ETHEL TURNER
ZEVEN KLEINE AUSTRALIËRS
Naar den 3en druk uit het Engelsch bewerkt
DOOR
MARIE TEN BRINK
Geïllustreerd door A. J. Johnson
GOUDA
G. B. van GOOR ZONEN
AAN
MIJNE MOEDER.
E. S. Turner,
Lindfield, Sydney.
INHOUD.
Bladz.
EEN WOORD VOORAF XI
HOOFDSTUK I.
HOOFDZAKELIJK BESCHRIJVEND 1
HOOFDSTUK II.
GEBRADEN KIP 14
HOOFDSTUK III.
DE DEUGD WORDT NIET ALTIJD BELOOND 24
HOOFDSTUK IV.
DE GENERAAL IN DE KAZERNE 49
HOOFDSTUK V.
AANSTAANDEN MAANDAGMORGEN 72
HOOFDSTUK VI.
HOE SCHOON IS DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR! 82
HOOFDSTUK VII.
"WAT ZEGT GE VAN EEN VERLIEFD HART?" 96
HOOFDSTUK VIII.
EEN CATAPULT EN EENE CATASTROPHE 119
HOOFDSTUK IX.
GEVOLGEN 131
HOOFDSTUK X.
BUNBY ALS HELD 138
HOOFDSTUK XI.
EENE VLUCHTELING 159
HOOFDSTUK XII.
ZWIEP, ZWIEP! 172
HOOFDSTUK XIII.
ONGENOODE GASTEN 187
HOOFDSTUK XIV.
DE UITNOODIGING VAN DEN SQUATTER 202
HOOFDSTUK XV.
DRIEHONDERD MIJLEN IN DEN TREIN 214
HOOFDSTUK XVI.
YARRAHAPPINI 230
HOOFDSTUK XVII.
DE KUDDEN VAN YARRAHAPPINI 242
HOOFDSTUK XVIII.
DE PICNIC TE KRANGI-BAHTOO 254
HOOFDSTUK XIX.
EEN LICHTBLAUW HAARLINT 272
HOOFDSTUK XX.
JUDY 284
HOOFDSTUK XXI.
TOEN DE ZON ONDERGING 295
HOOFDSTUK XXII.
HET LAATSTE HOOFDSTUK 303
EEN WOORD VOORAF.
"Seven little Australians" heeft Miss Ethel Turner het boek
genoemd, dat thans in Nederlandsche vertaling verschijnt. "Zeven
kleine Australiërs" heb ik dus boven het verhaal geschreven, dat de
geschiedenis bevat der kinderen van den bij Sidney wonenden kapitein
Woolcot.
Steeds verdiept onze jeugd zich nog gaarne in het aangenaam, frisch
geschreven verhaal "Helen's Kleintjes", en zouden er wel vele jonge
meisjes bij ons gevonden worden, die niet heerlijke uren hadden
doorgebracht met het lezen van Louise Alcott's boeken? Welnu,
aan allen, die in dergelijke lectuur genoegen scheppen, draag ik de
"Zeven kleine Australiërs" op.
Trouwens, dat men in Engeland dezelfde opvatting van Miss Turner's
wijze van schrijven heeft, bewijst hetgeen een Londensch blad, The
Queen zegt:
.... "het is bestemd om de harten van jong en oud te winnen evenals
"Helen's Babies" ze won", en wat de Westminster Gazette schrijft:
"Miss Turner is op weg om voor Australië en dan voor de wereld in
het algemeen datgene te worden, wat de schrijfster van "Little Women"
gedurende eenige geslachten voor Amerika was, en voor kinderen zoowel
als voor volwassenen over de geheele wereld. "Seven little Australians"
is zulk een allerliefst verhaal, dat wij met vreugde het vervolg hierop
"The Family at Misrule" begroeten. Het zijn weer de "zeven", en meer
dan ooit worden wij geboeid door hunne guitenstreken en afdwalingen
en hunne goede daden. Wij kennen geen opwekkender, gezonder lectuur
dan deze."
Miss Ethel Turner heeft dus een vervolg op haar "Seven little
Australians" geschreven, en voor al wie de geschiedenis van Meg, het
droomerige, zestienjarige meisje in wie zoovele goede eigenschappen
sluimeren; van Pip, haar flinken broeder; van Judy, wier dood door
zelfopoffering men niet dan met groote aandoening kan lezen; van
Nellie, van den zwakken, helaas dikwijls onoprechten Bunby, van Baby en
van den steeds vroolijken jongste, den "Generaal" met belangstelling
heeft gelezen, zal dit eene welkome tijding zijn. Weldra zal ook dit
vervolg in het Nederlandsch het licht zien.
Ten slotte nog eenige aanhalingen uit beoordeelingen der Engelsche
pers: The Standard zegt van Miss Turner's eerste werk:
"De bekoorlijkheid van dit boek bestaat in zijn eenvoudigen, gepasten
stijl, in de afwisseling van ernst en luim. Wij aarzelen niet het de
eerste plaats onder de nieuw uitgekomen boeken te geven."
In de Graphic leest men, dat het is:
"Een treffend beeld uit het kinderleven."
The Sketch zegt van Miss Turner:
"Zij heeft een ongeëvenaard succes met haar allerliefst verhaal uit
het kinderleven: "Seven little Australians" behaald. Het boek heeft
in Australië een buitengewonen opgang gemaakt, en heeft in Engeland
de warme bewondering van verscheidene uitstekende letterkundigen
verworven."
Moge Miss Turner's boek in Nederland een even goed onthaal vinden
als in Australië en Engeland.
Marie ten Brink.
Leiden.
HOOFDSTUK I.
HOOFDZAKELIJK BESCHRIJVEND.
Alvorens gij u in deze geschiedenis gaat verdiepen, zou ik u eerst
even willen waarschuwen.
Wanneer ge u verbeeldt, dat ge zult lezen van modelkinderen, met
misschien een er tusschen, die neiging toont, om wel eens ondeugend
te zijn, alleen om eene leerrijke tegenstelling te vormen, dan
doet gij beter met dit boek dadelijk op zijde te leggen en u in de
"Geschiedenis van den Braven Hendrik" of een dergelijk standaardwerk
voor de jeugd te verdiepen. Geen enkele van de zeven is volmaakt braaf,
wegens de zeer goede reden, dat Australische kinderen dit nooit zijn.
In Engeland, in Amerika, in Afrika, in Azië, mag het jonge volkje
toonbeelden van deugd zijn, ik weet er weinig van.
Maar in Australië is een modelkind--ik zeg het niet zonder
dankbaarheid--een onbekend verschijnsel.
Het is mogelijk, dat de miasmen van de ondeugendheid zich het best in
onze van zonnegloed doortintelde, zuivere atmospheer ontwikkelen. Het
is mogelijk, dat land en volk gelijkelijk jong van hart zijn, en er
geen schaduw op het gemoedsleven der kinderen geworpen wordt door de
treurige geschiedenis van lang vervlogen jaren.
Er is hier eene smeulende vonk van vroolijkheid en verzet en kwaad
in de natuur, en daarom ook in de kinderen.
Dikwijls wordt het licht dof en de schitterende tinten verwelken
tot onzijdige kleuren in het stof en de hitte van den dag. Maar als
deze oproerige neiging gedurende vrije dagen en schooldagen blijft
aanhouden, dan beslissen de omstandigheden alleen er over of de
electrische vonk de weerbarstigen tot allerlei ongerechtigheden zal
aanzetten, of de harten zal verwarmen van de moedige, eenvoudige,
oprechte menschen die alléén Australië kunnen "groot maken".
Maar genoeg hierover. Laat mij u vertellen van mijne zeven uitgelezen
kinderen. Op dit oogenblik zullen zij thee gaan drinken met een
minimum van comfort en een maximum van rumoer, dus, wanneer gij een
oorverdoovend geraas van stemmen en een onharmonisch gerinkel met
kopjes en schotels kunt velen, zal ik u mede naar binnen nemen en
hen aan u voorstellen.
Het theeuurtje der kinderen is meer eene Engelsche dan
eene Australische instelling; er heerscht hier bij ons een
vriendschappelijke geest onder ouders en kinderen, en eene volkomen
afwezigheid van onderdanigheid aan den kant der laatsten. Zelfs in
de voornaamste families gebeurt het zelden, dat de ouders in eenzame
plechtstatigheid een maal gebruiken, terwijl de kinderen in eene andere
kamer thee zonder veel meer wordt voorgezet: zij plaatsen zich allen
om dezelfde tafel, en de kinderen bedienen zich van de schotels,
die voor allen bestemd zijn, en handhaven krachtig hun recht, aan
het gesprek deel te nemen.
Maar, wanneer nu de vader zeer lastig en min of meer prikkelbaar
is, en zijne zeven kinderen uitstekende longen en onvermoeibare
tongetjes hebben, is het dan niet het beste, dat elk der partijen
eene afzonderlijke kamer heeft om de maaltijden te gebruiken?
Kapitein Woolcot, de vader, had, in overeenstemming met deze scheiding,
het dikke vilt over de vleugeldeur boven laten aanbrengen, maar het
rumoer kwam desniettegenstaande onbezorgd in een stroom van vroolijke
klanken naar beneden, naar de eetkamer.
Het vertrek, waar de kinderen zich ophielden, was buitendien eene
kinderkamer zonder kinderjuffrouw, en dit verklaart ten deele
dezen toestand. Meg, de oudste, was eerst zestien; van haar kon
men redelijkerwijze niet verwachten, dat zij veel ontzag inboezemde,
buitendien had het slordige maar goedhartige meisje, op wie de plichten
van kinderjuffrouw en kamermeisje rustten, zooveel te doen in deze
laatste hoedanigheid, dat de eerste er aanmerkelijk onder leed. Zij
zorgde voor de maaltijden der kinderen, wanneer geen der kleine meisjes
te vinden was om haar te helpen, en de kleertjes van de twee jongsten
knoopte zij 's morgens dicht, maar behalve dit moesten al de kinderen
maar zien zich zelf te helpen.
En de moeder? zult ge vragen.
O, zij was niet ouder dan twintig--net een vroolijk, jong meisje,
die zij allen aanbaden, en die maar heel weinig deftiger en maar
weinig meer van een huismoedertje had dan Meg. Alleen de jongste van
het troepje was haar kind, maar zij scheen evenveel van de andere
zes te houden, en behandelde den jongste meer alsof het een grappig
klein poesje dan een heusche levende baby was, en haar eigen kindje.
Het is waar dat op Misrule--dit is de naam waaronder het huis in de
wandeling bekend was, hoewel ik geloof dat er een andere boven het
balkon geschilderd stond--scheen deze baby een speelpopje voor een
ieder te zijn. De kapitein begon gewoonlijk te lachen, als hij hem zag,
hief hem hoog in de lucht, en gaf hem dan snel aan een ander over.
De kinderen sleepten hem overal mede heen, lieten hem ontelbare malen
vallen, vergaten zijn jasje op vochtige dagen, stopten hem goed in
als het warm was, gaven hem de vreemdsoortigste dingen te eten,
en toch was hij de gezondste, aardigste, tevredenste kleine man,
die ooit op een klein dik duimpje gezogen heeft.
Ook noemde men hem nooit "baby"; dit was de bijzondere naam van op
één na het jongste. Kapitein Woolcot had gezegd: "Wel zoo, is dat
de generaal?" toen het kleine, roode, staroogende wezentje in zijne
armen werd gelegd, en deze naam was in dagelijksch gebruik gekomen,
ofschoon ik geloof, dat de dominee bij de doopplechtigheid zoo iets
gezegd heeft van Francis Rupert Burnand Woolcot.
Baby was vier, en was een zacht klein dik meisje, met lieve vleiende
maniertjes, groote glimlachende oogjes en lipjes, die tot kussen
noodigden, als zij tenminste niet bedekt waren met jam.
Had zij niet eene soort van liefhebberij gehad, om den Generaal aan het
schreien te maken, dan was zij bijna een modelkind geweest. Ontelbare
malen was zij overvallen, terwijl zij bezig was zijn arme kleine
borst in te drukken om hem te laten "piepen", terwijl zij in zijne
kleine armpjes kneep of aan zijn onschuldigen neus rukte, alleen maar
om het vreemde genot te hebben van de wanhoopskreten te hooren, die
hij dan dadelijk uitstootte. Kapitein Woolcot schreef de oorzaak van
deze zonderlinge neiging aan het feit toe, dat het kind eens een log
wollen lammetje gehad had, aan hetwelk het stevigste drukken alleen
maar een zeer flauw piepend geluid had kunnen ontlokken: hij zeide,
dat het niet anders dan natuurlijk was dat zij, nu zij iets had,
dat zich zoo gemakkelijk indrukken liet, dit ook daarvoor gebruikte.
Bunby was zes, en was dik en lui. Hij vond in het veld staan bij het
cricketspel afschuwelijk, hij verfoeide zelfs het woord paardjespelen,
en als er sprake was van eene boodschap, wel, eer iemand nog gereed
was met te zeggen, dat hij dit of dat gaarne gehaald had, was Bunby
reeds lang verdwenen. Hij was klein voor zijn leeftijd en ik geloof
niet, dat iemand hem ooit gezien heeft met een schoon gelaat. Zelfs
in de kerk was alleen dat gedeelte, dat juist naar den dominee gekeerd
was, tamelijk schoon, maar de menschen in de banken achter hem hadden
altijd een ongestoord gezicht op de zwarte grens, die de spons niet
overschreden had.
De volgende van de rij--ik klim, zooals ge ziet, van beneden naar
boven--was het "pronkjuweel" der Woolcots, zooals Pip, de oudste
jongen, zeide. Ge hebt wel eens op Kerstmiskaartjes, die engeltjes met
ideale kindergezichten gezien? Ik denk, dat de teekenaar juist van Nell
gedroomd had, en toen zijn visioen onvolkomen heeft weergegeven. Zij
was tien, was slank en sierlijk als een elfje, had goudachtig haar,
dat in wonderschoone golven en krullen langs haar gezichtje hing,
zachte lichtbruine oogen en een rozeknopje van een mondje. Zij had
volstrekt geen eigendunk, daar zorgden haar broertjes en zusjes wel
voor,--Pip zou zulk eene neiging in hare eerste uiting onderdrukt
hebben,--maar toch, als er een mooi lintje over was, of een lap fraai
gekleurde stof juist groot genoeg voor een klein jurkje, dàn was het
als eene van zelf sprekende zaak voor haar.
Judy was slechts drie jaar ouder, maar vormde met haar het grootst
mogelijke contrast. Nellie was in al hare bewegingen langzaam,
en kon in iedere houding een waardig model voor een schilderijtje
zijn. Judy was, geloof ik, nog nooit wandelend gezien, en zag er
zelden teekenachtig uit. Wanneer zij niet als eene dwaze naar de
plek toe stormde, die zij wenschte te bereiken, dan ging zij er al
springende, dansende en huppelende heen. Zij was zeer mager, zooals
gewoonlijk kinderen en menschen, die kwikzilver in plaats van bloed
in hunne aderen hebben; zij had een klein, levendig, sproetig gezicht
met schitterende donkere oogen, een kleinen, vastberaden mond, en
een overvloed van woest, krullend donker haar, dat de plaag van haar
leven was.
Zonder twijfel was zij de lastigste van de zeven kinderen,
waarschijnlijk omdat zij de schranderste was. Hare vernuftige invallen
brachten hen allen telkens in verlegenheid, zij nam bedaard de schuld
van alles op zich, en menigmaal gebeurde het, dat de andere kinderen
haar stormachtig verweten, hen tot het een of ander kattekwaad
aangezet te hebben. Zij was "Helen" gedoopt geworden, dat in geenen
deele verantwoordelijk is voor "Judy" [1], maar kan men bijnamen
eigenlijk wel voor iets verantwoordelijk stellen? Bunby zeide,
dat zij zoo genoemd werd, omdat zij altijd haar bovenlijf voor- en
achterover wierp en met hare armen en beenen zwaaide als de beroemde
vrouw van Punch; daar mag wel iets van aan geweest zijn. Haar andere
naam "Fizz" is gemakkelijker te begrijpen; Pip placht te zeggen,
dat hij nog nooit gemberbier gezien had dat bruisend en borrelend
half zooveel leven maakte als Judy.
Pip heb ik nog niet aan u voorgesteld, is het wel? Hij geleek een
weinig op Judy, maar was knapper en grooter, en hij was veertien
jaar, en had even goed zijne eigen meening, en koesterde eene even
groote geringschatting voor meisjes, als jongens van zijn leeftijd
dit gewoonlijk doen.
Meg was de oudste van de familie, en had eene mooie lange vlecht
waaraan Bunby met het grootste genoegen kon trekken, een zacht,
droomerig gezichtje, dat geheel bedekt was met kleine, niet leelijke
sproeten, waarover zij menigmaal van dezen en genen iets moest hooren.
Door de leden van het gezin werd algemeen geloofd, dat zij gedichten
en verhalen schreef, en zelfs een dagboek hield, maar niemand had
ooit een spoor van hare papieren gezien, zoo zorgvuldig hield zij ze
in haar ouden blikken hoedendoos weggesloten. Hadt gij hen naar hun
vader gevraagd, dan zouden zij u allen met grooten trots geantwoord
hebben, dat hij "een militair" en door zijne bezigheden niet vaak
thuis te vinden was. Hij begreep niets van kinderen, en was altijd
aan het brommen over het rumoer dat zij maakten en het geld, dat
zij kostten. Toch geloof ik, dat hij wel wat trotsch was op Pip en
soms, als Nellie aardig aangekleed was, nam hij haar met zich mede
in zijn dogcart.
Hij had, toen hij zijn jong vrouwtje zijne woning binnenleidde, haar
voorgesteld, hen alle zes naar eene kostschool te zenden, maar zij
had daar niets van willen hooren.
Eerst hadden zij geprobeerd in de kazerne te wonen, maar na eenigen
tijd werd in het officierskwartier een ieders verontwaardiging gewekt
door de guitenstreken van "die ongezeggelijke kinderen", en dus nam
kapitein Woolcot een huis buiten de stad, aan de Parramatta gelegen,
en bracht zijn gezin in eene bitter booze stemming daarheen.
De kinderen vonden de verandering verrukkelijk, want er was eene groote
wildernis als tuin, twee of drie grasvelden, ontelbare donkere hoekjes
waarin men zich kon verbergen bij het verstoppertje spelen, en, het
beste van alles, de rivier. Hun vader hield drie mooie paarden, een
in de kazerne en een rijpaard en een goed koetspaard op Misrule; en
de kinderen--niet dat zij dit anders zouden gewenscht hebben--liepen
in afgedragen kleeren, waar hunne ellebogen doorheen keken, en op
oude schoenen. Zij werden onderwezen--allen behalve Pip, die naar de
Latijnsche school ging--door eene gouvernante van den derden rang,
die dagelijks bij hen kwam, en altijd in doodelijken angst leefde,
dat hare onwetendheid door hare leerlingen zou ontdekt worden. Als
van zelf spreekt, hadden zij haar reeds lang doorzien, maar deze
toestand strookte volkomen met hunne neiging, om niet te veel tot
werken aangezet te worden, en vooral niet te veel te moeten leeren,
en dus zwegen zij hierover met de grootste nauwgezetheid.
HOOFDSTUK II.
GEBRADEN KIP.
Ik hoop, dat ge nog niet geheel doof zijt geworden, want hoewel
wij gereed zijn met voorstellen, is het theedrinken nog lang niet
afgeloopen, en dus moeten wij nog een poosje in de kinderkamer
blijven. Gedurende al den tijd, dat ik gepraat heb, is Pip aan het
brommen geweest, omdat er niets bijzonders was. Het is waar, dat de
tafel er niet zeer aanlokkelijk uitzag: het servet scheen er maar op
goed geluk over heen geworpen, de kopjes en schotels waren gebarsten
en beschadigd, de thee zeer slap, en er was niets om te eten dan dikke
boterhammen. Toch was alles als gewoonlijk, en ieder scheen verbaasd
over Pip's ontboezeming.
"Vader en Esther" (zij noemden hunne jonge stiefmoeder allen bij haar
voornaam) "hebben gebraden gevogelte, drie groenten, en vier soorten
pudding," zeide hij boos; "het is wat moois!"
"Maar wij hebben om één uur ons middageten gehad, Pip, en voor jou
is als gewoonlijk eten bewaard," zeide Meg, terwijl zij bij de thee
die zij schonk, met kwistige hand warm water en suiker voegde.
"Schapenvleesch en wortelen en rijstpudding!" antwoordde haar broeder
verdrietig: "Waarom krijgen wij geen gebraden gevogelte en vlade
en dessert?"
"Ja, waarom krijgen wij daar niets van?" klonk als echo de stem van
de kleine gulzige Bunby, terwijl zijne oogen begonnen te schitteren.
"Wat zou er dan veel moeten zijn voor ons allen!" zeide Meg, blijmoedig
het mes in het groote brood zettende.
"Wij zijn maar kinderen--laten wij dankbaar zijn voor deze heerlijke
dikke boterhammen en dezen overvloed van zachte boter!" zeide Judy,
met een wijs gezichtje.
Pip schoof zijn stoel van de tafel af.
"Ik ga naar beneden en vraag om een stukje kip!" zeide hij met een
vastberaden blik. "Ik ruik nog den geheelen tijd den heerlijken geur
er van, en er staat een massa op de tafel, ik heb het door een kier
van de deur gezien."
Hij nam zijn bord, liep naar beneden, en kwam weldra, tot een ieders
verwondering, met eene groote portie terug.
"Hij kon mij niet best afschepen," grinnikte hij. "Kolonel Bryant is
ten eten; maar hij keek wel een beetje woedend,--hier, Fizz, ik zal
met je deelen."
Judy schoof haar bord gretig bij, toen haar dit ongewoon grootmoedige
aanbod gedaan werd, en ontving een heel klein stukje, een vijfde deel,
met groote dankbaarheid.
"Ik houd zoo bijzonder veel van kip!" zeide Nell smachtend. "Ik heb
grooten lust om naar beneden te gaan en om een boutje te vragen--ik
geloof, dat hij het mij wel zal geven."
Deze oneerbiedige kinderen zeiden, zooals ge reeds zult gemerkt hebben,
van hun vader sprekende altijd "hij."
"Ja, doe dat!" zeide Pip, en er schitterde iets in zijne oogen.
Nell nam een ander bord, en vertrok langzaam naar de lagere
gewesten. Zij liep de eetkamer binnen onmiddellijk achter het
dienstmeisje, en stond naast haar vader, haar bord achter zich houdend.
"Wel, kleine meid, wil je mij niet een handje geven? Hoe heet
je?" zeide kolonel Bryant, en klopte haar vriendelijk op de wang.
Nell keek op met een schuwen, lieftalligen blik.
"Elinor Woolcot, maar iedereen noemt mij Nell," zeide zij, en stak
hare linker hand uit, daar de rechter het bord vasthield.
"Wel Nell, zijn dat nu manieren!" sprak haar vader lachend, maar hij
zag haar een oogenblik ontevreden aan. "Waar is je rechter hand?"
Zij nam haar arm langzaam van haar rug weg en toonde het oude,
gebarsten bord. "Ik dacht, dat u mij misschien ook een stukje kip
zou willen geven," zeide zij,--"met een pootje of een vleugel of een
stukje wit vleesch zou ik al blij zijn."
De kapitein fronste zijn voorhoofd. "Wat beduidt dat! Pip is zooeven
ook hier geweest. Hebben jelui niets te eten in de kinderkamer?"
"Alleen heel dikke boterhammen!" zuchtte Nellie. Esther onderdrukte
met moeite een glimlach.
"Maar jelui hebt je middageten gehad om één uur!"
"Schapenvleesch en wortelen en rijstpudding!" zeide Nellie treurig.
Kapitein Woolcot nam bijna toornig een kippebout en legde hem op
haar bord.
"Ga nu heen! Ik begrijp niet, wat jelui beiden van avond hebt!"
Nellie was reeds bij de deur gekomen, en keerde toen weer terug.
"Zou u mij niet een vleugel voor Meg willen geven? Judy heeft wat
van Pip gekregen, maar Meg heeft niets!" zeide zij, met zulk een
smeekenden, ongelukkigen blik, dat kolonel Bryant er geheel door
getroffen werd.
Haar vader beet zich op de lip, hakte met onheilspellend stilzwijgen
een vleugel af, en legde dien op haar bord.
"Nu, ga nu heen, en laat ik verder geen last meer van je hebben,
lieve kind!" De laatste woorden werden met groote zelfbeheersching
uitgesproken. Nell's verschijning in de kinderkamer met twee porties
kip werd met uitbundige juichkreten begroet. Meg was opgetogen over
haar deel, sneed een stukje er af voor Baby, en het maal werd vroolijk
voortgezet.
"Waar is Bunby?" zeide Nell opeens, met een zeer schoon afgekluifd
beentje tusschen haar vingers, "ik hoop toch maar, dat hij ook niet
naar beneden gegaan is; ik geloof heusch, dat vader het toch niet
aardig vond, vooral omdat die vreemde man er bij was."
Maar deze kleine heer had dat werkelijk gedaan, en kwam, geheel uit
het veld geslagen terug.
"Hij wilde mij niets geven,--hij zeide mij, dat ik weg moest gaan,
en die vreemde man lachte, en Esther zeide, dat wij heel ondeugend
waren,--maar ik heb toch een paar gebakken aardappels van de tafel
buiten de deur kunnen nemen."
Hij opende zijne vuile handjes en liet de onsmakelijke lekkernij op
het servet vallen.
"Bunby, je bent een kleine vuilpoets," zuchtte Meg, terwijl zij van
haar boek opzag. Zij las altijd gedurende de maaltijden, en van het
verhaal, waar zij nu aan bezig was, waren een paar hoogst beschaafde,
uiterst elegante jonge meisjes de heldinnen.
"Je bent zelf een vuilpoets! Jelui hebt allemaal kip gehad behalve ik,
akelige kinderen!" antwoordde Bunby kribbig, en at met groote haast
zijne aardappels op.
"Neen de Generaal heeft niets gehad!" zeide Judy, en uit hare donkere
oogen keek met eene plotselinge flikkering al hare oude ondeugendheid.
"Nu, nu Judy!" zeide Meg waarschuwend; zij wist maar al te goed wat
die flikkering beduidde.
"O, ik zal je geen kwaad doen, lieve oudste zuster!" zeide mejuffrouw
Judy, terwijl zij door de kamer danste en in het voorbijgaan Meg een
tikje op het hoofd gaf. "Ik wilde alleen maar zorgen, dat die arme
kleine Generaal ook een beetje plezier heeft!"
Zij tilde hem uit zijne hoogen stoel, waarin hij aan de tafel gegeten
had, hard op het blad slaande met een lepel, en suiker etende in
de tusschenpoozen.
"Nu zal je eens wat beleven, mijn Generaaltje!" zeide zij; en sprong
met hem naar de deur.
"O, Judy, wat ga je nu beginnen?" riep Meg klagend.
"Ju-Ju!" kraaide de Generaal, terwijl hij bijna uit Judy's armen gleed,
en hem een voorgevoel van pret doorstraalde.
Zij gingen de trap af, de andere vijf hen achterna om vooral niets te
verliezen, van wat er gebeuren zou. Judy ging met hem op de onderste
trede zitten.
"Houdt mijn kleine vent wel van kippen, lieve kippetjes?" zeide
zij arglistig.
"Kip, kip! Kip, kip!" stootte hij uit, en keek om zich heen, of hij
zijne vriendjes niet ontdekte.
"Vadertje heeft er eene heele menigte, zóóveel," zeide Judy, en zij
spreidde hare armen wijd uit, om een denkbeeld te geven van het aantal,
dat in haar vaders bezit was. "Ga ze maar eens gauw zoeken!"
"Kip, kip!" riep de Generaal verrukt, terwijl het hem eindelijk
gelukte, op den grond te springen, "kip, kip zoeken!"
"Ga maar naar binnen!" fluisterde Judy, hem een duwtje gevende,
zoodat hij in de half geopende deur der eetkamer te staan kwam;
"vraag maar aan vader!"
Het kind kwam midden door de kamer op zijne dikke, onvaste beentjes
aangedribbeld.
"Zijn de kinderen van avond allemaal niet wijs, Esther?" zeide de
kapitein, toen zijn jongste zoon zich woest aan zijn been vastklemde
en beproefde, omhoog te klimmen.
Hij keek in het kleine, vuile, ronde gezichtje. "Wel Generaal,
waaraan hebben wij de eer van jou tegenwoordigheid te danken?"
"Kip, kip, kip, kip!" riep de Generaal. Hij wierp zich op handen en
voeten, en begon kruipende te zoeken naar de gevederde lievelingen,
die volgens Judy's zeggen hier moesten zijn.
Maar Esther nam de lieve, kleine booswicht met het vuile gezichtje op,
en bracht hem, hoewel hij stevig tegenspartelde, buiten de kamer. Bij
de trap gekomen struikelde zij bijna over de rest van het troepje.
"O, jelui ondeugende kinderen, jelui stoute, lastige kinderen!" zeide
zij, terwijl zij de hand uitstrekte om hen om de ooren te geven,
en natuurlijk niemand raakte.
Zij ging even op de benedenste trede zitten, om één oogenblik te
schaterlachen, daarop gaf zij den Generaal aan Pip over.
"Morgen," zeide zij, opstaande en haastig het zware haar glad
strijkende, waarin de handjes van den Generaal gewoeld hadden,
"morgen krijgen jelui allemaal met den bezemsteel!"
Zij zagen den sleep van hare geel zijden japon weer in de eetkamer
verdwijnen, en gingen langzaam naar de kinderkamer terug, om verder
thee te drinken.
HOOFDSTUK III.
DE DEUGD WORDT NIET ALTIJD BELOOND.
Het was niet waarschijnlijk, dat zulk eene gebeurtenis zonder gevolgen
voorbij zou gaan, maar aan den anderen kant is het ook weer moeielijk,
zeven kinderen tegelijk te straffen. Eerst had Kapitein Woolcot aan
Esther opgedragen om Miss Marsh, de gouvernante, te zeggen, dat zij
hen allen tien Fransche werkwoorden moest laten leeren; maar, hierin
had Judy gelijk, de Generaal en Baby en Bunby en Nell waren nog niet
zoo ver, dat zij eenig begrip hadden van Fransche werkwoorden, en dus
zou zulk eene straf niet doeltreffend zijn. Het vonnis was dus tot nu
toe nog niet geveld, en een ieder bevond zich in een onbehagelijken
toestand van angstige, drukkende spanning.
"Jelui vader zegt, dat jelui schandelijk ondeugend bent!" zeide de
jonge stiefmoeder langzaam, toen zij een dag later in de kinderkamer in
een schommelstoel zat. Zij droeg eene morgenjapon van witte mousseline
met kersrood lint, maar op eene of twee plaatsen deed een speld dienst
voor een knoop en de kant van den sleep was hier en daar afgetrapt.
"Meg, je ziet er vreeselijk slordig uit, en Judy moest zich schamen,
zoo voor den dag te durven komen!"
Meg was gekleed in een slecht zittende, groen kasjmiren japon,
waarvan de ellebogen versleten en het peluche op verscheidene plaatsen
losgetornd was, terwijl Judy's vreeselijk nauw en verlept rose zephyr
kleedje overal scheuren had, en de kleur nauwelijks meer te zien was
van de vruchtenvlekken.
Meg bloosde even. "Ik weet het wel, Esther, en ik zou ook wel graag
mooi gekleed willen zijn, maar het is heusch niet de moeite waard,
om die oude japon nog te maken."
Zij nam het boek over de elegante jonge dames, dat hare tevreden
stemming dreigde te verstoren, weer op, en ging er mede naar den
armstoel.
"Judy, jij gaat die scheuren maken en zet knoopen aan je lijfje!" sprak
Esther met ongewone vastheid.
Judy's oogen glinsterden en schitterden.
"Is dat een dolk, wat ik voor mij zie, en is 't gevest naar mijne hand
gekeerd?" zeide zij onbeschaamd, greep een van de spelden van Esther's
japon, bevestigde hem aan haar eigen kleedje, en maakte eene buiging.
Esther kleurde nu toch even.
"Dat doet de Generaal, Judy! Hij trekt altijd aan mijne knoopen,
als ik met hem speel! Maar, daar had ik haast wat vergeten. Kinderen,
ik heb slecht nieuws voor jelui!"
Er ontstond eene ademlooze stilte. Allen schaarden zich om haar heen.
"Het vonnis is geveld!" zeide Judy pathetisch: "laten wij ons de
haren afsnijden en boetgewaden aantrekken!"
"Jelui vader zegt, dat hij zulk een gedrag niet ongestraft kan laten,
en omdat jelui gisteren buitengewoon lastig geweest zijn, zullen
jelui allen--"
"Worden weggesleept en opgehangen!"
"Wees stil, Judy! Ik verzeker je, dat ik voor jelui gepleit heb,
maar dit ontstemde hem nog meer. Hij zegt, dat jelui de slordigste,
bandelooste kinderen zijn van geheel Sidney, en hij zal jelui iederen
keer straffen, als je iets ondeugends doet, en--"
"Daar zal geween zijn en knarsing der tanden."
"Ach, houd toch je mond, Judy! Wij kunnen immers niets verstaan!"
Pip legde zijne hand op haar mond en hield haar bij de haren vast,
terwijl Esther hare mededeeling deed.
"Geen een van jelui gaat naar de pantomime. Er waren plaatsen genomen
voor Donderdagavond, en nu zullen jelui allen thuis moeten blijven."
Gedurende een minuut of twee weerklonk een luid gejammer. Zij
hadden zich bijna een maand lang op dezen uitgang verheugd, en de
teleurstelling was voor hen allen zeer groot.
"O, Esther, dat is te erg! Alle jongens van school zijn er al
geweest!" Pip's aardige gezicht werd rood van spijt. "En dat voor
zoo'n kleinigheid!"
"Alleen, omdat er gebraden kip voor het diner was!" zeide Judy, met
half verstikte stem. "O, Esther, waarom was er geen rundvleesch,
of paardevleesch of hippopotamusvleesch--of wat ook, als het maar
geen gebraden kip was?"
"Zou je hem niet kunnen bepraten, Esther?" Meg keek angstig naar haar.
"Lieve Esther, probeer het!"
"Ja, lieve, beste Esther, probeer het!"
Zij klemden zich allen aan haar vast. Baby sloeg hare armen om haar
hals en deed haar bijna stikken; Nell streelde hare wang; Pip klopte
haar op den rug, en smeekte haar een lieve meid te zijn; Bunby
begroef zijn neus in haar zwart haar en weende eene stille traan;
Meg sloeg hare handen in een aanval van mistroostigheid ineen; de
Generaal stootte eene serie van verrukte gilletjes uit; en Judy in
hare wanhoop kuste hem dat het klapte.
Esther zou haar best doen, smeeken, als zij nog nooit gesmeekt
had, vleien, bedelen, volhouden, dreigen; en door deze belofte
gerustgesteld, lieten zij haar eindelijk gaan.
"Alleen raad ik jelui aan, bovennatuurlijk stil en lief te zijn
den geheelen dag!" zeide zij omkijkende, toen zij reeds in de gang
was. "Dat zal den meesten invloed hebben, vooral daar wij den geheelen
dag thuis zijn."
Lief! Het was werkelijk pijnlijk om de deugdzaamheid dezer kinderen
gedurende het overige gedeelte van den dag op te merken.
Zij hadden een vrijen middag, en Miss Marsh was er niet, maar geen
enkel maal kwam het geluid van een twist, of van gelach, of van
geschrei, naar de lagere gewesten gezweefd.
"Burgers van Rome, de oogen der wereld rusten op u!" had Judy plechtig
gezegd, en allen hadden beloofd zich zóó te gedragen, dat hun vaders
hart wel moest vermurwd worden.
Pip trok zijn schooljasje aan, kamde zijn haar, nam een stapel
schoolboeken, en ging naar de studeerkamer, waar zijn vader brieven
zat te schrijven, en waar hij altijd zijn werk mocht komen maken.
"Wat wilde je?" vraagde de kapitein terwijl hij zijne wenkbrauwen
fronste. "Je behoeft mij niet aan te komen met een verzoek om dien
jongen hond te mogen houden--ik geef je er toch geene toestemming toe."
"Ik kom om te werken, vader!" zeide Pip ootmoedig, "ik voel, dat
ik wat ten achteren ben met rekenen: daarom wilde ik op mijne vrije
middagen sommen maken, vooral daar ik u zooveel aan schoolgeld kost."
De kapitein liet een zwakken uitroep hooren, en keek Pip opmerkzaam
aan; maar het gezicht van den jongen was zoo strak en ernstig, dat
hij ontwapend werd, en zich heimelijk gelukwenschte, dat zijn oudste
zoon eindelijk tot inzicht kwam.
"De sommen, die ik gemaakt heb, toen ik op school ging, liggen in dien
kast!" zeide hij vriendelijk. "Als ze je van eenig nut kunnen zijn,
dan mag je ze er uit nemen."
"Als het u blieft--zij zullen mij zeker van groot nut zijn!" zeide
Pip dankbaar.
Hij bladerde in de schriften en op zijn gezicht was duidelijk
bewondering te lezen.
"Hoe netjes en nauwkeurig werkte u, vader!" zeide hij met een
zucht. "Ik ben benieuwd of ik het ooit zoo ver zal brengen. Hoe oud
was u, vader, toen u dit schreef?"
"Ongeveer zoo oud als jij nu!" zeide de kapitein, de papieren in
zijne hand nemende.
Hij keek ze door met zijn hoofd op één schouder. Hij was min of meer
trotsch op dit werk, en zag dat hij geheel vergeten was hoe decimale
breuken uitgewerkt moesten worden, en dat hij, al had hij er zijn leven
door kunnen redden, geene vierkantsvergelijking meer zou kunnen maken.
"In ieder geval behoeft dit je niet te ontmoedigen, Pip. Ik herinner
mij wel, dat ik wat rekenen betreft de jongens van mijn leeftijd
vooruit was. Wij kunnen niet allen in hetzelfde vak uitblinken,
en ik ben blijde te zien, dat je het gewicht van het leeren begint
te begrijpen!"
"Ja, vader!"
Meg had zich naar het salon begeven, en was gezeten op den vloer voor
den muziekkast met schaar, vingerhoed, en eene rol smal blauw lint
op hare knieën, terwijl alle liederen van haar vader die, zooals hij
zoo dikwijls met leedwezen zeide, door elkaar raakten en scheurden,
om haar heen uitgespreid lagen.
Hij zag haar, toen hij de deur voorbij kwam, en keek verbaasd maar
aangenaam verrast naar binnen.
"Wel, Margaret, dat had mijne muziek hard noodig! Ik ben blij, dat
je je zelf nuttig kunt maken!"
"Ik doe het gaarne, vader!"
Meg naaide met grooten ijver voort.
Hij ging terug naar zijne studeerkamer, waar hij in een stil,
afgezonderd hoekje Pips hoofd tusschen pyramiden van boeken en stapels
papier zag uitsteken. Hij schreef nog twee brieven, en toen werd er
zacht aan de deur geklopt.
"Binnen!" riep hij, en Nell verscheen.
Zij droeg met groote voorzichtigheid een klein blaadje, waarover
een sneeuwwit kleedje lag, en waarop een glas melk en een bordje met
moerbeziën stond. Zij zette het voor hem neer.
"Ik dacht, dat u misschien wel wat zou willen gebruiken, vader!" zeide
zij met een lief stemmetje; en Pip werd op eens gekweld door een
hoestbui.
"Mijn liefste kindje!" zeide hij.
Hij keek peinzend naar het blaadje. "Ik heb voor het laatst een glas
melk gedronken, Nellie, toen ik zoo oud was als Pip, en op school
ging. Ik ben er onwel van geworden, en sedert dien tijd heb ik nooit
weer melk geproefd."
"Maar deze zal u geen kwaad doen. U wil deze toch wel opdrinken?"
Zij keek hem met een van haar vriendelijkste blikken aan.
"Ik zou even gaarne het vatenwater uit de keuken willen drinken,
kindlief!" Hij nam eene moerbezie, at haar, en vertrok het
gezicht. "Zij zijn niet rijp genoeg om gegeten te worden!"
"Als u er maar eerst een stuk of zes gegeten heeft, merkt u niet
meer, dat ze zuur zijn!" zeide zij met overtuiging. Maar hij schoof
ze op zijde.
"Ik wil het gaarne gelooven, als je het zegt." Toen keek hij haar
onderzoekend aan. "Hoe kwam je op de gedachte mij iets te brengen,
Nellie? Ik herinner mij niet, dat je ooit vroeger iets dergelijks
gedaan hebt."
"Ik dacht, dat u wel eetlust zou krijgen, nu u hier zoo druk moet
zitten schrijven!" zeide zij vriendelijk; en Pip begon weer hevig te
kuchen, en zij verdween.
Buiten in den blakerenden zonneschijn was Judy bezig het grasperk
te maaien.
Zij hadden één knecht, en daar diens tijd zeer in beslag werd genomen
door bezigheden in den stal, kon het niet anders, of de tuin moest
daaronder lijden. Meer dan eens had de kapitein gezegd, hoe het hem
hinderde, dat de grasperken er zoo verwaarloosd uitzagen, en dat hij
zich tegenover bezoekers schaamde.
En dus had Judy, een en al ijver, zich met eene buitengewoon groote
zeis gewapend, en was tusschen het lange, lange gras ijverig aan
het werk.
"Lieve hemel, Helen! je zult je de voeten nog afsnijden!" riep haar
vader verontrust.
Hij verscheen op de veranda aan de voorzijde van het huis om na
de moerbezie eene lichte sigaar te rooken, juist toen zij met
een bewonderenswaardigen zwaai haar zeis een halven cirkel deed
beschrijven, en een geheel leger van geel gehelmde paardebloemen
onthoofdde.
Zij keek om, en zag hem glimlachend aan.
"O neen, vader!--ik ben een heele bolleboos in het maaien!"
Zij deed een tweeden, niet minder schrikwekkenden, maar krachtigen
zwaai, en volkomen volgens de regels van de kunst.
"Daar--en daar--en daar!"
Bij het tweede "daar" ging een stuk van hare japon mede, en bij het
derde stoof een gedeelte van een rozenstruik door de lucht; maar
natuurlijk, details zijn er altijd!
"Ongelukken kunnen zelfs de beste maaiers overkomen!" zeide zij
wijsgeerig, en tilde de zeis op tot een nieuwen slag.
"Houd oogenblikkelijk op, Helen! Waarom kan je toch niet rustig met
je pop spelen, en zulke gekheden nalaten?" zeide haar vader boos.
"En ik deed het nog wel om hem een genoegen te bereiden!" zeide zij,
oogenschijnlijk tot de paardebloemen sprekend.
"Je kunt wel begrijpen, dat "het hem geen genoegen zal bereiden",
als hij jou kurken beenen zal moeten geven, en den tuin moet laten
opknappen," zeide haar vader droog. "Laat dat nu!"
"Het zou wat moois zijn, om het werk halverwege te laten liggen--zou
het grasperk er niet uitzien als een man, wiens eene wang geschoren
was?"
Judy sprak somtijds, en ook weer nu, in Iersch dialect, om de eene
of andere geheimzinnige reden, die haar alleen bekend was.
"En als u nu maar zoo goed zou willen zijn van hier te komen, en
eens te zien hoe het er mede staat, dan zou het nog wel kunnen zijn,
dat mijn maaien u niet mishaagt."
De kapitein glimlachte even onder zijn knevel. Het kleine meisje
zag er zoo komiek uit, zooals zij daar stond in haar oud, kort, rose
japonnetje, een hoed met beschadigden rand op hare donkere krullen,
met glinsterende oogen, blozende wangen, de groote zeis in hare handen,
en de uitdagende woorden op hare lippen.
Hij kwam naar beneden en onderzocht haar werk: het was uitstekend
gedaan, evenals de meeste dingen die Miss Judy ondernam--met inbegrip
van kattekwaad, en hare kleine, met zwarte kousen bekleede beenen
bevonden zich in den besten welstand.
"Nu, je kunt er dan mede voortgaan, vooral daar Pat het druk heeft. Hoe
heb je leeren maaien, talentvolle jonge dame?"--hij zag haar vragend
aan.--"En hoe kwam je er toe, je zelve zulk een taak te stellen?"
Judy streek met eene vlugge beweging hare krullen van haar verhit
voorhoofd.
"Wel, ten eerste, vond ik het noodig, en ten tweede: "houd ik niet
van u, en is het niet mijn streven, u te behagen?""
Langzaam en in gedachten verdiept ging hij weer het huis binnen. Judy
was hem altijd een raadsel. Hij begreep haar het minst van al zijne
kinderen, en somtijds bekommerde hem de gedachte aan haar. Vooralsnog
was zij niets dan een bijdehand, knap, en dikwijls impertinent kind;
maar hij gevoelde, dat zij geheel verschillend was van de overige zes,
en als hij hieraan dacht, wat echter niet zeer dikwijls gebeurde,
verontrustte hem eene zekere angstige bezorgdheid.
Hij herinnerde zich, dat hare eigen moeder dikwijls gezegd had,
hoe zij voor Judy's toekomst beefde. Dat rustelooze vuur, dat uit
hare schitterende oogen flikkerde, eene hoogroode, opgewonden kleur
op hare wangen te voorschijn riep, en eene verbazende veerkracht
en bewegelijkheid aan haar jong, klein lichaam verleende, zou van
haar of eene edele, moedige, schitterende vrouw maken, of zij zou
schipbreuk lijden op rotsen, die de anderen nooit zouden bereiken,
en dan zou het vuur hooger en hooger opvlammen, en haar verteeren.
"Pas goed op, Judy!" waren bijna de laatste woorden van de bezorgde
moeder geweest, toen, in het licht, dat komt als dat van deze wereld
voor ons verdwijnt, zij met vreeselijke helderheid de steenen en
struikelblokken op het pad had gezien van dit paar kleine, vlugge
voeten.
En zij was gestorven, en Judy zocht zich al tastend en struikelend
haar weg, en haar vader kon niet "op haar passen", omdat hij volstrekt
niet wist, hoe hij dit zou doen.
Toen hij de trap der veranda weer op ging en de vestibule doorliep,
vervulde hem de wensch, die bijna de innigheid van eene bede had, dat
hare natuur niet zoo geheel verschillend van die der anderen ware,
en gaarne had hij in zich de kracht gevoeld, om dien vreemden geest
uit haar te bannen, die hem tusschenbeide zoo ongerust maakte.
Hij blies den rook van zijne sigaar in eene groote wolk voor zich uit,
en zuchtte diep; toen keerde hij zich om, en begaf zich naar den stal
om alles te vergeten.
De knecht was weg, hij reed een der paarden op het groote grasveld af;
maar er was een gedruisch in de tuigkamer, en dus ging hij daarbinnen.
Daar stond eene kleine druipende gestalte over een hooge tobbe gebogen,
die met grooten ijver iets scheen onder te dompelen en uit het water
te halen.
Bij het geluid van zijne voetstappen, draaide Baby het hoofd om,
en zag hem met haar guitig klein gezichtje aan.
"Ik wasch de poesjes voor u, en ook Flibberty-Gibbet!" zeide zij
stralend.
Vol schrik kwam hij eene schrede nader.
Daar zag hij twee katjes, op welke hij bijzonder gesteld was,
en die trillend, ellendig, tot aan den hals in het zeepsop zaten,
en Flibberty-Gibbet, de mooie kleine fox-terriër, dien hij juist
voor zijne vrouw gekocht had, was aan den deurpost vastgebonden,
ook hij was nat, bevend en in hoogst treurigen toestand, ook hij was
slachtoffer van deze schoonmaakwoede, en werd geborsteld en gewreven
tot hem hooren en zien vergingen.
"Zij zijn nu zoo schoon en netjes--en hebben geen vieze vlooien
meer! Is u niet blij? Flibberty kan u nu gerust op uw bed laten
springen, en Kitsy Blackeye is--"
De arme Baby eindigde haar zin niet. Zij had later eene verwarde
herinnering van hetgeen nu volgde, dat hierop neerkwam, dat zij een
"krachtig woord" van haar vader hoorde, op de meest onvriendelijke
manier door elkaar geschud en den stal werd uitgezet, terwijl de
rampzalige dieren gedroogd werden en met de grootste omzichtigheid
behandeld. Maar het ergste zou nu nog komen, en het resultaat
beantwoordde zoo weinig aan het doel, dat de jonge Woolcot's het
besluit namen, nooit weer deugden te willen toonen, die zij niet
bezaten.
Bunby wenschte natuurlijk ook de goede zaak even hard te bevorderen
als de anderen, en met dit doel voor oogen was het zijn eerste werk
naar zijne slaapkamer te gaan, en zijn gezicht, hals en handen een
grondige reiniging te doen ondergaan. Toen wandelde hij met zijne
van zeep glimmende wangen en roodgeschuierde handen naar beneden en
plaatste zich binnen den gezichtskring van zijn vader, in de hoop
eene goedgunstige opmerking uit te lokken.
Maar hem werd op ongeduldigen toon: "Ga spelen!" toegevoegd, en
dus begreep hij, dat hij andere middelen moest vinden om zijn vader
te verteederen.
Hij liep naar de studeerkamer, met het vage plan om de keurig
gerangschikte stapels boeken op te ruimen, maar Pip zat daar, omringd
van boeken en bezig met een houtje voor een catapult af te schillen,
dus ging hij weer heen. Toen klom hij de trap op en verkende zijn
vaders slaapvertrek en kleedkamer. In de laatste was oneindig veel
gelegenheid, zijn goeden wil te toonen. Een gala-uniform lag dwars over
een stoel en het viel Bunby op, dat de gouden knoopen niet zoo blonken
als zij eigenlijk doen moesten, en dus bracht hij een welbesteed
kwartier door met ze te poetsen. Daarna wreef hij eenige sporen op;
de tijd, dien hij hieraan gaf, was natuurlijk even welbesteed. Toen
keek hij rond naar eene nieuwe bezigheid.
Een geheele kolonie van stoffige laarzen bevond zich in een hoek van
de kamer, en eene groote flesch met een zwart, strooperig vernis
stond op den schoorsteenmantel. Bunby werd door het schitterende
denkbeeld, ze allemaal schoon te maken en netjes op eene rij te
plaatsen, bezield, in de hoop, dat "de verrukte blikken" van zijn
vader er op zouden vallen. Hij vond op den vloer een handdoek van
het fijnste Kamerrijksche linnen, die evenwel gebruikt was, goot er
een groote plas vernis op en viel op het eerste paar aan.
Een schitterend glanzen beloonde hem, want het vernis was juist
voor het leder dezer laarzen bestemd; maar het volgende en het
volgende en het volgende paar wilde niet glimmen, hoe hard hij ook
wreef. Daar weerklonk een stap op de trap, de vaste, welbekende stap
van zijn vader, en hij hield een oogenblik op met eene uitdrukking
van zelfbewuste deugdzaamheid op het kleine tevreden gezicht.
Maar deze uitdrukking verdween, en een doodelijke schrik deed
Bunby verstijven. Hij had de flesch voor het gemak op een grooten
armstoel gezet, daar hij op den grond zat, en nu bemerkte hij dat
zij omgevallen was en dat er een afschuwelijke, zwarte stroom uit
zijn hals kwam geloopen.
En het was de stoel waarop het uniform was uitgebreid en een der mouwen
was overgoten met het vocht, en een mooi wit hemd, dat daar ook lag,
wachtende op een knoop, was overal gevlekt door het kleverige goed,
vreeselijk! Bunby keek met een woesten, doodelijk verschrikten blik de
kamer rond, om een plek te vinden, waar hij zich zou kunnen verbergen,
maar er waren geen hoekjes of gordijnen waar hij zich kon verschuilen,
en er was geen tijd om de slaapkamer binnen te vliegen en onder
het bed te kruipen. Dicht bij het raam was een groote medicijnkast,
en in zijne wanhoop wierp Bunby er zich in, trok zijne beenen naar
zich toe en verborg zijn hoofd tusschen zijne knieën, terwijl een
onheilspellend gerinkel van omgeworpen flesschen in zijne ooren
suisde. Het volgend oogenblik was zijn vader in de kamer.
"Groote hemel! God bewaar me!" zeide hij, en Bunby trilde van het
hoofd tot de voeten.
Toen bromde hij een reeks woorden zeer snel achter elkander--"in eene
vreemde taal" zooals Judy hiervan zeide; gooide iets omver, en riep
"Esther!" op schrikwekkenden toon. Maar Esther was buiten op een der
grasvelden met den Generaal, en dus kwam er geen antwoord.
Meer woorden in eene vreemde taal, meer gestamp op den grond.
Bunby's tanden sloegen met geweld op elkander; hij bracht zijne hand
omhoog, om zijn mond dicht te houden, en de kast, die nu het evenwicht
verloor, viel voorover, waardoor zijn bewoner voor zijn vaders voeten,
en de flesschen naar alle kanten buitelden.
"Ik heb het niet gedaan--ik kan het--niet helpen!" huilde hij,
achterwaarts naar de deur loopende. "O--neen--boe--hoe--oe!
Esther--boe--ja--Judy--o--o! o!" Zooals te verwachten was, had
zijn vader een riem ter hand genomen, die daar door een gedienstig
toeval lag, en was bezig, er zijn zoon een geducht pak slaag mede
toe te dienen.
"O--o! o! A--a! ik kan het--niet helpen! Het is de schuld van Pip--en
Judy--o! de pantomime! boe--hoe! a! u slaat me dood! O--o!--ik deed
het alleen--ik deed het alleen--om u een genoegen te doen!"
Zijn vader hield op met omhooggeheven riem. "En daarom dus gedraagt
de een zich nog zotter dan de ander? Omdat ik jelui mee zou nemen
naar de pantomime?"
Bunby trok zich los. "Boe--hoe--ja! Maar ik heb het niet bedacht--ik
niet--ik kan het niet helpen!--O--a!--ik heb het niet gedaan--de
anderen hebben het gedaan--boe--hoe--hoe! Geef u hun slaag, de
anderen!"
Hij kreeg nog drie flinke klappen en vluchtte toen huilend en kermend
naar de kinderkamer, waar hij op den grond rolde en met zijne beenen
schopte en zich in bochten wrong alsof hij half doodgeslagen was.
"Jelui gluiperts!" snikte hij, toen de anderen van alle kanten
waren komen aanloopen, verschrikt door zijne luidruchtige klachten,
"jelui gemeene kinderen!--Ik heb--geen kip--gehad! En ik heb--al de
slaag--gekregen! Jelui gluiperts--o--o! a--a!o--o! Ik bloed overal,
dat weet ik zeker!"
Zij konden er niets aan doen, dat zij even moesten lachen; Bunby was
altijd zoo onuitsprekelijk komiek als hij zich maar even bezeerd had;
maar toch zochten zij hem zoo goed mogelijk te bedaren, en beproefden
te weten te komen, wat er gebeurd was.
Esther kwam thans de kamer binnen, zij zag er zeer ontstemd uit.
"Nu?" zeiden zij als uit één mond.
"Jelui zijt de lastigste kinderen, die ik ooit gezien heb!" zeide
zij boos.
"Maar de pantomime--gauw, Esther--heb je het hem gevraagd?" riepen
zij ongeduldig.