bewegen om de voorstelling te verhinderen, dan dat een van jelui er
ook maar iets van te zien zou krijgen--en jelui hebt dat dubbel en
dwars verdiend! Meg, wat ik je bidden mag--doe Baby droge kleeren aan,
kijk eens naar haar; en, Judy, als je nog het minste voor mij voelt,
doe dan die japon uit. Bunby, stoute jongen, ik zal je vader roepen,
als je niet ophoudt met zulk een leven te maken. Nell, neem den
Generaal die schaar af, hij zal zich de oogen nog uitsteken."
De jonge stiefmoeder leunde achterover in haar stoel, en keek met
een tragischen blik om zich heen. Zij had haar echtgenoot nog nooit
zoo hevig vertoornd gezien, en haar mooie mond trilde, toen zij er
aan dacht, hoe hij haar voor alles scheen aansprakelijk te stellen.
Meg was niet van hare plaats opgestaan; het water droop langzaam uit
Baby's kleederen en maakte een plas op den grond, Bunby stootte nog
steeds een krampachtig gesnik uit, Judy was aan het fluiten, en de
Generaal, nu beroofd van de schaar, begon zijn eigen vuil schoentje
af te likken met zijne lieve, kleine, roode tong.
Een snik wrong haar de keel dicht, twee tranen welden er in hare oogen,
en liepen haar langs de zachte, liefelijke wangen.
"Jelui zijt met je zevenen, en ik ben nog maar twintig!" zeide zij
jammerend, "O! het is te erg--werkelijk, het is te erg!"
HOOFDSTUK IV.
DE GENERAAL IN DE KAZERNE.
Het was een dag na "de gebeurtenissen van het vorige hoofdstuk" zooals
in vertelselboeken zou te lezen zijn. En Judy zat, met eene toornige
uitdrukking van spijt in hare oogen, op de tafel der kinderkamer,
hare knieën tot haar kin opgetrokken, en hare magere bruine handen
om hare beenen gevouwen.
"Het is eene schandelijke behandeling," zeide zij, "eene
onvergevelijke, schandelijke behandeling! Waarvoor zijn vaders
eigenlijk op de wereld, dat zou ik wel eens willen weten!"
"O Judy!" zeide Meg, die, verdiept in haar boek, in een stoel gedoken
zat. Maar zij zeide het werktuigelijk, en alleen omdat dit--zij was
immers drie jaren ouder dan Judy--haar plicht was.
"Denk eens aan de heerlijke dagen, die wij zouden kunnen
hebben, als hij er niet was!" ging Judy voort, met kalme
onverschilligheid. "Minstens drie keer op een dag zouden we kip eten,
en zeven avonden van de week naar de pantomime gaan."
Nell maakte de opmerking, dat het geene gewoonte was op den eersten
dag der week eene voorstelling bij te wonen, maar Judy liet zich niet
uit het veld slaan.
"Ik zou dan eene soort van kerkelijke pantomime willen hebben," zeide
zij peinzend,--"mooie afbeeldingen en van allerlei, dat betrekking
heeft op het Heilige Land, en eene liefelijke muziek, en mooie kinderen
in het wit, die lofliederen zingen, en schitterende kleuren overal,
en geen collecteschalen waar je je laatste geld op moet leggen--o! en
geen preeken of litaniën natuurlijk!"
"O Judy!" murmelde Meg, een blad omslaande. Judy opende hare
handen en sloot ze weer, nog vaster dan te voren. "Zes billetten
weggegooid--dertig kostbare shillings--en dat alleen omdat wij een
vader hebben!"
"Hij heeft ze naar de familie Digby-Smith gezonden," vertelde Bunby
ongevraagd, "en op de enveloppe had hij geschreven: "Met beleefde
groeten.--J. C. Woolcot.""
Judy steunde. "Ik zie de zes afschuwelijke kleine Digby-Smith's al
in de komedie zitten, en met hunne zes afschuwelijke oogjes naar onze
pret kijken!" zeide zij bitter.
Bunby, die veel mathematisch gevoel had, verklaarde gaarne te willen
weten, waarom zij er niet door hun twaalf afschuwelijke kleine
oogjes naar zouden gekeken hebben, en Judy lachte en sprong van
de tafel, nadat zij den misdadigen wensch had uitgesproken, dat de
kleine Digby-Smith's allen over de leuning van de loge zouden mogen
duikelen, eer het gordijn opging. Meg deed haar boek dicht met een
haastigen slag.
"Is Pip al weg? Vader zal vreeselijk boos zijn. O hemel wat heb ik
toch een garnalen-geheugen!" zeide zij. "Waar is Esther? heeft iemand
Esther gezien?"
"Maar lieve Meg!" zeide Judy. "Het is minstens twee uur geleden, dat
Esther uitgereden is, je stond er zelf bij! Zij is naar Waverly--zij
is nog naar je toe gekomen, en heeft je gezegd, dat zij er op rekende,
dat jij voor de jas zou zorgen, en je zeide: "Mevrouw, u zal tevreden
zijn!""
Meg, die zich nu alles herinnerde, keek met een verschrikten blik
rond. "Moest ik de jas schoonmaken?" vraagde zij angstig, terwijl zij
haar mooi, zwart haar uit haar voorhoofd streek. "O, kinderen! wat
moest ik ook weer doen?"
"De jas schoonmaken met benzine, haar strijken terwijl zij nog vochtig
was, haar in eene koele plaats ophangen om haar warm te houden,
en haar bakken tot ze bruin wordt," zeide Judy vlug. "Dat heb je
toch zeker gehoord, Margaret? Esther heeft zooveel moeite gehad om
je alles uit te leggen."
"Wat zal ik beginnen?" zeide zij, en werkelijk sprongen er tranen
in haar oogen. "Wat zal vader zeggen? O, Judy, je hadt mij wel eens
kunnen helpen herinneren."
Nell sloeg haar arm om haar zusters hals. "Zij plaagt je maar wat,
Megsie; Esther heeft alles al gedaan en heeft de jas in de vestibule
klaar gelegd--je hebt haar alleen maar aan Pip te geven. Pat moet
van middag met den dogcart naar de stad gaan om de kussens van de
achterbank te laten repareeren, en Pip gaat mee, dat is alles, en er
wordt nu ingespannen; je bent niet te laat."
Het was de jas, die Bunby naar zijn beste weten bedorven had, die al
deze drukte veroorzaakte. Zij behoorde, als ik reeds zeide, tot het
gala-uniform van den kapitein, en hij moest haar dien zelfden avond
op een diner in de kazerne dragen. Esther was den geheelen morgen
bezig geweest, haar af te sponsen en schoon te maken en had toen zij
wegging, gezegd, dat het kleedingstuk in den middag naar de kazerne
moest gebracht worden.
De dogcart kwam op dit oogenblik met een breeden boog naar de voordeur
gereden, Pip mende, en Pat keek uit de hoogte op hem toe. Zij namen
het pak dat de jas bevatte, aan, legden het zorgvuldig onder de bank,
en waren op het punt weer te vertrekken, toen Judy zich op de veranda
vertoonde, den Generaal onhandig in hare armen houdend.
"Jij gaat ook mee, Fizz, er is nog een bergplaats, er is geen eene
reden waarom je niet zoudt meegaan," zeide Pip op eens.
"O!" riep Judy, en hare oogen begonnen te schitteren. Zij deed haastig
een stap vooruit en lichtte één voet op, om in te stappen.
"O, wacht eens even!" protesteerde Pip, "je zult iets over die japon
moeten aantrekken, meisje!--zij is vol jam en vlekken!"
Judy vloog de vestibule in, en kwam terug met haar regenmantel;
zij zette den Generaal één oogenblik op den grond, terwijl zij den
mantel aantrok, tilde haar broertje toen weer op, en gaf hem Pip aan.
"Hij zal ook mee moeten," zeide zij, "ik heb Esther beloofd, dat
ik hem geen seconde uit het oog zou verliezen; in den laatsten tijd
begint zij erg bezorgd voor hem te worden--ik geloof, dat zij denkt,
dat hij nog eens zal breken."
Pip bromde een paar minuten, maar de Generaal stootte een
onweerstaanbaar, verrukt lachje uit, en hield zijne armpjes omhoog, dus
nam hij hem aan en hield hem vast, terwijl Judy in het rijtuigje klom.
"Wij kunnen met den tram naar de Kade teruggaan, en dan met een boot
naar huis komen," zeide zij, terwijl zij het kindje tusschen zich en
haar broer op de bank drukte. "De Generaal vindt het wat heerlijk op
het water!"
En zij reden weg, de verwaarloosde oprijlaan uit, het hek door, en
toen den weg op, Pip, Judy met de glinsterende oogen, de Generaal,
die zijn duim zat te verslinden, en, Pat, weer glimlachend, omdat
hij de teugels weer in handen had.
Een frissche wind kwam van de rivier door den gordel van gomboomen
waaien, die hare oevers omgaf, en deed het jonge, roode bloed snel
door hunne aderen stroomen; hij stoeide met Judy's krullen, en gaf
eene warme roode tint aan hare bruine wangen; hij maakte den Generaal
onrustig en weerspannig, zoodat hij kraaide en om zich heen sloeg,
en bracht Pip er toe, zijn hoed achter op zijn hoofd te zetten en
vroolijk een liedje te fluiten.
Dit duurde zoo voort, tot zij de stad bijna bereikt hadden en
genoodzaakt waren zich naar de eischen der welvoegelijkheid te
schikken.
Zij ontmoetten een ruiter, die toen hij hun zag, zijn paard stapvoets
liet loopen. Pip nam zijn hoed af met een sierlijken zwaai, en
Judy glimlachte vriendelijk en blijkbaar aangenaam verrast, want de
ruiter was een oude kolonel, dien zij reeds jaren kenden, en wiens
opgeruimdheid en vrijgevigheid zij met reden dankbaar konden herdenken.
"Wel, mijn kleine meid,--wel, Pip, mijn jongen!" zeide hij, goedhartig
glimlachend, terwijl zijn paard om den dogcart danste,--"en de Generaal
ook al? Waar gaan jelui heen?"
"Naar de kazerne, ik heb een pak bij me voor den ouden
heer!" antwoordde Pip. Judy sloeg het trappelende paard met
bewonderende oogen gade. "En dan gaan we weer naar huis."
Het gelukte den kolonel, niettegenstaande de onrustige bewegingen
van het paard, zijne hand in zijn zak te steken. "Hier hebben jelui
iets waarmede je je zelf ziek kunt maken onder weg," zeide hij,
en gaf hun twee halve kronen, "maar zend me niet de doktersrekening!"
Hij streelde de wang van den Generaal met zijn rijzweep, knikte Judy
toe, en hield zijn onrustig paard niet langer tegen.
De kinderen keken elkander met schitterende oogen aan.
"Kokosnoten," zeide Pip, "en taartjes en koffie, en de rest bewaren
we voor een voetbal?" Judy schudde het hoofd.
"Wat zou ik daaraan hebben?" zeide hij. "Je zoudt den voetbal op
school bewaren. Ik stem voor jujubes, en roomijs, en een wassen pop."
"Een wassen grootmoeder!" riep Pip verontwaardigd. "Zoo gek zal je toch
niet zijn!" Toen voegde hij er bijna met eerbiedige bewondering bij:
"Wat een geluk dat je altijd poppen verfoeid hebt, Fizz!"
Judy sprong plotseling op hare plaats omhoog, zoodat de Generaal
bijna omvergeworpen werd, en de koetsier een stroom van verwijten
over haar uitstortte. "Ik weet al iets!" riep zij, "en we zijn al
bijna halverwege: o! dat zal heerlijk zijn!"
Pip verzocht haar, duidelijk hare plannen mee te deelen.
"Laten we gaan naar het Bondi-Aquarium,--daar kunnen we op
rolletjesschaatsen rijden, varen, in den draaimolen zitten, ook in de
Montagne russe, alles even goedkoop!" antwoordde zij vlug en beknopt.
"Goede hemel!" Pip floot zacht, terwijl hij het voorstel overwoog. "Er
kon dan zelfs nog wat overschieten voor den voetbal." Toen betrok
zijn gezicht.
"Maar we hebben het kleine kind bij ons--Waarom heb je hem mee
gebracht? Dat is nu weer echt meisjesachtig, om alles te bederven!"
Judy keek verlegen voor zich. "Ik had hem heelemaal vergeten!" zeide
zij boos. "Kunnen wij hem niet ergens heenbrengen? Kunnen wij niet
aan iemand vragen, om op hem te passen, terwijl wij naar het Aquarium
gaan? Het zou vreeselijk vervelend zijn, als wij ons plan moesten
opgeven om hem. En het begint ook al te regenen, we zouden hem niet
mee kunnen nemen."
Zij waren nu aan den voet van den heuvel gekomen, waarop de kazerne
staat, en Pat zeide hun, dat zij uit moesten stappen en het overige
van den weg te voet afleggen, want anders zou de dogcart onmogelijk
vóór den avond weer in orde kunnen zijn.
Pip sprong op den grond en nam den Generaal, als een bundeltje uit
den wagen, en Judy volgde hem voorzichtig, het kostbare pakket dat de
jas bevatte, in hare armen. En zij wandelden stilzwijgend den heuvel
van asphalt op naar het hek, dat toegang gaf tot de officierswoningen.
"Nu?" zeide Pip op klagenden toon, toen zij den top bereikten. "Gauw
wat, heb je niets bedacht?"
Wanneer zijne zuster, evenals nu, hare wenkbrauwen optrok, en
hare lippen vast toekneep, kon hij er zeker van zijn, dat zij eene
ingewikkelde moeielijkheid trachtte op te lossen.
"Ja," zeide Judy eindelijk kalm. "Ik heb een plan, dat wel lukken zal,
denk ik." En toen vervolgde zij met plotselinge opgewondenheid:
"Wie is de vader van den Generaal? dat zou ik wel eens willen weten! Is
het niet gepast en behoorlijk, dat vaders naar hunne zoons omzien? En
verdient hij niet, dat wij hem kwaad met kwaad vergelden, nu hij de
kaarten van de pantomime heeft weg gegeven? En is het Aquarium niet
veel te verrukkelijk om er niet heen gaan?"
"Nu?" zeide Pip, zijn trager verstand kon zulk eene vlugge redeneering
niet volgen.
"Ik ben alleen maar van plan den Generaal een paar uren in de kazerne
achter te laten, tot wij terug komen, want volgens mij is zijn vader
de aangewezen persoon om op hem te passen." Judy nam vastberaden het
kleine dikke handje van den Generaal, en opende het hek.
"Nu," sprak Pip, "ik geloof, dat we bezig zijn, er ons leelijk in te
werken. Laten wij dat maar liever niet doen!"
"Wel waarom niet?" antwoordde Judy uitdagend. "Het zal nog wel niet
zoo slecht afloopen, en, in ieder geval, wij moeten iets voor het
Aquarium overhebben. Kijk eens hoe het regent; het kind zou de kroep
of rheumatiek kunnen krijgen, als wij hem mee namen! Daar staat vader
te praten met een man dicht bij het tennisveld; ik zal stilletjes
langs de veranda loopen, en naar zijne eigen kamer gaan, en de jas en
den Generaal op zijn bed leggen; dan zal ik tegen een soldaat zeggen,
dat hij vader moet gaan vertellen, dat zijne pakketten gekomen zijn,
en terwijl dat gebeurt, vlieg ik hierheen terug, en nemen wij den tram,
om naar het Aquarium te komen."
Pip floot wederom zachtjes. Hij was gewend aan overmoedige voorstellen
van deze zuster van hem, maar dit overtrof alle vroegere. "Maar,"
zeide hij, niet recht op zijn gemak, "maar Judy, wat zal hij uitvoeren
twee uren lang met ons kleine ventje?"
"Dat is zijn zaak," antwoordde Judy gevat. "Het zou wat moois
zijn, als een vader zijn eigen kind niet twee uren lang zou kunnen
bezighouden. Naderhand, als we in het Aquarium geweest zijn, komen
we terug om hem te halen, en dan kunnen we vader zeggen, dat het zoo
regende, en dat we het beter vonden hem niet mede te nemen uit angst
voor rheumatiek, en dat we zulk eene haast hadden om den tram nog te
krijgen, en dat wij omdat hij niet in zijne kamer was, den Generaal
maar zoolang op zijn bed hadden gezet. Nu, Pip, dat is toch alles
heel eenvoudig!"
Pip keek nog altijd niet heel opgewekt. "Ik vind, dat wij het liever
niet moeten doen, Fizz!" zeide hij nog eens; "hij zal woedend zijn!"
Judy keek hem vol ongeduld aan. "Ga eens kijken of de tram al komt,"
zeide zij; en, verheugd een oogenblik uitstel te winnen, liep hij
het pad af, en keek in de richting, vanwaar de tram moest komen. Toen
hij zich omdraaide was zij verdwenen.
Hij stopte zijne handen in zijne zakken en wandelde verscheiden
malen het pad op en neer, "Fizz zal ons nog eens allemaal doen
ophangen!" gromde hij, en keek donker naar de deur in den muur door
welke zij verdwenen was.
Hij schoof zijn hoed naar achteren en beschouwde zijne laarzen,
er over peinzende, welke de gevolgen van dit nieuwe misdrijf zouden
zijn. Opeens hoorde hij een lichten voetstap naast zich.
"Ga nu mee!" zeide Judy, en trok hem bij de mouw. "Alles is in orde, ga
nu mee en laten we pret maken; heb je het geld goed bij je gestoken?"
Het was één uur, toen zij het hek uit gingen en van den heuvel naar
de halte van den tram keken.
En het was half vijf toen zij uit een naar de stad rijdenden tram
sprongen en het hek weer binnen gingen, om het hun toevertrouwde
te halen.
Welk een heerlijken middag hadden zij gehad! Eenmaal in het Aquarium,
had zelfs Pip zijn geweten tot zwijgen gebracht, en was er uitsluitend
op bedacht geweest, zooveel mogelijk plezier te hebben. En Judy
gedroeg zich als een klein dol wezen. Een shilling van haar geld gaf
ze aan de Montagne russe, de vlugge, bedwelmende beweging vond zij
"hemelsch." De eerste rit maakte Pip duizelig en draaierig, zoodat hij
een tweeden zorgvuldig vermeed, en naar Judy bleef kijken, die telkens
weer opnieuw vertrok, en hem uit het ranke kleine wagentje vroolijk toe
wuifde terwijl hij duizend angsten voor haar uitstond. Daarop huurden
zij ieder een paar rolletjesschaatsen, en vielen zich bont en blauw op
het asphalt. Toen gingen zij in de draaimolen zitten, maar Judy vond
dit een laf vermaak na de Montagne russe, en weigerde er verder geld
voor uit geven; zij vergenoegde zich met naar Pip te kijken, die rond
vloog, en beproefde hem telkens zoo lang mogelijk hard loopend bij te
houden. Zij eindigden den middag met een eene langdurige inspectie van
de visschen, deden zich te goed aan geleitaartjes van twijfelachtige
verschheid, en kochten voor twee stuivers aardnoten. En, zooals ik
reeds zeide, was het half vijf toen zij het pad opsnelden naar het
bovenste hek der kazerne.
"Ik hoop maar, dat hij zoet geweest is!" zeide Judy, terwijl zij
den knop omdraaide. "Neen, Pip jij gaat ook mede,"--want dit jonge
mensch scheen zich te willen terugtrekken. "Als je twintig schoppen
of slagen over twee verdeelt krijgt elk maar tien!"
Zij liepen langs de steenen veranda en bleven bij eene deur stil staan.
Eene kleine groep jonge officieren stond daar dicht bij te praten en
te lachen.
"Op mijn woord, het was even amusant als eene comedie, om te zien
hoe Wooly zijn jongsten spruit stevig vast hield, hem in een rijtuig
stopte, er zelf ook in ging en dit alles met een innig verontwaardigd
gezicht."
Een andere blies den rook van zijne sigaar in de lucht. "Het was een
grappige kleine baas," zeide hij. "Hij balde zijne vuistjes en duwde
er een in het oog van zijn WelEdelgestrengen; en toen schopte hij
zijn schoentje uit, en wij haastten ons allen om het op te rapen,
en het was vuil en versleten, en de oude Wooly werd langzaam geheel
rood tot achter zijne ooren, toen hij beproefde, het zijnen zoon aan
te trekken."
Eene kleine gestalte stapte opeens naar het midden der groep,--eene
kleine gestalte met een onmogelijk korten en kalen ulster, dunne,
met zwarte kousen bekleede beenen, en een grooten hoed, die een
overvloed van krullen overschaduwde.
"U spreekt over mijn vader," zeide zij, het hoofd in den nek, zeer
uit de hoogte, "ik begrijp niet, waarom u zich vroolijk maakt. Is
mijn vader hier, of hoorde ik u zeggen, dat hij is heengegaan?"
Twee der heeren keken min of meer verlegen, de derde groette beleefd.
"Het spijt mij, dat u ons gesprek gehoord heeft, Miss Woolcot!" zeide
hij op wellevenden toon. "Maar, er is geen onherstelbaar kwaad
verricht, nietwaar? Ja, uw vader is in een rijtuig vertrokken. Hij
kon niet begrijpen, hoe de kleine jongen op zijn bed kwam, en, daar
hij hem hier niet goed kon houden, veronderstel ik, dat hij hem naar
huis gebracht heeft."
Iets als eene uitdrukking van berouw kwam in Judy's heldere oogen.
"Ik vrees mijn vader in ongelegenheid gebracht te hebben!" zeide
zij kalm. "Ik heb mijn broertje hier gebracht, omdat ik niet wist,
waar ik hem een paar uur lang zou laten. Maar ik had er op gerekend,
hem zelf naar huis te brengen. Is mijn vader al lang weg?"
"Ongeveer een half uur," zeide de officier, die zijn best deed niet
te glimlachen over de ouderwetsche manieren van het kleine meisje.
"O, dank u wel. Wij zullen hem misschien nog kunnen opvangen. Kom,
Pip!" en, ernstig en uit de hoogte groetend, draaide zij zich om,
en liep met haar broeder weer langs de veranda en door het hek
naar buiten.
"Daar hebben we ons ook mooi ingewerkt!" zeide hij. Judy knikte.
"Het is zoo ongeveer het allerergste, wat wij ooit in ons leven
uitgevoerd hebben. Stel je vader voor in een rijtuig met dat kleine
kind! O goede hemel!"
Judy knikte nogmaals.
"Kan je niet spreken?" zeide hij ongeduldig. "Jij hebt ons dit
alles op den hals gehaald--ik vond het niet goed, dat we het deden;
maar natuurlijk, ik zal je niet verlaten. Alleen moet je nu zoo gauw
mogelijk een uitweg bedenken."
Judy beet op drie vingertoppen van haar rechter handschoen, en keek
treurig voor zich uit.
"We kunnen niets beginnen, Pip!" zeide zij langzaam. "Ik had niet
gedacht, dat het zoo zou eindigen. Ik geloof, dat het 't beste is,
als we maar dadelijk naar huis gaan en ons overleveren om gestraft
te worden. Hij zal te woedend zijn, om naar eene verontschuldiging
te luisteren, en dus moeten we ons maar goed houden, en afwachten,
wat hij doen zal. Het spijt mij vreeselijk, dat ik oorzaak ben,
dat de officieren om hem hebben kunnen lachen."
Pip kon zich niet langer goedhouden. Hij noemde haar een ezel en een
stommeling en een idioot, omdat zij dit gedaan had, en zij zeide in
het geheel niets terug.
Zij namen den tram, en begaven zich naar Sydney, en daarop naar de
boot. Zij kropen in een hoekje, dat zoo ver mogelijk van de kajuit
verwijderd was, en praatten met grooten ernst over den stand der
zaken. Na eene poos stond Pip op en liep wat rond om tot andere
gedachten te komen, tot hij opeens terug kwam met een doodsbleek,
strak gelaat.
"Hij is op de boot!" fluisterde hij doodelijk ontsteld.
"Waar--waar--waar? wat--wat--wat?" riep Judy.
"In de kajuit, hij kijkt zoo nijdig als een spin, en houdt den armen
kleinen Generaal zoo stevig vast, alsof hij bang was, dat hij weg
zal vliegen."
Judy keek verschrikt rond.
"Kunnen we ons niet verstoppen? Als hij ons maar niet te zien
krijgt! Het zou nu toch niets geven, of we hem vraagden, den Generaal
aan ons te geven. We zijn ingerekend, Pip--hij geeft geen kwartier."
Pip bromde iets; Judy stond op.
"Laten we naar de machine kruipen," zeide zij, "en eens kijken of
hij er erg boos uitziet."
Zij liepen met groote voorzorg over het dek, en posteerden zich zóó,
dat zij konden zien zonder gezien te worden. De lieve kleine Generaal
zat naast zijn ernstigen vader, die den rug van zijn wollen jasje
stevig vast hield. Hij zoog op zijn vuil handje, en wierp nu en dan
verlangende blikken naar zijn bruinleeren schoentje, waarop hij,
zooals hij wist, heerlijk zou kunnen bijten. Een paar maal had hij
het uitgetrokken en naar zijn mond gebracht, maar zijn vader was
tusschenbeide gekomen, en had het kleedingstuk weer, op de plaats,
waar het behoorde te zijn, dichtgeknoopt. Hij zou ook wel heel gaarne
van die akelige bank zijn gegleden, en over het dek hebben gekropen,
en hebben onderzocht, wat er al zoo onder de banken te kijk was,
en waar dat proestende geluid van daan kwam; maar hij voelde een
ijzeren greep aan zijn jasje, dien geen spartelen of wringen kon
losser maken. Geen wonder dat het arme kind ongelukkig keek!
Eindelijk legde de boot aan niet ver van Misrule, en de kapitein
stapte aan wal, zijn morsig zoontje stevig in zijne armen dragend. Hij
wandelde langzaam den rooden weg op, dien de dogcart een zes of zeven
uur geleden met zulk een opgewekten spoed afgelegd had, en Judy en Pip
volgden op een eerbiedigen--een zeer eerbiedigen--afstand. Bij het hek
zag hij hen, en wenkte hen toornig met een breeden zwaai, naderbij
te komen. Judy werd zeer bleek, maar gehoorzaamde dadelijk, en Pip,
die zijn best deed, zich goed te houden, maakte de achterhoede uit.
Later herinnerde Judy zich slechts zeer onduidelijk hetgeen gedurende
het eerstvolgende halve uur gebeurde. Zij wist, dat er een stormachtig
tooneel plaats gegrepen had, waarbij Esther en de geheele familie
haar overstelpt had met verwijten en berispingen.
Daarop kreeg Pip een pak slaag, ondanks Judy's herhaalde bekentenis,
dat alles haar schuld was, en Pip niets gedaan had. Zij herinnerde
zich, dat zij er met nieuwsgierigheid aan dacht, of zij even
voorbeeldig als Pip zou gekastijd worden, zoo toornig was haar vaders
gezicht, toen hij den jongen op zijde duwde en naar haar stond te
kijken, zijne rijzweep in de hand.
Maar hij gooide deze neer en legde zijne hand zwaar op haar schouder,
dien zij vergeefs poogde terug te trekken.
"Aanstaanden Maandag," zeide hij langzaam--"aanstaanden Maandagmorgen
ga je naar de kostschool. Esther, wees zoo goed na te zien, of Helen's
kleederen in orde zijn voor de kostschool--aanstaanden Maandagmorgen
gaat zij er heen."
HOOFDSTUK V.
AANSTAANDEN MAANDAGMORGEN.
Een koffer stond in de vestibule, en een groot, dikwijls gebruikt
valies, en er hingen adressen aan, waarop te lezen stond: "Miss Helen
Woolcot, adres de Dames Burton, Mount Victoria."
In de kinderkamer werd het ontbijt in gedrukte stemming gebruikt. Meg's
blauwe oogen waren rood en gezwollen van het schreien, en zij snoof
nu en dan hoorbaar, terwijl zij bezig was koffie te schenken. Pip
stond met de handen in de zakken op het haardkleed treurig naar een
zeker bord te kijken, en dankte voor eten of drinken; de Generaal
zat vroolijk met zijn drinkkroes op zijn bord te slaan; en Bunby at
suffend zijn boterham op.