"Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij

de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling

in een letterkundige, die aan het Théâtre Français een drama

heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt

in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl

natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier

plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke,

ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der

karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele

intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende

tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen

oplost.

"'t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer

hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen

grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.

"In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de

ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit

den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede

men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.

"Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een

verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij

mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal

blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit

strenge seizoen. 't Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn

drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te

bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming

te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo

ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik

mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van

dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, 't welk ik zoo volmaakt

mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan

't hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd

worden.

"Aan mijnheer

en mevrouw Pabourgeot

mijn eerbiedigste hulde.

Genflot, letterkundige."

P. S. "Al is 't maar twee francs."

"Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar

treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet,

uit te gaan..."

Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: "Aan den

weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas.

"Weldadig man,

"Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge

een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.

"Bij 't gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen

worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte

wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.

"Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten

nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te

moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen,

alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven,

in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed

voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.

"Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt

zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen

ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn,

"Wezenlijk grootmoedig man,

"Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,

"P. Fabantou, dramatisch artist."

Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer

dan vroeger.

Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op.

Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn;

van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van

den dramatischen artist Fabantou; maar 't was zonderling, dat deze

brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren.

Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden

persoon kwamen?

Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de

vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven,

ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel 't duidelijk was dat

men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort

van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij

den Spaanschen kapitein.

't Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden. Zoo

't geen vond ware geweest, zou 't een fopperij geleken hebben. Marius

was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van

het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare

straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij

blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den

mal hielden.

Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes

behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. 't Waren in

allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden.

Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde

zich te bed.

Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten

en wilde zich aan 't werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd

geklopt.

Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur,

behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens

liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur.--"Men

zal u bestelen," zei vrouw Bougon.--"Wat?" vroeg Marius.--Men had hem

evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote

zelfvoldoening van vrouw Bougon.

Men klopte nogmaals zeer zacht.

"Binnen," zei Marius.

De deur werd geopend.

"Wat wilt ge, vrouw Bougon?" vroeg Marius zonder zijn oogen van de

boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen.

Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde:

"Vergeving, mijnheer..."

't Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die

dronken is of zich overschreeuwd heeft.

Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN ROOS IN ELLENDE.

Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door

't welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en

verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek,

tenger, mager; slechts een hemd en een rok bedekten haar bibberende

naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar

kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was

ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half

open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de

vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven

vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens

zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen.

Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing

dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom

verschijnen.

Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter

wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij

zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog

bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht

van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag

nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij

een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd.

Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich

te herinneren het ergens gezien te hebben.

"Wat begeert ge?" vroeg hij.

Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef:

"Hier is een brief voor u, mijnheer Marius."

Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij

bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij

zijn naam?

Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij

binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid,

die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde

bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon

men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude.

Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood.

Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat

was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las:

"Lieve buurman,--geëerde jonge heer!

"Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden

geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn

oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons

vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is. Zoo ik mij in mijn

gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig

hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen

mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.

Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de

weldoeners der menschheid schuldig is

Jondrette."

P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius."

Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, 't welk Marius

sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de

duisternis. Alles helderde zich eensklaps op.

Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was

dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier,

dezelfde tabaksreuk.

Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf

handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don

Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot,

de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste

Jondrette zelf Jondrette heette.

Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij,

zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste

buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar

de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes

in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts

schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den

vorigen avond de dochters van Jondrette tegen 't lijf was geloopen,

zonder ze te kennen, want zij waren 't ongetwijfeld geweest, en zij,

die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden,

welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem

opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had.

Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette

in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid

van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen

bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en

mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen

kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij

dobbelde met het lot en zette haar op 't spel. Marius begreep, uit haar

hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge

woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog

andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij door een en ander,

te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld,

twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes,

noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren.

Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor

wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de

kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid,

noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken,

heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn

gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd

worden.

Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar

richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en

weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid

te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar

borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op

de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde

in alle hoeken.

"Ha!" zeide zij, "hebt ge een spiegel?"

En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles,

vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk

klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere

gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is

een schande.

Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen

als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken

heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje,

onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel

anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de

dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn,

in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen.

Marius dacht, en liet haar begaan.

Zij naderde de tafel.

"Ha, zeide zij, boeken!"

Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem

drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen

menschelijk schepsel ongevoelig is:

"Ik kan lezen."

Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk

vlug:

"...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijf bataljons zijner

brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte

van Waterloo ligt, in te nemen..."

Zij brak 't lezen af, met de woorden:

"Ha! Waterloo! dat ken ik. 't Was een fameuze slag! mijn vader was

er bij. Mijn vader heeft in 't leger gediend. Wij zijn bonapartisten,

dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen."

Zij legde het boek neder, nam een pen en riep:

"Ik kan ook schrijven!"

Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide:

"Wilt ge 't zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om 't u te toonen."

Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat

op de tafel lag: "De dienders zijn er."

Toen hernam zij, de pen wegwerpende:

"Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben

een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu

zijn. Wij waren niet bestemd om ..."

Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid

te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche

onverschilligheid onderdrukt verried:

"Och, kom!"

En op een vroolijke wijs zong zij:

J'ai faim, mon père.

Pas de fricot.

J'ai froid, ma mère.

Pas de tricot.

Grelotte,

Lolotte!

Sanglote,

Jacquot.

Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig:

"Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls

heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en

mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit

er ongemakkelijk. 't Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die

leelijk rieken."

Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon:

"Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?"

En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar

deed glimlachen en hem deed blozen.

Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder:

"Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik

ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer

Mabeuf ingaan, die in de nabijheid van Austerlitz woont, wanneer ik

daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed."

Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer

grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar

de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken.

Marius was een weinig achteruit gegaan.

"Juffer," zeide hij, op koelen, ernstigen toon, "ik heb hier een pakje,

dat geloof ik van u is. Vergun mij 't u weder te geven."

En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven.

Zij klapte in haar handen en riep:

"Wij hebben 't overal gezocht."

Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide:

"Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij 't

gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, 't moet op den boulevard

zijn. Weet ge, 't is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn

lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was 't

weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, 't geen onnoodig, volkomen

onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd

waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn

de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja,

aan 't schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen 't lijf zijn

geloopen. 't Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg

aan mijn zuster: Was 't een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof,

dat 't een heer was."

Intusschen had zij den bedelbrief "aan den weldadigen heer der kerk

van St. Jacques-du-Haut-Pas" geopend.

"Zie," zeide zij, "deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. 't

Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien

zooveel geven om te kunnen ontbijten."

En wederom lachende, voegde zij er bij:

"Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? 't Zal ons

ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons

ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen

wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt,

berst dan, honden!"

Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken.

Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets.

Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht,

dat Marius tegenwoordig was.

"Soms ga ik 's avonds uit. Soms kom ik niet weer t'huis. Verleden

winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der

bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn

klein zusje weende. Water! 't is treurig. Als ik er aan dacht mij

te verdrinken, zeide ik: Neen, 't is te koud. Ik ga, als ik wil,

alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den

boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen

zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte

muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn

als illumineerglazen, 't is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait;

ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel

't nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen,

wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht

zonder te weten waarom... alles draait, draait... 't Is aardig als

men niet gegeten heeft..."

Zij zag hem verwilderd aan.

Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk

vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op

dit oogenblik in de wereld bezat.

"Dit is voor mijn middagmaal van heden," dacht hij, "morgen zullen

wij zien." Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs.

Zij nam het geld.

"Goed!" zeide zij: "dat is zonneschijn."

En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal

in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte

onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar

hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging,

vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende:

"Goeden dag, mijnheer. Om 't even, ik ga toch mijn oude opzoeken."

De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in

het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide:

"'t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk."

Toen verdween zij.

VIJFDE HOOFDSTUK.

HET SPIEGAT.

Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs

in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellende der

armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. 't Was het spooksel,

dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de

ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de

ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien,

heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien.

Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan

het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem

nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles

ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te

worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in

deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind,

en dwingt ze tot eerloosheden.

Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen

omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen.

Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog

nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere

hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die

naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin

schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen,

dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke

vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap,

ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen,

in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij

elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt,

dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij.

Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis.

Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht.

Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering

en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn

buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een

werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar

hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur

scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend,

verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid,

zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van

het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of

liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks,

ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan,

spreken en hij merkte 't niet; in die woorden was gekerm, en hij

luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan

droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde,

aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid

deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn

broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel

aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman,

een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en

liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd,

hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij

opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer

verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar 't is

zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één

punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en

zich vermengen, een heilloos woord "verstootenen". Aan wie ligt de

schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is?

Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,--want het

gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed,

zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij

verdiende,--zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette

scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten

dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond

slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd

is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest

zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt

te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius

was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van.

Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt,

onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen

zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij

den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten

gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode

klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het

mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening

was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden

om haar bij te staan.--Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden

zijn en hoe 't er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn

oog voor de opening en gluurde er door.

ZESDE HOOFDSTUK.

DE WILDE MENSCH IN ZIJN HOL.

De Ellendigen (Deel 3 van 5) · 第 14 / 21 段