Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van
aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet
dat het de volstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den
tijd van la Minerve waardeerde dat arme de zoo hoog, dat men zich
verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet
zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque,
Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac
wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac.
Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen
en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes.
Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, 't welk men de schoonheid
der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals
de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij
den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit.
De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen,
de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van
geestigheid over; zij gaat quasi cuisores van de eene in de andere
hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die,
gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou
hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was
een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig
verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In
beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In
Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder.
Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo
de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk
alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling.
Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid
der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.
Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap,
moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en
welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld,
met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in 't
groot, die niets liever had dan twist of 't moest oproer, niets liever
dan oproer of 't moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen
in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te
werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde
academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn
leuze was: "nooit advocaat!" en zijn wapenschild een nachttafeltje met
een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging,
't geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,--de paletot was
toen nog niet uitgevonden,--en "ging voor zijn gezondheid zorgen." Het
portaal der academie noemde hij "een mooien grijsaard!" en den deken
Delvincourt: "een monument!" In een cursus zag hij een onderwerp voor
een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus
niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als
drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds
eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.
Van hen sprekende zeide hij: 't Zijn boeren en geen burgers; daarom
hebben zij verstand.
Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden;
de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is
menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger
en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.
Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en
andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te
voorschijn zouden treden.
In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d'Avaray,
wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het
land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in
1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais
ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had.
"Wat verzoekt ge?" vroeg toen de koning.
"Een postkantoor, sire."
"Hoe heet ge?"
"L'Aigle."
De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van
het request en zag den naam Lesgle.
Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij
glimlachte.--Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was
hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd
mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door
verbastering l'Aigle.--De koning lachte en gaf opzettelijk of bij
vergissing den man later het postkantoor te Meaux. [4]
Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle,
of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn
vrienden hem Bossuet.
Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid
toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op
zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. 't Was zijn vader
gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de
zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie
dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij
had verstand en wetenschap, maar 't baatte hem niet. Alles ontbrak,
alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte,
hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij
spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp,
maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: "Ik woon onder een
dak, waar de pannen afvallen." Nooit verwonderd--want voor hem was
een ramp iets dat hij verwachtte--onderwierp hij zich gelaten aan het
ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die
een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede
luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter
nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden
kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den
schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet,
dat hij 't zonder plichtplegingen "schalk!" noemde.
Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij
had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond
hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, "dolle verteringen"
te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé
met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige
woorden: "Meisje van vijf louisd'or; trek mijn laarzen uit."
Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde
op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms
in 't geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal
bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger
dan Bossuet.
Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde
gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op
drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn
leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat
de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom
zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het
voeteneinde naar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts
door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou
worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was
hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid,
inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis
en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden
Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen,
zei Jean Prouvaire tot hem.
Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden,
't geen het kenteeken van een schranderen bol is.
Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts
ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang.
Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten
werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar
den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen
geweest. Om 't even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was
gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun
aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich
aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast.
Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.
Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was
een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige
aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich
gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor
wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten,
die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden;
hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart
in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in
de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder
Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en
een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij
kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de
danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in
het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van
dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis
gewezen: "Grantaire is onmogelijk!" Maar Grantaire's zelfbehagen werd
toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met
een blik, die scheen te zeggen: "Zoo ik wilde!" en hij poogde zijn
vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd.
Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch,
maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving,
democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren
voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte
er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn
geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van
spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas
vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen,
of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles
gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het
kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper,
speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun
verdriet gestadig: J'aimons les filles et j'aimons le bon vin; air:
Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)
Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme
was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap;
't was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde
Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar,
in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten
van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne
ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf
waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige
is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen,
trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De
dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten
hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de
twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij
had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van
te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het
te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige,
regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij
zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke,
wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng
vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij
Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee
schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en
hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist
geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote
tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was
zijn natuur. Er zijn menschen, die geschapen schijnen om steeds keer-
en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles,
Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan
door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt
niet anders dan met het voegwoordje en geschreven; hun leven behoort
hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne
niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde
van Enjolras.
Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet
verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men
kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.
Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien
jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem;
hij volgde hen overal. 't Was hem een lust, die schaduwen te midden
der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd
hij verdragen.
Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en
matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een
weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.
Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch
terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: "Wat fraai marmer!"
TWEEDE HOOFDSTUK.
LIJKREDE VAN BOSSUET OP BLONDEAU.
Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt
met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de "arend van Meaux,"
behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek
veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn
peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen
is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam
is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval,
hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen
voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest.
Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en
zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd
en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen
een voertuig met twee wielen, dat stapvoets en besluiteloos over het
plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De
arend lette er op.
Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een
tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers
een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters: Marius
Pontmercy stond.
Die naam deed L'aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en
riep den jongeling in de cabriolet toe:
"Mijnheer Marius Pontmercy!"
De aangeroepen cabriolet hield stil.
De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op.
"Nu?" zeide hij.
"Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?"
"Ja gewis."
"Ik zocht u," hernam L'aigle de Meaux.
"Waarom?" vroeg Marius; want hij was 't werkelijk, die het huis
zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag,
die hij nog nooit gezien had; "ik ken u niet."
"Ik u evenmin," antwoordde L'aigle.
Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op
de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit
oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L'aigle
van Meaux hernam echter gelaten:
"Ge waart eergisteren niet bij de lessen?"
"'t Is mogelijk."
"'t Is zeker."
"Zijt gij dan student?" vroeg Marius.
"Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de
academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was
bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk
een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt,
wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!"
Marius begon te luisteren. L'aigle ging voort:
"'t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn
spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig
is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze
letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping;
allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen,
lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te
doen. Eensklaps roept Blondeau: "Marius Pontmercy." En hij neemt
zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij
mij zelven: zou men zoo'n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een
fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker,
die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren,
de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar
een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve
grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu
wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale
Blondeau! Hij doopte juist zijn van 't doorschrappen reeds zwarte
pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan
en herhaalde ten derde male: "Marius Pontmercy!" Toen antwoordde ik:
Present! En gij zijt dus niet geschrapt."
"Mijnheer," zei Marius.
"Maar ik ben wèl geschrapt," voegde de arend van Meaux er bij.
"Ik begrijp u niet," zei Marius.
L'aigle hernam:
"Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was
om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag
mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe
neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu
is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux."
"L'aigle!" herhaalde Marius, "een fraaie naam."
"Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L'aigle! Ik
antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een
tijger aan, glimlacht en zegt: Als ge Pontmercy zijt, kunt ge L'aigle
niet zijn,--woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig
waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij."
"Mijnheer!" riep Marius, "het doet mij waarlijk leed!"
"Vóór alles," hernam L'aigle, "zou ik Blondeau wel in eenige diep
gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan
zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel
veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik: Erudimini qui judicatis
terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline,
bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van 't appèl, die recht,
vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem,
zoo als hij mij geschrapt heeft."
"'t Doet mij leed," hernam Marius nogmaals.
"Jonkman," zei de arend van Meaux, "dat u dit tot een les diene! Wees
in 't vervolg wat nauwgezetter."
"Ik vraag u duizendmaal vergeving."
"Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil
geschrapt worde."
"Ik ben wanhopig..."
Daar begon L'aigle luidkeels te lachen.
"En ik verheugd. Ik was op 't punt advocaat te worden. Die schrapping
nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe
niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan
u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil
u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?"
"In deze cabriolet," zei Marius.
"Dat is een bewijs van weelde," hernam L'aigle bedaard. "Ik wensch
er u geluk mede. 't Is een huur van 9000 francs per jaar."
Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis.
Marius glimlachte treurig en zeide:
"Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar
't is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!"
"Kom bij mij wonen, mijnheer," zei Courfeyrac.
"Ik zou de voorhand hebben," hernam L'aigle, "maar ik heb zelf geen
woning?"
"Zwijg Bossuet," riep Courfeyrac.
"Bossuet," zei Marius, "maar ik meende dat ge u L'aigle hebt genoemd."
"Van Meaux," antwoordde L'aigle, "bloemsprakig: Bossuet." Courfeyrac
klom in de cabriolet en zei:
"Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier."
Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte
St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken.
DERDE HOOFDSTUK.
MARIUS IS VERBAASD.
In weinige dagen was Marius Courfeyrac's vriend. De jeugd is het
seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde
Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem
niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het
gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou
men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander.
Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts:
"A propos, hebt ge ook een politieke meening?"
"Wat?" zei Marius door die vraag schier beleedigd.
"Wat zijt ge?"
"Democraat-Bonapartist."
"De grijze kleur van de geruste muis," zei Courfeyrac.
Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in 't Café Musain. Daar
fluisterde hij hem glimlachend toe: "ik moet u entrée bij de
revolutie geven."--En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het
A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit
enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: "Een leerling."
Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter,
hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend.
Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak
meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig
voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillende
meeningen trachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig
gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden
duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze
nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte,
literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag
vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij
niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze
van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast
te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder 't zich
zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt,
waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere
schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een
wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn.
Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius
hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog
beschroomden geest hinderde.
Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd
classiek treurspel aankondigde.--"Weg met het treurspel, waarmeê de
burgerlui zoo hoog loopen!" riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre
antwoorden:
"Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief
en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie
heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens
Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in
de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels,
die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen,
die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn. Smartekreten, die
ons doen lachen,--dat zijn haar grillen. En daar het gevogelte naast
den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet
tegenover de tragedie der ouden zou staan."
Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat
Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm
en zeide:
"Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat
Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een
zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd
tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en
Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis."
En Enjolras duwde Courfeyrac toe:
"Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. 't Is waar: hij verloochende
zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan."