het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar
in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig;
dat wil zeggen leelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed,
wild en groot, dat wil zeggen schoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen
der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn
beter dan menschenholen.
Wat Marius zag was zulk een hol.
Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede
was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik
insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen
ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige
potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden;
geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten,
vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een
spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien
en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte
misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men
zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend.
De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere
had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden
kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken
grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem
gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen,
sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het
voor veertig francs 's jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats
een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden,
een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten
er treurig.
De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er
waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien
en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar 't oog
niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen
en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke,
monsterachtige menschelijke wezens.
Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen
met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In
een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den
muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote
letters geschreven stond: de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor,
met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een
kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde
zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een
stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende,
waarop deze inscriptie:
Marengo
Austerlits
Jena
Wagramme
Elot
Onder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan
breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij,
die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze
later weder op te hangen.
Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein,
mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig
gelaat; kortom een afschuwelijke kerel.
Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan
den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die
wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door
den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk
te maken.
Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan,
dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen
bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen,
waaruit de teenen staken.
Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij
schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had.
Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel,
welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote
kapitale letters: Dieu, le Roi, l'honneur et les dames par
Ducray-Duminil. 1814.
Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden:
"Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie
Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan
die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen,
de armen, de ongelukkigen! O, men legt ze beneden, waar men tot aan
de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar,
opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder
in den grond te zakken."
Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde
hij er bij:
"Ik zou de wereld willen verslinden!"
Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn,
zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt.
Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken
oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft
van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij
zeer groot van gestalte was, 't was een soort van reuzin, bij haar
man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij
nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde.
Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van
hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden
roman.
Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier
naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren,
noch te zien, noch te leven.
Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest.
Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig
beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit
was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd:
"Ik ging aan den haal!"
Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft,
doch dan eensklaps en snel opgroeit. 't Is de armoede, die zulke
treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch
kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf
jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje,
morgen vrouw. 't Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen
om te eerder aan het einde te zijn.
Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind.
Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van
arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In
een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. 't Was de vadzige luiheid,
welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat.
Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker
dan 't inwendige van een graf scheen, want men zag de menschelijke
ziel bewegen en het leven er in kloppen.
De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste
trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het
graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht
aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn
grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen.
De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te
ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen.
De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: "canaille, canaille,
alles is canaille!"
Deze variant op Salomo's uitroep: "IJdelheid" enz., deed de vrouw
zuchten.
"Wees bedaard, mijn vriend," zeide zij. "Maak u niet kwaad, mijn
lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven,
mijn beste."
In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar
de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze
vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was,
maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche
verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte,
uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor
haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt,
overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: "mijn lieve, mijn hart,
mijn vriend enz." met den mond, maar het hart zweeg.
De man had zich weder aan 't schrijven gezet.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
STRATEGIE EN TACTIEK.
Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium
dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht
trok en er hem deed blijven.
Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter
verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk
overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude
gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar
vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had
nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij 't heengaan
weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht,
stond even stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk,
en riep toen op zegevierenden verheugden toon:
"Hij komt!"
De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje
bewoog zich niet.
"Wie?" vroeg de vader.
"De mijnheer."
"De menschenvriend?"
"Ja."
"Van de kerk St. Jacques?"
"Ja."
"Die oude?"
"Ja."
"Zal hij spoedig komen?"
"Hij volgt mij."
"Is 't zeker?"
"Gewis.--In een huurrijtuig."
"In een huurrijtuig! 't Is een Rothschild!"
De vader stond op.
"Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het
dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel
gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan
het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem
dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij
u gezegd?"
"Ho! ho! ho!" riep de dochter, "wat draaft ge door, man! Ik zal
u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats,
boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide
mij: "Waar woont ge, mijn kind?" Ik antwoordde: Ik zal 't u wijzen,
mijnheer. "Neen," zeide hij; "geef mij uw adres; mijn dochter heeft
nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even
spoedig zijn als gij." Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis
aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar
zeide eindelijk: "Om 't even, ik zal gaan." Toen de mis geëindigd
was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een
huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur
rechts, aan 't einde van de gang."
"Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?"
"Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed,
daarom heb ik zoo hard geloopen."
"Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?"
"Wijl ik het nummer ervan had onthouden."
"Welk nummer?"
"440."
"Goed, ge zijt een schrandere meid."
Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen
wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij:
"Schrander, 't is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet
meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid,
en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het
water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets."
"Ge hebt gelijk," antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij
de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; "maar dan zal men u niet
meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat
niet barrevoets tot den goeden God," voegde hij er bitter bij. En op
het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: "Nu, zijt ge zeker,
heel zeker, dat hij komt?"
"Hij volgt mij op de hielen," was het antwoord.
De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn
gezicht.
"Vrouw," riep hij, "hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het
vuur uit."
De verbaasde moeder bewoog zich niet.
Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot
van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders.
Toen zeide hij tot zijn oudste dochter:
"Komaan, ruk de mat uit den stoel."
Zijn dochter begreep hem niet.
Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been
er doorging.
Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter:
"Is 't koud?"
"Fel koud; het sneeuwt."
Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster
zat, riep hij haar toe, met donderende stem:
"Haast u, van 't bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla
een ruit in!"
Bibberend sprong het meisje van het bed.
"Sla een ruit in!" herhaalde hij.
Het kind was als versuft.
"Hoort ge niet?" herhaalde de vader, "ik zeg u, dat ge een ruit moet
stuk slaan."
Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op de teenen
omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel
rinkelend op den grond.
"Goed," zei de vader.
Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken
van 't vertrek.
Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een
veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal.
De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg
met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak
bevrozen waren:
"Lieve man, wat wilt ge doen?"
"Ga naar bed," antwoordde de man.
De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder
gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben.
Intusschen hoorde men in een hoek snikken.
"Wat is er?" vroeg de vader.
De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren
hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich
met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder
gegaan, waar zij stil weende.
't Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen.
"Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas
gesneden, toen zij het stuk sloeg."
"Des te beter," zei de man, "ik had er op gerekend..."
"Wat? des te beter?" hernam de vrouw.
"Zwijg!" riep de vader, "ik hef de vrijheid der pers op!"
En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af,
en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje.
Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd
hemd.
"Ook het hemd," zeide hij, "alles heeft nu een goed aanzien."
Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong
binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw
binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis,
had beloofd, was inderdaad gekomen.
De vader sloeg zijn blik in 't rond, als wilde hij zich overtuigen,
dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch
op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen.
Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij:
"Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten."
ACHTSTE HOOFDSTUK.
EEN LICHTSTRAAL IN HET HOL.
Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders,
zeggende:
"Voel, hoe koud ik ben."
"Och," antwoordde de vader, "ik ben nog kouder dan gij."
De moeder riep heftig:
"Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het
kwade toe."
"Zwijg!" zei de man.
De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg.
Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf.
De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den
rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder
had het hoofd van 't kind in beide handen genomen en bedekte het met
kussen, fluisterend zeggende:
"Wees stil, mijn schatje, 't is niets; ween niet, uw vader zou boos
worden."
"Neen," riep de vader; "integendeel, schrei en snik, dat is goed."
En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij:
"Wel, hoe is 't! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets
mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en
mijn ruit gebroken hebben."
"En de kleine gewond," mompelde de moeder.
"Weet ge," hernam de vader, "dat het duivels koud in dit hondenhok
is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt:
Laat hen wachten, zij zijn er voor.--O, ik haat deze rijken, en zou
ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die
zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan,
die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven
ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen,
zooals zij zeggen! vodden zijn 't, die geen oordje waard zijn; en
brood! Dat is 't niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat
geven ze niet, want zij zeggen dat wij 't zouden verdrinken en dat
wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij
in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O,
men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen
en alles in de lucht uitslaan! 't is mogelijk dat alles brak, maar
niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.--Maar waar
blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien
heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier..."
Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze,
terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep:
"Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige
weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!"
Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel.
Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde
is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken.
"Zij was 't!"
Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woord
zij ligt.
Zij was 't inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den
flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. 't Was het
liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had,
en toen verdwenen was; 't was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat
bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis
had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug.
Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk
verblijf, in deze ellende.
Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was 't! Zijn hartkloppingen
verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op 't punt in tranen uit
te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht
te hebben! 't Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij
verloren had.
Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door
een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen
onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar
kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn.
Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc.
Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd.
De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag
met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het
bekoorlijk, gelukkig gelaat.
NEGENDE HOOFDSTUK.
JONDRETTE WEENT BIJNA.
Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen,
aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen
naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende
onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de
oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren.
Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht,
en zeide tot vader Jondrette:
"Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en
dekens vinden."
"Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden," zei Jondrette
tot den grond buigende.--Toen de beide bezoekers daarop het armoedig
verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn
oudste dochter in 't oor:
"Nu, heb ik 't niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn
allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm
onderteekend?"
"Fabantou," antwoordde de dochter.
"Dramatisch artist, goed!"
't Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de
heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand,
die een naam zoekt:
"Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer..."
"Fabantou," antwoordde Jondrette haastig.
"Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij."
"Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht."
Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den
menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van
den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den
ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: "Een leerling van Talma,
mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij
de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn
weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen
vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in
zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!"
"Arme vrouw!" zei Leblanc.
"Mijn kind gewond!" voegde Jondrette er bij.
Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehouden te
schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame.
"Schrei, balk toch!" beet Jondrette haar in 't oor. Tegelijkertijd
kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de
behendigheid van een goochelaar.
Het meisje begon luide te krijten.
De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart "zijn Ursula"
noemde, naderde haastig, uitroepende:
"Arm, lief kind!"
"Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame," zei Jondrette. "Dat
ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om
dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet
moeten worden."
"Waarlijk," zei de oude heer verschrikt.
Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te
schreien.
"Helaas! ja, mijn weldoener," antwoordde de vader.
Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend
op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en
nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een
oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling
het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn
vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en
heel zacht tot haar:
"Bezie dien man eens nauwkeurig!"
Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn
jammerklacht: