Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange

dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en

door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke

oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem

om hem heen te hooren fluisteren: "Welk een lieve knaap! hoe jammer,

die arme jongen!" Dit knaapje nu was het kind, van 't welk wij zoo

even gesproken hebben. Men noemde hem--"arme jongen"--wijl hij een

"bandiet van de Loire" tot vader had.

Deze "bandiet van de Loire" was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de

Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek

zijner familie genoemd had.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN DER ROODE SPOKEN VAN DIEN TIJD.

Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone

monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig

door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden,

en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man

van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen

pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was

genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen

droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn

hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over

de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde

bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een

der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker

Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij

grooter waren, hoven, en zoo zij kleiner waren, bloemruikers konden

heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier,

aan 't andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen,

van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en

het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en

arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch

boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond,

dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de

schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid.

Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het

hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen

en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij

was vindingrijk en Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending

van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche

en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon

tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten,

alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het

gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een

vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of

staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed

schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij

dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd

door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw

ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen,

die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf,

een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de

eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen

en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was

de bandiet van de Loire.

Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën,

den Moniteur en de bulletins van het groote leger had gelezen,

zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in

voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze

Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie

brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van

den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen

van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in

1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms,

te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de

tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden. Met

twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van

den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug,

dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder

Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel,

waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij

naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers,

die met Joubert den Colde-Tende verdedigden. Joubert werd

hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant

bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het

schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed:

Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn

ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven

sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden

van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua

naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij

in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche

kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks

verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar

Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch

de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij

met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip,

dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot

aan de spuigaten volgeladen was.

In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog

Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van

kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9e reg. dragonders

doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich

te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur

des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische

garde een bataljon van het 4e linieregiment in de pan hakte,

behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde

overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag

achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm

krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote

leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens

ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van

Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige

kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met

zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen

van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie,

welke levend dit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens

zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden,

Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail,

Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne,

en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te

Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar

zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men

uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht

dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild

en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den

ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde,

of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier

een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening

verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen,

zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen

zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was

hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was 't, die

het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten

des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw,

dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer

tevreden toe: "Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van

het legioen van eer!" Toen antwoordde Pontmercy: "Sire, ik dank u voor

mijn weduwe." Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En

wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire.

Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag

van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit

den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het

leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in

het kantonnement der Loire voort te sleepen.

De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens,

natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning

Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet

gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier

van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel

van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan

om zich kolonel baron Pontmercy te teekenen. Hij had slechts één

blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van

het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem

verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragen dezer decoratie zou

vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd,

antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: "Ik weet niet of ik geen

Fransch meer versta, of dat gij 't niet meer spreekt, maar dit weet

ik, dat ik u niet begrijp."--Vervolgens ging hij acht dagen achtereen

met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of

drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant

van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant

Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd

handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe

aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde

stof als zijn keizer gemaakt.

Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt,

die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal's ziel

in zich hadden.--Op zekeren ochtend toen hij den procureur des

konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg:

"Is 't geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn

litteeken drage?"

Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te

Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men

heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk

had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw

Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig

verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: "De aanzienlijkste

familiën zijn er toe gedwongen." In 1815 was mevrouw Pontmercy, een

alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot

waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind

zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de

grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat

hij hem, zoo men 't kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in

't belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet

meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben.

Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam

geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen

de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij

verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier

te verbeiden en Austerlitz te gedenken.

Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De

kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel

een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met

"zijn baronie" te spotten. Men was nadrukkelijk overeengekomen,

dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken,

op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou

worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij

wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel

ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich,

in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde.

De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude

juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was

rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke

erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar

niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister,

de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader

hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon

te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en

meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde,

langzamerhand in zich opnam,--slechts met schaamte en een beklemd

hart aan zijn vader denken kon.

Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden

eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf

ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van

St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de

mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij,

achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn

kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster.

Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt

Mabeuf, ontstaan.

Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester

van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij 't aanschouwen van zijn

kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen

die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man,

die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den

kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven.

Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij

kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van

St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden

brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit

werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend,

werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met

de geheele geschiedenis bekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn

gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had

ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te

gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den

pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn,

is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en

een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert

zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op;

een ander verschil is er niet.

Tweemaal 's jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges,

schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante

hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was

alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere

brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen.

DERDE HOOFDSTUK.

REQUIESCANT.

De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de

wereld kende. 't Was de eenige opening, door welke hij het leven

kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude

dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd

en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten

tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook

ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven,

schouwde hij met ernstige verbazing in 't rond. Alles vereenigde

zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw

T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé,

Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze

ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest

van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde,

en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten,

ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge

gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw,

waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden

eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de

kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen,

maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag.

Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone

bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de

markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry;

de markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van "Charles

Antoine" gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die

hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge,

geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden

kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de

markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk

de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M...,

een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy,

steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke

cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer

verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij

zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en

daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten

had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat,

den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de

hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te

rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen,

hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed,

die 's ochtends droog en 's avonds vochtig was. Van deze treurige

verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er

Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een

thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord

du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van

de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met

zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar

den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van

den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die

op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen

en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken.

Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer

Larose, zijn medearbeider aan la Foudre zeide: Wel! wie is er geen

vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur,

hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop,

of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen

droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de

pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi,

later kardinaal, merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus,

en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat,

een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der

uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen, postulatore

di Sancti, 't geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel

als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk

twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... Mgr. de

kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later

de eer zou hebben in den Conservateur naast Chateaubriand zijn

artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van

Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn

neef den markies de T..., die minister van marine en van oorlog

is geweest. De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke

grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen

vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie

en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die

destijds op zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van

Cl... T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en

de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist,

monseigneur Cottret, bisschop inpartibus van Carysta het: "Markeer,

abt, ik caramboleer!" toeriep. De kardinaal de C... T... was door

zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een

van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de Roquelaure

was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver

voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de

glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche

Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis

aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige

kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand

boordje beter in 't oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon

evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid

van den salon van mevrouw T...., waaraan vijf pairs van Frankrijk,

de markies de Vib..., de markies de Tal..., de markies d'Herb...,

de vicomte Damb... en de hertog de Val... niet weinig luister

bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van Non..., dat wil zeggen

vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk

en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij

zeide: "De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn

de Fransche pairs van Engeland." Overigens--want in deze eeuw moet

de revolutie wel overal zijn--gaf in dezen adellijken salon, zooals

wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan.

Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij

vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er

quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een

weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was,

zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit

verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige

bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich

te beteren.

De "adellijke" salons van heden gelijken die salons niet meer. De

voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De

koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen,

bij toen vergeleken.

Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte

er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en

veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei

verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die,

schoon begraven, nog leefde.

Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen

zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben

gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouw mevrouw de

generaalse. 't Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw de kolonelse

zeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering

aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming

boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich

mevrouw de kolonelse.

Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning

ingevoerd om, met den koning sprekende, "de koning" in den derden

persoon en nooit "uwe majesteit" te zeggen, daar deze titel door den

"overweldiger bezoedeld was."

De Ellendigen (Deel 3 van 5) · 第 3 / 21 段