De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich

in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken

vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij

denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier

geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarend

niet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en

de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen

van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil

zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden

gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling,

verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de

derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht

naar het volkomene, 't is de tegenspraak der stof. De mensch wordt

er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit

bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire.

Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn,

van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij

gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, is alles edel, zuiver, waardig,

eerlijk. Men kan er zich bedriegen, 't is waar, en men bedriegt er

zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich

sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang.

Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke

diepten, te aanschouwen.

Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn,

tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van

het kwaad.

Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. 't Is de haat zonder

uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit

een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele

zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die

zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een

dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat

is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping

van alles ten doel.

Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het

verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid,

de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie,

de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de

revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie,

moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn

gewelf is uit onwetendheid samengesteld.

Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan

zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte

en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het

wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het

hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol--misdaad.

Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van 't geen wij geschreven

hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis.

Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier

beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst

dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar

zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt

zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en

wordt in hem het kwaad.

DERDE HOOFDSTUK.

BABET, GUEULEMER, CLAQUESOUS EN MONTPARNASSE.

Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse,

regeerden van 1830-1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs.

Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van

de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen

armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van

een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en

een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen,

maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd,

breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig,

kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn

spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een

geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men

geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met

maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon

sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden.

De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de

vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar

ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen

door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij

Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel

had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar

die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn

handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten

van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de

kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent

bezeten, met een trompet en dit uithangbord: "Babet, dentiste, lid

van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen

en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden

uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee

tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van

de gelegenheid." (Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden

uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist

niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze

verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen--een

zeldzame uitzondering in de wereld, waarin hij leefde. In den tijd,

toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in den

Messager gelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen,

dat een kalfssnuit had, en hij riep: "Dat heet ik geluk! Mijn vrouw

zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!"

Sinds had hij alles verlaten om "Parijs te ondernemen," zooals hij

zich uitdrukte.

Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te

vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit

een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat

hol? 't Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met

zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette

hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht

kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide:

Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een

schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een

naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij

een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet

zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn

masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren

als verrijzenissen uit de aarde.

Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig

jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart

haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden

en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed

de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet

geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief,

zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor,

om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde

van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede,

maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden

plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn

zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had:

Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en

van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant

willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de

werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo

geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij

reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet

had, lag met uitgestrekte armen en met 't gezicht in een plas bloed,

in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun

middel, vrouwenheupen, de borst van een pruisisch officier, door al

de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das,

een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat--zoo was

deze moordenaarpronker.

VIERDE HOOFDSTUK.

SAMENSTELLING DER BENDE.

Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus,

die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik

van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden

elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren

voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van

hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal,

kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden,

en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte.

Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te

zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn

handwerk in 't groot dreef; 't was de monster-polyp van het kwaad,

dat het benedenste hol der maatschappij bewoont.

Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet,

Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers

der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de

voorbijgangers coups d'états van den laagsten rang uit. Vindingrijke

lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich

tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het

plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij

waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle

aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor

een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor

alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar.

Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den

tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar

raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en

regelden het gebruik daarvan.

Patron-Minette was de naam, die aan het onderaardsche genootschap

dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal,

die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekent Patron-Minette ochtend,

zooals entre chien et loup avond beteekent. De naam Patron-Minette

kwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den

dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier

mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises

Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een

misdaad, welke Lacenaire loochende.--Wie heeft ze gepleegd? vroeg

de president.--Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor

den rechter, maar duidelijk voor de politie was: "'t Is misschien

Patron-Minette."

Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen

beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier

eenige namen, die nog in 't geheugen van sommigen gebleven zijn,

en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden.

Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille.

Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord

zullen zeggen).

Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben.

Laveuve.

Finistère.

Homère-Hogu, een neger.

Mardisoir.

Dépêche.

Fauntleroy, genaamd Bouquetière.

Glorieux, een ontslagen galeislaaf.

Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont.

Lesplanade-du-Sud.

Poussagrive.

Carmagnolet.

Kruideniers, genaamd Bizarro.

Mangedentelle.

Les-pieds-en-l'air.

Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz.

Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek,

en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen

behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van

den ondergrond der beschaving.

Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen,

die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten,

sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten

steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen

in den grond.

Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd

bestaan. Horatius spreekt van hen: Ambubaïarum collegia, pharmacopolæ,

mendici, mimoe; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is,

zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol,

ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij

komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde

namen en dezelfde lichamen niet meer.

Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben

altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden

de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver

hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen

men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen

geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of

provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen.

Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een

eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar

uit levenden nevel gevormde gestalten; 't is alsof zij zoodanig met

de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden

zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts

voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een

gedrochtelijk leven te voeren.

Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen

licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste

rangen der maatschappij.

BOEK VIII.

DE SLECHTE ARME.

EERSTE HOOFDSTUK.

MARIUS ZOEKT EEN MEISJE MET EEN HOED EN ONTMOET EEN MAN MET EEN PET.

De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer

Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg

gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk

gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar

vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden,

vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt;

de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen,

ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij

verzonk in treurige zwaarmoedigheid. 't Was gedaan. Hij had afkeer van

den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de

vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen,

uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen

hem alsof alles verdwenen was.

Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen

behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend

zacht voorstelden, antwoordde hij somber: "waartoe?"

Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was

reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat

niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat

niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. 't

Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde,

dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo

diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen,

waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk

een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: "Ik zie, dat

ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière."

Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet

en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop--welk

een droom!--haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt

vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht.--'t Is toch hier,

mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen

vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet,

vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd

door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende

gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en

om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende,

huiswaarts.

Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn

treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en

wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende,

door liefde verstompt.

Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem

maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard

der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet,

met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te

voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar

getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke

gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc

te herkennen. 't Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de

pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar

waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde

deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen,

was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het

spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man

van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich

te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een

zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden.

Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij

ze.--'t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een

gelijkenis, dacht hij.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN VOND.

Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand.

Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen andere bewoners dan

hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald,

zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken

te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of

bij gebreke van betaling op de straat gezet.

Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond;

't was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon,

de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze

terecht klassiek gebleven verzen inboezemde:

Qu'il luise ou qu'il luiserne,

L'ours rentre en sa caverne. [7]

Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. 't Was tijd te

gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O

zwakheden der ideale liefde!

Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was

te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield:

"Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen

des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed

voor niets."

Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den

boulevard naar de straat St. Jacques.

Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen;

hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene

lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt

voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen,

hadden hem niet gezien en in 't voorbijgaan hem gestooten. Marius

onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde,

vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote

voeten. Onder 't loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide

met zachte stem:

"Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt."

De andere antwoordde: "Ik zag ze komen en ging aan den haal."

Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes

of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij 't

ontkomen waren.

Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevard achter hem,

en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een

flauwen schijn, die echter spoedig verdween.

Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen,

toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte

en raapte het op. 't Was een soort van omslag, dat papieren scheen

te bevatten.

De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij.

Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn

zak en ging naar zijn diner.

Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van

een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een

kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in

't geheugen.

"Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen

te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven."

Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn

droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn

gewone mijmeringen.

Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk

onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg.

"Hoe somber is mijn leven geworden," dacht hij. "Nog altijd verschijnen

mij jonge meisjes; maar vroeger waren 't engelen; thans zijn 't

duivelinnen."

DERDE HOOFDSTUK.

VIER BRIEVEN.

Toen hij zich 's avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij

in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had

opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het

nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes

kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval

de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen,

die het verloren had.

Hij opende het omslag.

Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld

waren.

Er stonden adressen op.

Alle vier roken vreeselijk naar tabak.

Op den eersten brief stond dit adres: "Aan mevrouw, mevrouw

de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der

gedeputeerden, No...."

Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht,

en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder

bezwaar gelezen worden.

Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl:

"Mevrouw de markiezin,

"De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste

band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en

medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van

zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit,

waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft,

om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende

bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal

verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een

militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren,

die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de

belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige

natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een

aangename herinnering blijven.

"Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn,

Mevrouw,

"Don Alvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk

uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en

wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten."

Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte

het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had:

"Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette

No. 9." Marius las het volgende:

"Mevrouw de gravin.

"Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het

jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste

kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten,

zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.

"In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te

zijn met diepen eerbied

"Vrouw Balizard."

Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was,

en las:

"Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in 't groot,

straat St. Denis, hoek der straat aux Fers.

De Ellendigen (Deel 3 van 5) · 第 13 / 21 段