vrouw, een gescheurd hemd! in 't hartje van den winter. Ik kan niet
uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame
kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer
genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge,
mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan
haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire
zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in
huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond,
en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. 't Is de ouderdom,
en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter
ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik
zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met
de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn
edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, die deugd en goedheid
ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult,
en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige
opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik
zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat
punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd,
eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt
op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet
tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en
eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en
wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik
wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de
vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer,
weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari,
de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft
gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen,
mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met
haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat,
op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen,
in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig,
een jaar! dat wil zeggen zestig francs."
Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en
hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden
verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had.
Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op
de tafel.
Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in 't oor te fluisteren:
"De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn
stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog
kosten!"
Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken,
die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel
geworpen.
"Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs
bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond
terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?"
Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig
antwoordde hij:
"Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn."
"Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen."
"Mijn weldoener!" riep Jondrette in vervoering.
En hij voegde er zacht bij:
"Bezie hem goed, vrouw!"
Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde
zich naar de deur.
"Tot van avond, vrienden!" zeide hij.
"Te zes uren?" riep Jondrette.
"Te zes uren precies."
De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog
der oudste dochter, die zeide:
"Gij vergeet uw overjas", mijnheer."
Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard
aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om,
en antwoordde glimlachend: "Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier."
"O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan
mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig
uitgeleide doe."
"Trek die overjas aan, als ge uitgaat," antwoordde mijnheer Leblanc;
"'t is scherp koud."
Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine
overjas aan.
Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor.
TIENDE HOOFDSTUK.
TARIEF DER HUURRIJTUIGEN: TWEE FRANCS IN 'T UUR.
Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er
inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest
op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat
en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij
er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen
het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel
op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht
met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer
binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn.
Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens
ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje
met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte
haar woorden te verstaan. Hij kende haar oogen, haar voorhoofd, haar
schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer
stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar
te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had
tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel
een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de
erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit
mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond
haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk
dit goddelijke wezen was, 't welk hij te midden dezer afzichtelijke
schepsels in dit afschuwlijk hol zag. 't Was hem als zag hij een
colibri tusschen padden.
Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te
volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten
dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te
verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong
van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der
deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang
was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was
zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den
drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou
hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen,
en dan was 't weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar
terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote
verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer.
In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was
niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op
den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat
Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed.
Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard
gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat
Mouffetard doorreed; 't rijtuig was reeds ver, en geen middel het in
te halen. 't Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou
men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit
alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius,
als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over
den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te
stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste
en zekerste middel.
Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep:
"Bij 't uur!"
Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken,
voor de borst was zijn overhemd gescheurd.
De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe,
en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen.
"Wat?" zei Marius.
"Vooraf betalen!" zei de koetsier.
Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij
zich had.
"Hoeveel?" vroeg hij.
"Twee francs."
"Ik zal u betalen als ik te huis ben."
De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde
de zweep over zijn paard.
Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die
hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij
verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter
leedwezen, en wij moeten 't erkennen met diepen spijt, dacht hij aan
de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje
had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en
van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den
zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast,
die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend
keerde hij naar zijn woning terug.
Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had
's avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te
volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord.
Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde
van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der
barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den
"menschenvriend", sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen,
welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en
verontrustende woorden, die 't voorkomen hebben steeds aan slechte
dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, 't geen doet
vermoeden, dat zij 's nachts werken.
Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken,
in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een
stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette
er nauwelijks op.
Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept
was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denken dat de
schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud,
bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens
gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver
gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man
gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam
later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens
een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd
deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven
en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in
zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen,
sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse
waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig
gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door
hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in
't oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd.
ELFDE HOOFDSTUK.
DIENSTAANBIEDING VAN DE ARMOEDE AAN DE SMART.
Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde
binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van
Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was
het, die zijn vijf francs had, 't was te laat om ze haar terug te
vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij
zou ze hem bovendien niet wedergeven. 't Was overigens nutteloos
haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te
ondervragen; 't was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief,
als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan "den weldadigen heer
der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas."
Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar
zij was niet in 't slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de
half opene deur tegenhield.
"Wat is dat?" vroeg hij, "wie is daar?"
't Was de dochter van Jondrette.
"Zijt gij 't?" hernam Marius eenigszins ruw, "gij wederom! Wat
wilt ge?"
Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo
stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de
schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag.
"Nu, waarom antwoordt ge niet?" hernam Marius. "Wat wilt ge?"
Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht
scheen te ontsteken, en zeide:
"Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?"
"Mij?" zei Marius.
"Ja, u."
"Mij deert niets."
"Toch."
"Neen."
"Ik zeg u, ja."
"Laat mij met vrede."
Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen.
"Luister," zeide zij, "ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt,
zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees 't nu ook. Ge hebt mij
iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat
gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik
er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik
begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen,
maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik
mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen,
in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand
te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan
spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt,
en de zaak komt in orde. Bedien u van mij."
Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen
gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal.
Hij naderde het meisje en zeide:
"Luister."
Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede
en zeide:
"Ha, nu doet gij wel."
"Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?" hernam
hij.
"Ja."
"Weet ge waar zij wonen?"
"Neen."
"Poog het voor mij te ontdekken."
Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden;
nu werd het weder van vroolijk treurig.
"Is het dat, wat ge begeert?" vroeg zij.
"Ja."
"Kent gij hen?"
"Neen."
"Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen,"
hernam zij levendig.
In dat woordje haar, dat zij nu in plaats van hen gebruikte, lag iets
bijzonders en scherps.
"Nu, kunt ge 't doen?" vroeg Marius.
"Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben."
Er lag in deze woorden "schoone jonge dame" weder iets dat Marius
hinderde. Hij hernam:
"Om 't even! de woning van den vader en van de dochter. Hun
woning! hoor?"
Zij zag hem strak aan.
"Wat geeft ge mij?"
"Al wat ge wilt."
"Al wat ik wil?"
"Ja."
"Ge zult het adres hebben."
Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur
achter zich dicht.
Marius was alleen.
Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen
op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden,
alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen
gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem
het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende
wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd
hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe
stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste
belangstelling inboezemden:
"Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb."
Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den
vader van "zijn Ursula?" Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op
zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen,
zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk
weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader
was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te
verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel!
Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich
weder voor het kleine spiegat in den wand.
Hij zag weder in Jondrettes woning.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
BESTEDING VAN HET VIJFFRANCSTUK VAN DEN HEER LEBLANC.
Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw
en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken
aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben
gelegd.
Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de
buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen;
de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd
gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande
krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en
weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking.
De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme
verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen:
"Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?"
"Gewis! 't Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik
herkende hem terstond. Is 't u dan niet dadelijk in het oog gevallen?"
"Neen."
"Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! 't Is zijn gestalte,
zijn gezicht, nauwelijks iets verouderd; er zijn lieden die niet
verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. 't Was de toon zijner
stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige
duivel, nu heb ik u!
Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters:
"Gaat!--'t Is zonderling dat 't u niet in 't oog is gevallen."
Zij stonden op om te gaan.
De moeder stamelde:
"Met haar gewonde hand?"
"De lucht zal haar goed doen," zei Jondrette. "Gaat."
De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak
dulden. De beide meisjes gingen.
Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij
den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon:
"Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig."
Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid.
Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar
keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige
oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg,
weder in zijn broek te stoppen.
Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander
en riep:
"Wil ik u iets zeggen? de jonge dame..."
"Nu wat?" hernam de vrouw, "de jonge dame?"
Marius kon niet twijfelen, 't was inderdaad van haar, dat men
sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in
zijn ooren.
Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw
gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid:
"Deze is 't!"
"Die?" hernam de vrouw.
"Ja, zij!" herhaalde de man.
't Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord
"die" der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering,
woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam,
door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren
voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk
vreeselijk.
"Niet mogelijk!" riep zij; "als ik er aan denk, dat mijn dochters
blootsvoets gaan en geen kleeren aan 't lijf hebben. Hoe! een
satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer
dan tweehonderd francs aan 't lijf! zoodat men haar voor een dame zou
moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk,
deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan
het niet zijn!"
"Ik zeg u, dat zij 't is. Ge zult zien."
Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood,
blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen
oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. 't Was
een zeug met den blik van een tijgerin.
"Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die
mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern
zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen."
Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar,
uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in
den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging
op en neder, zonder op zijn vrouw te letten.
Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een
oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan.
"Zal ik u nog eens iets zeggen?"
"Wat?" vroeg zij.
Kortaf en met zachte stem antwoordde hij:
"Dat mijn fortuin gemaakt is."
Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf:
"Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?"
Hij hernam:
"Voor den donder! 't is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie
behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij
brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van
anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb
nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als
ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer 't mij lust; enfin, vóór
ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn."
Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij:
"Gelijk anderen."
"Wat bedoelt ge?" vroeg de vrouw.
Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een
marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil:
"Wat ik bedoel? Luister!"
"Stil," mompelde vrouw Jondrette, "niet zoo luid; 't zijn zaken,
die anderen niet behoeven te hooren."
"Kom! wie zou 't hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En
bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg,
uitgegaan."
Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch
niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige
omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het
geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen
woord ontging.
Marius hoorde nu dit:
"Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. 't Is zoo goed als
geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt
van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt
ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer,
en 4 Februari beet heb gehad? 't is nog geen drie maanden! Hij zal
dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon
is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit
vóór elf uren t'huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet
ons helpen. Het moet gebeuren!"
"En zoo 't niet gebeurt?" vroeg de vrouw.
Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende:
"Dan zullen wij 't hem wel leeren."
Hij lachte luide.
't Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en
flauw en deed iemand rillen.
Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude
pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben.
"Nu ga ik uit," zeide hij. "Ik moet nog lieden spreken... goede. Ge
zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; 't zal
een mooie slag zijn; blijf gij te huis."
Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in
nadenken staan en riep eindelijk:
"'t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij
mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. 't
Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief
romantisch baardje!"
En wederom lachte hij.
Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht
was grijs.
"'t Is een hondenweer!" zeide hij.
Toen knoopte hij de jas dicht.
"Ze is mij te wijd," zeide hij. "Om 't even; de oude schurk heeft wel
gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan,
en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de
gebeurtenissen?"
Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit.
Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur
weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning
verscheen.
"Ik vergat iets," zeide hij. "Ge moet houtskool halen." En hij wierp
het vijffrancstuk dat de "menschenvriend" hem gegeven had in den
schoot der vrouw.
"Houtskool?" vroeg de vrouw.
"Ja."
"Hoeveel maten?"
"Twee."
"Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed
maken."
"Verduiveld, neen."
"Waarom?"
"Geef het vijffrancstuk niet geheel uit."
"Waarom?"
"Wijl ik iets voor mij moet koopen."
"Wat?"
"Iets."
"Hoeveel hebt ge noodig?"
"Is hier in de buurt een ijzerwinkel?"
"In de straat Mouffetard."
"Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij."
"Zeg mij hoeveel ge noodig hebt."
"Twee en een half of drie francs."
"Er zal niet veel voor het eten overblijven."
"Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen."
"'t Is goed, mijn schat."
Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde
Marius hem haastig door de gang en de trap afgaan.
Op St. Medard sloeg het één uur.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
TWEE ALLEEN BIDDEN NIET OP EEN AFGELEGEN PLAATS.
Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter,
zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam,
denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had
wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer
van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat
bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter,
hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En 't was
een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had.
Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij.
Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was
opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder
geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den
man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In
de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder,
dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag
werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld,
zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat
de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web
dier spinnen moest verscheurd worden.