die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend
zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij
droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkende op de hoeden der
wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl
over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar
dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met
welgevallen doen zeggen:
"Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in
te boezemen."
Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer
Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog
altijd het contrast aan van jas en pantalon, 't welk naar Courfeyrac's
meening het ideaal van den dichter daarstelde.
Eensklaps zeide Jondrette luid:
"Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als 't nu is, zal hij
zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede
naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de
deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven
gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt,
gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het
rijtuig heengaan."
"En het geld?" vroeg de vrouw.
Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk.
"Wat is dat?" riep zij verwonderd.
Jondrette antwoordde deftig:
"'t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft."
Na eene poos hernam hij:
"Er zijn twee stoelen noodig."
"Waarom?"
"Om op te zitten."
Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw
Jondrette koel hoorde antwoorden:
"Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen."
Haastig opende zij de deur en trad in de gang.
Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed
te gaan en er zich onder te verbergen.
"Neem de kaars," riep Jondrette.
"Neen," zeide zij, "dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen
dragen. De maan schijnt."
Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis
naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en
ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats.
Vrouw Jondrette trad binnen.
Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote
vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen
Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was.
Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius
bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande.
"Hier zijn de twee stoelen," zeide zij, de kamer binnentredende.
"En daar hebt ge de lantaarn," zei de man. "Ga nu spoedig naar
beneden."
Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen.
Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den
beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud
vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de
hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte
Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een
touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen.
Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen,
die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends
niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius
afwezig was, gebracht.
't Zijn smidswerktuigen, dacht Marius.
Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten
hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten
waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden;
beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn.
De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht
tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer
alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of
den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg
de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende
stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren.
Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in
gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken
van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de
wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op
de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij
een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij
driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er
in had geborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen
legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof.
Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was,
te voorschijn, en spande den haan.
Dit veroorzaakte een licht knappend geluid.
Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op.
"Wat is dat?" riep hij.
Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon
toen te lachen en zeide:
"Hoe dom? 't Is de wand die kraakt."
Marius hield het pistool steeds in zijn hand.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
DE TWEE STOELEN VAN MARIUS STAAN TEGENOVER ELKANDER.
Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten
trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren.
Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden
slag snoot hij de kaars met zijn vingers.
Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde
weder.
"Als hij maar komt!" bromde hij binnensmonds.
Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten
toen de deur geopend werd.
Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht,
't welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen,
in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende.
"Kom binnen, mijnheer," zeide zij.
"Kom binnen, mijn weldoener," herhaalde Jondrette, haastig opstaande.
De heer Leblanc verscheen.
Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, 't geen hem
een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende.
Hij legde vier Louisd'ors op de tafel.
"Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou,"
sprak hij. "Vervolgens zullen wij zien."
"God beloone 't u, mijn edele weldoener," zei Jondrette. Daarop
haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in:
"Zend de huurkoets weg!"
Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblanc met
beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later
kwam zij terug en fluisterde hem in 't oor:
"'t Is geschied."
De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men
de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde
wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats
genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet.
Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet
de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame
omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in 't maanlicht
als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns,
die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen
zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op
straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste
stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van
Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen
aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend
en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius
onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord,
geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand.
Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw,
maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de
hand gedrukt en gevoelde zich gerust.--Ik zal dien ellendeling kunnen
tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij.
Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag
was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit
te steken.
Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette
en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij
wenschte te weten.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
EEN DONKERE ACHTERGROND.
Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige
kribben.
"Hoe gaat het met de kleine gewonde?" vroeg hij.
"Slecht," antwoordde Jondrette treurig, met verplichtenden glimlach,
"zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan
om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij
terugkomen."
"Uw vrouw schijnt beter te zijn?" hernam mijnheer Leblanc, een blik
op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen
hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in
een dreigende houding aanziende.
"Zij is doodziek," zei Jondrette. "Maar wat zal men zeggen,
mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. 't Is geen
vrouw, 't is een os."
Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de
liefelijkheid van een gevleid monster:
"Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!"
"Jondrette," zei de heer Leblanc, "ik meende dat uw naam Fabantou was?"
"Fabantou, genaamd Jondrette!" hernam de man schielijk. "Een
acteurs-bijnaam." En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien
de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke
ophemeling:
"O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme
lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn
zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen
arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de
regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer,
ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar
niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, 't zou, zoo
waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het
doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een
beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een
vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets
overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een
schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch
zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!"
Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit
iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg
Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand,
dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen,
dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil
gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon
van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals,
bloote getatoueerde armen, terwijl zijn gezicht was zwart gemaakt. Hij
had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats
genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts
onduidelijk zien.
Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt,
veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius
omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, 't welk
Jondrette opmerkte.
"Ha, ik zie!" riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn
jas dichtknoopende, "gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar,
hij zit mij goed!"
"Wie is die man?" vroeg de heer Leblanc.
"Hij?" hernam Jondrette. "Een buurman, laat hij u niet hinderen."
De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint
Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in
die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele
voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst
vertrouwen te kennen. Hij hernam:
"Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?"
"Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer," hernam Jondrette,
de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke,
teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, "ik zeide u,
dat ik een schilderij te koop had."
Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon
trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals
de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor
't gezicht.
Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer
Leblanc hem evenwel opgemerkt.
"Sla er geen acht op," zei Jondrette. "'t Zijn lieden van het huis. Ik
zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven.... Zie
hier, mijnheer, zie."
Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij
gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij 't echter tegen
den muur liet staan. 't Was werkelijk iets dat een schilderij geleek
en door de kaars min of meer in het licht kwam. Marius kon er niets
van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond;
hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk,
met harde kleuren als van een uithangbord.
"Wat is dat?" vroeg de heer Leblanc.
Jondrette sprak met ophef:
"Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er
niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters; het wekt dierbare
herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet
intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen..."
Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van
ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de
schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier
mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande;
alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte
gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met
gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk
aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen
jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner
droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets.
Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen
was gericht.
"'t Zijn vrienden, buren," zeide hij. "Zij zijn zwart, wijl zij met
kolen omgaan. 't Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener,
maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik
zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?"
"Wel," zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande,
als iemand die op zijn hoede is; "'t is een uithangbord van een of
andere herberg, dat misschien drie francs waard is."
Jondrette antwoordde heel bedaard:
"Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden
stellen."
De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een
snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde
bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn
rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en
schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden
toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem,
dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had,
van ellende krankzinnig was geworden.
"Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener," zei Jondrette,
"zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te
springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor
heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op
den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een
pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij
voor hout, papier of stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden
van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen
te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles
om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder
doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier
bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u,
vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!"
Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem
gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van
dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in
't oog.
Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen:
"Is hij krankzinnig?" Jondrette herhaalde twee of drie keeren in
allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: "Mij blijft niets over
dan in 't water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van
Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!"
Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine
man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer
Leblanc en riep hem met donderende stem toe:
"Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?"
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE HINDERLAAG.
De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen
in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te
voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen
knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van
den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen,
in de hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager
dan de eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer
grooten sleutel als die eener gevangenisdeur.
Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig
gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den magere.
"Is alles gereed?" vroeg Jondrette.
"Ja," antwoordde de magere man.
"Waar is Montparnasse?"
"Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken."
"Welke?"
"De oudste."
"Is er een huurkoets beneden?"
"Ja."
"Is het rijtuig ingespannen?"
"Ingespannen."
"Met twee goede paarden?"
"Beste."
"Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten moest?"
"Ja."
"Goed," zei Jondrette.
De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het
vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is;
zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden
wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets
aan hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van
verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen
had van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar
geworden en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug
van den stoel.
Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar,
scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid
is aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet
onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende.
Drie der mannen welke Jondrette "stokers" had genoemd, hadden uit
den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere een tang,
de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te spreken voor
de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had slechts
de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hem nedergezet.
Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou moeten
komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van de gang,
gereed om zijn pistool te lossen.
Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich
weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen,
onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was:
"Gij herkent mij dus niet?"
De heer Leblanc zag hem in 't gezicht en antwoordde:
"Neen."
Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst gekruiste
armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het bedaarde
gezicht van den heer Leblanc, en naderde hem zoo dicht mogelijk,
zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in deze houding van
een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij:
"Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet Thénardier! ik
ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? Thénardier! herkent
ge mij nu?"
Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer
Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich
verhief, en met zijn gewone bedaardheid:
"Evenmin!"