No. 6. Het huis behoorde hem. Dit huis is sedert afgebroken en
herbouwd, en het nummer ervan waarschijnlijk in de omwentelingen der
hernummering, welke de straten van Parijs ondergaan, veranderd. Hij
bewoonde ruime ouderwetsche vertrekken op de eerste verdieping,
tusschen de straat en de tuinen. De wanden waren er tot aan de
zoldering behangen met groote tapijten van Gobelin en Beauvais, waarop
herderlijke tafereelen voorgesteld werden, die op de bekleedsels der
stoelen in 't klein waren nageschetst. Zijn bed was achter een groot
kamerscherm van negen, met Coromandelsch lakwerk versierde, bladen
verborgen. Lange gordijnen hingen in prachtige zware plooien voor de
ramen. De vlak onder zijn vensters liggende tuin was met een der ramen,
die den hoek vormde, verbonden door middel van een twaalf of vijftien
treden hooge trap, die de goede man zeer vlug op- en afging. Behalve
een bibliotheek naast zijn kamer had hij een boudoir, waarop hij zeer
gesteld was, met een leliegeel behang versierd, dat op order van den
heer de Vivonne, die 't zijne minnares wilde geven, op de galeien
van Lodewijk XIV door de galeislaven vervaardigd was. Dit had de
heer de Gillenormand van een knorrige tante van moederszijde geërfd,
die honderd jaar oud was geworden. Hij had twee vrouwen gehad. In zijn
manieren bezat hij iets van een hoveling, als hij nooit geweest was, en
van een magistraatspersoon, als hij had kunnen zijn. Hij was vroolijk
en als hij wilde vleiend. In zijn jongen tijd was hij een derzulken
geweest, die altijd door hun vrouwen en nooit door hun minnaressen
bedrogen worden, wijl zij tegelijk de onaangenaamste echtgenooten en
de teederste minnaars zijn. Hij was kunstkenner. In zijn kamer had hij
een bewonderenswaardig schoon portret van een onbekende, door Jordaens
met stout penseel geschilderd. De kleeding van mijnheer Gillenormand
was niet uit den tijd van Lodewijk XV of van Lodewijk XVI; 't was het
kostuum der incroyables (modegekken) van het Directoire. Tot dien tijd
had hij zich altijd jong geloofd en de mode gevolgd. Zijn rok was van
licht laken met breede overslagen, panden zoo lang als zwaluwstaarten
en groote stalen knoopen. Daarbij een korte broek en gespen op de
schoenen. Hij hield altijd de handen in zijn zakken, en zei dikwijls
met gezag: "De Fransche Revolutie was niets dan een hoop bandieten."
DERDE HOOFDSTUK.
ZIJN DOOPNAMEN.
Op zijn zestiende jaar had hij de eer gehad, op één avond in de
opera te gelijk door twee destijds rijpe en vermaarde schoonheden,
beide door Voltaire bezongen, door la Camargo en la Sallé begluurd
te worden. Tusschen twee vuren geraakt, had hij toen een heldhaftigen
aftocht gemaakt naar een kleine danseres, Naherry genaamd, die evenals
hij zestien jaar oud en geheel onbekend was, en op wie hij verliefd
was geworden. Hij vloeide over van herinneringen. "O!" riep hij vaak,
"hoe schoon was Guimard, toen ik haar het laatst te Longchamps zag,
met haar heerlijke, sentimenteele lokken, turkooizen-oorbellen,
nieuwmodisch kleed en mof!"--In zijn jongelingsjaren had hij een
buis à la Nain-Londrin gedragen, waarvan hij gaarne en met genoegen
sprak.--"Ik was als een Turk uit de Levant gekleed," zeide hij
dan. Mevrouw de Boufflers, die hem toevallig had gezien, noemde hem,
toen hij twintig jaar oud was: "een allerliefste dwaas." Hij ergerde
zich over al de namen, welke hij in de politiek en het bewind zag,
en vond ze gemeen en burgerlijk. Hij las de dagbladen, en noemde
ze in lachen uitbarstend de "nieuwe papieren." "Wie zijn toch deze
lieden: Corbiere, Humann! Casimir Perier!" vroeg hij dan, "zijn
zij ministers? Wat zou 't grappig zijn, zoo ik eens in de courant
las: mijnheer de minister Gillenormand.--Nu, zij zijn dom genoeg om
zoo iets te doen!" Hij noemde alles onbewimpeld bij den waren naam,
zonder zich in de tegenwoordigheid van vrouwen te ontzien. De grootste
onbetamelijkheden en vuilste taal sprak hij op zulk een ongedwongen
en kalmen toon uit, alsof 't zoo behoorde.
Wel was dit de ongedwongenheid zijner eeuw. Het is opmerkelijk,
dat de tijd van sierlijke omschrijvingen in dichtmaat juist die van
ruwheid in het proza was. Zijn peet had voorspeld, dat hij een man
van genie zou zijn en had hem de twee veelbeteekenende namen van
Luc-Esprit gegeven. (Lucas-Geest).
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN ASPIRANT NAAR DE HONDERD JAAR.
In zijn kindsheid had hij in de school te Moulins, waar hij geboren
was, menigmaal prijzen behaald en was er zelfs door de hand van
den hertog van Nivernais, dien hij den hertog van Nevers noemde,
bekroond. Noch de conventie, noch de dood van Lodewijk XIV, noch
Napoleon, noch de terugkomst der Bourbons, hadden de herinnering aan
die bekroning kunnen uitwisschen. De "hertog van Nevers" was voor
hem de groote figuur der eeuw. "Welk een goed, groot heer was hij,
en hoe fraai stond hem het blauwe lint," dus sprak hij dikwijls. In
zijn oogen had Katharina II de misdaad van Polens verbrokkeling
uitgewischt, door van Bestuchef voor drie duizend roebels het geheim
van het goud-elixer te koopen. Als hij daarvan sprak, geraakte hij in
vuur. "Het goud-elixer," riep hij dan, "de gele tinctuur van Bestuchef,
de droppels van generaal Lamotte,--het was in de negentiende eeuw,
voor een louisd'or het fleschje van een half ons, het groote hulpmiddel
tegen de rampen der liefde, het panacee tegen Venus. Lodewijk XV zond
er tweehonderd flesschen van aan den paus."--Men zou hem vertoornd
en tot het uiterste gebracht hebben, zoo men hem gezegd had, dat
het goud-elixer niets anders dan perchlorure van ijzer was. Mijnheer
Gillenormand vereerde de Bourbons en verfoeide 1789; zonder ophouden
kon hij vertellen, op welke wijze hij tijdens het schrikbewind
ontsnapt was, en hoe vroolijk en schrander hij had moeten zijn om
zijn hoofd te kunnen behouden. Zoo een jongeling het waagde hem
met lof van de republiek te spreken, werd hij zoo rood van toorn,
dat hij schier in onmacht viel. Soms zinspelend op zijn negentig
jaren zeide hij: "Ik hoop niet, dat ik tweemalen drie-en-negentig
jaren zal beleven." Een andermaal echter gaf hij weer te kennen,
dat hij voornemens was honderd jaar oud te worden.
VIJFDE HOOFDSTUK.
BASQUE EN NICOLETTE.
Hij had theorieën. Eene er van was: "Zoo een man de vrouwen
hartstochtelijk bemint en hij zelf een vrouw heeft, die hem
onverschillig, die leelijk, bits, en bijgevolg vol aanmatigingen,
desnoods jaloersch is en op het wetboek steunt, schiet hem slechts
één middel over om rust en vrede te hebben, namelijk: die vrouw over
de beurs te laten beschikken. Deze afstand maakt hem vrij. Dan toch
heeft de vrouw bezigheid, krijgt zooveel lust in 't geld tellen,
dat haar vingers vuil worden, rijdt de huurders en pachters na,
raadpleegt procureurs, notarissen, advocaten, procedeert, stelt
huurcontracten op, gevoelt zich meesteres, koopt, verkoopt, regelt,
belooft, bindt en ontbindt, brengt nu alles in orde, dan in wanorde,
bezuinigt, verspilt, doet dwaasheden, hetgeen een groot geluk is, en
vindt daarin haar troost. Terwijl de echtgenoot haar veronachtzaamt,
heeft zij dus het vermaak hem te ruïneeren." Deze theorie had mijnheer
Gillenormand op zich zelven toegepast en zij was zijn geschiedenis
geworden. Zijn tweede vrouw toch had zijn vermogen zóó beheerd, dat
den heer Gillenormand, toen hij op zekeren dag weduwnaar werd, juist
genoeg overbleef om ervan te kunnen leven, zoo hij alles op lijfrente
zette, hetgeen een rente van vijftienduizend francs uitmaakte, waarvan
drie vierden met hem te niet moesten gaan. Hij had zich niet lang
bedacht en er zich weinig om bekommerd, of hij al dan niet een erfenis
naliet. Bovendien had hij gezien, dat eigendommen aan verandering
onderhevig waren en, bij voorbeeld, soms "nationaal eigendom" konden
worden; en daar hij tierceering had bijgewoond, stelde hij ook in
het grootboek geen crediet.--Dat alles was "straat Quincampoix,"
zwendelarij. Wij hebben gezegd, dat het huis in de straat "des filles
du Calvaire" hem behoorde. Hij had twee dienstboden, "een mannelijke
en een vrouwelijke." Zoodra iemand bij den heer Gillenormand in dienst
kwam, werd die door hem herdoopt. Hij gaf den mannen den naam hunner
provincie: Nîmois, Courtois, Poitevin of Picard. Zijn laatste knecht
was een dik, amechtig man van vijf-en-vijftig jaar, die geen twintig
schreden kon loopen; doch daar hij te Bayonne geboren was, noemde de
heer Gillenormand hem Basque. De dienstmeiden heetten alle Nicolette
bij hem, zelfs Magnon, van wie later zal gesproken worden. Op zekeren
dag bood een keukenmeid van den eersten rang hem haar dienst aan.
"Hoeveel loon begeert ge 's maands?" vroeg mijnheer Gillenormand.
"Dertig francs."
"Hoe heet ge?"
"Olympia."
"Ge zult vijftig francs hebben en Nicolette heeten."
ZESDE HOOFDSTUK.
MAGNON MET HAAR TWEE KINDEREN.
Bij den heer Gillenormand uitte zich de smart in toorn; hij kon
woedend zijn over zijn wanhoop. Hij had allerlei vooroordeelen en
veroorloofde zich alles. Bovenal was hij trotsch en innig tevreden
dat hij, zooals wij gezegd hebben, nog in zijn ouderdom zoo galant was
gebleven en daarvoor ook gehouden werd. Hij noemde dit een koninklijke
vermaardheid. En zij bezorgde hem ook zonderlinge voordeelen. Op
zekeren dag bracht men hem in een oestermand een dik pasgeboren
knaapje, schreeuwende als de drommel en goed ingebakerd, waarvan
hem het vaderschap werd toegeschreven door een dienstmeid, welke hij
zes maanden geleden had weggejaagd. Mijnheer Gillenormand was toen
vier-en-tachtig jaar oud. Ergernis en gebabbel in de buurt. "Wien zou
die schaamtelooze zoo iets durven wijs maken? Welk een vermetelheid,
welk een schandelijke laster!" Maar mijnheer Gillenormand was
er volstrekt niet verstoord over. Hij beschouwde het kind met den
tevreden glimlach van iemand, wien de laster vleit, en zei: "Welnu,
wat zou dat, wat is er te doen? ge verwondert u waarlijk als menschen,
die van niets weten. De hertog van Angoulême, bastaard van zijne
Majesteit Karel IX, trouwde, toen hij vijf-en-tachtig jaar oud was,
met een nufje van vijftien jaar, mijnheer Virginal, markies van Alluye,
broeder van den kardinaal de Sourdis, aartsbisschop van Bordeaux,
verwekte, drie-en-tachtig jaar oud zijnde, een zoon bij een kamenier
van de presidentsvrouw Jaquin, een waar kind der liefde, die Malthezer
ridder en staatsraad met den degen werd; een der grootste mannen
dezer eeuw, de abt Tabaraud, is de zoon van een zeven-en-tachtigjarig
man. Die dingen hebben niets buitengewoons. En dan de bijbel! Ik
verklaar echter, dat deze kleine niet van mij is. Toch moet men hem
verzorgen. 't Is zijn schuld niet."--Zijn handelwijze was waarlijk
goedaardig.
Het schepsel, dat Magnon heette, zond hem het volgende jaar een
dergelijk geschenk. Nu kapituleerde mijnheer Gillenormand. Hij gaf
aan de moeder de twee kleinen terug en verbond zich, om maandelijks
tachtig francs voor hun onderhoud te betalen, op voorwaarde dat
gezegde moeder het er nu bij zou laten. Hij voegde er nog bij:
"Ik verlang, dat de moeder ze goed behandelen zal. Van tijd tot tijd
zal ik ze bezoeken." En dit deed hij. Hij had een broeder gehad, die
priester en dertig jaren rector der academie van Poitiers geweest en
op negen-en-zeventigjarigen ouderdom overleden was. Toch zeide hij,
dat hij hem jong verloren had. Deze broeder, die weinige herinneringen
heeft achtergelaten, was een vreedzame vrek, die als priester zich
verplicht achtte den armen, welke hij ontmoette, aalmoezen te geven,
maar hun ook niets dan slecht of valsch geld schonk, en aldus het
middel vond langs den weg des hemels naar de hel te gaan. Mijnheer
Gillenormand senior zag op geen aalmoes en gaf gaarne en mild. Hij was
goedhartig, ruw, liefdadig, en ware hij rijk geweest, hij zou misschien
naar prachtlievendheid zijn overgeheld. Alles moest, voor zoover
't hem aanging, op groote schaal gebeuren, zelfs schurkenstreken.
Eenmaal, toen hij bij een erfenis op de gemeenste en tastbaarste
wijze door een zaakwaarnemer geplukt was, riep hij op plechtige wijze:
"Foei! dat is slordig! ik schaam mij er over. Alles ontaardt in deze
eeuw, zelfs de schelmen. Wat duivel! zóó laat iemand van mijn soort
zich niet plunderen. Ik ben bestolen als in een bosch, maar gemeen
bestolen. Silvæ sint consule dignæ."--Hij had, zooals wij zeiden,
twee vrouwen gehad; van de eerste had hij een dochter, die ongehuwd
was gebleven, en van de tweede nog een dochter, die op dertigjarigen
leeftijd gestorven was, na uit liefde of toevallig met een soldaat van
fortuin getrouwd te zijn geweest, die in de gelederen van republiek
en keizerrijk gediend en bij Austerlitz het kruis gekregen had, te
Waterloo tot kolonel was verheven en door den ouden burger nochtans
de schandvlek der familie werd genoemd. Hij snoof sterk en wist zeer
bevallig met den rug zijner hand de snuifkorrels van zijn kanten
chabot te slaan. Aan God geloofde hij niet sterk.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
REGEL: ONTVANG ALLEEN DES AVONDS BEZOEK.
Zoo was mijnheer Luc Esprit Gillenormand, die zijn meer grijze dan
witte haren nog niet verloren had en nog altijd naar de mode zijner
jeugd gekapt was. Overigens was hij bij dat alles zeer deftig.
Hij had iets van de achttiende eeuw: beuzelachtig en groot.
In het jaar 1814 en de eerste jaren der restauratie woonde
Gillenormand, destijds nog jong--hij was niet ouder dan
vier-en-zeventig jaar--in de voorstad Saint-Germain, in de straat
Servandoni, bij Saint-Sulpice. Eerst toen hij zich van de wereld
afzonderde, trok hij naar het Marais en wel met tachtig jaren achter
den rug. De wereld verlatende, was hij als door zijn gewoonten
ommuurd. De voornaamste en de onwrikbaarste was, dat hij des daags
zijn deur gesloten hield en niemand, voor welke zaak het ook ware,
anders dan des avonds ontving. Hij dineerde te vijf uren en zette dan
zijn deur open. 't Was de mode zijner eeuw en hij wilde er niet van
afzien.--"De dag is schelmachtig," zeide hij, "en verdient niets dan
gesloten vensters. Fatsoenlijke menschen laten hun geest lichten als
het luchtruim zijn sterren ontsteekt."--En dus bleef hij voor ieder,
zelfs voor den koning, ongenaakbaar. Dat was de oude bevalligheid
van zijn tijd.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
TWEE MAKEN GEEN PAAR.
Van de twee dochters des heeren Gillenormand hebben wij reeds
gesproken. De eene was tien jaren voor de andere geboren. In haar
jeugd geleken zij weinig op elkander, zoomin wat gelaat als karakter
betreft, en schenen bijna geen zusters te zijn. De jongste wendde haar
bekoorlijk hart naar al wat licht was, zij hield zich met bloemen,
verzen en muziek bezig, kon zich met etherische geestvervoering in
hooger sferen verplaatsen en was reeds van haar kindsheid af aan het
ideaal van een denkbeeldigen held verloofd. Ook de oudste had haar
droombeelden; zij zag in de wolken een zeer rijken leverancier, een
van domheid schitterend echtgenoot, een mensch geworden millioen,
of wel een prefect; terwijl de receptiën in 's prefects huis, de
boden in de voorkamer met een keten om den hals, de officiëele bals,
de aanspraken in de mairie en het denkbeeld: de vrouw van een prefect
te zijn, in haar verbeelding dooreen dwarrelden. Beide zusters hadden
alzoo ieder haar wenschen, toen zij jong waren. Beide hadden vleugelen:
de eene als van een engel, de andere als van een gans.
Geen eerzucht wordt, ten minste niet hier op aarde, volkomen
vervuld. Er is geen aardsch paradijs meer in onzen tijd. De jongere
zuster was met den man harer droomen getrouwd, maar stierf. De oudste
was niet getrouwd.
Op het oogenblik, dat zij in onze geschiedenis optreedt, was zij een
oude vrome, onontvlambare nuf, met den puntigsten neus en het stompste
verstand, dat men maar vinden kon. Een karakteristieke bijzonderheid
was 't voorzeker, dat niemand buiten den engen familiekring ooit haar
voornaam geweten had. Men noemde haar altijd de oudste mejuffrouw
Gillenormand. Wat de preutschheid betreft, zou zij 't van een Engelsche
dame zelfs gewonnen hebben. 't Was de beschaamdheid tot het uiterste
gedreven. Zoolang zij leefde, vervolgde haar één schrikkelijke
herinnering; eens toch had een man haar kousenband gezien.
En deze onmeêdoogende beschaamdheid was met de jaren nog erger
geworden. Haar halsdoek was nooit dicht genoeg en zij kon ze nooit hoog
genoeg ophalen. Zij zette steeds meer haken en oogen aan en stak zelfs
spelden, waar niemand er aan dacht om te gluren. Het eigenaardige der
preutschheid is immers ook, dat er te meer schildwachten worden gezet,
naarmate de vesting minder wordt bedreigd.
Toch liet zij zich--wie er in staat toe is verklare deze oude
verborgenheid der onschuld--niet ongaarne door een officier der
lanciers omhelzen, die haar achterneef was en Theodule heette.
In spijt nochtans van dien begunstigden lancier kwam haar de benaming
van "preutsch", welke wij haar gegeven hebben, toch volkomen
toe. Juffrouw Gillenormand was een soort van schemeringsziel. De
preutschheid is half deugd, half ondeugd.
Bij haar preutschheid voegde zij nog dweperij, dubbele voering voor
zulk een kleed. Zij behoorde tot het genootschap der H. Maagd, droeg
op sommige feestdagen een witten sluier, prevelde bijzondere gebeden,
vereerde het "heilige bloed" en "het heilige hart", kon uren lang
aandachtig voor een kakelbont opgeschikt jezuïetisch altaar in een
afzonderlijke, voor 't geloovig gemeen gesloten kapel blijven liggen,
en liet daar haar ziel omhoog stijgen naar marmeren wolkjes en groote
vergulde houten stralen.
Zij had een kerkvriendin, een bedaagde maagd als zij, en daarbij zeer
dom, die juffrouw Vaubois heette, en bij wie juffrouw Gillenormand het
geluk had voor een genie door te gaan. Uitgezonderd de Agnus Dei en de
Ave Maria, verstond juffrouw Vaubois niets, dan het op verschillende
wijzen toebereiden van confituren. Juffrouw Vaubois, volmaakt in haar
soort, was de hermelijn der domheid zonder een enkel smetje verstand.
Wij moeten zeggen, dat juffrouw Gillenormand bij de vermeerdering
harer jaren meer gewonnen dan verloren had, zooals bij lijdelijke
naturen gewoonlijk het geval is. Zij was nooit slecht geweest,
hetgeen betrekkelijk goed is; bovendien slijt de ouderdom de hoeken,
en had de tijd haar week gemaakt. Zij had een sombere treurigheid,
waarvan zij de oorzaak niet wist. In geheel haar persoon uitte zich
de verbazing over een geëindigd leven, dat geen begin heeft gekend.
Zij bestierde de huishouding van haar vader. Mijnheer Gillenormand
had zijn dochter evenzoo bij zich, als Monseigneur Bienvenu zijn
zuster. Zulke huishoudingen van een grijsaard en een oude vrijster zijn
niet zeldzaam en vertoonen het aandoenlijk tooneel van twee zwakheden,
die elkander steunen.
Bovendien stond in dit huis, tusschen deze oude vrijster en dezen
grijsaard in: een kind, een knaapje, steeds sprakeloos en bevende als
mijnheer Gillenormand er bij was. Nooit sprak mijnheer Gillenormand
dat kind anders dan op strengen toon en soms met opgeheven stok
toe.--"Hier, domoor, deugniet, kom nader!--Antwoord, schelm!--Zoo
ge mij weder onder de oogen durft komen!" enz. enz. enz. Toch aanbad
hij het kind.
Het was zijn kleinzoon. Wij zullen dat kind wedervinden.
BOEK III.
DE GROOTVADER EN DE KLEINZOON.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN VOORMALIG SALON.
Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde,
bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd
er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een
dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men
hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar
hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed
uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde;
die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer
Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde
kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij
was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en
Bengy-Puy Vallée.
Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij
mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou,
woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder
Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de
T...., die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische
verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden,
niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood
marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen
ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve
deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente,
die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van 't hof
verwijderd! een "zeer gemengde wereld," zooals zij het in haar edele,
fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden
zich tweemaal 's weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een
zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang
men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kreten
van afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de
veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven,
en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over
de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf.
Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon
Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste
vrouwen zelfs, geraakten er in verrukking over verzen als deze,
aan de federalisten gericht:
Renfoncez dans vos culottes
Le bout d' chemise qui vous pend.
Qu'on n' dis pas qu' les patriotes
Ont arboré l' drapeau blanc! [1]
Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met
onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier,
zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een
gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden.
Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base,
Il faut changer de sol et de serre et de case [2]
Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke
Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen.
Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den
zin van het ça ira om en zong:
Ah! ça ira! ça ira! ça ira!
Les buonapartist' à la lanterne!
Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig,
heden dezen, morgen genen. 't Zijn slechts variatiën.
In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd,
koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès "buonapartist"
was. Men noemde de liberalen "broeders en vrienden," en dit was een
beleediging in den hoogsten graad.
Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee
weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de
Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid
toefluisterde: "Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer."
Partijen verleenen zonderlinge amnestieën.
In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het
aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam
zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering
van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering
van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De
oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle
andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins
van Soubise. Hoewel? neen, omdat hij dit was. Du Barry, peet van
la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne
gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié
waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een
god was.
De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard
was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding,
zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn
tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in
een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander
waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek.
Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid
"in tel" en, zonderling, ook door den naam van Valois.
Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde,
was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij
was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn
voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was,
gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De
jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs.
Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit
den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze,
na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den
naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk
XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van
markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde
dit goed.--"Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn,"
zeide hij, "zijn provincie-koningen." Op zekeren dag vroeg men in
zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van den Courier Français
veroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte
Gillenormand op [3], dat sus hier te veel was. Woorden als deze geven
iemand vermaardheid.
Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons
het Te Deum werd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand
zag voorbijgaan: "Ziedaar Zijne Excellentie de Booze."