Geen der jongelieden sprak ooit het woord: "keizer" uit. Alleen Jean

Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras

zeide Buonaparte.

Marius was wel eenigszins verbaasd. Initium Sapientiæ--het begin

der wijsheid.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE ACHTERKAMER VAN HET KOFFIEHUIS MUSAIN.

Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij Marius tegenwoordig

was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een werkelijken schok

in zijn geest teweeg.

Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café Musain. Bijna

alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond vereenigd. De

lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander zonder drift

maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, die zwegen,

sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden zijn soms

bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont gewemel als een

gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die teruggekaatst werden. Men

sprak aan alle kanten.

Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison,

de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep

om van en naar haar arbeid te gaan.

Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den

hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde:

"Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche vat een

beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers ben,

die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven te

vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet

wien. Het duurt niet en 't deugt niet. Het leven breekt iemand den

hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het geluk

is een chassinet, dat slechts aan één kant beschilderd is. Salomo

zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als die goede man, die

misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt wilde loopen,

kleedde zich in de ijdelheid.

"O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een keuken is

een laboratorium, een danser is een professor, een koorddanser is

een gymnasticus, een bokser is een kampvechter of worstelaar, een

apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een jockey

een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; de

voorzijde is dom, 't is de neger met zijn koralen; de achterzijde is

dwaas, 't is de filozoof met zijn lompen. Ik beween den een en bespot

den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, is over 't algemeen

slechts valsch zilver. De koningen maken van den menschelijken hoogmoed

hun speelgoed. Caligula verhief een paard tot consul; Karel II een

runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen den consul Incitatus en

den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der menschen is weinig

eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den eenen gebuur op

den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken kon, hoe zou

zij de duivel hekelen! Een kwezel, die van een devote vrouw spreekt,

is venijniger dan een adder. 't Is jammer dat ik maar onwetend ben;

ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, die ik nu niet

weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik nog leerling

bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met schilderijtjes

te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij betreft;

en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik.

"Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en hoedanigheden. Iedere

deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid grenst aan

gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan grootspraak; wie iets

vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er is evenveel ondeugd

in de deugd als er gaten in Diogenes' mantel zijn. Wien bewondert

ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of Brutus? Men is over

't algemeen vóór den moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft

vermoord. Dat is deugd. Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote

mannen hebben zonderlinge vlekken. Brutus, die Cesar vermoordde,

was verliefd op het beeld van een knaapje. Dat beeld was van

den Griekschen beeldhouwer Strongylio, die ook de amazonenfiguur

Eucnemos, "het schoone beeld" genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk

Nero op reis medenam. Deze Strongylio heeft slechts twee beelden

nagelaten, waardoor Brutus en Nero elkander geleken; Brutus was op

het eene, Nero op het andere verliefd. De geheele geschiedenis is een

eeuwigdurend herkauwen. De eene eeuw bootst de andere na. De slag van

Marengo is een copie van den slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis

en het Austerlitz van Napoleon gelijken elkander als twee droppelen

bloeds. Een overwinning tel ik weinig. Niets is dommer dan overwinnen;

de ware roem is overtuigen. Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge

slaagt, zijt ge tevreden--dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en

lafheid. Alles gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica. Si volet

usus, zegt Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen

wij van het geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken

bewondere? Maar welk volk dan, als 't u belieft? Griekenland? De

Atheners, die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion,

evenals Coligny, en vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van

Pisistratus zeide: Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende

vijftig jaren was in Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus

Philetas, die zoo klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood

moest vullen, om niet door den wind weggevoerd te worden. Op het

marktplein te Corinthe stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan

Plinius gewag maakt; het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates

gedaan? Het beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn

roem! Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk

bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over

Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En

Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen

in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen

van honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik

een Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen

bril. Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder

Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet

veel van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland

over, zoo ge het zijn time is money (tijd is geld) ontneemt? Wat

van Amerika zoo ge het zijn cotton is king (de katoen is koning)

rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. Zullen wij dan

in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde het. Maar hij

bewonderde China ook. Ik beken, dat Rusland zijn schoonheden bezit,

onder andere een sterk despotisme; maar ik beklaagde despoten. Hun

gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een doorstoken Peter, een

geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken der laarzen vertrapt,

verscheidene Ivans vermoord, verscheidene Nicolazen en Basiliussen

vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis der Russische keizers

bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken geven der bewondering des

denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de oorlog nu, de beschaafde

oorlog, bevat alle vormen van het rooversbedrijf in zich, van de

rooverijen der troepen in de engten van het Jaxa-gebergte af tot de

strooptochten der comansche Indianen op de prairieën toe. Ge zult

mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan Azië is. Ik beken het:

Azië is een koddige boel; maar ik weet eigenlijk niet, waarom ge bij

den grooten Lama zoo moet lachen, gij, westersche volken, die in uw

modes en bevalligheden al de onreinheden der majesteit hebt gemengd,

van het vuile hemd van koningin Isabella af tot den kinderstoel van

den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge hebt het mis! Te Brussel

wordt het meeste bier, te Stockholm de meeste brandewijn, te Madrid de

meeste chocolade, te Amsterdam de meeste jenever, te Londen de meeste

wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, te Parijs de meeste absynthe

gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke inlichtingen. Parijs heeft

bij slot van rekening het overwicht. Zelfs de voddenrapers zijn te

Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even gaarne voddenraper op

het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs geweest zijn. Verneemt

dit nog: de kroegen der voddenrapers heeten bibines en de vermaardste

zijn la Casserolle (braadpan), en de Abbatoir (slachtplaats). Dus,

kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij

Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er

met een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha,

zijt gij 't Louison, goeden avond."

Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken

Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain

de vatenwaschster beet nam.

Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te

leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks:

"Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij volstrekt

geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de snuisterijen van

Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot bedaren te brengen. Ik

ben voor 't overige treurig. Wat zal ik zeggen? De mensch is slecht,

de mensch is wanstaltig; de kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God

heeft dit dier niet afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De

eerste de beste is een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb

het spleen, alleen nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee

en hypochondrie er bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en

verveel mij, ik word stomp en dom. De duivel hale alles!"

"Zwijg toch, kapitale R.!" hernam Bossuet, die bezig was een rechtspunt

te verdedigen en tot over de heupen in een rechtsgeleerden volzin

verzonken was, welks slot dus luidde:

"En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en veel

minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen

der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent

moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten

het recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars

als bij erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen,

contracten, hypotheken......"

"Echos, nymphes plaintives!" neuriede Grantaire er tusschen.

In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen

twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig

een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend

behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander.

"Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het onderwerp

vanzelf."

"Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven."

"Mijnheer Dorimon."

"Rentenier?"

"Zeker."

"Zijn dochter Célestine."

"...tine. Verder?"

"Kolonel Sainval."

"Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin."

Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas

gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van

dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem,

met welk een tegenstander hij te doen had.

"Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. Hij kent

de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te verspillen;

hij heeft een forsche vuist, is vlug als 't weerlicht, pareert juist

en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij ook."

In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en

spraken over liefdezaken.

"Ge zijt wel gelukkig," zei Joly; "ge hebt een liefje, dat altijd

lacht."

"Dat is juist een fout in haar," antwoordde Bahorel. "De minnares,

die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot bedriegerij. Zoo ge

haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar ziet ge haar treurig,

dan voelt ge uw geweten."

"Ondankbare! 't Is zulk een lief gezicht als een vrouw lacht! En gij

twist nooit met elkander?"

"Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het aangaan van

ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, welke wij

niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede."

"De vrede is een verterend geluk."

"En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... Ge

weet wat ik zeggen wil?"

"Met wreed geduld blijft zij pruilen."

"Ge zijt toch zoo verteederend mager van verliefdheid."

"Helaas!"

"In uw plaats zou ik haar laten loopen."

"Dat is gemakkelijk gezegd."

"En gedaan. Heet zij niet Musichetta?"

"Ja, och, mijn goede Bahorel, 't is een voortreffelijk meisje, zeer

geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net gekleed, blank,

en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op haar."

"Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant zijn,

en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede

broek van cuir de laine. Die kan 't uithouden."

In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. De

heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er

werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit

romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij

in rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij

los, dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij

beurtelings lachend en lyrisch.

"Dat wij de goden niet hoonen!" sprak hij. "De goden zijn misschien

nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt niet als een doode

voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, zelfs in de natuur,

gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning dier droomen nog al de

oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met zijn vestingvorm als

de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd Cybeles hoofdtooi;

voor mij is 't nog niet bewezen, dat Pan des nachts niet in den hollen

stam der wilgen blaast en er met zijn vingers beurtelings de gaten

van sluit alsof hij een fluit speelde, en nog altijd heb ik geloofd

dat Iö in den waterval van Pissevache is."

In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men

mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw,

Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig

exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat

en schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier

parend.

"Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een

staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een

woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen

zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld

dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg

ze twee milliards, zeshonderd millioen, 't geen, volgens Desmarets,

in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en

thans gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre

duide het mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel

tot beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok

te verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie

te brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën--dat alles

zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit

met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen

constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen

octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt

een artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die

terug neemt. Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker,

waarachter de logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt,

doet afstand. Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!"

't Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was verlokkend

en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij kreukte het arme

Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in 't vuur. Het papier

vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van Lodewijk XVIII met

wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets dan:

"De Charte in een vlam herschapen!"

Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschen

entrain, wat de Engelschen humor noemen, goede en slechte smaak,

goede en slechte redenen, vernuftige fonkelingen van het gesprek,

dat zich nu en dan plotseling verhief en tot in alle hoeken der kamer

uitbreidde,--het schiep boven hun hoofden een soort van vroolijk

gebulder.

VIJFDE HOOFDSTUK.

UITBREIDING VAN DEN GEZICHTEINDER.

Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig,

dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal

er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan

een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet

de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord

het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is

voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met

plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het

toeval is de machinist dier gesprekken.

Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek

geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire,

Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen

schermden.

Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het,

dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij

hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer,

besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide, plotseling met

deze dagteekening:

"18 Juni 1815. Waterloo."

Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de

ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag

het gezelschap met strakken blik.

"Pardieu!" riep Courfeyrac (Parbleu was op dat tijdstip in verval)

"dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. 't Is Bonapartes noodlottig

nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel

het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het

begin door het einde als op den voet wordt gevolgd."

Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot

Courfeyrac.

"Ge bedoelt de misdaad door de boete."

Het woord "misdaad" overschreed alles, wat Marius, die reeds door de

plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon.

Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den

wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland

zag; hierop legde hij den vinger en sprak:

"Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt."

't Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men

gevoelde dat er iets gebeuren moest.

Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde

classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij

het echter.

Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het

ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien:

"Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk

is groot, omdat het Frankrijk is. Quia nominor leo."

Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot

Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van

zijn hart ontstond.

"God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men

verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan,

laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat

ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt

gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u

Buonaparte zeggen en op de u drukken evenals de koningsgezinden. Ik

verzeker u, dat mijn grootvader 't nog beter doet: hij zegt

Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe

geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het

den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man

niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was

volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar

volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde

als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal

aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis;

zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met

de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter,

groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit

kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace;

in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den

een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was

rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen;

evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij

naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles,

hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich

bij de wieg van zijn kind te verblijden;--en eensklaps luisterde het

verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts, artillerie-parken rolden,

schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie

galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende

tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men

hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede

verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de

hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder

ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de

aartsengel van den oorlog!"

Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het

kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te

wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende

geestdrift voort:

"Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een

keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk

Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of

wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren,

op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden,

van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te

kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging

te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in

één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te

zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht

van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der

Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare

eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram;

ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van

overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk

tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger

te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen,

gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen,

te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te

zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen

klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen

en eens door den glans der overwinningen,--wat kan er grootscher zijn?"

"Vrij te wezen!" antwoordde Combeferre.

Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord

had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord,

en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was

Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord

op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras,

waren hem gevolgd. De kamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius

alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden

eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen;

er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in

tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo

men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren

zingen. 't Was Combeferre, die zong:

Si César m'avait donné

La gloire et la guerre,

Et qu'il me fallût quitter

L'amour de ma mêre.

Je dirais au grand César:

Reprends ton sceptre et ton char,

J'aime mieux ma mêre, o gué'

J'aime mieux ma mêre. [5]

De Ellendigen (Deel 3 van 5) · 第 8 / 21 段