de duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en
verplet gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide:
"Ik heet Thénardier," had Marius door al zijn leden gebeefd en
zich aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een
degenkling in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot
te lossen, was langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald:
"Hoort ge wel, Thénardier?" liet Marius het pistool schier uit zijn
bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was,
had hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de
grootste ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer
Leblanc niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat
deze naam voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns
vaders geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste
zijner gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling:
"Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn zoon hem
ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen is." Men
herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, het voorwerp
zijner vereering was. En dit was nu deze Thénardier, deze herbergier
van Montfermeil, dien hij zoo lang vruchteloos gezocht had. Eindelijk
had hij hem gevonden, maar hoe? deze redder zijns vaders was een
bandiet! deze man, voor wien Marius vurig wenschte zich op te offeren,
was een schurk! deze redder van den kolonel Pontmercy was op het punt
een aanslag te volvoeren, waarvan Marius nog niet duidelijk den vorm
zag, maar die een moordaanslag geleek! en op wien? goede God! welk
een noodlottigheid! welk een bittere scherts van het lot! Zijn vader
beval hem uit zijn graf, Thénardier zooveel mogelijk goed te doen;
sinds vier jaren had Marius geen andere gedachten, dan de voldoening
van deze schuld zijns vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door
de justitie een roover te midden zijner misdaad wil doen vatten,
roept het lot hem toe: 't Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan
dezen man het leven zijns vaders, dat te midden van het schrootvuur
op het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het
betalen met--het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien
Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu vond hij
hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn vader
zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze vereerde, heilige
stem met Thénardier te verpletteren! met zijn vader in diens graf het
schouwspel te geven van de terechtstelling op het plein St. Jacques,
van den man, die hem met levensgevaar aan den dood ontrukt had, en
welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, door dien Marius,
aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een tegenstelling! zoo
lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door hem geschreven,
op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze geheel het
tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij dezen
aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het offer
veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een ellendeling
dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert vier jaren
gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als vernietigd. Hij
huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het wisten, hield
hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor zijn oogen
bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc gered en
Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de heer Leblanc
geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den een in 't ongeluk
storten of den ander doen vallen? Aan beide kanten wroeging. Wat te
doen? Wat te kiezen? de plechtigste herinneringen hoonen; de innigste
verbintenissen met zich zelven aangegaan verbreken, den heiligsten
plicht, het eerwaardigst voorschrift verkrachten; het testament zijns
vaders niet nakomen of een misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant
scheen hij "zijn Ursula" hem voor haar vader te hooren bidden, aan
den anderen kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde
zich als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet
te overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor
zijn oogen had. 't Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had
gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te bezwijmen.
Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan niet anders
noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van razernij
van verwarring en zegepraal.
Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een geweldigen
slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet tegen den
muur spatte.
Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed:
"In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden,
mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer
de poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge
niet, acht jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest,
in den kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij
medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een
pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij
kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! 't schijnt, dat het zijn liefhebberij
is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die oude
menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? geeft
ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij
niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw
neus hadt ingestoken. Men zal eens zien of 't altijd even aardig
is de huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel
dat men er logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch,
wien men een cent zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den
edelmoedige te spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en
hen in het bosch te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later,
wanneer de menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee
ellendige hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!"
Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het
was alsof zijn toorn, gelijk de Rhône, in een hol viel; toen, als
voltooide hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist
op de tafel en riep:
"Met zijn goedhartig voorkomen!"
En tot den heer Leblanc het woord richtende:
"Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de schuld
van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs een
meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan rijke
lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van 't
welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te kunnen
bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in die
afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O,
ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft,
in vergif ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om 't
even! Maar zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de
leeuwerik heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij
waart de sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij
zijt kapot, goede man. Ik lach, ja, waarachtig, ik lach! Hij is
heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik
Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld,
dat mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft
zelfs niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari
vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken
met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad
om slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij
heeft hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb
u in mijn macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik
u het hart uit het lijf!"
Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst hijgde als
een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde van een
zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan nederwerpen
wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van een dwerg,
die den voet op 't hoofd van Goliath zou zetten, de vreugd van een
jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te stervend om
zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te lijden.
De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij zweeg:
"Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer arm man,
en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij voor
een ander aan."
"Ha," krijschte Thénardier; "gij wilt nog verder met mij
schertsen! Maar, 't is mis, man! Zoo, herinnert gij het u niet! Ziet
gij niet wie ik ben?"
"Verschoon mij, mijnheer," antwoordde de heer Leblanc op een beleefden
toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs had; "ik zie,
dat ge een bandiet zijt."
Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige
plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord "bandiet",
sprong vrouw Thénardier uit het bed, greep Thénardier zijn stoel,
als wilde hij dien in zijn hand vermorzelen.
"Verroer u niet!" riep hij zijn vrouw toe, en tot den heer Leblanc
zeide hij:
"Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo noemt! Ja,
't is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik heb geen brood,
geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik niet gegeten,
ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt schoenen van
Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge woont
op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels,
asperges, die in de maand Januari veertig francs de bos kosten;
ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of 't koud is,
kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn
zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de l'Horloge
te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij voelen het bloed
in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, en wij zeggen:
Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze holen, om ons
bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja verslinden! Weet,
mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, gepatenteerd man,
een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij zijt het misschien
niet, gij!"
Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de deur stonden
en voegde er wrokkend bij:
"Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een schoenlapper
ben."
Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer Leblanc:
"Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper ben,
ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit de
huizen haalt. Ik ben een oud Fransch soldaat, ik moest gedecoreerd
zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal,
graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die
David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij
stelt mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik
houd generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur
heen. Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor
mij gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin,
met gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol
getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En,
nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een
einde aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld,
of ik verdelg u, voor den d.....!"
Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. De
laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. 't Was wel degelijk
de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij dit verwijt van
ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, 't welk hij op 't punt was
zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn verlegenheid nam hierdoor
toe. Overigens was in al de woorden van Thénardier, in zijn toon,
in zijn gebaren, in zijn blik, die bij ieder woord vlammen schoot, in
deze uitbarsting eener slechte natuur, die zich geheel vertoonde, in
dit mengsel van pralerij en verworpenheid, van hoogmoed en nietigheid,
van woede en dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en
valsche gevoelens, in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die
zich aan den wellust van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming
van allerlei lijden, vermengd met allerlei haat--iets afschuwelijks
als het kwade, iets treffends als de waarheid.
Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer
Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed
hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men
zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van
zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven.
Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd,
kon deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij
werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man
die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en Pontmercy;
de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als dronken, deze
schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; 't was niet meer
het uithangbord der kroeg van Montfermeil, 't was een verrijzenis;
een graf opende zich, een schim richtte zich op. Marius hoorde zijn
polsen kloppen; het kanon van Waterloo suisde in zijn ooren, zijn
bloedende vader, onduidelijk op dit paneel voorgesteld, ontroerde hem,
en 't was hem alsof deze wanstaltige figuur hem strak aanschouwde.
Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij zijn
bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, kortaf:
"Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere middelen overgaat?"
De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in
de gang deze gruwzame spotternij:
"Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!"
't Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn.
Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk gezicht
met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken van
tanden liet zien.
't Was het gezicht van den man met de bijl.
"Waarom hebt ge uw masker afgedaan?" riep Thénardier toornig.
"Om te lachen," antwoordde de man.
Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen
van Thénardier in 't oog te houden en te volgen, die, door zijn woede
verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, in het
volle vertrouwen dat de deur goed bewaakt werd, in het bewustzijn dat
hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen tegen één waren,
zelfs aannemende dat vrouw Thénardier slechts voor één man telde. Toen
Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug naar
den heer Leblanc gekeerd.
Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel,
met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met wonderbare
vlugheid aan het venster, vóór Thénardier den tijd had gehad zich om
te keeren. Het venster te openen, er in te klimmen, er het been uit
te brengen was het werk van een oogenblik. Hij was er half buiten toen
zeer forsche vuisten hem grepen en ruw in het vertrek terug trokken. 't
Waren de drie "stokers", die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd
had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen.
Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de
gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en
naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand.
Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd
beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud,
bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd
van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf,
aan beide einden met een looden kogel.
Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.--"Vergeef mij,
mijn vader!" dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van zijn
pistool. Hij was op 't punt om 't over te halen, toen Thénardier riep:
"Doe hem geen leed!"
Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in plaats
van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht.
In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot hiertoe
had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de nedergedrukte,
lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, maar toen
deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam de
listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand.
"Doe hem geen leed!" herhaalde hij, en zonder het te vermoeden,
had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden zijn
pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken te
zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog
te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet 't een of ander gebeurt,
dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van Ursula te
doen omkomen, òf den redder van den kolonel in 't verderf te storten?
Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de
heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met
twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder
een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder
een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard
bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen
"stokers" steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen
en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend,
en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende
af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar
onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn
onder een troep huilende doggen en jachthonden.
't Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te
krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn
haar niet losgelaten.
"Bemoei gij er u niet meê," riep Thénardier. "Ge zult uw kleeren
beschadigen."
Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf
gehoorzaamt.
"Onderzoekt hem nu," beval Thénardier aan de overigen.
De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men
doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs,
waarin zes francs, en zijn zakdoek.
Thénardier stak den zakdoek bij zich.
"Hoe, geen portefeuille?" vroeg hij.
"Noch horloge," antwoordde een der "stokers."
"Om 't even," zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde
man met den grooten sleutel, "de oude is sterk."
Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw,
dien hij hun toewierp.
"Bindt hem aan den voet van de krib," zeide hij en, den oude ziende,
die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen,
was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij:
"Is Boulatruelle dood?"
"Neen," antwoordde Bigrenaille, "hij is dronken."
"Veeg hem in een hoek," zei Thénardier.
Twee "stokers" stieten den dronkaard met den voet naar den hoop
oud ijzer.
"Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?" zei Thénardier zacht
tot den man met den knuppel, "dit was niet noodig."
"Wat zal ik zeggen?" antwoordde de man met den knuppel; "zij wilden
er allen bij zijn. 't Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen."
De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit
een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer
Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl
hij stond, met de voeten aan 't hoofdeneind der krib, die het verst
van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was.
Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette
zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet
meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot
bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks
in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den
dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing
aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping,
en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur
zag veranderen.
"Mijnheer..." zei Thénardier.
En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc
nog vasthielden:
"Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken."
Allen traden naar de deur terug. Hij hernam:
"Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij
hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens
bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die
ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt."
Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan
Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks
eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in
zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het
diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam:
"Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden,
zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden
soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben
genomen. 't Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt,
wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men
zou 't u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben
gestopt. Ik zal u zeggen waarom. 't Is omdat niets uit deze kamer kan
gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; 't is er echter
een! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten,
zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte,
dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon
als de donder. 't Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt
niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u
zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie,
en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd,
en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en
justitie in aanraking te komen. En wel--zooals ik reeds sinds lang
vermoedde--omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij,
van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus."
Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den
heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in
het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens
was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag,
zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die
zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester
had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze
voorzorg, die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de
waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur
geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had,
wij moeten 't bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor
Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk.
De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog
dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac
den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn
mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te
zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder
hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van
Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik
zijn verheven treurig gezicht te bewonderen.
't Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die
niet wist wat vertwijfeling was. 't Was een derzulken, die zelfs de
verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot
het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen,
hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water
zijn verschrikte oogen opent.
Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam
het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo
het komfoor met gloeiende kolen, waarin de gevangene duidelijk den
wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes
gespikkeld was.
Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc.
"Ik herhaal," zeide hij, "wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze
zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te
maken, ik weet niet wat mij in het hoofd kwam; ik ben te ver gegaan; ik
heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide
ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit
was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt;
ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren,
ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden
die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het
uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een
opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs."
De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort:
"Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van
uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan 't geld gehecht zijt,
en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs
aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.--Gij zijt zeker ook een
verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden
al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht
zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren
kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas
wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt
er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u,
dat alles is afgedaan en gij 't minst niet meer te vreezen hebt. Ge
zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O,
dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts
de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen."
Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een
glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande:
"Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt
kunnen schrijven, niet aanneem."
Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier
schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen
en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin
het lange mes glinsterde.
Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc.
"Schrijf!" zeide hij.
Eindelijk sprak de gevangene:
"Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden."
"'t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk," zei Thénardier; en zich tot
Bigrenaille wendende:
"Maak den rechterarm van Mijnheer los."
Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers
bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier
de pen in den inkt en reikte ze hem.
"Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan
ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden
en 't ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot
onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw
woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult
blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd
is. Wees nu zoo goed te schrijven."
"Wat?" vroeg de gevangene.
"Ik zal 't u voorzeggen."
De heer Leblanc nam de pen.
Thénardier begon te dicteeren.
"Lieve dochter..."
De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier.
"Schrijf: "lieve dochter," hernam Thénardier. De heer Leblanc
gehoorzaamde. Thénardier ging voort:
"Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit
briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik
wacht u. Kom onbevreesd."
De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam:
"Wacht! schrap "kom onbevreesd" uit; 't zou kunnen doen vermoeden
dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen."