Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nog slechts een knaap

nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,--wij

drukken hierop--was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft

dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede

legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden

in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar

het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende

en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak,

spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het

lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme

jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als

hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om

niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel,

het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid

waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt

de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang

tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij

denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des

lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen

over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid

voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare

geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt

tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt

hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit

zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor

't overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit

ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met

zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen,

warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen,

witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig

kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood

te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding

aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt

zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en

vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen

de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met

het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam,

oplettend, met weinig tevreden, goedwillig--en hij dankt God, dat die

hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen:

de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt.

Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheid te zeggen,

wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was

zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij

bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid

ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die

zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld

dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met

overpeinzingen door.

Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk

stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk

was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de

overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak,

bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid

wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften

des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.

't Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur

slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen

de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou.

Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht,

pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het

verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken

en zaken op te loopen. Waartoe zou 't hem dienen? Hij vond geen

enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor

den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid,

waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had.

Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,--ik geloof de Heer

Magimel--had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij

behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs 's

jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer

verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een

soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius' gedachte zou,

zoo hij 't voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden;

wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was

een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang

veranderde; 't was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij

weigerde dus.

Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er

bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras

presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander

bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet.

Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen,

Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij

dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze

hem zijn vader leeren kennen en beminnen. "Hij heeft mij van de staar

gelicht," zeide hij.

Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.

De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige,

lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius

toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars

doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet

de persoon geweest.

De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke

verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.

Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden

nopens hem niet onnoodig.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE HEER MABEUF.

Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: "zekerlijk, ik

keur politieke meeningen goed," drukte hij den wezenlijken toestand

van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig,

en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust

lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de

goeden en bekoorlijken de Eumeniden noemden. De politieke meening van

den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal

voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreep ist tot uitgang,

zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist,

bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij was bouquinist

(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens

zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit,

de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in

de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die

zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij

wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was,

belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had

leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl

deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in

geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.

Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl

hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in

de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat

iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was

't hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een

tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds

lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: "Zijt ge nooit gehuwd

geweest?"--"Ik heb 't vergeten," antwoordde hij. Zoo 't hem nu en

dan gebeurde--en wien gebeurt dit niet?--te zeggen: "O, zoo ik rijk

ware!"--was 't niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader

Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.

Hij leefde alleen met een oude huishoudster--en was min of meer

jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme

verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over

de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een

tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf

verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat

Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs

op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.

Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld,

ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige

exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek

onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige

versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn

woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het

gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn

gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel

der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was,

met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving

in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en

een gezicht als een oud schaap.

Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden

boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk

ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van

onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die

het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen,

vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in

haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De

kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelde roem

in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met

haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed

uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit

liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van

"moeder Plutarchus" gegeven.

Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en

zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te

verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van

een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen

roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone

veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had,

bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding

zijner bloemen.

Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier

eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer

Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet--van een

notaris--verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles

was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte

een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden

zelden Floras verkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz

ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een

kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel

hoorde.--"Neen, mijnheer," zeide moeder Plutarchus dan treurig,

"'t is de waterdrager."--Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de

straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht

een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten--waaraan

hij 't minst gehecht was,--en betrok een huisje op den boulevard

Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om

twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd

francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon

betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was

en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.

Hij nam zijn Flora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles

en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in

een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig

francs 's jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put

had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad

te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij

zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn

prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchus

des avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij

glimlachend zeide:

"Wij hebben de indigo!"

Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er

toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem

vrij onaangenaam was.

Hersenen,--zooals wij hebben aangewezen--die met wijsheid of

dwaasheid zijn gevuld, of, 't geen vaak gebeurt, door beide tegelijk,

zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des

levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat

een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon

gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er

bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking,

maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel

om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet,

doch zien bij het spel onverschillig toe!

Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen

zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch

behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld

was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar

de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door

een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim

reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op

't oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.

De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht;

het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus

in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter

te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging

van 't geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen,

alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.

Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand

hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.

Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van

een dragonderofficier en een schoone.

" ... De schoone pruilde, en de dragonder..." [6]

Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.

"Bouddha en de draak," zei Mabeuf halfluid. "Ja, 't is waar, er was

een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel

verbrandde. Verscheidene sterren waren reeds door dat monster verbrand,

dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en

't gelukte hem den draak te bekeeren. 't Is een goed boek, dat ge

daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende."

En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ARMOEDE IS EEN GOED GEBUUR VOOR ELLENDE.

Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die

langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde,

zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en

zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in

de maand.

Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs

de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte

lanen van het Luxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de

beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een

mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers

zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts

en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was,

die zich aan zijn gedachten overgaf.

Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de

eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er

een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.

Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem

uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet

geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader

te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal

Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken

af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius

zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals,

dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen

en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.

Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:

"Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt

men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt er alleen:

onberispelijkheid--van geweten?--neen, van laarzen."

Alle driften, behalve die van 't hart, vervliegen bij den denker. Ook

de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie

van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op

zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde

meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had

hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde

hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel;

in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral

had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven

een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek

als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer,

wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard

huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos

uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de

verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en

nietig voor.

Hij geloofde zoo zeker, het ware in 't leven en de wijsbegeerte

gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij

eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men

in den put der waarheid zien kan.

Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en

luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van

Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als

verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart

van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar

't geen hij droomt dan naar 't geen hij denkt beoordeelen. In de

gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom

neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest

aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht

uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den

glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde,

beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter

van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze

droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.

In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius'

dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette,

buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was,

wist nauwelijks dat hij buren had.

"Waarom?" vroeg hij.

"Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen

schuldig."

"Hoeveel bedraagt de som?"

"Twintig francs," antwoordde de oude vrouw.

"Ziedaar," sprak hij tot de oude vrouw, "hier hebt ge vijfentwintig

francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs,

maar zeg niet dat het van mij komt."

ZESDE HOOFDSTUK.

DE PLAATSVERVANGER.

Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule

behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand

gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer

had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu

besloot zij Theodule in Marius' plaats te stellen.

't Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte

had een jeugdig gezicht in huis te hebben--het ochtendrood doet de

bouwvallen soms genoegelijk aan--'t was noodig, een anderen Marius te

vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen 't als een drukfout beschouwen

en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.

Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat

neemt men een lansier.

Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen

van een blad, de Quotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den

vleiendsten toon--want het gold haar gunsteling--zeide:

"Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen."

"Welke Theodule?"

"Uw achterneef."

"Zoo," zei de grootvader.

Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef

te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal

gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las--natuurlijk

koningsgezind--kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine

politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de

orde van den dag waren: dat de studenten in de medicijnen en de

rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten

bijeenkomen om te delibereeren. Het gold een kwestie van den dag:

de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen

den minister van oorlog en de "burgerwacht," ter zake van de op de

binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten

de studenten "raadplegen." Er was niet veel meer noodig om den heer

Gillenormand op te winden.

Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk

de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan

"delibereeren."

Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd

luitenant Theodule, in burgerkleeding, 't geen zeer slim overlegd was,

door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd

als volgt: "De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is

dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden."

Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: "Theodule, uw neef."

En zacht tot den luitenant:

"Geef hem maar altijd gelijk."

Toen verwijderde zij zich.

De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde

eenigszins verlegen: "Goeden morgen, oom," en groette werktuiglijk

half als militair, half als burger.

"Ha, zijt gij 't, goed; ga zitten," sprak grootvader. En tegelijk

vergat hij den officier weder geheel en al.

Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen

in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en

klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in

zijn oude vingers.

"Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het

Pantheon! knapen, die nauwelijks de min ontloopen zijn! Zoo men hun in

den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren

zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? 't Is duidelijk,

dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados

toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de

burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu

eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil,

dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en

verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar

als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: "Waar zal ik heen gaan,

verrader?" En Fouché antwoordde: "Waarheen ge wilt, dwaas!" Dat zijn

nu republikeinen!"

"'t Is waar," zei Theodule.

De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en

ging voort:

"Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro

te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te

worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil

ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd

koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het

volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek,

hoort ge. 't Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden,

de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van

de guitar, onder het balkon van 93! 't Is om te spuwen, zoo dom zijn

die jongelieden! Zij zijn 't allen: geen uitgezonderd. Men behoeft

de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar

't schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen

de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en

loopt van zijn oude lui weg. 't Is republikeinsch, romantisch. Wat

is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle

mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag

ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden,

die zelfs niet in goed Fransch zijn geschreven! En dan zet men nog

kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in

dezen tijd!"

"Ge hebt gelijk, oom," zei Theodule.

De heer Gillenormand hernam:

De Ellendigen (Deel 3 van 5) · 第 10 / 21 段