De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf

het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts

geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!...

Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder.

"Burger," sprak Enjolras tot hem, "mijn moeder is de republiek."

ZESDE HOOFDSTUK.

RES AUGUSTA.

Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige

duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde

gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de

graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de

trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.

Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest

hij die nu reeds weder verwerpen? Hij nam zich voor het niet te doen,

en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen,

schoon hij 't onwillekeurig reeds deed. 't Is ondragelijk, tusschen

twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen

heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius

had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van

den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij

was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan,

te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem

dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem

nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten,

die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide

door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag

hij zich omgeven. Hij was 't noch met zijn grootvader noch met zijn

vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen,

gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en

door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer.

In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des

levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens

kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.

Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen

en zeide:

"Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven."

"Ja."

"Maar ik heb geld noodig!"

"Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen," zei Marius.

Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde

Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos

en alleen op de wereld was.

"En wat zal er dan van u worden?" vroeg Courfeyrac.

"Ik weet het niet," antwoordde Marius.

"Wat zult ge doen?"

"Ik weet het niet."

"Hebt ge geld?"

"Vijftien francs."

"Wil ik u leenen?"

"Neen."

"Hebt ge kleederen?"

"Deze."

"Hebt ge kostbaarheden?"

"Een horloge."

"Een zilveren?"

"Een gouden, zie."

"Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen."

"Goed."

"Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over."

"En mijn laarzen."

"Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!"

"Genoeg!"

"Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen."

"Goed."

"Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?"

"Alles is mij om 't even, mits het eerlijk zij."

"Verstaat ge Engelsch?"

"Neen."

"Verstaat ge Duitsch?"

"Neen."

"Des te erger."

"Waarom?"

"Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van

encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen

hadt kunnen vertalen. 't Wordt slecht betaald, maar men kan er toch

van leven."

"Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren."

"En intusschen?"

"Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven."

Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig

francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge

veertig francs.

"Dat is zoo slecht niet," zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis

kwam; "'t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit."

"En de rekening van den huisheer?" merkte Courfeyrac op.

"Ja, daar dacht ik niet aan," zei Marius.

De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij

bedroeg zeventig francs.

"Dan blijven mij tien francs over," zei Marius.

"Verduiveld," riep Courfeyrac, "zoo ge nu vijf francs moet uitgeven,

terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge

heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk

verteerd hebben."

Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige

omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk

in geslaagd Marius' verblijf te vinden.

Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam, vond hij een

brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld

doosje.

Marius zond de dertig louisd'ors aan zijn tante terug met een

eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan

had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik

had hij nog drie francs over.

Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat

het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men

mij nooit van dezen bloeddrinker spreke!

Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden

te komen.

BOEK V.

HET NUT DES ONGELUKS.

EERSTE HOOFDSTUK.

MARIUS BEHOEFTIG.

Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te

verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een

onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!--want toen

kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder

licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze

toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de

meisjes den spot dreven, een deur, die men 's avonds gesloten vindt,

wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier,

het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte

eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet,

bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles

moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men

te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch

hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot,

omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op

dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid

klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen,

en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede

kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar,

waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn

treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het

een ellendige of een halfgod wil scheppen.

Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er

is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis

voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en

laagheid. 't Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt,

geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven,

de verlatenheid, de armoede,--het zijn slagvelden, die hun helden

hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde.

Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de

armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen

de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de

fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen.

Er was een oogenblik in Marius' leven, dat hij zijn eigen portaal

veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in

te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn

vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een

jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door

een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen,

om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men

hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd

nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen,

waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een

papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den

arm mede te verwijderen. 't Was Marius. Van de cotelet, welke hij

zelf braadde, leefde hij drie dagen.

Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den

derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante

Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens

terug, zeggende dat hij niets behoefde.

Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering

in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet

afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij

geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te

doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen,

gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een

kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een

groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte

dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij

zich in de tint des nachts.

In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette,

dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar

eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen

van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen

voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.

Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervan door een

koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand

nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de

voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar

vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde

telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en

de grijsaard zeide: "Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten,

dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn."

TWEEDE HOOFDSTUK.

MARIUS IS ARM.

't Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten

laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men

leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts

genoeg om in 't leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de

Pontmercy zijn leven had ingericht.

Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor

hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in

geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs 's jaars te

verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac,

die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht

had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van

"noodhulp." Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte

noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende,

alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs 's jaars. Daarvan

leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen 't uitleggen.

Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs 's jaars een

krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets

dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan

de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij

zijn kamertje schoon hield en hem 's ochtends een weinig warm water,

een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat

broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren

goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield

hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover

Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij

at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes,

een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous;

voor drie sous had men er brood zooveel men wilde. In plaats van

wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige

en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht

en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok

hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad.

Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water

werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken

bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde

hem "den waterigen Rousseau."

Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous

kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, 't geen

driehonderd vijf en zestig francs 's jaars bedroeg. Zoo men daarbij

de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent,

ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend

en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed

vijftig en zijn wasch ook vijftig francs, zoodat alles te zamen

geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs

over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een

franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat

de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had,

zeer vereenvoudigd.

Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, "voor alle dagen"

het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij

had slechts drie hemden, een aan 't lijf, een bij de waschvrouw en een

in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren

zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht.

Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand

kwam. Ruwe jaren waren 't, pijnlijk om door te komen, moeielijk om

te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle

ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij

kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een

stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin

der slavernij. Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger

dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de

schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever

had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij

beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat,

zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der

ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een

uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk

zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voor

hem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op

zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot

schuwheid toe.

In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs

gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het

lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel,

die haar kooi draagt.

Naast den naam van zijn vader stond in Marius' hart een andere naam

gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en

opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans,

waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien

onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen

bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit

van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. 't Was een soort

van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel,

het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid

vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist

dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil

het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij

alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem

in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier

was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te

Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie

jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld

verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier

eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd

land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht,

met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de

hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich,

dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. 't Was de eenige schuld,

die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te

voldoen.--Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij,

wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het

schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon

hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig

ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op

mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem

wedervinden!--Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een

zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed

wel hebben veil gehad. Thénardier te zien, hem een dienst te bewijzen,

tot hem te zeggen: "Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er;

beschik over mij,"--dat was Marius' liefste en heerlijkste droom.

DERDE HOOFDSTUK.

MARIUS GROOT GEWORDEN.

Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij

zijn grootvader had verlaten.

Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder

eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En

waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing

te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben

gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.

Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders

miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had,

en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die

lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor

hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader

gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet

beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet

liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in

den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs

met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een

donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem

sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In

den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die

terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen

voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den

heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.--Ik

kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij

zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde,

zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk:

ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde

treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius

ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte

noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius' afzijn toch iets

in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien "kleinen snaak"

geen schrede genaderd zijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij

naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde

hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk

en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid,

als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een

soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:--"O

wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!"

Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius

niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was

zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan

met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.

Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was,

dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn

verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook

verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem

van Marius spraken en vroegen: "Wat doet, of wat wordt mijnheer uw

kleinzoon?" Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te

treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde

schijnen: "Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar."

Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven

geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid

ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid,

maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen die

slecht jegens zijn vader was geweest.--'t Was nu de verzachte vertaling

van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden

te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober

leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd

dacht hij er aan, dat dit het minste--dat dit een boetedoening was;

dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn

vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden

zijn;--dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets

had geleden;--wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen

bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?--en eindelijk dat de

eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was,

moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den

vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld

had met de woorden: "hij zal dit waardig zijn." Woorden, die Marius

voortdurend, niet op de borst--want het geschrift van den kolonel

was verloren gegaan--maar in zijn hart droeg.

De Ellendigen (Deel 3 van 5) · 第 9 / 21 段