ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo
zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God,
meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was,
hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader
gespoed en uitgeroepen hebben: "Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon;
ik heb hetzelfde hart als gij!" O, hoe zou hij zijn grijze hoofd
gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd,
zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd
hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de
rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius'
hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen
werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en
meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er
ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij
gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem
geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten.
Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem
openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans
zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken
geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien,
en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan
zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem
toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf
en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk
ook die van Napoleon gevolgd.
Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.
Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent
Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie,
al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te
misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg
had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik
gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en
om hem voor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen,
de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van
1814 beurtelings de schrikbarendste maskers--van wat vreeselijk en toch
grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van
Tiberius af tot Blauwbaard toe--te voorschijn treden. Wanneer er dus
van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij,
mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius' geest had,
nopens dezen man,--zooals men hem noemde--nooit andere denkbeelden
gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid
saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat
Napoleon haatte.
Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken
en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den
sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen
iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent
Bonaparte als al het overige bedrogen had.
Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap,
aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap
en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de
donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende
trappen der geestvervoering.
Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht
brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te
lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengden
zich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men
hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij
komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die
twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de
sterren fonkelen;--'t is een ontzettend grootsch gezicht!
Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen
op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam
zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk
daagde voor hem op; hij gevoelde als 't ware dat er een zwellende vloed
in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim
voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe
zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder,
het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen,
verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen
naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige,
fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek
en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart
was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps,
zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde,
richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak
vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de
eeuwige onmetelijkheid, en riep: "Leve de Keizer!"
Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche
menscheneter--de overweldiger,--de dwingeland,--het monster dat de
minnaar zijner eigen zuster was,--de komediant wien Talma les gaf,--de
vergiftiger van Jaffa,--de tijger,--Buonaparte,--dat alles verdween
en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans,
waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar
blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde
veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert;
voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde
grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij,
op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van
hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk
XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité
van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen,
en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar
die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken,
machtig in zijn misdaden bleek.
Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen had van "de groote
natie" te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden
Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg,
en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in
Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen
zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook
dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich
opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus
de Godmensch is.
Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde,
dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op
een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme
voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor
de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het
genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd
het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog
hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms
kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed
geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de
nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling
der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem,
de verzachtende omstandigheden.
Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den
val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was
veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had
zich omgewend.
Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets
van vermoedde.
En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche
huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en
den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair,
innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een
graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met
het opschrift: "Baron Marius Pontmercy."
Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering,
een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij
echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon
afgeven, stak hij ze in zijn zak.
Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich
meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de
kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij
zich meer van zijn grootvader verwijderde. Wij hebben 't reeds gezegd,
dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer
behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken,
die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards
moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en
bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke
meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls
tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug
instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde
Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de
gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend
aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind
zijn vader ontnomen had.
Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn
grootvader geworden.
Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe
langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo
zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde
studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader
hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: "Hij is verliefd;
ik ken die dingen."
Marius was nu en dan afwezig.
"Waar zou hij toch heengaan?" vroeg tante.
Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar
Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem
had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den
herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de
herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door
al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit.
"Nu is 't zeker," zei de grootvader; "zijn hoofd raakt in de war."
Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd
iets aan een zwart lint om den hals droeg.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
EEN VROUW IN 'T SPEL.
Wij hebben van een lansier gesproken.
Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand,
die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven
leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de
voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij
had een "dames-taille," droeg een opgestreken knevel en liet zijn
sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden,
dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts
bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de
gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem
niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei
uitmuntende hoedanigheden toe.
Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een
opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter
slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor
een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.--"'t
Is goed!" had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog
optrekkende, bijgevoegd: "Hij blijft 's nachts uitgaan." Tante was
in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen:
"'t Is erg! waar gaat hij toch heen?" Zij vermoedde zekerlijk een
of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg
of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van
willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het
nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In
de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig
naar een schandaal.
Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te
vernemen.
Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning
bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en
zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de
Restauratie in zwang was. 't Was een eentonige arbeid en een onwillige
werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd
geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de
luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet.
Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en
tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer
te zien.
"Gij hier, Théodule!" riep zij.
"Voor een oogenblik, tante."
"Maar kus mij toch!"
"Komaan," zei Théodule.
En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en
opende ze.
"Ge blijft immers de geheele week?"
"Neen, ik vertrek van avond, tante."
"Dat is onmogelijk!"
"Stellig!"
"Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag."
"Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! 't Is heel eenvoudig. Wij
wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit
het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En
toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken."
"Dit is voor uw moeite." En zij drukte hem tien louisd'ors in de hand.
"Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante."
En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen,
dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd.
"Doet ge de reis te paard met uw regiment?" vroeg zij.
"Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof
verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de
diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde."
"Wat dan?"
"Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?"
"Hoe weet ge dat?" hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid
opnieuw geprikkeld.
"Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats
te bespreken."
"Welnu?"
"Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik
zag zijn naam op het register."
"Welken naam?"
"Marius Pontmercy."
"Welk een losbol!" riep tante. "Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als
gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!"
"Evenals ik."
"Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid."
"Duivels!" zei Théodule.
Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand;
zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor
het voorhoofd hebben geslagen. "Weet ge ook of neef u kent?" vroeg zij.
"Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd
op mij te letten."
"En ge gaat dus morgen beiden op reis?"
"Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé."
"Waar gaat die diligence heen?"
"Naar Andelys."
"Gaat Marius dan ook naar Andelys?"
"Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te
Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De
reisroute van Marius ken ik echter niet."
"Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te
noemen. Gij heet ten minste Théodule."
"Ik zou liever Alfred willen heeten," zei de officier.
"Luister, Théodule."
"Ik luister al, tante."
"Let dan op."
"Ik let op."
"Nu, luistert ge?"
"Ja."
"Marius is dikwerf afwezig."
"Ei, ei!"
"Hij reist veel."
"Aha!"
"Hij blijft 's nachts uit."
"Zoo, zoo!"
"En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt."
Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding:
"Een vrouw in 't spel."
En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij
er bij:
"Een liefje."
"Ja, 't is duidelijk!" riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende
te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier
op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam:
"Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in 't oog. 't Zal u
gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet
ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat
zal zijn grootvader pleizier doen."
Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch
verteederd door de tien louisd'ors, die mogelijk nog vermeerderd konden
worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: "Zooals 't u belieft,
tante;" en voegde er in stilte bij:
"Nu ben ik duegna geworden."
Juffrouw Gillenormand kuste hem.
"Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule," sprak zij. "Gij
gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een
nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten
zou om een deerne na te loopen."
De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men
dezen om zijn eerlijkheid prees.
Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence,
zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft,
het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was 't een vaste
gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht.
Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence "Vernon! de
reizigers voor Vernon!" De luitenant Théodule ontwaakte.
"Ha!" bromde hij nog half slapend, "hier moet ik er uit."
Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en
dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd'ors; en aan het verslag,
dat hij op zich genomen had van Marius' gedrag te zullen doen. Dit
bracht hem aan 't lachen.
"Hij is misschien niet meer in het rijtuig," dacht hij, zijn
kleintenue-jasje dichtknoopende. "Wellicht is hij er te Poissy of
te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds
te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts
naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch,
wat drommel zal ik de goede oude schrijven?"
Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje
der coupé voorbij.
"Zou 't Marius zijn?" dacht de luitenant.
Het was Marius.
Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een
boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep:
Koopt bloemen voor uw dames.
Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje.
"Nu waarlijk," zei Théodule uit de coupé springende, "word ik zelf
nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai
bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wil haar zien."
En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon
hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen.
Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de
diligence, hij zag er niet naar om. 't Scheen alsof hij niets zag van
't geen hem omgaf.
"Wat is hij verliefd!" dacht Théodule.
Marius ging naar de kerk.
"Heerlijk!" dacht Théodule. "De kerk, dat is het juist. Rendez-vous,
met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan
een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat."
Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween
hij achter den hoek van een der zijmuren.
"Het rendez-vous is buiten," zei Théodule, "laat ons nu zien, wie
't liefje is."
En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest.
Daar gekomen bleef hij verstomd staan.
Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras
bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde
van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters:
Kolonel Baron Pontmercy.
Marius weende hoorbaar.
Het liefje was een graf.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
MARMER TEGEN GRANIET.
Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was 't dat
hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: "hij blijft van
nacht weêr uit."
Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij
zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename,
zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die
uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging
terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; 't was of zijn
aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met
zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat
hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en
waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende
Marius' liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier
geheimzinnige en veelvuldige spelingen van het noodlot, het tooneel
te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden.
Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en
de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence
doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich
naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden
en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging
toen een bad nemen.
Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij
de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel
zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius'
kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen
van waar hij kwam.
Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden,
dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand
het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed,
dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos
nedergelegd.
"Dat heb ik liever," zei Gillenormand.
En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude
juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende
intocht.
In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de
andere het zwarte lint en riep: "Victorie! wij zullen het geheim
ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons
de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik
heb het portret!"
Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon,
hing aan het lint.
De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder
het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van
een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus
voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. "Het is
stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn
hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De
jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak."
"Laat eens zien, vader," zei de oude vrijster.
Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een
zorgvuldig dichtgevouwen papier.
"Van denzelfde aan denzelfde," zei Gillenormand, met schaterenden
lach. "Ik weet wat het is. Een minnebrief."
"O, laat mij lezen," zei tante.
En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen:
"Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot
baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik
met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het
spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn."
Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren
als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd
gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich
zelven:
"'t Is het schrift van den voorvechter."
De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde
het weder in het doosje.
Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld
pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het
op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes
van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las:
"Baron Marius Pontmercy."
De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het
lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in 't vertrek op
den vloer en zeide:
"Breng die plunje weg."
Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude
vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder
waarschijnlijk aan hetzelfde. Na verloop van dat uur zeide tante
Gillenormand:
"'t Is mooi!"