het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts
geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!...
Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder.
"Burger," sprak Enjolras tot hem, "mijn moeder is de republiek."
ZESDE HOOFDSTUK.
RES AUGUSTA.
Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige
duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde
gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de
graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de
trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.
Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest
hij die nu reeds weder verwerpen? Hij nam zich voor het niet te doen,
en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen,
schoon hij 't onwillekeurig reeds deed. 't Is ondragelijk, tusschen
twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen
heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius
had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van
den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij
was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan,
te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem
dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem
nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten,
die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide
door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag
hij zich omgeven. Hij was 't noch met zijn grootvader noch met zijn
vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen,
gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en
door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer.
In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des
levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens
kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.
Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen
en zeide:
"Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven."
"Ja."
"Maar ik heb geld noodig!"
"Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen," zei Marius.
Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde
Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos
en alleen op de wereld was.
"En wat zal er dan van u worden?" vroeg Courfeyrac.
"Ik weet het niet," antwoordde Marius.
"Wat zult ge doen?"
"Ik weet het niet."
"Hebt ge geld?"
"Vijftien francs."
"Wil ik u leenen?"
"Neen."
"Hebt ge kleederen?"
"Deze."
"Hebt ge kostbaarheden?"
"Een horloge."
"Een zilveren?"
"Een gouden, zie."
"Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen."
"Goed."
"Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over."
"En mijn laarzen."
"Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!"
"Genoeg!"
"Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen."
"Goed."
"Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?"
"Alles is mij om 't even, mits het eerlijk zij."
"Verstaat ge Engelsch?"
"Neen."
"Verstaat ge Duitsch?"
"Neen."
"Des te erger."
"Waarom?"
"Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van
encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen
hadt kunnen vertalen. 't Wordt slecht betaald, maar men kan er toch
van leven."
"Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren."
"En intusschen?"
"Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven."
Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig
francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge
veertig francs.
"Dat is zoo slecht niet," zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis
kwam; "'t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit."
"En de rekening van den huisheer?" merkte Courfeyrac op.
"Ja, daar dacht ik niet aan," zei Marius.
De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij
bedroeg zeventig francs.
"Dan blijven mij tien francs over," zei Marius.
"Verduiveld," riep Courfeyrac, "zoo ge nu vijf francs moet uitgeven,
terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge
heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk
verteerd hebben."
Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige
omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk
in geslaagd Marius' verblijf te vinden.
Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam, vond hij een
brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld
doosje.
Marius zond de dertig louisd'ors aan zijn tante terug met een
eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan
had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik
had hij nog drie francs over.
Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat
het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men
mij nooit van dezen bloeddrinker spreke!
Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden
te komen.
BOEK V.
HET NUT DES ONGELUKS.
EERSTE HOOFDSTUK.
MARIUS BEHOEFTIG.
Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te
verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een
onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!--want toen
kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder
licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze
toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de
meisjes den spot dreven, een deur, die men 's avonds gesloten vindt,
wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier,
het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte
eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet,
bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles
moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men
te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch
hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot,
omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op
dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid
klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen,
en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede
kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar,
waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn
treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het
een ellendige of een halfgod wil scheppen.
Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er
is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis
voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en
laagheid. 't Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt,
geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven,
de verlatenheid, de armoede,--het zijn slagvelden, die hun helden
hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde.
Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de
armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen
de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de
fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen.
Er was een oogenblik in Marius' leven, dat hij zijn eigen portaal
veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in
te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn
vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een
jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door
een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen,
om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men
hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd
nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen,
waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een
papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den
arm mede te verwijderen. 't Was Marius. Van de cotelet, welke hij
zelf braadde, leefde hij drie dagen.
Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den
derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante
Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens
terug, zeggende dat hij niets behoefde.
Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering
in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet
afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij
geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te
doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen,
gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een
kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een
groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte
dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij
zich in de tint des nachts.
In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette,
dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar
eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen
van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen
voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.
Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervan door een
koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand
nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de
voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar
vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde
telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en
de grijsaard zeide: "Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten,
dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn."
TWEEDE HOOFDSTUK.
MARIUS IS ARM.
't Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten
laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men
leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts
genoeg om in 't leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de
Pontmercy zijn leven had ingericht.
Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor
hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in
geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs 's jaars te
verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac,
die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht
had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van
"noodhulp." Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte
noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende,
alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs 's jaars. Daarvan
leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen 't uitleggen.
Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs 's jaars een
krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets
dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan
de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij
zijn kamertje schoon hield en hem 's ochtends een weinig warm water,
een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat
broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren
goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield
hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover
Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij
at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes,
een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous;
voor drie sous had men er brood zooveel men wilde. In plaats van
wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige
en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht
en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok
hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad.
Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water
werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken
bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde
hem "den waterigen Rousseau."
Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous
kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, 't geen
driehonderd vijf en zestig francs 's jaars bedroeg. Zoo men daarbij
de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent,
ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend
en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed
vijftig en zijn wasch ook vijftig francs, zoodat alles te zamen
geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs
over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een
franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat
de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had,
zeer vereenvoudigd.
Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, "voor alle dagen"
het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij
had slechts drie hemden, een aan 't lijf, een bij de waschvrouw en een
in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren
zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht.
Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand
kwam. Ruwe jaren waren 't, pijnlijk om door te komen, moeielijk om
te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle
ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij
kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een
stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin
der slavernij. Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger
dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de
schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever
had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij
beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat,
zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der
ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een
uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk
zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voor
hem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op
zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot
schuwheid toe.
In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs
gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het
lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel,
die haar kooi draagt.
Naast den naam van zijn vader stond in Marius' hart een andere naam
gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en
opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans,
waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien
onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen
bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit
van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. 't Was een soort
van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel,
het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid
vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist
dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil
het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij
alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem
in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier
was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te
Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie
jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld
verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier
eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd
land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht,
met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de
hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich,
dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. 't Was de eenige schuld,
die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te
voldoen.--Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij,
wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het
schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon
hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig
ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op
mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem
wedervinden!--Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een
zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed
wel hebben veil gehad. Thénardier te zien, hem een dienst te bewijzen,
tot hem te zeggen: "Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er;
beschik over mij,"--dat was Marius' liefste en heerlijkste droom.
DERDE HOOFDSTUK.
MARIUS GROOT GEWORDEN.
Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij
zijn grootvader had verlaten.
Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder
eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En
waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing
te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben
gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.
Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders
miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had,
en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die
lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor
hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader
gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet
beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet
liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in
den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs
met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een
donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem
sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In
den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die
terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen
voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den
heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.--Ik
kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij
zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde,
zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk:
ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde
treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius
ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte
noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius' afzijn toch iets
in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien "kleinen snaak"
geen schrede genaderd zijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij
naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde
hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk
en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid,
als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een
soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:--"O
wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!"
Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius
niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was
zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan
met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.
Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was,
dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn
verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook
verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem
van Marius spraken en vroegen: "Wat doet, of wat wordt mijnheer uw
kleinzoon?" Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te
treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde
schijnen: "Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar."
Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven
geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid
ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid,
maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen die
slecht jegens zijn vader was geweest.--'t Was nu de verzachte vertaling
van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden
te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober
leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd
dacht hij er aan, dat dit het minste--dat dit een boetedoening was;
dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn
vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden
zijn;--dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets
had geleden;--wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen
bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?--en eindelijk dat de
eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was,
moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den
vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld
had met de woorden: "hij zal dit waardig zijn." Woorden, die Marius
voortdurend, niet op de borst--want het geschrift van den kolonel
was verloren gegaan--maar in zijn hart droeg.