De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit.

"Zet nu uw naam," zeide Thénardier; "hoe heet ge?"

De gevangene legde de pen neder en vroeg:

"Voor wie is deze brief?"

"Ge weet het immers," antwoordde Thénardier, "voor het meisje. Ik heb

't u straks gezegd."

Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van 't

welk spraak was. Hij zeide "de leeuwerik"--"het meisje", maar noemde

geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen

het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele

"zaak" overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten.

Hij hernam:

"Teeken. Hoe heet ge?"

"Urbain Fabre," zei de gevangene.

Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en

haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk

op en trad dicht bij de kaars. "U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu,

teeken U. F."

De gevangene onderteekende.

"Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen,

zal ik hem dichtvouwen."

Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier:

"Schrijf het adres. "Mejuffrouw Fabre" te uwen huize. Ik weet dat ge

niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacques du Haut-Pas,

wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke

straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam

niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats

doen. Schrijf dus."

De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef:

"Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat

St. Dominique d'Enfer No. 17."

Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking.

"Vrouw!" riep hij.

Vrouw Thénardier kwam toeloopen.

"Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets

wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug."

"Gij," voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, "daar gij

uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het

rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?"

"Ja," zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij

vrouw Thénardier.

Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half

geopende deur en riep in de gang:

"Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd

duizend francs bij u hebt."

Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem:

"Wees gerust; ik heb hem goed geborgen."

Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener

zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf.

"Goed," mompelde Thénardier. "Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn

vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn."

Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer,

met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten

uit naar het komfoor.

"Ik heb koude voeten," zeide hij.

Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangene slechts nog vijf

bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte

gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden

zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad

pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten,

bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem

van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en

zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel

zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat

eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte.

De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle

ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke

hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering.

Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man,

die sliep.

Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het

raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit "meisje" dat

Thénardier ook de "leeuwerik" had genoemd? Was het "zijn Ursula?" Den

gevangene scheen dat woord "de leeuwerik" niet getroffen te hebben

en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: "Ik

weet niet wat ge meent." Van den anderen kant waren de twee letters

U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, en Ursula heette niet

meer Ursula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort

van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij

dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks

in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de

afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij

wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om 't even wat, want hij kon

tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen.

"In allen geval," zeide hij bij zich zelven, "zoo zij de Leeuwerik is

zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan

zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo 't zijn moet, mijn bloed en

leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden."

Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere

gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel

meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht

van den kant des gevangenen op te merken.

Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene:

"Luister, mijnheer Fabre, 't is even goed, dat ik 't u dadelijk zegge."

Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te

zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde:

"Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik

geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het

heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn

vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich

fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter

haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets

plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der

barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men

uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar

plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug,

om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden,

het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is,

en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven,

krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn

kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen."

De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier:

"Ge ziet, 't is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren,

zoo ge 't zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u,

opdat ge weet waaraan u te houden."

Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam:

"Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg,

zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge

ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben."

Afgrijselijke beelden verrezen in Marius' geest.

Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters

zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?...

En zoo zij het ware! En 't was duidelijk dat zij het was! Marius

voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool

lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar

de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten

alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij

de bloedige beteekenis begreep: "Zoo ge mij laat in hechtenis nemen,

weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet."

Nu was 't niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield,

maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde,

verkeerde.

Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde,

veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de

pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden, maar vond

ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de

noodlottige stilte van het roovershol.

Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten.

De gevangene bewoog zich in zijn banden.

"Daar is mijn vrouw terug," zei Thénardier.

Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood,

blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar

beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep:

"Een valsch adres!"

De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam

weder zijn bijl.

"Een valsch adres?" herhaalde Thénardier.

Zij hernam:

"Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain

Fabre! Men kent er niemand van dien naam."

Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze:

"Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te

goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt,

en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem

wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en

waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk

te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer

zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop

naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en

alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken,

een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet."

Marius ademde ruimer. Zij, Ursula of de Leeuwerik, hij wist niet meer

hoe haar te noemen, was gered.

Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier

zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet,

schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik

naar het komfoor.

Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den

gevangene:

"Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?"

"Tijd te winnen!" riep de gevangene met heldere, forsche stem.

En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De

gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden.

Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op

hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen, stak de hand

naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier,

zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden

hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene

vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide,

die een heilloozen gloed wierp.

Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis

Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een

doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd

gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een

staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno's

weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten

dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen

ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen

eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der

dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina's,

evenals er in de taal Villon's zijn. De rampzalige, die naar zijn

vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een

koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen

zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen

te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. 't Is dan een

doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer

wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven

kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts

een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. 't Was zulk een

koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee

stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een

klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. 't

Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten,

hij dat koperstuk, 't welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en

het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het

zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden

was; 't geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen,

welke Marius had opgemerkt, verklaart.

Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had

hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden.

De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld.

"Wees gerust," zei Bigrenaille tot Thénardier, "hij is nog aan een

been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien

poot gebonden."

Nu sprak de gevangene:

"Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het

zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken,

doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil..."

Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij:

"Zietdaar!"

Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den

gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand

hield.

Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht

verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs

de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht,

en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging,

richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik,

waarin de smart zich in kalme majesteit oploste.

Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der

zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op

't gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de

kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden.

"Ellendigen," zeide hij, "hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees

voor u heb!"

En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene

venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht,

om op een afstand in de sneeuw uit te dooven.

De gevangene hernam:

"Doet met mij wat ge wilt."

Hij was weerloos.

"Vat hem!" zei Thénardier.

Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met

de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij

de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen.

Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand

om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak:

"Er blijft nog maar één ding te doen over."

"Hem koud te maken."

"Ja."

't Waren de man en de vrouw die raadpleegden.

Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het

mes uit.

Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste

vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn

binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest

eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp

moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort,

die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt

een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming

te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd

intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden;

op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten,

met het mes in de hand.

Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel

der wanhoop.

Eensklaps ontroerde hij.

Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder

verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel,

dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote

letters geschreven:

de dienders komen.

Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius' geest; dit was het

middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, 't

welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij

boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte

zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier,

en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol.

't Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten

schroom overwonnen, en naderde den gevangene.

"Er valt iets," riep vrouw Thénardier.

"Wat is 't?" zei de man.

De vrouw was toegesneld, en had het in 't papier gewikkelde stuk kalk

opgeraapt. Zij gaf het haar man.

"Waar is dit vandaan gekomen?" vroeg Thénardier.

"Waar zou 't anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster,"

zei de vrouw.

"Ik heb 't zien vallen," zei Bigrenaille.

Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht.

"'t Is Epopine's schrift. Duivels!"

Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op

het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende:

"Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge

in de val achterblijven."

"Zonder den kerel den hals af te snijden?" vroeg vrouw Thénardier.

"Wij hebben geen tijd."

"Waarheen?" vroeg Bigrenaille.

"Door het venster," antwoordde Thénardier. "Dewijl Ponine den steen

door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet

omsingeld."

De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten

sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot

driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot

den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten

hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig

met de twee ijzeren haken aan 't kozijn gehecht.

De gevangene sloeg geen acht op 't geen gebeurde. Hij scheen te denken

of te bidden.

Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier:

"Kom, vrouw!"

En hij ijlde naar het raam.

Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij

den kraag.

"Neen, neen, oude snaak! na ons!"

"Na ons!" brulden de bandieten.

"Ge zijt kinderachtig," zei Thénardier, "wij verliezen tijd. De

dienders zijn ons op de hielen."

"Nu," zei een der bandieten, "laat er ons om trekken, wie 't eerst

zal gaan."

Maar Thénardier riep:

"Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd

verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op

papiertjes schrijven en ze in een pet schudden...."

"Wilt ge mijn hoed?" riep een stem op den drempel.

Allen zagen om. 't Was Javert!

Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

MEN MOET ALTIJD EERST DE OFFERS VATTEN.

Javert had, zoodra het donker werd, agenten op de loer gesteld en zelf

zich achter de boomen der straat de la Barrière der Gobelins tegenover

het huis Gorbeau en den boulevard verscholen. Hij was begonnen met de

twee meisjes te willen inpakken, die gelast waren de toegangen van

het huis te bewaken. Doch hij had alleen Azelme gevat. Eponine was

niet meer op haar post, maar verdwenen, en hij had haar niet kunnen

vangen. Toen had Javert gewacht naar het afgesproken teeken. Het heen

en weder rijden van het huurrijtuig had hem in niet geringe onrust

gebracht. Eindelijk was hij ongeduldig geworden, en in de overtuiging

dat hier een nest was, en zeker dat er een vangst was te doen, wijl

hij verscheidene bandieten had herkend, die waren binnengegaan,

besloot hij ten laatste ook binnen te gaan, zonder langer op het

pistoolschot te wachten.

Men weet, dat hij den huissleutel van Marius had. Hij was te juister

ure gekomen.

De verschrikte bandieten wierpen zich op de wapens, welke zij in alle

hoeken hadden geworpen, toen zij wilden vluchten. In minder dan een

seconde tijds groepeerden zich deze zeven afschuwelijke lieden in

een verdedigende houding, de eene met zijn bijl, de andere met zijn

sleutel, de derde met den knuppel, de anderen met staven, tangen

en hamers; Thénardier met het mes in de hand. Vrouw Thénardier nam

een grooten straatsteen, die in een hoek lag en haar dochters tot

zitbankje diende.

Javert zette den hoed weder op, deed een paar schreden in de kamer,

met de armen over elkander, den stok onder den arm, den degen in

de scheede.

"Halt!" riep hij. "Gij zult niet door het venster, maar door de deur

gaan; dit is niet zoo gevaarlijk. Gij zijt zeven man sterk, wij zijn

met ons vijftienen. Laat ons dus niet als straatjongens vechten. Houdt

uw fatsoen."

Bigrenaille nam een pistool, dat hij onder zijn kiel droeg, en gaf

het Thénardier, dezen in 't oor fluisterend: "'t Is Javert. Ik durf

op dien man niet te schieten. Durft gij?"

"Waarom niet?" antwoordde Thénardier.

"Schiet dan!"

Thénardier nam het pistool, en legde op Javert aan.

Javert, die drie schreden van hem stond, aanschouwde hem strak en

zeide niets anders dan:

"Schiet niet; het pistool zal ketsen."

Thénardier drukte af. Het pistool weigerde.

"Heb ik 't niet gezegd!" riep Javert.

Bigrenaille wierp zijn knots Javert voor de voeten, en zeide:

"Gij zijt de keizer der duivels! ik geef mij over."

"En gij?" vroeg Javert de andere bandieten.

Zij antwoordden:

"Wij ook."

Javert hernam bedaard:

"Zoo is 't goed, ik heb u immers gezegd, dat ge uw fatsoen moest

houden."

"Slechts één verzoek," hernam Bigrenaille; "dat men mij tabak geve,

zoo lang ik opgesloten ben."

"Toegestaan," zei Javert.

En zich omkeerende, riep hij:

"Komt nu binnen!"

Verscheiden stadssergeanten, met den degen in de vuist, en

politieagenten, met knuppels en stokken gewapend, stormden toe op

Javerts geroep. Men knevelde de bandieten. Deze troep menschen,

ternauwernood door een kaars beschenen, vervulden het hol met

duisternis.

"Allen de duimschroeven aangelegd!" riep Javert.

"Nadert als ge durft," riep een stem, die geen mannenstem scheen,

doch welke niemand voor een vrouwenstem zou erkend hebben. Vrouw

Thénardier had zich in een hoek bij het venster verschanst en deze

woorden uitgebraakt.

De stadssergeanten en politieagenten traden achteruit.

Zij had haar shawl afgeworpen, maar haar hoed opgehouden; haar man,

achter haar gehurkt, was schier onzichtbaar onder den gevallen shawl,

en zij dekte hem met haar lichaam, terwijl zij met beide handen den

straatsteen boven haar hoofd hief, als een reuzin die een rotsklomp

wil slingeren.

"Neemt u in acht!" riep zij.

Allen deinsden naar de gang. Een groote ruimte ontstond in 't midden

van 't vertrek.

Vrouw Thénardier sloeg een blik op de bandieten, die zich hadden

laten binden, en mompelde met schorre, barsche stem:

"Lafaards!"

Javert trad glimlachend in de ledige ruimte, die vrouw Thénardier

met bliksemende oogen beheerschte.

"Nader niet, ga!" riep zij, "of ik verpletter u!"

"Een grenadier!" riep Javert; "ge hebt een baard als een man, wijfje,

maar ik heb nagels als een vrouw."

Hij naderde haar dichter.

Vrouw Thénardier, die schrikkelijk was om te zien, met haar woest

vliegend haar, zette de beenen van elkander, boog zich achterover en

wierp uit alle macht de straatkei naar Javerts hoofd. Javert bukte,

de steen vloog over hem, tegen den muur, waarvan brokken kalk vielen,

en rolde achter de voeten van Javert.

Ter zelfder tijd naderde Javert het echtpaar Thénardier. Hij legde

een zijner forsche vuisten op den schouder der vrouw, en de andere

op het hoofd van den man.

"De duimschroeven!" riep hij.

De politieagenten kwamen toeschieten, en in weinige seconden was

Javerts bevel volbracht.

Vrouw Thénardier was als verpletterd, zij zag haar handen en die van

haar man gekneveld, zonk op den grond en riep weenend:

"Mijn dochters!"

"Zij zijn in zekerheid," zei Javert.

Ondertusschen hadden de politieagenten den slapenden dronkaard achter

de deur gevonden en schudden hem. Hij werd wakker en stamelde:

"Is 't gedaan, Jondrette?"

"Ja," antwoordde Javert.

De zes bandieten stonden gekneveld; zij hadden overigens nog hun

spookachtig voorkomen; drie met zwartgemaakte gezichten, drie

gemaskerd.

"Houdt uw maskers," zei Javert.

Hij monsterde ze toen met een blik als dien van Frederik II op de

parade van Potsdam, en zeide tot de drie "stokers":

"Goeden dag, Bigrenaille! Goeden dag, Brujon! Goeden dag,

Deux-Milliards!"

En zich toen tot de drie gemaskerden wendende, zeide hij tot den man

met de bijl:

"Goeden dag, Gueulemer!"

Tot den man met den knuppel:

"Goeden dag, Babet!"

En tot den buikspreker:

"Wees gegroet, Claquesous!"

De Ellendigen (Deel 3 van 5) · 第 20 / 21 段