een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk.
Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen
gerucht te maken.
In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijn afgrijzen,
't welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort
van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn
een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen.
Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar
zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een
oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke
diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren
aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik
waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht
zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn,
zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen,
dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen;
te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf
uren voor zich.
Er was slechts één zaak te doen.
Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam
zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij
blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette
voort met in het oud ijzer te rammelen.
Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat
Petit-Banquier.
Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men
op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij
ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de
sneeuw verdoofd. Hij wendde 't hoofd om, de straat was eenzaam,
hij zag niemand, 't was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij
duidelijk stemmen.
Hij zag over den muur, langs welken hij ging.
Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die
zacht spraken.
't Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een
kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde
droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw
in de haren.
Toen Marius 't hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden.
De langharige stiet den andere aan en zeide:
"Met Patron-Minette kan 't niet missen."
"Dunkt u?" zei de gebaarde; en de langharige hernam:
"'t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en
het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!"
De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch
mutsje bibberend:
"'t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken
kan voortkomen."
"Ik zeg u dat ze niet kan mislukken," hernam de langharige.
Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de
Gaîté gezien hadden.
Marius zette zijn weg voort.
Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden
dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in
verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. 't
Kon de bewuste "zaak" zijn.
Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den
besten winkel naar een commissaris van politie.
Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14.
Marius ging er heen.
Hij kocht in 't voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en
at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben.
Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien
morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette
had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn,
en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag
van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware
geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
WAARIN EEN POLITIEAGENT TWEE PISTOLEN AAN EEN ADVOCAAT GEEFT.
Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de
eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken.
"Mijnheer de commissaris is hier niet," zei een schrijver; "maar er
is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is
er haast bij?"
"Ja," zei Marius.
De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man
van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel,
met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen
ophoudende. 't Was een vierkant gezicht, met dunne krachtige lippen,
zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om
te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij
doordringend was, maar dat hij omwoelde.
Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan
dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf.
"Wat wilt ge?" zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen.
"Mijnheer de commissaris van politie?"
"Hij is afwezend. Ik vervang hem."
"'t Betreft een zeer geheime zaak."
"Spreek dan."
"Er is veel haast bij."
"Spreek dan spoedig."
Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en
geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde
hem de zaak.--Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende,
dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt;--dat hij, Marius
Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd
was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord
had--dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;--dat hij zeker
medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder
anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille;--dat
de dochters van Jondrette op wacht zouden staan--dat er geen middel
bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men
zijn naam niet kende;--en eindelijk, dat dit alles 's avonds te zes
uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l'Hôpital zou worden
uitgevoerd, in het huis No. 50-52.
Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op
en zeide koel:
"'t Is dus in de kamer aan 't einde van de gang?"
"Juist," zei Marius, en hij voegde erbij: "kent ge dat huis?"
De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij
den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde:
"Wel mogelijk."
Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das
sprekende, bij:
"Daar moet iets van Patron-Minette onder schuilen."
Die naam trof Marius.
"Patron-Minette," zeide hij. "Ik heb inderdaad dat woord hooren
noemen."
En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den
langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur
der straat Petit-Banquier zaten.
De inspecteur mompelde:
"De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd
Deux-Milliards."
Hij sloeg de oogen neder en dacht na.
"Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas
gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer
50--52, vroeger 't huis Gorbeau."
Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg:
"Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?"
"En Panchaud."
"Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?"
"Neen."
"Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?"
"Neen."
"Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?"
"Neen."
"Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden
en ondergeschikten. 't Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet
gezien hebt."
"Wie zijn al deze menschen?" vroeg Marius.
De inspecteur antwoordde:
"'t Is trouwens hun uur niet."
Weder zweeg hij, waarna hij hernam:
"No. 50--52! Ik ken dat hol.--'t Is onmogelijk ons er in te verbergen
zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het
kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek
hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten
dansen."
Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak
in de oogen ziende:
"Zijt ge bang?"
"Waarvoor?" zei Marius.
"Voor die lieden?"
"Evenmin als voor u!" antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten,
dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd.
De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een
soort van plechtigen nadruk:
"Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad
niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag."
Marius viel hem in de rede:
"Goed, maar wat zijt ge voornemens?"
De inspecteur antwoordde niets anders dan:
"De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om
's nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?"
"Ja," zei Marius.
"Hebt ge hem bij u?"
"Ja."
"Geef hem mij," zei de inspecteur.
Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur,
zeggende:
"Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede."
De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der
academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had
voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de
wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij
Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide:
"Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men
gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let
wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden
zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt
dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een
pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om 't even waar. Maar
vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge
zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is."
Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas.
"Dat veroorzaakt een bult, men kan 't zien," zei de inspecteur. "Steek
ze liever in uw broekzakken."
Marius deed het.
"Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen," vervolgde de
inspecteur. "Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?"
"Om zes uur," zei Marius.
"Ik heb den tijd," hernam de inspecteur, "maar ook niet meer dan den
tijd. Vergeet niets van 't geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot."
"Wees gerust," antwoordde Marius.
En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de
inspecteur hem toe:
"Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend
iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen."
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
JONDRETTE DOET INKOOPEN.
Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig
door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel
sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac:
"Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in
den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte."
Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de
richting der barrière ging.
"Zie," zei Bossuet, "Marius!"
"Ik heb hem gezien," zei Courfeyrac; "spreken wij hem niet aan."
"Waarom?"
"Hij is ingespannen."
"Waarmee?"
"Ziet ge 't niet aan zijn gezicht?"
"Wat dan?"
"Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt."
"'t Is waar." zei Bossuet.
"Zie welke oogen hij zet!" hernam Courfeyrac.
"Maar wie drommel volgt hij?"
"Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!"
"Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; zelfs
geen vrouw."
Courfeyrac keek en riep:
"Hij volgt een man!"
Inderdaad, een man met een pet op 't hoofd, en wiens grijzen baard men
eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den rug zag,
ging een twintigtal schreden vóór Marius uit.
Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een
leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt.
Bossuet lachte luidkeels.
"Wie kan de man zijn?"
"'t Is een poëet," antwoordde Courfeyrac. "Poëten dragen gaarne
pantalons als die van oude joden, en jassen als die van pairs van
Frankrijk."
"Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij hen,
zullen we?"
"Bossuet!" riep Courfeyrac, "Arend van Meaux, ge zijt soms vreeselijk
dwaas. Een man na te loopen, die een man naloopt!"
Zij keerden om.
Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan,
en sloeg hem gade.
Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op hem
gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem in
een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden,
waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar
de straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel,
die zich destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond,
en eenige minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met
wit houten steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel
komen. Ter hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat
Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een
oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool
zich om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd
was, en volgde Jondrette niet. 't Was gelukkig voor hem, want bij
den lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde
samen had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat
niemand hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween.
Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap
met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest
en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude
rijtuigen had.
Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te
maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden
ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon
de huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was;
Marius had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven;
't was dus noodzakelijk, dat hij zich haastte.
De avond was gekomen; 't was bijna geheel donker; aan den horizon en
het uitspansel was nog slechts één door de zon verlicht punt, de maan.
Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière op.
Haastig naderde Marius het huis No. 50--52. Hij ging op de teenen naar
boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Men herinnere zich,
dat deze gang aan beide zijden kamers had, die op dit oogenblik alle
ledig waren en te huur stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de
deuren van open. Toen Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij
in het onbewoonde kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos,
en flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen.
Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het gelukte
hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te komen. Het
was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon uitgaan en de
voordeur sluiten.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
HET LIEDJE OP EEN ENGELSCHE WIJS, IN 1832 IN DE MODE.
Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog
slechts een half uur scheidde hem van 't geen zou gebeuren. Hij hoorde
zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij
dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis
gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan
de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een
zekere siddering denken aan 't geen gebeuren zou. Zooals met allen het
geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast,
scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij
niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken
de koude pistolen betasten.
Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door
de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der
gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting.
Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van
den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam.
Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd
voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de
Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte
was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf
hebben gewaand.
Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed.
Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar
hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang,
en de klink der deur hard oplichten; 't was Jondrette die te huis kwam.
Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was
in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester
stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf.
"Ik ben 't," zeide hij.
"Goeden avond, vadertje," riepen de meisjes.
"Welnu?" vroeg de moeder.
"Alles gaat goed," antwoordde Jondrette, "maar mijn voeten zijn
gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen
kunnen inboezemen."
"Gereed om uit te gaan."
"Zult ge niets vergeten van 't geen ik u gezegd heb; en alles
behoorlijk uitvoeren?"
"Wees gerust."
"'t Is..." zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet.
Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den
beitel dien hij gekocht had.
"Wel," hernam Jondrette, "is hier gegeten?"
"Ja," zei de moeder, "drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur
had, heb ik ze gekookt."
"Goed," hernam Jondrette, "morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel
en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.--Alles gaat goed."
En met zachte stem voegde hij er bij:
"De muizenval is open. De katten zijn er."
En met nog zachter stem:
"Leg dit in het vuur."
Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in
de houtskolen woelt, en Jondrette hernam:
"Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen."
"Ja," antwoordde de moeder.
"Hoe laat is het?"
"Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen."
"Duivels," zei Jondrette. "De meisjes moeten op de wacht. Komt hier,
kinderen; luistert."
Er werd gefluisterd.
Wederom verhief zich de stem van Jondrette.
"Is vrouw Burgon uitgegaan?"
"Ja," zei de moeder.
"Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?"
"Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel,
dat het nu zijn etensuur is."
"Zijt ge er zeker van?"
"Zeker."
"Om 't even," hernam Jondrette, "'t kan geen kwaad te gaan zien of
hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien."
Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder
zijn bed.
Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten
der deur licht.
"Va!" riep een stem, "hij is uit."
Marius herkende de stem der oudste dochter.
"Zijt ge binnen geweest?" vroeg de vader.
"Neen," antwoordde de dochter; "maar hij is uit; want de sleutel is
in het slot."
De vader riep:
"Ga evenwel binnen."
De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars
in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het
licht nog afschuwelijker.
Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van
onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij 't bed een
spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief
zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in
het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar
hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend,
zong zij met haar schorre grafstem:
Nos amours ont duré toute une semaine.
Mais que du bonheur les instants sont courts!
S'adorer huit jours, c'était bien la peine!
Le temps des amours devrait durer toujours!
Devrait durer toujours! devrait durer toujours! [8]
Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest
hooren ademen.
Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide,
met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide:
"Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken."
Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en
beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden.
"Nu!" riep de vader, "wat doet ge toch?"
"Ik zie onder het bed en de meubels," antwoordde zij, terwijl ze heur
haar bleef glad strijken; "er is niemand."
"Kom hier, dadelijk," brulde de vader, "laat ons geen tijd verliezen."
"Ik kom, ik kom," antwoordde zij. "Men heeft in hun kot den tijd
voor niets."
Zij neuriede:
Vous me quittez pour aller à la gloire,
Mon triste coeur suivra partout vos pas. [9]
Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en
sloot de deur achter zich.
Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van
de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep:
"Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere
bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur
van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug,
zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen."
De oudste dochter bromde:
"Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen."
"Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!" zei de vader. Zij
gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan
der voordeur, dat zij op de straat waren.
Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis,
waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de
deur der onbewoonde kamer had gezien.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
HOE HET VIJFFRANCSTUK VAN MARIUS BESTEED WERD.
Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn
observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd,
was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door.
Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en
Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij
had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen
kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het
geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende
kolen in een groot ijzeren komfoor, dat onder den schoorsteen stond. De
kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door
en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in
de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend
werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen
van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik
schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat
hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams
of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek
meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien
schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid.
De hitte van 't vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de
zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn,
die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn
geweest, stond op den schoorsteen.
Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half
uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en
veroorzaakte geen lucht in 't vertrek.
De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in
het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den
poëtischen geest van Marius, die zelfs op 't oogenblik der handeling
nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de
verwarde droomen der aarde.
De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp
verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken.
Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij
van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats
ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te
verbergen. 't Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis
op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag
gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben.
De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers,
scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het
had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren
en rasterwerk.
Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel
te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem.