er de eeuw, 't geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp
elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men
bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde
op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van
nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in
het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten
van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap.
Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was
er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de
salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren
reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien
ouderwetsch. De meesters werden er bediend door dienstboden, even
verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich
tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat
was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was "in goeden
reuk te staan." Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer
eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. 't Was een
wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet.
Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één
dienstmaagd had, sprak voortdurend van "mijne dienstboden."
Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was er ultra.
Ultra te zijn,--het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt
misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit
verklaren.
Ultra zijn is overdrijven. 't Is den schepter in naam van den troon,
en den mijter in naam van het altaar aanranden; 't is de zaak, die
men behandelt, mishandelen; 't is achteruit schoppen in het tuig;
't is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters
lastig vallen; 't is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten;
't is door te veel eerbied beleedigen; 't is in den paus te weinig
pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te
veel licht zien; 't is in naam der blankheid ontevreden zijn op het
albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; 't is voor sommige
zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt;
't is zoozeer "voor iets" zijn, dat men er "tegen" wordt!
De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie.
Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt
en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle,
den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren
een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk
en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de
duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog
bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en
die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en
treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;--niets gelijkt
meer naar 't ontwaken dan de terugkomst;--het was er een groep,
die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend
beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met
wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên, die over
alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in
Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland
mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden;
het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk,
namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten,
die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel
den groote vergezelden en de kameraden van Napoleon verachtten. De
degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk
en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een
sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer
voor hetgeen groot noch besef van 't geen bespottelijk was. Er was
iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet
meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo
wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen
geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een
voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed
verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom
van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en
begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten!
Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden,
toen Martainville geestiger dan Voltaire was.
Die salons hadden een eigen literatuur en politiek. Men geloofde er
aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den
publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet
anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats,
die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal
der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den
tijdgeest deed.
Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenige
doctrinaires op, als een onrustbarend verschijnsel. Dezen waren
koningsgezind, maar slechts toen ze 't moesten zijn. Waar de ultra's
zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij
waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed
tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een
nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte
rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk der doctrinaires was, dat
zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij
droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een
gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid
een afbrekend liberalisme tegenover een behoudend. Zij zeiden: "Genade
voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft
ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied
weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en
verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der
natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat
het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere
denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar
het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij 't ook soms
niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn,
moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak
met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! Het
revolutionaire Frankrijk heeft geen eerbied voor het historische
Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den
5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men 't na
den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig
tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men
dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan
de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild
van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de
brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat
wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons
evengoed als de N. 't Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men
moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige
verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom
niet geheel Frankrijk bemind?"
Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme,
dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het
beschermd werd. De ultra's kenmerkten het eerste tijdperk van het
royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde
behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets.
In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik
der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in
't voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier
nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en
zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige
herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat
verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar
grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten,
noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd.
Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de
handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een
onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel,
die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in
die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de
rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had
weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge
wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber.
Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier,
godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die
tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid
ontaarde.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE BANDIET STERFT.
Het einde van Marius' klassieke studie viel samen met de verwijdering
van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam
afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T... en
betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij
had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die
op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien
we boven reeds hebben gesproken.
In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond
te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand.
"Marius," zei mijnheer de Gillenormand, "morgen moet ge naar Vernon
vertrekken."
"Waarom?" vroeg Marius.
"Om uw vader te bezoeken."
Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de
mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem
onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer
zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. 't Was geen verdriet,
maar een last.
Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn
vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij
goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; 't was bewezen, wijl hij
hem anders niet verlaten en aan anderen overgegeven zou hebben. Nu
hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger
naar hij dacht.
Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets
vroeg. Deze hernam:
"'t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien."
En hij voegde er na eenig zwijgen bij:
"Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen
vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt,
dat er haast bij is."
Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had
denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend
bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy
reed destijds 's nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand
noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen.
Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar
werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten,
dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij
was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader
evenmin als baron of kolonel.
Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje
in de hand opende de deur.
"Is mijnheer Pontmercy er ook?" vroeg Marius.
De vrouw bleef onbewegelijk.
"Ben ik terecht?" vroeg Marius.
De vrouw knikte bevestigend.
"Zou ik hem dan kunnen spreken?"
De vrouw schudde ontkennend het hoofd.
"Maar ik ben zijn zoon!" hernam Marius. "Hij wacht mij."
"Hij wacht u niet meer," sprak de vrouw.
Toen zag hij, dat zij weende.
Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij
trad binnen.
In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht,
waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in 't
hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel.
De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad.
De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang
der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer
de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden
avond van Marius' komst te Vernon had de kolonel een aanval van
waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode,
uit het bed gekomen en had geroepen: "Mijn zoon komt niet, ik ga
hem te gemoet!"--Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de
voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven.
Men had den geneesheer en den pastoor geroepen.
De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen.
Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den
overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid.
Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was
om het uitblijven van zijn zoon gestort.
Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst
zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen,
die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar
bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar
kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat
aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt,
een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader
was en nu was gestorven, en hij bleef koel.
Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen
doode gevoeld zou hebben.
Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde
in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer
wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook.
Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun
tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En
Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen
in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen,
opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast
te houden.
Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste
en verachtte hij zich zelven om die daad.
Maar was 't zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu!
De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte
ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond
een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel
had er op geschreven:
"Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo
baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen
titel, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen
en voeren. 't Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn." Op de
achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: "In dienzelfden slag van
Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik
geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van
Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn
zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan."
Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor
den dood, die in 't menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt,
nam Marius het papier en stak het bij zich.
Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet
zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren
plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten
verwilderden en verstierven.
Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na
de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën,
zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd
had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen
was hij vergeten.
Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles.
VIJFDE HOOFDSTUK.
OM REVOLUTIONAIR TE WORDEN, IS 'T ZEER GOED DE MIS BIJ TE WONEN.
Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een
Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde
kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein
was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter
een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op
welks rug: de heer Mabeuf, kerkmeester geschilderd stond. Nauwelijks
was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide:
"Mijnheer, dit is mijn plaats."
Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik
nam.
Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van
daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide:
"Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals
storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u
verklaring geven."
"Dat is onnoodig, mijnheer," zei Marius.
"Neen," hernam de oude man, "ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld
van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is
mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien
jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed
vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om
zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij
kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar
de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar
was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader
had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien
zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad
zijn kind. Ik heb 't gezien. Die plek is als 't ware heilig voor mij
geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies
ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien
ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader,
een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te
onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd,
opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem
van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke
meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een
mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond;
daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel
onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te
Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie
of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!"
"Pontmercy," zei Marius verbleekend.
"Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?"
"Mijnheer," zei Marius, "hij was mijn vader."
De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: "Zijt ge zijn
zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon,
gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!"
Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den
volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand:
"Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe,
dat ik mij voor drie dagen verwijder?"
"Wel vier," antwoordde de grootvader, "ga en vermaak u."
En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe:
"Zeker een liefdesgeschiedenis."
ZESDE HOOFDSTUK.
WAT ER VAN KOMT, ALS MEN EEN KERKMEESTER ONTMOET.
Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.
Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug,
ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de
verzamelde Moniteurs.
Hij las den Moniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek
en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften,
dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den
eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam
vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals,
onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf
H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde
hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen
en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen,
verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn
vader volkomen.
Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn
gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij
verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder
hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide:
"Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!"--Soms voegde de grijsaard
er bij:--"Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar
't schijnt werkelijk liefde te zijn."
En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief
te hebben.
Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn
denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar
dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het
noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen
en aan te wijzen.
De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem.
De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch
waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De
Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een
zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan
een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing,
aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau,
Vergniaud, Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en
een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor
zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste
verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon,
en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij,
zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden
zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk;
ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in
twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van
het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in
de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten;
hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit
het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn
geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.
Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering
over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te
voeren. 't Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij
aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens
vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor 't geen volgen zal;
gaan wij nu voort.
Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als
zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was
met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde
aan den eenen, vereerde aan den anderen kant.