te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk
verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier
uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan
huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.
Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg
om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder
dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich
niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen
avond weder aan.
De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking,
die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen
haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar
gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk
overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.
ZESDE HOOFDSTUK.
GEVANGEN GEMAAKT.
In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk
op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren
geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets
aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun
bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan,
waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder
en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks
op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik
aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en
de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel
't slechts een seconde duurde.--Wat willen zij hier? vroeg hij bij
zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit
zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de
grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde
te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden
tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik
op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het
hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame
ging voorbij, hem strak en met een zachten, peinzenden blik aanziende,
die hem van 't hoofd tot de voeten deed rillen. 't Was alsof zij hem
verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij
tot hem zeide: Nu kom ik. Marius was verbijsterd door haar diepe,
schitterende oogen.
Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een
vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar
schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel,
zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar
geknield zou hebben. 't Was hem alsof hij in het azuur des hemels
zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig,
zijn laarzen waren bestoven.
Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.
Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij
als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en
sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje,
die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.
Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen
vinden.
Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem:
"Ga met mij dineeren." Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes
francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij
het dessert zeide hij tot Courfeyrac: "Hebt ge de courant gelezen? Welk
een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!"
Hij was smoorlijk verliefd.
Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac: "Ga mede naar den schouwburg;
ik zal betalen." Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in
de Auberge des Adrets te zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.
Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg
verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die
over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen
deze zeide: "Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen."
Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire
te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen
dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden
aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen
vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om
hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat
betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen,
vervolgens viel het gesprek op de gebreken en leemten der woordenboeken
en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit
te roepen: "'t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!"
"'t Is waarlijk kluchtig!" fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.
"Neen," antwoordde Jean Prouvaire, "'t is ernstig!"
't Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige,
bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.
Een blik had dat alles bewerkt.
Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer
eenvoudig. Een blik is een vonk.
't Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het
onbekende in.
De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch
geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd
voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er
zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar
eensklaps voelt men zich gegrepen! 't Is gedaan! Het rad houdt u,
de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om 't even waar
of hoe; 't zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw
geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in 't raderwerk
beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos
biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men
valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den
anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin,
uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een
slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig,
óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
GISSINGEN NOPENS DE LETTER U.
De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de
onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen
en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der
kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius
tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem
schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst,
tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond
zijn. De liefde kwam!
Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het
Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.--Hij is
in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. 't Was zeker
dat de jonge dame hem aanschouwde.
Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging
hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan
dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde
het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij
berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen
en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk
door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien
worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw
van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over
't welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar
kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.
Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden
man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik
op Marius. 't Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den
eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des
levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.
Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want
dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had
hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij
den "Worstelaar" ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius
begreep hier niets van, en beging deze fout. "De vader" was sinds
niet meer zoo stipt, en bracht "zijne dochter" niet dagelijks meer
mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.
Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van
verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang,
het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan;
alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk
gehad--olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond
had hij in de schemering op de bank, die mijnheer "Leblanc en zijn
dochter" zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden,
zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke
geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot
zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het
schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning;
deze twee letters waren het eerste wat hij van haar bezat, dierbare
letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.
U was ontwijfelbaar de voornaam. "Ursula!" dacht hij, een bekoorlijke
naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags
hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.
"Ik gevoel er haar geheele ziel in!" riep hij.
Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak
had laten vallen.
Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg,
dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De
schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare
teekenen blijken.
"O! onschuld!" zei Marius.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
ZELFS INVALIDEN KUNNEN GELUKKIG ZIJN.
Vermits wij het woord "onschuld" hebben genoemd en niets willen
verzwijgen, moeten wij zeggen dat "zijn Ursula" hem eens, in weerwil
van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. 't Was op een dag, dat
zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de
laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen
der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij
de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na,
zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.
Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig
om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene
nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis,
bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam
te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.
Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar
kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.--Hij was
wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En
zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? 't
Was ontzettend wat zij gedaan had.--Helaas, het arme meisje had
niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien
onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld
gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. 't Is inderdaad, dat
zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange,
zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs
afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk
been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste
vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.
Toen "zijne Ursula" aan 't einde der laan, met mijnheer Leblanc,
terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet
had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.
De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op,
als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?
Dit was "hun eerste twist."
Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen
iemand door de laan ging. 't Was een gebogen, gerimpelde, grijze
invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken,
waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat,
op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in,
met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken,
dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. 't Scheen hem zelfs, dat
deze oude synicus hem in 't voorbijhinken een broederlijken, vroolijken
lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in
verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje
hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was
tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den
hoogsten graad van ijverzucht.--Hij was er misschien, dacht hij, hij
heeft misschien iets gezien!--Hij had den invalide willen vernielen.
Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius
tegen "Ursula," hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok
over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar 't kostte veel
moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.
Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn
liefde schier tot waanzin aan.
NEGENDE HOOFDSTUK.
ECLIPS.
Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben,
dat zij Ursula heette.
Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; 't was veel, te weten
dat zij Ursula heette; maar 't was eigenlijk ook weinig. Marius had
zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een
ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.
Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator
te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te
blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden
misslag, een grooten: hij volgde "Ursula."
Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in
een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.
Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het
Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.
Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam,
den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij
woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.
Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te
hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg
den portier:
"Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis
is gekomen?"
"Neen," antwoordde de portier: "'t is de heer der derde verdieping."
't Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.
"Aan de straat?" vroeg hij.
"Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat," zei de portier.
"En wat doet deze heer?" hernam Marius.
"Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan
ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is."
"Hoe heet hij?" vroeg Marius.
De portier richtte het hoofd op en zeide:
"Is mijnheer een stille verklikker?"
Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij
was iets gevorderd.
"Goed," dacht hij. "Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter
van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping
woont."
Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer
kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.
Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur
van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijn dochter binnengaan,
bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken
blik aan.
Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos
wachtte Marius den geheelen dag.
Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan
de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters,
tot het licht werd uitgedaan.
Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte
den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters
betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De
koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.
Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn
dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte
treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet
bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel
van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er
schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.
Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen
licht.--Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. 't Is
toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot
middernacht; tot één ure 's ochtends. Geen licht scheen door de
vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.
Treurig verwijderde hij zich.
Den volgenden dag,--want hij leefde van den eenen dag op den anderen,
er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer--den volgenden dag
vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering
ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën
waren dicht; alles was donker.
Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:
"De heer der derde verdieping?"
"Verhuisd," antwoordde de portier.
Marius wankelde en zeide stamelend:
"Sinds wanneer?"
"Sinds gisteren."
"Waar woont hij nu?"
"Ik weet er niets van."
"Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?"
"Neen."
De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: "Ha,
zijt gij 't! ge zijt dus werkelijk een verspieder?"
BOEK VII.
PATRON-MINETTE.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE MIJNEN EN DE MIJNWERKERS.
De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen
een "onder het tooneel" noemt. De maatschappelijke bodem is overal
ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken
liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven
en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving
instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder
den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier
een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen
van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een
gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht
te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten
licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt
uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen,
waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche
gewelven der wereld.
Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd,
zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische,
de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze
delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men
roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën
doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms
ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn
houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden
zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of
weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze
eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder,
op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het
buitenste door het binnenste verandert; een verborgen ontzaggelijk
gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke
haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er
zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken,
en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te
voorschijn? De toekomst.
Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot
op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de
arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd;
komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn
de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens,
waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters
wordt hier mogelijk.
De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een
verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten,
waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan
ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder
Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet
is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En
zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het
onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen,
die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die
van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze
onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van
den wijsgeer.
Een wereld in den toestand van wording.--Welk een ongezien beeld!
Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.
Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers,
zonder dat zij 't weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd
wanen, doch 't niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en
het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene
is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling
zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten,
van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in:
onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij
stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen
zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het
volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in 't oog; de laatste,
hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten
schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien
hemelschen blik bezit.
Het oog van den nacht is het andere teeken.
Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De
maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.
Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.
Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze
galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk
van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager
dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige
gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een
vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de
galerij der duisternissen, de kolder der blinden. Inferi.
Deze grenst aan den afgrond.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE DIEPTE.
Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te
voorschijn; 't is daar ieder voor zich. Het ik zonder oogen brult,
zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel.