daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de
blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van
dezen tijd, 't zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin
Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al 't
mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor
de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren;
op mijn woord van eer, 't is alsof zij, als 't op liefde aankomt,
bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij
herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen
als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken,
schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun
geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje
wil politieke meeningen hebben! 't moest streng verboden worden,
politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de
maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr,
gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning;
zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in
't geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O,
Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken
en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de
wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien
en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde
delibereeren, men zou 't niet eens bij de Ogibberra's en de Cadodachen
zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op 't hoofd hebben als
de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder
verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! 't
Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was
een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert
maar, guiten! 't Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen
van 't Odéon zullen gaan lezen. 't Kost hun alles maar een stuiver,
maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt
het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest;
alle, zelfs de Drapeau blanc! Martainville was in den grond ook maar
een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot
wanhoop te hebben gebracht!"
"Dat is duidelijk," zei Theodule.
En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg,
voegde de lansier er op hoogen toon bij:
"Er moest geen ander blad dan de Moniteur, en geen ander boek dan de
militaire almanak zijn."
De heer Gillenormand voer voort:
"Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want
daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen,
om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan
de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem
mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te
hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens
heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen
bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren
afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar
u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom,
dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw
maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor
allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten,
en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekend dan
met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!"
"Parbleu!" riep de luitenant, "dat is meesterlijk en waar!"
De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich
om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:
"Gij zijt een ezel!"
BOEK VI.
DE CONJUNCTIE VAN TWEE STERREN.
EERSTE HOOFDSTUK.
HOE FAMILIENAMEN ONTSTAAN.
Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare
grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd,
hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken,
waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking
lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig
en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen
in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van
hoeken, 't welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte,
en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in
den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in
gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In
gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar
zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn
manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar
zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend
wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op
zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast
met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.
In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes
omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde
hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude
kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om
zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.
Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem
voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje,
om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom,
besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.
Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig te zijn. Wil
ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar
kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet,
Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost,
zult ge een wild dier worden.
Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer
de abt!
Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius
acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen,
en Courfeyrac op den koop toe.
Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius
niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. 't Is waar,
dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had,
dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer
schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard,
wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een
jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.
Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het
Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt,
een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een
bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de
Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen
bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze
laan bracht, 't geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit
paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig;
zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen
van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had,
zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij
had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn
blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een
blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen,
en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon
van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei:
Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.
De eerste maal dat het meisje, 't welk hem vergezelde, met hem op de
bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een
dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links
en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij
sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij
droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren,
een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. 't Was of
zij vader en dochter waren.
Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen
grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade,
toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs
niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het
meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig
en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.
Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:
Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner
bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan
weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder
opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal
voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat
hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander
te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat,
het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van
vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij
naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder
anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd
gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het
zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op
haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje
en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind
"juffer Lanoire" (de zwarte) en den vader "mijnheer Leblanc" (den
witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen
niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc
weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk
den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.
Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.
Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen
op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij
onbevallig.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EN 'T WERD LICHT.
In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis
gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn
gewone wandeling in het Luxemburg varen, en had sinds bijna zes maanden
geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien
zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. 't
Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het
vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.
Regelrecht ging hij naar "zijn laan," en zag, toen hij aan het einde
ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar
weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje
scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond,
was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de
vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve
bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige,
reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar,
kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine
lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd,
wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid,
een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet,
de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria
zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben
toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken,
was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet
Italiaansch, noch Grieksch; 't was de Parijsche neus, namelijk zoo
geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig
maakt en de dichters verrukt.
Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds
waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers
vol schaduw en kuischheid.
Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar
den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was
bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.
Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden
man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone
wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij
haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was
het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon
dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps
ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze
nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.
Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk
sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven om zich met bloesem
te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in
schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.
Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen
te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei
verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan
is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen
insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.
Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed,
merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid
was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens
was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille
van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen
toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel
van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid
van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den
voorbijganger als doordrong.
De man was dezelfde gebleven.
Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame
de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in
dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig
staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd,
die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn
wandeling voort, en dacht aan iets anders.
Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat,
doch zonder zijn oogen naar haar te richten.
De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg,
waar hij "vader en dochter" als gewoonlijk vond; doch hij lette niet
op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij
er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging
hij dicht voorbij de bank, wijl 't zoo zijn gewoonte was.
DERDE HOOFDSTUK.
WERKING DER LENTE.
Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans
overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends
gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius
had zijn gansche ziel voor de natuur geopend; hij dacht aan niets;
hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge
meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.
Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?
Marius zou 't niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag
alles in. 't Was een wonderbaar weêrlicht.
Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.
Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een
kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling
weder gesloten had.
Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die
haar dan nabij is.
Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het
morgenrood aan den hemel. 't Is het ontwaken van iets schitterends en
onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien
onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht
en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid
der toekomst bestaat. 't Is een zekere besluitelooze teederheid,
die zich toevallig openbaart en wacht. 't Is een valstrik, welke de
onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het
te weten de harten vangt. 't Is een maagd met den blik eener vrouw.
Zeldzaam is 't, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet
droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien
hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste
lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die
donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde
wordt genoemd.
Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn
kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en
ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den
tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove
laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok,
die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.
VIERDE HOOFDSTUK.
BEGIN EENER ZWARE ZIEKTE.
Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok,
nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast, kleedde zich, trok
handschoenen aan--een ongekende weelde--en wandelde naar het Luxemburg.
Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen
Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:
"Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in,
ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een
zeer dom voorkomen."
Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde
de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan,
welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den
vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig
knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: "Vermijd overdrijving. Houd
u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn
zoon." Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den
vijver heên, en eindelijk naar "zijn laan," maar langzaam en als met
weerzin. 't Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen
te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te
doen, wat hij alle dagen deed.
Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc
en de jonge dame "op hun bank." Hij knoopte zijn rok tot bovenaan
dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig
welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets
aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij
trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.
Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden
de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij
dacht op dat oogenblik welk een zot boek die "Manuel du Baccalaureat"
toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge
brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken
geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière
in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek
hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het
meisje. 't Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een
zacht blauw licht vulde.
Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs
langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog
verre van 't einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf
wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde
te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren
en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij
zeer rechtop, om een goed figuur te maken in geval iemand hem van
achteren nastaarde.
Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam
dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er
nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was,
doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en
hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar
blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging,
onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later
ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de
bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan,
en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik
dat hij voorbijging--als onder het geschut der vesting--voelde hij
een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen
dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke
stem, die de "hare" moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief,
dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.
Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij
zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over
Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau
als de zijne aan het hoofd zijner éditie van Gil-Blas heeft geplaatst.
Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij
was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge
dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer
onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge
meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde
hij zich, dat zij naar hem keek, 't geen hem deed struikelen.
Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil
in het midden der laan, en ging zitten, 't geen hij anders nooit deed,
terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in 't diepst zijner ziel dacht,
dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed
en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor
zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.
Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de
bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar
hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden
zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter
dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn
gedrag wel wonderlijk moest vinden.
Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in, om dien man,
zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.
Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met
zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling
in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.
Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op,
toen het 's avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om
naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.
Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes
opgevouwen te hebben.
VIJFDE HOOFDSTUK.
JUFFROUW BOUGON WORDT DOOR VERSCHEIDENE BLIKSEMSTRALEN GETROFFEN.
Den volgenden dag zag juffrouw Bougon--zoo noemde Courfeyrac de
oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon
zij werkelijk juffrouw Burgon heette--met de uiterste verbazing,
dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.
Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het
midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen
dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den
witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij
bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den
tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet
heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren
vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren,
waar hij dien avond gegeten had.
Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder
als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen
rok uit!--Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.
Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden,
dat hij een nijlpaard geleek, 't welk op een gems jacht maakt. In een
oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van
kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.--Is dat
verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken
en de menschen zóó te laten loopen!
Marius ging naar het Luxemburg.