij om de
tafel naar Judy, en hing zich snikkend aan haar arm. Dit verstoorde
het evenwicht van het geheele gezelschap. Nell pakte den anderen arm
en wiegde zich heen en weer in een aanval van troosteloosheid. Meg's
tranen droppelden in haar kopje; Pip duwde zijn hiel in het vloerkleed,
en begreep maar niet, wat zijne oogen scheelden; en zelfs begon Bunby
minder smaak in zijn boterham te krijgen.
Judy zat zwijgend voor het bord, dat zij ongebruikt weggeschoven
had, en dat zij met eene uitdrukking van diepe wanhoop op haar jong
gezichtje aanstaarde. Zij zag er uit als eene miniatuur koningin uit
eene tragedie, die op het punt is, naar de plaats der terechtstelling
gebracht te worden.
Bunby liet zich van zijn stoel glijden, dekte zijn kop koffie met
den schotel van wege de vliegen, en verliet met plechtigen stap
de kamer. Een oogenblik later kwam hij terug met eene zuurflesch,
waarin een groote, groene kikvorsch zat.
"Hem mag je houden voor jou alleen, Judy!" zeide hij, op bijna
hartbrekend droevigen toon. "Je zult op school misschien nog wel eens
om hem lachen."
Zelfopoffering kan niet verder gaan, want deze kikvorsch was de
lieveling van Bunby's hart.
Dit prikkelde de anderen; ieder haalde een geschenk en legde het als
souvenir op Judy's altaar. Meg bracht een armband, gemaakt van haar
van een gestorven lievelingspony, Pip gaf zijn zakmes met drie messen,
Nell een muskuspot dien zij een jaar lang begoten en verzorgd had, Baby
eene pop met gebroken neus, de Benjamin van hare groote poppenfamilie.
"Doe alles in den koffer, Meg--bovenin is nog plaats, denk ik," zeide
Judy met verstikte stem, diep getroffen door deze geschenken. "O,
Bunby, beste jongen! doe een kurk op de flesch met den kikkert,
hij zou eens verloren kunnen gaan, tusschen al die kleeren!"
"Ja wel," zeide Bunby. "Je zult goed op hem passen, nietwaar, Judy? O,
lieve hemel! O! O!"
Toen kwam Esther de kamer binnen, nog altijd met een bekommerd gelaat.
"De dogcart is voor," zeide zij. "Ben je klaar, Judy, beste meid? Mijne
lieve Judy, houd je nu dapper, vrouwtje!"
Maar Judy was bleek als eene doode, en scheen niet te begrijpen, wat
er om haar gebeurde. Zij liet toe dat Esther haar den hoed opzette,
haar in haar nieuw manteltje hielp en haar de handschoenen in de
hand gaf. Zij liet zich door de geheele familie kussen, half de trap
afdragen door Esther, weer door de meisjes zoenen, toen door de twee
goedhartige dienstboden, die ondanks hare pekelzonden voor haar eene
warme genegenheid koesterden.
Esther en Pip tilden haar in den dogcart, en zij zat ineen gedoken
en scheef op de bank, en keek met oogen, die waarlijk tragisch waren
in hunne groote wanhoop, naar de groep in de veranda. Haar vader kwam
naar buiten, hij knoopte zijne overjas dicht, en zag haar blik.
"Wat is dat voor gekheid?" zeide hij driftig "Esther--groote
Hemel! stel jij je ook al zoo dom aan?"--groote tranen schitterden
in de mooie oogen zijner vrouw. "Waarachtig, men zou kunnen denken,
dat ik het kind meeneem om opgehangen te worden, of haar naar een
verbeteringsgesticht ging brengen."
Een luide, hikkende snik kwam over Judy's witte lippen.
"Als u mij thuis zou willen laten blijven, vader, zal ik u nooit meer
boos maken; u kan me voor straf slaan, zoo hard u maar wil."
Het was hare laatste poging, hare laatste hoop, en zij beet op hare
arme, trillende lip, tot deze bloedde, terwijl zij op antwoord wachtte.
"Laat haar hier blijven--o! toe, laat haar hier blijven! We zullen
altijd zoet zijn!" klonk het in koor uit de veranda. En: "Laat haar
hier blijven, John!" riep Esther, op een toon, even smeekend als die
der kinderen.
Maar de kapitein sprong in den dogcart, en nam de teugels in eene
uitbarsting van woede van Pat over.
"Ik geloof, dat jelui allemaal bezeten zijt!" schreeuwde hij. "Zij
zal het daar ginds uitstekend hebben, ik heb drie maanden vooruit
voor haar betaald, en dat verzeker ik jelui, ik gooi mijn geld niet
voor niets weg!"
Hij gaf het paard een tikje met de zweep, en een minuut later was
de dogcart aan gene zijde van het hek, en het kleine, ongelukkige
gezichtje kon niet meer gezien worden.
HOOFDSTUK VI.
HOE SCHOON IS DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR.
Meg had altijd mooi haar gehad, maar een paar maanden geleden had zij
zich ponyhaar geknipt, en begon dit iederen avond in papillottenpapier
te wringen. En in hare latafel stond een jampotje gevuld met havermeel,
dat zij in haar waschwater gebruikte, want zij had gelezen, dat dit
een uitstekend middel was om het teint te verfraaien. En iederen
avond smeerde zij hare handen met vaseline in en sliep met oude
glacé-handschoenen aan. En haar geld gaf zij uit aan een zeker water,
dat de kleine bruine vlekjes zou wegwisschen, die de zon op haar
gelaat getooverd had, en het, hoe dan ook, een zeker karakter gaven.
Al deze dingen waren het gevolg hiervan, dat Meg zestien was, en dat
zij eene vriendin gevonden had, die zeventien jaren telde.
Aldith MacCarthy leerde Fransch bij denzelfden leeraar, naar wien
Meg nu tweemaal in de week ging, en nadat chocolaadjes en haarlinten
gegeven en aangenomen, en familieconfidenties gedaan en aangehoord
waren, ontstond er eene innige vriendschap tusschen haar.
Aldith had drie volwassen zusters, die zij in alle opzichten naäapte,
en bezat veel meer kennis van de wereld dan de eenvoudige, romantische
Meg.
Zij leende Meg romans en novellen, evenals tijdschriften voor jonge
dames, en het jonge meisje verdiepte er zich met groote belangstelling
in, verbaasd over de nieuwe wereld, waarin zij werd binnengeleid;
want Charlotte Yonge en Louise Alcott en Miss Wetherell waren tot nu
toe uitsluitend hare lectuur geweest.
Meg begon rooskleurige droomen te droomen van den tijd, waarin haar
mooi, glanzend haar "in eene eenvoudige wrong" zou worden opgestoken
of boven haar voorhoofd zou worden gelegd als "eene kroon, even
schoon als die eener koningin," want dit waren de twee manieren,
waarop de heldinnen in de novellen het haar kapten. Een gevlochten
varkensstaartje was al zeer weinig romantisch. Dit was de reden waarom
zij, als eene soort van voorbereidende maatregel, ponyhaar geknipt
had, en het einde van hare vlecht begon te krullen. Haar vader staarde
haar aan, en zeide, dat zij er uit zag als een winkelmeisje, toen hij
deze veranderingen voor het eerst opmerkte, en Esther vertelde haar,
dat zij een dom schepsel was, maar de spiegel en Aldith stelden haar
weer gerust.
De zorg, die nu aan de beurt kwam, was die van steelsgewijze
hare japonnen langer te maken, welke in de periode waren van
nog niet lang en niet meer kort te zijn. In de eenzaamheid van
hare slaapkamer nam zij twee of drie van hare rokken van den band,
voorzag ze aan den bovenkant van eene reep voering om ze te verlengen,
en naaide eene strook onder om hare lijfjes, ten einde de voering te
bedekken. Hierdoor werden hare rokken een goeden twee duim langer, wat
haar een lang, slank figuurtje gaf, zooals zij zelve zeer goed wist.
In geen van deze dingen stak eigenlijk kwaad.
Maar Aldith begon hare taille langzamerhand geheel onmogelijk te
vinden.
"Je hebt minstens drie-en-twintig, Marguerite," zeide zij eens,
vol ongehuichelden schrik.
Zij noemde hare vriendin nooit Meg, want deze naam was "te familiaar
en volstrekt niet welluidend."
Meg keek van hare eigen taille naar het dunne, elegante middeltje
van hare vriendin, en zuchtte diep.
"Wat moest ik eigenlijk hebben?" zeide zij neerslachtig; en Aldith
had geantwoord, "achttien--of negentien hoogstens, Marguerite! Ware
symmetrische bevalligheid kan nooit bereikt worden met een middel
van drie-en-twintig duim in omtrek."
Aldith had niet alleen feiten opgemerkt en vergelijkingen gemaakt, zij
had hare vriendin ook praktischen raad gegeven, en had haar getoond,
hoe zij handelen moest. En iederen avond en iederen morgen trok Meg
haar corsetveter steviger aan, en perste haar fijn, teeder lichaam in
eene steeds engere ruimte. Zij had reeds een omtrek van een-en-twintig
duim bereikt, hetgeen zuiver twee duim winst beteekende, en zij had
al hare japonnen ingenomen.
Maar zij speelde 's avonds niet meer mede cricket, en wilde aan geen
enkel spel meedoen, waarbij hard loopen te pas kwam, zeer tot misnoegen
der anderen. Niemand, die het zachte gezichtje, liefelijk als een
bloesem, zag, en de vriendelijke, kalme oogen, zou gegist hebben
welk eene marteling er verdragen werd onder het nu sierlijke, goed
zittende japonlijfje. Vlug wandelen was eene ware kwelling; bukken,
bijna folterpijn; maar zij verdroeg dit alles met een heldenmoed,
eene waarlijk edele zaak waardig.
"Hoe lang zal ik daar nu nog mede moeten voortgaan, Aldith?" vraagde
zij eens met zwakke stem, na eene Fransche les gedurende welke
zij zich bijna niet had kunnen goed houden. En het andere meisje
antwoordde onverschillig: "O, je moet nu natuurlijk niet ophouden,
je zult eens zien, over een poosje voel je er niets meer van."
Na deze verzekering zette Meg hare pijn veroorzakende pogingen voort.
Esther, de eenige, die in deze zaak eenigen invloed had kunnen hebben,
had niets gemerkt, en, had zij dit wel gedaan, dan zou zij er zich nog
niet ernstig over bekommerd gemaakt hebben, want het was eerst vier
jaar geleden sedert ook zij zestien geweest was, en een "dun middeltje"
voor haar het begeerlijkste van de geheele wereld geweest was.
Eens had zij zonder bijgedachte gezegd:
"Wat krijg je een goed figuurtje, Meg! De nieuwe naaister maakt zeker
beter dan Miss Quinn!" en de dwaze Meg, het hart kloppend van vreugde,
had zich voorgenomen, hare pogingen te verdubbelen.
De lynx-oogige Judy zou alles zeker spoedig ontdekt hebben, en zou
haar lachend beschaamd hebben, maar ongelukkig voor Meg's gezondheid
was zij op school,--er waren reeds bijna drie maanden sedert haar
vertrek verloopen.
Aldith woonde ongeveer twintig minuten wandelen van Misrule, en dus
waren de twee meisjes veel samen. Tweemaal in de week gingen zij
per stoomboot naar de stad om in beleefd Fransch te leeren vragen:
"Heeft de jonge dochter van den bakker den gelen hoed, de bruine
handschoenen, en de parasol van de nicht van den aannemer?"
En tweemaal in de week, nadat zij zonder den minsten samenhang
geantwoord hadden: "Neen, maar de chirurgijn had bier, mosterd, en de
tafelgong," vertoonden zich Aldith en hare vriendin op de wandelplaats,
waar de Sydneysche jeugd en beau-monde gewoonlijk wandelde,--het
"Block."
"Nu zullen wij eens gaan zien, hoeveel hoeden ik kan laten
afnemen!" zeide Miss Aldith, wanneer zij zich op weg begaven, en bij
het einde van den tocht zuchtte Meg: "Hoe heerlijk moet het zijn,
zooveel heeren te kennen als jij!"
Somtijds gebeurde het, dat een of twee jonge lieden bleven staan,
en de meisjes aanspraken, en dan stelde Aldith hen plechtig aan Meg
voor, dikwijls evenwel meende deze, die, niettegenstaande al hare
dwaasheid, scherp genoeg opmerkte, iets beschermends, min of meer
spotachtigs in de manieren der heeren waar te nemen. En werkelijk
was dit dikwijls zoo; het waren hoofdzakelijke heeren, die Aldith
tehuis op een danspartijtje of bij het tennisspel had leeren kennen,
en die deze jonge dame een vroeg rijp kind vonden, voor wie het hoogst
gewenscht was, dat zij nog eenige jaren van de school zou profiteeren.
Eens op een dag kwam Aldith op Misrule--houding, gebaren, stem, alles
sprak van eene hooge, geheimzinnige gewichtigheid. "Kom mede naar den
tuin, Marguerite!" zeide zij, zonder de minste notitie van Baby te
nemen, die, met groote moeite, hare oudste zuster had overgehaald,
haar het altijd even boeiende verhaal van de drie kleine varkentjes
te vertellen.
"O, neen, bij het haar van mijn baard aan mijn kin, ik zal proesten en
blazen tot je huisje valt in," was nog maar tweemaal gezegd geworden,
en het spannendste gedeelte moest nog komen.
Baby keek op met verontwaardigde oogen.
"Ga weg, Aldiff!" zeide zij.
"Miss MacCarthy, Baby!" verbeterde Meg vriendelijk, Aldith's half
verachtelijken glimlach opmerkende.
"Aldiff!" herhaalde Baby koppig. Toen scheen zij berouw te hebben,
en sloeg een kleinen arm liefkoozend om haar zusters hals.
"Ik zal aan Miff MacCarfy zeggen, dat je eerst verder moet vertellen."
"O, zend haar weg, Marguerite!" zeide Aldith ongeduldig. "Ik heb je
een zeer belangrijk geheim mee te deelen, en ik heb buitendien haast."
Meg was dadelijk een en al belangstelling.
"Ga nu heen, Baby!" zeide zij, en kuste het teleurgestelde gezichtje;
"ga met Bunby met de ark spelen, ik zal het vertelseltje van avond
of morgen uit vertellen."
"Maar ik wil nu het eind hooren!" zeide Baby volhoudend.
Meg schoof haar vriendelijk op zijde. "Neen, ga nu heen, klein
zusje--ga nu heen als eene beste meid, en ik zal je morgen ook nog
van Roodkapje vertellen."
Baby keek naar de bezoekster harer zuster.
"Je bent een akelig spook, Aldiff MacCarfy," zeide zij langzaam en
met nadruk, "en ik heb een hekel aan je, en wij allen hebben een
hekel aan je, behalve Meg, en Pip zegt, dat je het naarste wicht ben,
dat bestaat, en ik wou, dat er een groote reus kwam, die blazen zou
en proesten, tot je midden in de zee lag."
Aldith lachte, een klein tartend, wijs lachje, dat de maat van Baby's
woede deed overloopen. Zij strekte hare kleine hand uit en gaf den arm
der jonge dame in zijn mousselinen mouw een fijn welbestudeerd kneepje,
dat Pip haar geleerd had. Toen holde zij als eene dwaze de groene
grasvelden over naar het boschje, dat zich aan gene zijde bevond.
"Onuitstaanbaar!" pruttelde Aldith boos, en Meg moest zich uitputten
in verontschuldigingen en vriendelijke woordjes, om haar weer in een
goed humeur te brengen, en haar over te halen, het zeer belangrijke
geheim te vertellen. Ten laatste, evenwel, werd het haar geopenbaard,
en wel met indrukwekkende plechtigheid. Aldith's oudste zuster was
verloofd! O, was dat niet hemelsch? was het niet romantisch?--en
met den mijnheer met den blonden snor, die in den laatsten tijd zoo
dikwijls bij hen aan huis was geweest.
"Ik wist, dat het zoo zou gaan--ik heb het al lang zien aankomen. O,
men kan niet gemakkelijk iets voor mij verbergen!" zeide Aldith. "Ik
herken ware liefde dadelijk. Maar voor mijzelve zou ik zeker de
voorkeur geven aan een donkeren snor, jij ook niet, Marguerite?"
"Ja-a!" zeide Meg. Hare meening in dit opzicht was nog nauwelijks
gevestigd.
"Gitzwart, met zeer stijfstaande uiteinden," vervolgde Aldith peinzend,
"en eene militaire houding en heel lange, zwarte wimpers."
"Dat zou ook mijn smaak zijn," zeide Meg, opeens vol vuur. "Zooals
Guy Deloraine in "Angelina's eerzuchtige Droomen.""
Aldith sloeg haar arm inniger om hare vriendin.
"Zou het niet hemelsch zijn, Marguerite, als jij en ik--eens
geëngageerd waren?" zeide zij, als in droomerige verrukking. "Denk eens
aan, hoe zalig het zijn moet als een donkere knappe man met trotsche,
zwarte oogen, smoorlijk verliefd op je is, je op de handen draagt,
je cadeaux geeft en met je uitgaat--o, Marguerite, wat moet dat
goddelijk zijn!"
Meg keek peinzend voor zich uit. "Daar zijn wij, geloof ik, toch nog
niet oud genoeg voor!" zeide zij met een zucht.
Aldith wierp haar hoofd achterover. "Dat is onzin; Clara Allison is
niet ouder dan zeventien, en denk aan eens je eigen stiefmoeder. Eene
menigte meisjes zijn al getrouwd als zij zestien zijn, Marguerite! en
mijne zuster Beatrice werd ten huwelijk gevraagd, toen zij nog maar
vijftien was."
Deze woorden schenen indruk op Meg te maken. Zij keek stil voor
zich uit.
Toen stond Aldith op om heen te gaan. "Denk er aan, dat je morgen
op tijd aan de boot bent," zeide zij, terwijl zij naar het hek
wandelden; "en, Marguerite, kleed je nu eens heel netjes aan--trek je
koornbloemen-blauwe japon aan,--en zie eens of Mrs. Woolcot je niet
een paar handschoenen zou willen leenen, je grijze paar ziet er niet
meer zeer frisch uit, vind je zelf ook wel?"
"Neen, neen zeker niet!" zeide Meg blozend.
"En Mr. James Graham komt altijd terug met onze boot, en de twee
Courtney's ook--Andrew Courtney zeide aan Beatrice, dat hij je een
heel aardig persoontje vond; hij merkt je dikwijls op, zegt hij,
omdat je altijd zoo bloost."
"Ik kan daar toch heusch niets aan doen!" zeide Meg op ongelukkigen
toon. "Aldith, hoe moet het lint op mijn hoed genaaid worden? Ik
wilde het er opnieuw opzetten."
"O, vierkante lussen, min of meer stijf, en goed op zijde!" zeide het
orakel. "Ik ben blij, dat je den hoed onder handen neemt, beste! hij
zag er heusch erg slordig en verlept uit."
Meg bloosde weer.
"Ben je al klaar met je Fransch?" zeide zij, en opende het hek.
"Ik zal het er maar voor houden!" zeide Aldith onverschillig. Toen
hief zij haar kin omhoog.
"Die zedige meisjes Smith schijnen er altijd eene eer in te stellen,
om geen fouten te maken; en Janet Green, wier hoeden altijd vier
modes ten achteren zijn, ook; ik vergis mij liever eens een paar maal,
als was het alleen maar om te laten zien, dat ik niet hard behoef te
leeren, en later onderwijzeres worden."
Maar juist in dit oogenblik struikelde zij, en viel in hare volle
lengte op zeer onbevallige wijze neer, dwars over het modderige pad.
Een stuk touw en Baby's wraak waren hier de oorzaak van.
HOOFDSTUK VII.
"WAT ZEGT GE VAN EEN VERLIEFD HART?"
Meg zag er zeer slecht uit, daar was geen twijfel aan. Hare mooie
rozige gelaatskleur verloor hare frischheid, eene uitdrukking van
prikkelbaarheid groefde een trek om den mond, die eenige maanden
geleden alleen voor glimlachjes scheen geschapen te zijn. En, het was
treurig onromantisch, maar, haar neus was van tijd tot tijd bijzonder
rood. Nu kan eene heldin de grootste, diepste oogen, de langste
wimpers, die maar mogelijk zijn, hebben; zij kan haar hebben gelijk
aan het goud, dat "in den oogsttijd tot schoven wordt gebonden";
zij kan lippen bezitten als kersen en tanden als paarlen, en een
roode neus zal al deze bekoorlijkheden vernietigen. Hij berokkende
Meg ware zielsangsten. Zij las met de grootst nauwgezetheid alle
antwoorden in de "Correspondentie" der verschillende tijdschriften,
die Aldith haar leende, om haar te helpen in haar zoeken naar een
geneesmiddel. Maar bijna iedereen scheen recepten te vragen om den
groei der oogharen te bevorderen of om embonpoint te voorkomen. Geen
enkel antwoord, dat haar onder de oogen kwam, zeide: Een roode neus bij
jonge meisjes wordt gewoonlijk veroorzaakt door slechte spijsvertering
of door te nauw rijgen." Zij vraagde Aldith haar een raad te geven,
en deze jonge dame dacht, dat hare vriendin de gewenschte uitkomst zou
verkrijgen, door vaseline en zwavel, goed vermengd, op het lichaamsdeel
in quaestie te leggen. En nu sloot Meg iederen avond de deur van
haar slaapvertrek door middel van een eigen gemaakten grendel, want
sleutels waren op Misrule eene ongekende weelde, en bestreek haar
armen, kleinen neus hoogst zorgvuldig met het vette geneesmiddel,
waarnaar zij den geheelen nacht op haar rug moest blijven liggen,
om te voorkomen dat zij het aan haar kussen zou wrijven.
Eens was Pip in haar kamertje doorgedrongen om haar te vragen, zijne
bretels even te willen naaien; zij was toen genoodzaakt geweest,
haastig een handdoek om haar hoofd te slaan en te zeggen, dat zij
hevige zenuwhoofdpijn had, en dat hij maar naar Esther of een van
de meiden moest gaan. Had hij de oorzaak dezer weigering gekend en
gezien, dan zou er geen einde aan de plagerijen gekomen zijn.