die sedert de komst der politieagenten geen woord had gesproken en
zijn hoofd gebogen hield.
"Maakt mijnheer los!" zei Javert, "en dat niemand de kamer verlate!"
Dit gezegd hebbende ging hij met waardigheid aan de tafel zitten,
waarop nog de kaars en de inktpot stonden, nam een gezegeld papier
uit zijn zak en begon zijn proces-verbaal.
Toen hij eenige regels geschreven had, behelzende de gewone formules,
sloeg hij de oogen op, zeggende:
"Laat de heer naderen, dien deze heeren gebonden hadden."
De agenten zagen naar hem om.
"Nu," vroeg Javert, "waar is hij?"
De gevangene der bandieten, de heer Leblanc, de heer Urbain Fabre,
de vader van Ursula of de Leeuwerik, was verdwenen.
De deur was bewaakt, maar het venster niet. Zoodra hij los was en
terwijl Javert het proces-verbaal schreef, had hij van de verwarring,
het gewoel, het gedrang, de duisternis en van een oogenblik dat men
niet op hem lette, gebruik gemaakt om door het venster te ontvluchten.
Een agent ijlde naar het raam en zag er uit. Hij zag niemand.
De touwladder slingerde nog.
"Verduiveld!" zei Javert binnensmonds, "dit moest de beste van de
vangst zijn!"
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE KLEINE DIE IN HET TWEEDE DEEL SCHREEUWDE.
Den dag, nadat deze gebeurtenissen in het huis op den boulevard de
l'Hopital waren voorgevallen, ging een knaap, die van de brug van
Austerlitz scheen te komen, langs het rechter voetpad naar de barrière
van Fontainebleau. 't Was een donkere avond.
Deze knaap was bleek, mager, in lompen gekleed, met een linnen broek,
hoewel 't Februari was, en zong luidkeels.
Om den hoek der straat Petit-Banquier stond een oude vrouw bij een hoop
vuilnis gebogen, waarin zij bij het licht der straatlantaarn zocht. De
knaap stiet haar in het voorbijgaan, trad toen achteruit en riep:
"Kijk, ik dacht dat 't een groote hond was!"
Hij herhaalde op spottenden en gerekten toon het woord, alsof men
schrijven zou "groote hond."
De vrouw richtte zich verwoed op.
"Leelijke bengel!" bromde zij. "Zoo ik niet gebukt had gestaan,
zou ik u een schop voor uw .... gegeven hebben."
De knaap was reeds op behoorlijken afstand.
"Ksch! ksch! Nu zie ik dat ik mij niet vergist heb!" tergde hij.
De oude vrouw, van woede stikkend, richtte zich geheel op, en het roode
licht der lantaarn bescheen haar bleek, hoekig, gerimpeld gelaat. Men
zag niets dan haar hoofd, daar 't overige van haar lichaam in de
schaduw was gehuld. Zij geleek het beeld der afgeleefdheid, door een
lichtstraal in den nacht beschenen. De knaap keek haar aan.
"Mevrouw bezit de soort van schoonheid niet die mij zou
behagen!" schimpte hij.
Toen zette hij zijn weg voort, zingende:
Le roi Coupdesabot
S'en allait à la chasse,
A la chasse aux corbeaux...
Na deze drie regels zweeg hij. Hij bevond zich voor het huis No. 50-52,
en de deur gesloten vindende begon hij er met zulk een geweld tegen
te schoppen en te trappen, dat het gerucht veelmeer de mansschoenen
die hij droeg dan de kindervoeten die hij had, deed uitkomen.
Intusschen was de oude vrouw, welke hij aan den hoek der straat
Petit-Banquier had ontmoet, hem nageloopen en schreeuwde en dreigde
hem.
"Wat is dat? wat is dat?" riep zij. "Heer, mijn God! men trapt de
deur in; men vernielt het huis!"
De knaap ging voort met tegen de deur te trappen.
De oude vrouw riep buiten adem:
"Gaat men tegenwoordig zoo met de huizen om!"
Eensklaps hield zij stil. Zij had den straatjongen herkend.
"Hoe! is 't deze duivel?"
"Ha! 't is de oude!" zei de knaap. "Dag, moeder Burgon! Ik kom mijn
oudelui bezoeken."
De oude vrouw antwoordde, met een gezicht dat haat, ouderdom en
leelijkheid uitdrukte, 't geen helaas echter in de duisternis
verloren ging:
"Er is niemand in huis, kwâjongen."
"Zoo!" hernam de knaap, "waar is dan mijn vader?"
"In de gevangenis."
"Zoo! en mijn moeder?"
"In de gevangenis."
"Zoo, en mijn zusters?"
"In de gevangenis."
De knaap krabde zich achter het oor, zag vrouw Burgon aan en zeide
eenvoudig: "Zoo!"
Toen draaide hij zich op de hielen om, en een oogenblik later hoorde
de oude vrouw, die hem aan de deur nazag, hem met heldere, jeugdige
stem zingen, terwijl hij onder de donkere boomen, die in den nachtwind
floten, verdween:
Le roi Coupdesabot
S'en allait à la chasse,
A la chasse aux corbeaux,
Monté sur des échasses.
Quand on passait dessous,
On lui payait deux sous.
EINDE VAN HET DERDE DEEL.
INHOUD.
Boek I.
Parijs in zijn atomen bestudeerd.
Bladz.
I. Parvulus 7
II. Eenige zijner bijzondere kenteekenen 8
III. Hij is behagelijk 9
IV. Hij kan nuttig zijn 10
V. Zijn grenzen 11
VI. Een weinig geschiedenis 12
VII. De straatjongen vindt zijn plaats in de klassificatie
der Indiën 14
VIII. Een vriendelijk woord van den laatsten koning 16
IX. De oude geest van Gallië 17
X. Ecce Paris, ecce Homo 18
XI. Schertsen en heerschen 20
XII. De in het volk besloten toekomst 22
XIII. De kleine Gavroche 23
Boek II.
De groote burger.
I. Negentig jaren en twee-en-dertig tanden 29
II. Zoo de man, zoo de woning 30
III. Zijn doopnamen 32
IV. Een aspirant naar de honderd jaar 33
V. Basque en Nicolette 34
VI. Magnon met hare twee kinderen 35
VII. Regel: ontvang alleen des avonds bezoek 36
VIII. Twee maken geen paar 37
Boek III.
De grootvader en de kleinzoon.
I. Een voormalig salon 43
II. Een der roode spoken van dien tijd 46
III. Requiescant 52
IV. De bandiet sterft 59
V. Om revolutionair te worden, is 't zeer goed de mis
bij te wonen 62
VI. Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet 64
VII. Een vrouw in 't spel 70
VIII. Marmer tegen graniet 74
Boek IV.
De vrienden van het A. B. C.
I. Een groep, die bijna tot de historie had behoord 81
II. Lijkrede van Bossuet op Blondeau 93
III. Marius is verbaasd 96
IV. De achterkamer van het koffiehuis Musain 98
V. Uitbreiding van den gezichteinder 105
VI. Res Augusta 108
Boek V.
Het nut des ongeluks.
I. Marius behoeftig 115
II. Marius is arm 117
III. Marius groot geworden 120
IV. De heer Mabeuf 124
V. Armoede is een goede gebuur voor ellende 128
VI. De plaatsvervanger 130
Boek VI.
De conjunctie van twee sterren.
I. Hoe familienamen ontstaan 137
II. En 't werd licht 139
III. Werking der lente 141
IV. Begin eener zware ziekte 142
V. Juffrouw Bougon wordt door verscheidene
bliksemstralen getroffen 145
VI. Gevangen gemaakt 146
VII. Gissingen nopens de letter U 148
VIII. Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn 150
IX. Eclips 151
Boek VII.
Patron-Minette.
I. De mijnen en de mijnwerkers 157
II. De diepte 159
III. Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse 161
IV. Samenstelling der bende 163
Boek VIII.
De slechte arme.
I. Marius zoekt een meisje met een hoed, en ontmoet een
man met een pet 169
II. Een vond 170
III. Vier brieven 172
IV. Een roos in ellende 176
V. Het spiegat 182
VI. De wilde mensch in zijn hol 185
VII. Strategie en tactiek 188
VIII. Een lichtstraal in het hol 192
IX. Jondrette weent bijna 194
X. Tarief der huurrijtuigen: twee francs in 't uur 197
XI. Dienstaanbieding van de armoede aan de smart 200
XII. Besteding van het vijffrancsstuk van den heer Leblanc 203
XIII. Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats 207
XIV. Waarin een politieagent twee pistolen aan een
advocaat geeft 209
XV. Jondrette doet inkoopen 213
XVI. Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode 215
XVII. Hoe het vijffrancsstuk van Marius besteed werd 218
XVIII. De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander 222
XIX. Een donkere achtergrond 223
XX. De hinderlaag 227
XXI. Men moet altijd eerst de offers vatten 249
XXII. De kleine die in het tweede deel schreeuwde 252
AANTEEKENINGEN
[1] Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge,
dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.
[2] Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De
beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond
vesten geschokten troon te schragen, men van bodem, de sol, van
broeikas, de serre, en van hut, de case, veranderen moet; alzoo
Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.
[3] Een woordspeling. Door van suspendu (geschorst) de eerste
lettergreep sus te nemen, krijgt men pendu (gehangen).
[4] L'Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te
Meaux was.
[5] Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde
mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw
schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever.
[6] La belle bouda et le dragon. Hierop slaat Bouddha en draak.
[7] Zij moge schijnen of stralen,
De beer keert naar zijn hol terug.
[8] Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de
oogenblikken des geluks! 't Is niet der moeite waard acht dagen te
beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren!
[9] Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom
uw schreden.
End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo