Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van

den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner

kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon

en met burgerlijken trots, waarin iets verpletterends lag, hem toeriep:

"Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat

beteekent dat?"

Marius bloosde en antwoordde:

"Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben."

Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw:

"Ik ben uw vader."

"Mijn vader," hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat,

"was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek

roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis,

welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw

in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels,

des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd,

twintig wonden ontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid

gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij

twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!" Dit was meer dan

de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord "republiek" was hij

opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had

op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan,

als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van

somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden.

"Marius!" riep hij. "Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader

was! Ik wil 't niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is,

dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is,

dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg

allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort

ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het

waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die

Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden

en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor

de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer

uw vader daarbij was, weet ik niet... zoo ja 't spijt mij... des

te erger."

Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer

Gillenormand de blaasbalg. Marius' geheele lichaam rilde; hij wist

niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die

al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een

voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet

straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te

doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden,

maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder

den ander te hoonen? 't Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen

en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde

een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik

waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd

voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak

aan en riep met donderende stem:

"Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!"

Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij

zich niet.

Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn

haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die

op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge

majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den

schoorsteen naar het venster en van het venster naar den schoorsteen,

de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen

beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over

zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud

schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende:

"Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder

hetzelfde dak blijven."

En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een

gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar

Marius uit en schreeuwde hem toe:

"Ga heen!"

Marius verliet het huis.

Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter:

"Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd'ors, en spreek

mij nooit meer van hem."

Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen

weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u.

Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid,

welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er

zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer

verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er

eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van

grootvader de "plunje" van Marius haastig naar diens kamer bracht,

had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere

zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het

door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren

later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat "mijnheer

Gillenormand"--van dien dag af noemde hij hem nooit anders--het

"testament zijns vaders" in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige

regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg

niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie,

dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan?

Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig

francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij

had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche

wijk laten brengen.

Wat zal er van Marius worden?

BOEK IV.

DE VRIENDEN VAN HET A. B. C.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN GROEP, DIE BIJNA TOT DE HISTORIE HAD BEHOORD.

In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekere

revolutionaire huivering door 't land. Een wind, uit de duisternis

van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd--men vergeve

ons deze uitdrukking--begon te ruien. Door de beweging des tijds

werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over

de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed

den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden

liberalen, de liberalen democraten.

't Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende

vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden

de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk

Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. 't

Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van

vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid,

heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; 't was het

Bonapartisch liberalisme.

Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde

men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in

drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen;

want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts

en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen

te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de

droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been.

De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van

verborgenheid bedreigde de "gevestigde orde", die verdacht en gluipend

was. Een hoogst revolutionair verschijnsel. De nevengedachte van

het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks

samen. Het broeien van den opstand is het antwoord op het voorbereiden

der staatsgrepen.

Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund

in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet,

maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De

Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen

van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C.

Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar

de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen

ten doel had.

Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Het abaissé

(A. B. C. klinkt als abaissé en beteekent "vernederd") was het

volk. Dat wilde men opheffen; 't was een woordspeling, waarmede men

niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in 't staatkundige van

groot gewicht; ten bewijze hiervan het Castratus ad castra dat van

Narsés een veldheer maakte; het Barbari et Barberini; het Fueros y

Fuegos; het Tu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz.

De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts

een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een

coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs

op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe,

waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een

klein koffiehuis op het plein St. Michel, het Café Musain genaamd,

dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden,

het tweede voor de studenten.

De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een

achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke

koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer

lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met

geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte,

dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over

andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens

de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om

hen op het spoor te komen.

Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met

verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier

hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean

Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly

en Grantaire.

Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort

van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden.

Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten,

die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu

gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten

vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw

van een treurig voorval wegzinken ziet.

Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben--men zal later zien waarom--was

een eenige zoon en zeer rijk.

Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te

worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien

van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in

het vorig leven reeds de revolutionaire apokalypse was doorgegaan. De

overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij

kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een

priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij

verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der

democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek

hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een

weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn

voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan

den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het

einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige

jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog

toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig

scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te

weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had

slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping

der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de

conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij

wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote

hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben;

voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het

zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles

wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was

de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en

trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee

de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette

van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte,

aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers,

blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche

lippen en prachtige tanden ziende, op al dat ochtendrood belust

ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven,

zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in

hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van

Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren.

Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde,

vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica

der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar

logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts

tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde

hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men

's menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene

denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: "Revolutie, maar ook

beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe

horizont." Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets

genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre

dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht,

Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij

Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre

leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo 't dien beiden

jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren,

zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras

was mannelijker, Combeferre menschelijker. Homo en Vir, mensch en

man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht

als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger,

maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk

de Spanjaards, Hombre (man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles,

ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago

de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing

waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en

uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de

andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet,

vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen,

brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie,

teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in de

Fransche dictionnaire de l' académie aan, bestudeerde Puységur en

Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets,

zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van den Moniteur, en

dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand

ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de

maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan 's volks verstandelijke

en zedelijke ontwikkeling, aan de uitbreiding der wetenschap, aan

het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de

jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het

armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde

klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten,

en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot

kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch,

nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam

hij het "oneindige", zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan

alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij

heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in de camera

obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den

luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten,

allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij

behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand

zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den

een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet

wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een

hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar 't was hem

liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en

't verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn

bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed

zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan

zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den

dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht

nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone

boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde

helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien

teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van

een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij

van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood

in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht,

en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den

Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand,

noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke

liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire

avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang;

misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar

onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield,

opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken

grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! "Het goede moet schuldeloos

zijn," herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der

revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en

er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan

te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos

te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en

Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil

dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt.

Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde

zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de

machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie

der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd,

kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk

lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde

vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een

koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem

was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was

geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche

talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie,

de voorkeur aan het grootsche--iets dat zeer begrijpelijk is voor

hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende

Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem

om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te

lezen. In 't Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa

d'Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met

korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met

de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan

de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde

of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke

vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk,

den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de

opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom,

de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de

wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds

aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was,

evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het

hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links,

bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken.

Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie

francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te

verlossen. Ook had hij nog een andere zorg, namelijk zich zelven te

onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich

zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit

zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld

omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis

eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet,

dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide,

bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het

nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd

om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien

jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig

hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk

Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze

namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De

verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau

door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de

groote moord van 1772, de verdeeling van Polen. Er is geen krachtiger

welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij

welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele,

dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige

drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld

van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd

zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte

verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke

aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling

van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad,

waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is

geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens

verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd en ne varietur,

geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad

doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft

deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het

jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly's gewone

tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven,

en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in

het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De

koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft

het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland

wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het

recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een

volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebben geen toekomst. Men

kan het merk eener natie niet uittornen zooals men 't een zakdoek doet!

De Ellendigen (Deel 3 van 5) · 第 6 / 21 段