Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
DE ELLENDIGEN
Naar het Fransch
Van
VICTOR HUGO.
Opnieuw bewerkt.
Derde deel.
Arnhem en Nijmegen,
Gebrs. E. & M. Cohen.
BOEK I.
PARIJS IN ZIJN ATOMEN BESTUDEERD.
EERSTE HOOFDSTUK.
PARVULUS.
Parijs heeft een kind, en het bosch een vogel; de vogel heet musch;
het kind heet gamin (straatjongen).
Vereenig deze twee denkbeelden, die het eene een vuurhaard, het
andere het morgenrood bevatten, breng deze twee vonken in aanraking;
Parijs, de kindsheid, en er ontstaat een klein wezen. Homuncio zou
Plautus zeggen.
Dit kleine wezen is vroolijk. Hij eet niet alle dagen, maar gaat zoo
't hem goeddunkt alle avonden naar den schouwburg. Hij heeft geen hemd
aan 't lijf, geen schoenen aan de voeten, geen dak boven het hoofd,
hij is als de vliegen des hemels, die van dat alles niets hebben. Hij
is tusschen de zeven en dertien jaar oud, leeft in troepen, zwerft
langs de straat, woont onder den blooten hemel, draagt een oude broek
van zijn vader, die hem op de hielen hangt, een ouden hoed van een
anderen vader, die hem over de ooren zit, een draagband van gele
zelfkant; hij loopt, ziet, vraagt, verslijt den tijd, rookt, vloekt
als een heiden, bezoekt de kroegen, kent de dieven, spreekt gemeenzaam
met publieke vrouwen, kent de dieventaal, zingt onzedelijke liedjes,
maar heeft niets kwaads in 't hart. Want zijn ziel bezit een parel,
de onschuld; en paarlen worden niet opgelost in slijk. Zoolang de
mensch kind is, wil God dat hij onschuldig zij.
Zoo men aan de groote stad vroeg: wie is dat? zou zij antwoorden:
't Is mijn kind.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EENIGE ZIJNER BIJZONDERE KENTEEKENEN.
De straatjongen van Parijs is de dwerg der reuzin.
Laat ons niet overdrijven, deze straatengel draagt soms een hemd,
maar dan is het zijn eenig; ook draagt hij soms schoenen, maar dan
zijn zij zonder zolen; soms heeft hij een tehuiskomen, en 't is hem
lief, want hij vindt er zijn moeder; maar aan de straat geeft hij de
voorkeur, wijl hij er de vrijheid vindt. Hij heeft eigenaardige spelen,
zijn eigenaardige guitenstreken, waarvan de haat tegen den vreedzamen
burger den grond legt; hij heeft eigenaardige leenspreuken: dood
zijn, noemt hij "paardebloemen bij den wortel opeten." Zijn beroepen
zijn: huurrijtuigen halen, de voettreden der koetsen nederlaten, bij
plasregens planken van den eenen naar den anderen kant der straat
leggen, 't geen hij noemt ponts des arts (kunstbruggen) maken, de
door de regeering ten gunste van het Fransche volk uitgesproken
redevoeringen uitventen, en tusschen de straatsteenen krabben;
hij heeft zijn eigen munt, bestaande uit allerlei stukjes koper
die men op de straat kan vinden. Deze zonderlinge munt, die men
vodderijen kan noemen, heeft een onveranderlijken, goed geregelden
koers onder deze soort van kleine heidens. Hij heeft nog zijn eigen
dierenwereld, welke hij nauwkeurig in haar schuilhoeken gadeslaat, het
onze lieven-heers-beestje, de boomluis met den doodskop, "de duivel,"
een zwart insect, dat met zijn tweehoornigen staart dreigt. Hij heeft
zijn fabelachtig monster met schubben onder den buik, niet de hagedis,
met puisten op den rug--niet de pad--een monster, dat in oude kalkovens
en droge waterputten huist, dat zwart, harig, kleverig is, nu langzaam
dan snel voortkruipt, dat geen geluid geeft, maar slechts kijkt en
zoo vreeselijk is, dat nooit iemand het gezien heeft; hij noemt dit
monster "de doove." Dooven onder de steenen te zoeken is voor hem
een vermaak, dat tot de vreeselijke vermaken behoort. 't Is ook een
vermaak voor hem, plotseling een steen op te lichten om duizendbeenen
te zien. Ieder gedeelte van Parijs is wegens een of ander belangrijk
beest bekend, dat men er vinden kan. Er zijn oorwormen op de werven
der Ursulinen, duizendpooten bij het Pantheon en bloedzuigers in de
slooten van het Champ-de-Mars.
De straatjongen heeft overigens spreekwijzen als Talleyrand. Hij is
niet minder hondsch, maar eerlijker. Hij bezit een vroolijkheid,
die hem soms overvalt zonder dat men weet waarom; hij ergert den
winkelier door zijn dol gelach. Zijn toonladder daalt gemakkelijk
van het treurspel tot de klucht af.
Een lijkstoet gaat voorbij. Onder de volgers van het lijk bevindt zich
een geneesheer.--Hei! roept een straatjongen sinds wanneer brengen
de geneesheeren zelven hun werk thuis?
Een andere jongen is in 't gedrang. Een deftig man met een bril en
horlogeketting keert zich verstoord om en roept: Deugniet, gij hebt
den arm mijner vrouw genomen.--Ik, mijnheer? Voel maar in mijn zakken.
DERDE HOOFDSTUK.
HIJ IS BEHAGELIJK.
Des avonds gaat de homuncio voor eenige sous, welke hij zich steeds
weet te verschaffen, naar een schouwburg. Zoodra hij den tooverachtigen
drempel heeft overschreden, is hij herschapen: hij was straatjongen,
nu wordt hij werkgast. De schouwburgen zijn een soort van schepen met
het ruim boven. In dit ruim pakken de werkgasten zich op elkander. De
werkgast is in verhouding tot den straatjongen, wat de vlinder tot de
pop is; hij is een even fladderend en zwevend wezen. 't Is genoeg,
dat hij er is met zijn glans van geluk, zijn machtige geestdrift en
vroolijkheid, zijn handgeklap dat op wiekgeklap gelijkt, om dit enge,
bedompte, donkere, vuile, ongezonde, leelijke, afschuwelijke ruim
den naam van "paradijs" (engelenbak) te geven.
Geef iemand het onnoodige en ontneem hem het noodzakelijke, en ge
hebt den straatjongen.
De straatjongen is niet zonder eenig letterkundig gevoel. Wij zeggen
het met leedwezen, zijn smaak is niet voor het klassieke. Van natuur
is hij weinig Akademisch. Een voorbeeld daarvan is, dat de beroemdheid
van mademoiselle Mars bij dit kleine stormachtige kinderpubliek stof
tot spotternij gaf. De straatjongen noemde haar mademoiselle Muche.
Hij raast, schimpt, stoeit, vecht, heeft vodderijen als een zuigeling
en lompen als een wijsgeer, vischt in de goot, jaagt in den modderpoel,
trekt vroolijkheid uit vuilnis, vervult de pleinen met zijn geschreeuw,
lacht en bijt, fluit en zingt, applaudisseert en jouwt uit, paart
aan het halleluja een straatlied, zingt alles, zelfs de profundis,
vindt zonder te zoeken, weet wat hem onbekend is, is Spartaan zelfs
tot stelen, dwaas tot wijsheid, lyrisch tot het onreine toe en zou
op den Olymp nederhurken, wentelt zich op een mesthoop en komt er
uit met sterren overdekt. De straatjongen van Parijs is een kleine
Rabelais! Met zijn broek is hij niet tevreden, zoo er geen horlogezak
in is.
Hij verwondert zich zelden, schrikt evenmin, bespot de
bijgeloovigheden, drukt de opgeblazen overdrijvingen plat, lacht om de
verborgenheden, steekt de tong voor de spoken uit, ontneemt de stelten
haar poëzie en brengt in het gezwollen heldendicht caricaturen, niet
omdat hij prozaïsch is, verre van daar; maar hij brengt in de plaats
van het plechtige visioen een grappig geestenspel. Zoo Adamastor hem
verscheen zou de straatjongen: "Ha! Ziedaar blauwbaard!" roepen.
VIERDE HOOFDSTUK.
HIJ KAN NUTTIG ZIJN.
Parijs begint met den gaper en eindigt met den straatjongen, twee
wezens die een andere stad niet kan opleveren; het lijdelijk wezen
dat zich tevreden stelt met te aanschouwen, en de onuitputtelijke
zelfhandeling; Prudhomme en Fouillou. Alleen Parijs heeft dit in
haar natuurlijke historie. De geheele monarchie ligt in den gaper;
de geheele anarchie in den straatjongen.
Dit bleeke kind der Parijsche voorsteden leeft en ontwikkelt
zich, ontstaat en lost zich op in lijden, als peinzend getuige der
maatschappelijke wezenlijkheid en menschelijke zaken. Hij waant zich
onverschillig, hij is 't niet. Hij aanschouwt, tot lachen gereed;
maar ook tot iets anders. Wie ge ook zijn moogt, die u Vooroordeel,
Misbruik, Eerloosheid, Verdrukking, Ongerechtigheid, Despotisme,
Onrechtvaardigheid, Fanatisme, Dwingelandij heet--hoed u voor den
straatjongen.
Deze kleine zal groot worden.
Van welk leem is hij gevormd? Van het eerste het beste slijk. Een
handvol modder, een adem, en Adam ontstaat. Er behoeft slechts een
God voorbij te gaan; en een God is altijd langs een straatjongen
gegaan. De fortuin bewerkt dit kleine wezen. Onder het woord fortuin
verstaan wij min of meer het toeval. Zal deze van grove, gemeene
aarde gekneede dwerg dom, ongeleerd, ruw, eenmaal een Ioniër of een
Beotiër zijn? Heb geduld, currit rota, (het rad wentelt) de geest
van Parijs, deze demon, die de kinderen des toevals en de mannen der
wereldgeschiedenis schept, maakt, in tegenstelling van den latijnschen
pottenbakker, van de kruik een amphora.
VIJFDE HOOFDSTUK.
ZIJN GRENZEN.
De straatjongen bemint de stad, maar ook de eenzaamheid, hij heeft
iets van den wijze in zich. Urbis amator, gelijk Fuscus; ruris amator,
gelijk Flaccus.
Peinzend omdolen, dat is flaneeren, is voor den wijsgeer een goed
tijdverdrijf; vooral op die tamelijk leelijke, zonderlinge en
uit twee naturen bestaande bastaardvelden, welke zekere groote
steden, ook Parijs, omgeven. De omstreken eener stad hebben iets
tweeslachtigs. Einde van het geboomte, begin der daken, einde van
het gras, begin der straat, einde der akkers, begin der winkels,
einde der wagensporen, begin der hartstochten, einde van het goddelijk
gemurmel, begin van het menschelijk gewoel; dit wekt een buitengewone
belangstelling.
Dit is de oorzaak dier schijnbaar doellooze wandelingen van den denker
in deze weinig bekoorlijke plaatsen, welke door den voorbijganger
met den naam van "treurig" worden bestempeld.
De schrijver dezer regels zwierf dikwerf buiten de barrières van
Parijs, en dit is voor hem een bron van diepe herinneringen. Dat
korte gras, deze steenachtige paden, dat krijt, dit mergel, het
gips, die ruwe eenvormigheid der braakliggende velden, de vroege
groenten der warmoeziers, welke men eensklaps in een diepte ziet,
dat mengsel van woestheid en boerschheid, die groote woeste vlakten,
waar de tamboers van het garnizoen een gerucht makende school houden
en eenigszins een veldslag stamelen, deze spelonken des daags en
moordenaarsholen des nachts, de verlamde, draaiende windmolen, de
windassen der steengroeven, de kroegen aan den hoek der kerkhoven,
de geheimzinnige bekoorlijkheid der hooge donkere muren, welke groote
vlakten, vol zon en vlinders, doorsnijden--dit alles trok hem aan.
Schier niemand kent deze zonderlinge plaatsen. De Campagne van Rome
is een idée; het rechtsgebied van Parijs is een andere idée; wie, in
't geen ons een verschiet aanbiedt, niets dan velden, huizen of boomen
ziet, blijft aan de oppervlakte hangen. Al wat de dingen voorstellen
zijn gedachten Gods. De plaats, waar een vlakte zich met een stad
vereenigt, draagt immer het stempel eener treffende zwaarmoedigheid. De
natuur en het menschelijke spreken er gelijktijdig, en de plaatselijke
eigenaardigheden komen er te voorschijn.
Wie als wij in deze eenzame streken, welke onze voorsteden begrenzen,
omdoolde, heeft niet hier en daar, op de eenzaamste plekken,
onverhoeds, achter een schrale heg of in den hoek van een treurigen
muur, levendige groepen slijkerige, met stof bedekte, havelooze
spelende kinderen gezien, die zich met koornbloempjes tooiden?! Al
die in het wilde zwervende kinderen zijn van arme gezinnen. De
buiten-boulevard is eigenlijk hun levensoord; het rechtsgebied der
stad behoort hun. Daarheen ontloopen zij immer de school. Zij zingen
er in eenvoud hun gemeene liedjes. Zij zijn dáár, of, liever gezegd,
zij leven dáár ver van aller blikken, in de zachte helderheid van de
maand Mei of Juni, geknield om een kuiltje in de aarde, knikkerende,
dobbelende, bandeloos, weggevlogen, vrij en gelukkig; maar zoodra
zij iemand zien, herinneren zij zich, dat zij een bedrijf hebben,
dat zij den kost moeten verdienen en bieden hem een oude wollen kous
met goudhanen of een ruiker seringen te koop aan. De ontmoeting van
deze zonderlinge kinderen is tevens een der aangenaamste en lastigste
bekoorlijkheden der omstreken van Parijs.
Soms zijn er in deze troepen jongens, kleine meisjes--zijn 't
hun zusjes?--schier jongedochters, mager, koortsig, door de zon
bruin gebrand, met sproeten besprikkeld, opgeschikt met roggearen en
klaprozen in 't haar, vroolijk en gelaten, met bloote voeten. Men ziet
er die in het koren kersen eten. Des avonds hoort men ze lachen. Deze
groepen, warm door de middagzon beschenen of in den schemeravond
gezien, houden den denker lang bezig, en deze verschijningen mengen
zich in zijn mijmeringen.
Voor deze kinderen is Parijs het middelpunt, het rechtsgebied, de
omtrek van geheel de aarde. Nooit wagen zij zich verder. Zij kunnen
evenmin uit den Parijschen dampkring komen als de visschen uit het
water. Voor hen is twee uren buiten de barrière niets meer. Met de
voorsteden eindigt voor hen de wereld.
ZESDE HOOFDSTUK.
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
Op het tijdstip--'t welk nog tot onzen tijd behoort--dat de
gebeurtenis, in dit boek verhaald, plaats had, was er niet, zooals
thans, een stadssergeant aan den hoek van iedere straat, maar vloeide
het in Parijs over van zwervende kinderen. De statistiek geeft een
middelbaar cijfer van tweehonderd zestig kinderen zonder woonplaats,
die toen jaarlijks door de politieronden op den openbaren weg,
in allerlei schuilplaatsen en onder de bogen der bruggen gevonden
werden. Een dezer nesten, dat berucht is gebleven, heeft "de zwaluwen
der brug van Arcola" voortgebracht. 't Is overigens het rampzaligste
der maatschappelijke verschijnselen, dat al de misdaden van den man
met het zwerven van het kind een aanvang nemen.
Wij zonderen echter Parijs uit. In een zekere mate, en in weerwil
van 't geen wij vermelden, is deze uitzondering gegrond. Terwijl in
iedere andere groote stad een zwervend kind, als 't man is geworden,
verloren gaat, terwijl schier alom het aan zich zelf overgelaten
kind eenigerwijs bestemd en gedoemd is tot een soort van noodlottige
dompeling in misdaden, welke hem van eerlijkheid en geweten berooft, is
de straatjongen van Parijs,--wij moeten hierop drukken--hoe gehavend
en geschonden hij uiterlijk zij, inwendig schier ongedeerd. 't
Is heerlijk er op te wijzen en het blinkt uit in de eerlijkheid
onzer volksomwentelingen; de idée, welke in de Parijsche lucht is,
veroorzaakt een soort van bederfwerend zout als dat van het water
des oceaans. In Parijs te ademen, is het behoud der ziel.
Wat wij hier zeggen vermindert de hartsbeklemming, die men telkens
gevoelt als men een dier kinderen ontmoet, welke men als gebroken
familiebanden ziet fladderen. Bij de tegenwoordige nog zoo onvolmaakte
beschaving is het niet ongewoon, dat gezinnen vervallen, die niet eens
weten wat van hun kinderen is geworden en ze op de openbare straat
laten rondzwerven. Dit is de oorzaak van zoo veler donker lot. Men
noemt dit, want deze treurige zaak is een spreekwijze geworden:
"Op de straat geworpen te zijn."
't Zij in het voorbijgaande gezegd, dat door de oude monarchie
deze verlatenheid der kinderen niet werd tegengegaan. Een weinig
landlooperij onder de lagere klassen kwam de hoogere kringen niet
ongelegen en strekte ten dienste der machtigen. De afkeer van het
onderwijs der kinderen van het volk was een leerstuk. Waartoe "halve
verlichting?" Dat was het orderwoord. Het zwervende kind is het gevolg
van het onwetende kind.
Ook had de monarchie soms kinderen noodig en dan schuimde zij de
straat.
Onder Lodewijk XIV, om niet verder terug te gaan, wilde de koning
met recht een vloot scheppen. Een goed denkbeeld. Maar laat ons het
middel zien. Er bestaat geen vloot, zoo men bij het zeilschip, een
speeltuig van den wind, niet het vaartuig heeft, om het des vereischt
te boegseeren, opdat het òf door riemen, òf door stoom gaat waarheen
men wil; destijds waren de galeien voor de zeevaart, wat thans de
stoomschepen zijn. Er waren alzoo galeien noodig, maar de galei wordt
slechts door roeiers in beweging gebracht; men had dus roeiers noodig,
dat is, galeislaven. Colbert liet door de intendanten der provinciën
en door de parlementen zooveel mogelijk tuchtelingen maken. De
rechterlijke macht ging hierbij zeer voorkomend te werk. Zoo iemand
den hoed op het hoofd hield bij het voorbijgaan eener processie was hij
een hugenoot en men zond hem naar de galeien. Zoo men een knaap op de
straat vond, die vijftien jaar oud was en niet wist waar hij woonde,
zond men hem naar de galeien. Een groote regeering; een groote eeuw.
Onder Lodewijk XV verdwenen de kinderen te Parijs; de politie ontvoerde
ze, men weet niet voor welk geheimzinnig doel. Men fluisterde met
ontzetting van afschuwelijke vermoedens omtrent de purperbaden des
konings. Barbier spreekt zeer naïef van deze dingen. Het gebeurde vaak
dat de agenten, die kinderen moesten hebben, dezulken namen die vaders
hadden. De wanhopige vaders liepen de agenten te lijf. In zoodanig
geval kwam het parlement tusschenbeide en liet ophangen--wie? de
politieagenten? Neen, de vaders.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE STRAATJONGEN VINDT ZIJN PLAATS IN DE KLASSIFICATIE DER INDIËN.
De Parijsche straatjongens vormen schier een kaste. Men zou kunnen
zeggen: dat niet ieder die wil er toe behooren kan.
Dat woord gamin werd voor het eerst gedrukt en kwam uit de volks- in
de boekentaal in 1834. 't Was in een werkje, getiteld Claude Gueux
dat dit woord gevonden werd. De ergernis was groot, maar het woord
bleef in gebruik.
De elementen, die den straatjongens onder elkander aanzien geven,
zijn zeer verschillend. Wij hebben er een gekend, die zeer geacht
en bewonderd werd, wijl hij een man van den top van den toren van
Notre Dame had zien vallen; een ander, wijl het hem gelukt was op
de achterplaats te komen waar voorloopig de beelden voor den dom
der invaliden waren geplaatst, en ze lood had weten te ontnemen;
een derde, wijl hij een diligence had zien omstorten; nog een, wijl
hij een soldaat "kende" dien een burger bijna het oog had uitgeslagen.
Dit verklaart dezen uitroep van een Parijschen straatjongen,
iets diepzinnigs waarover men lacht zonder het te begrijpen: "Mijn
hemel! wat ben ik ongelukkig; ik heb nog nooit iemand uit de vijfde
verdieping zien vallen."
Zekerlijk is het antwoord fraai van een boer, wien gevraagd werd:
"Vriend, uw vrouw is aan haar ziekte overleden; waarom hebt ge niet om
den dokter gezonden?"--"Wat zal ik u zeggen, mijnheer, wij arme lieden
sterven vanzelf." Ligt nu in deze woorden de geheele lijdelijkheid
van den boer, dan zekerlijk ligt de geheele, bandelooze vrijheid van
denken van den voorstadsknaap in die andere. Een ter dood veroordeelde
luistert op de kar naar zijn biechtvader. De Parijsche jongen roept:
Hij praat met den paap, o de fielt!
Dat de straatjongen in godsdienstzaken tamelijk oneerbiedig is,
daarop laat hij zich niet weinig voorstaan. 't Geeft aanzien als hij
vrijgeest is.
Hij acht het een plicht de doodsvoltrekkingen bij te wonen. Men wijst
elkander de guillotine lachend en geeft ze allerlei namen: De laatste
lepel soep, de laatste hap enz. enz. Om niets van de zaak te missen
klimt men op muren, op balkons, op boomen; hangt zich aan de hekken,
klemt men zich aan schoorsteenen. De straatjongen is evenzeer tot
leidekker als tot zeeman geboren. Voor een dak is hij evenmin bevreesd
als voor een mast. Geen feest is voor hem bij een terechtstelling
op het Grève-plein te vergelijken. Samson en de abbé Montès,
deze namen zijn populair. Men beschimpt den veroordeelde om hem te
bemoedigen. Soms bewondert men hem. Toen Lacenaire, als straatjongen,
den afschuwelijken Dautun moedig zag sterven, zeide hij deze woorden,
waarin een toekomst ligt besloten: "Ik benijdde hem." De straatjongen
kent niet Voltaire, maar wel Papavoine. In hetzelfde verhaal verwart
hij "staatkundigen" met moordenaars. Hij weet hoe allen het laatst
gekleed waren, deze had een hoed, gene een pet op; de een was kaal
en blootshoofd, een ander was blozend en gezond; weder een andere
twistte met zijn moeder. "Verwijt elkander toch niets!" riep een
straatjongen hun toe. Een straatjongen, te klein om in het gedrang een
veroordeelde te kunnen zien voorbijgaan, klimt op een lantaarnpaal. Een
gendarm ziet hem en fronst de wenkbrauwen.--"Laat mij gerust klimmen,
mijnheer de gendarm," zegt de jongen, "ik zal niet vallen."--"'t Is
mij onverschillig of ge valt," was het antwoord.
In de straatjongens-wereld wordt een gewichtig ongeluk in hooge waarde
gehouden. Men heeft het toppunt bereikt, zoo men zich "tot op het been"
gesneden heeft.
De vuist is een krachtig element van eerbied. Iets wat de straatjongen
het liefst zegt is: "Ik verzeker u, dat ik sterk ben." Links te zijn
is benijdenswaard. Scheel te zien wordt geacht.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
EEN VRIENDELIJK WOORD VAN DEN LAATSTEN KONING.
Des zomers wordt de straatjongen kikvorsch; des avonds, als het donker
wordt, werpt hij zich bij de bruggen van Austerlitz en Jena, van de
koolschepen en waschvrouwen-schuiten, met het hoofd vooruit, in de
Seine, in strijd met alle mogelijke voorschriften der zedelijkheid
en politie. Maar de stadssergeanten waken, en het komt tot een zeer
dramatischen toestand, die eens tot een gedenkwaardigen broederlijken
kreet aanleiding gaf; deze kreet, in 1830 beroemd, is een strategische
waarschuwing die de eene aan den anderen straatjongen geeft; die
kreet wordt bijna als een vers van Homerus gescandeerd, met even
onuitsprekelijke melodie als de eleusische melopée der Panatheners,
en men vindt er het oude Evohé in: "Hei Titi! O hee!" zoo begint hij
en het overige beteekent dat er dienders zijn; dat er slagen kunnen
vallen en men zich met zijn kleederen uit de voeten moet maken.
Deze mug--zoo noemt hij zich--kan lezen; soms kan hij ook schrijven,
altijd kan hij kladden. Eensklaps verschaft hij zich, men weet niet
door welk wederkeerig onderwijs, al de talenten, die de openbare zaak
nuttig kunnen zijn: van 1815 tot 1830, bootste hij het geschreeuw
van den kalkoen na; van 1830 tot 1848 krabbelde hij een peer op de
muren. Op een zomeravond zag Lodewijk Filips, te voet huiswaarts
keerende, een zeer kleinen jongen, die, op de teenen, zich in het
zweet werkte om een reusachtige peer op een der pilaren van het hek
van Neuilly te teekenen; de koning, met de goedheid, welke hij van
Hendrik IV erfde, hielp den jongen, voltooide de peer, en gaf een
louisd'or aan den knaap, zeggende: "Zie, daar staat ook een peer
op." De straatjongen houdt van rumoer, en allerlei woestheid behaagt
hem. Hij verfoeit "de pastoors." Op een dag teekende een dier jonge
snaken een grooten neus op de koetspoort van het huis No. 69. "Waarom
teekent ge dit op deze deur?" vroeg hem een voorbijganger. De jongen
antwoordde: "Er woont een pastoor." Inderdaad, de pauselijke nuntius
woonde er. Welk een Voltairiaan de straatjongen overigens zij,
zoo de gelegenheid zich voordoet dat hij koorknaap kan worden, is
't mogelijk dat hij er toe overgaat, en in dit geval dient hij zeer
lief de mis. Hij is Tantalus in twee zaken, en deze wenscht hij immer
zonder ze te kunnen verkrijgen: het gouvernement omver te werpen en
zijn broek gelapt te krijgen.
Allernauwkeurigst kent de straatjongen al de stadssergeanten, en
weet altijd, zoo hij er een ontmoet, hem te noemen. Hij telt ze op
de vingers. Hij bestudeert hun zeden, en heeft nopens ieder hunner
bijzondere aanteekeningen. Als in een open boek leest hij in de zielen
der politie. Zonder te stotteren zegt hij: deze is een verrader; deze
is zeer ondeugend; deze is groot; deze is belachelijk (al deze woorden
hebben in zijn mond een bijzondere beteekenis), deze verbeeldt zich
dat de Pontneuf hem behoort en belet den lieden op den rand buiten
de borstwering te gaan; gene trekt de menschen aan de ooren, enz. enz.
NEGENDE HOOFDSTUK.
DE OUDE GEEST VAN GALLIË.
In Molière was iets van den straatjongen; ook in Beaumarchais. In
het leven des straatjongens is iets van den Gallischen geest. Deze,
gepaard aan zijn gezond verstand, geeft hem soms kracht als de
alcohol den wijn. Soms is deze geest een gebrek. De straatjongen
treedt in Voltaire te voorschijn. Camille Desmoulins was een kind der
voorstad. Championnet, die de mirakelen brutaliseerde, kwam van de
Parijsche straat; jong had hij in de portalen der kerken van St. Jan
van Beauvais en van Saint Etienne du Mont kattenkwaad bedreven en
de reliquieënkast der H. Genoveva tamelijk oneerbiedig behandeld,
om later bevelen aan het fleschje van den H. Januarius te geven.
De straatjongen van Parijs is eerbiedig, spotziek en onbeschoft. Hij
heeft leelijke tanden, omdat hij slecht gevoed wordt en zijn maag
ziekelijk is; hij heeft fraaie oogen, wijl hij schrander is. Hij groeit
tot alles op. Hij speelt in de goot en verheft zich door den opstand;
zijn onbeschaamdheid blijft hem bij, zelfs in het schrootvuur; hij
was een kwajongen, en wordt een held; gelijk de jonge Thebaan schudt
hij de leeuwenhuid; de tamboer Barra was een straatjongen van Parijs;
hij roept: Voorwaarts! en in een oogenblik is de dreumes een reus.
Dit kind uit het straatslijk is ook het kind van het ideaal. Men mete
slechts de vleugelvlucht van Molière tot Barra.
Ten slotte, en om alles in één woord samen te vatten: de straatjongen
is een wezen, dat zich vermaakt, wijl het ongelukkig is.
TIENDE HOOFDSTUK.
ECCE PARIS, ECCE HOMO.
Om alles nog eens in een enkel woord te zeggen: de straatjongen van
Parijs is heden, gelijk eertijds de groeculus van Rome, 't is het
volk als kind, met den rimpel der oude wereld op het voorhoofd.
De straatjongen is voor de natie tevens een bekoorlijkheid en een
ziekte; een ziekte die genezen moet worden; hoe? door verlichting.
Het licht maakt gezond.
Het licht verheldert.
Alle maatschappelijke weldaden komen voort uit de wetenschappen, de
letterkunde, de kunsten, het onderwijs. Men vorme menschen! Verlicht
ze, opdat zij u verwarmen. Vroeg of laat zal de gewichtige
kwestie van het algemeen onderwijs met de onweerstaanbare macht van
onwedersprekelijke waarheid gevestigd zijn, en zij die dan onder het
opzicht der Fransche idée regeeren, zullen kiezen moeten tusschen de
kinderen van Frankrijk of de straatjongens van Parijs; licht tusschen
vlammen, of dwaallichten in de duisternis.
De straatjongen is de vertegenwoordiging van Parijs, Parijs die
der wereld.
Want Parijs is een geheel. Parijs is de zoldering van het menschelijk
geslacht. Geheel deze groote stad is een samenvatting der doode en
levende zeden. Wie Parijs ziet, meent de geheele geschiedenis met
den hemel en de sterren er tusschen te aanschouwen. Parijs heeft een
kapitool, het stadhuis, een Parthenon, Notre Dame, een berg Aventinus,
de voorstad St. Antoine, een asinarium, de Sorbonne, een Pantheon,
het Pantheon, een heilige weg (via Sacra), de boulevard des Italiens,
een windtoren, de openbare meening; en voor de gemoniën heeft het 't
belachelijke. Zijn majo heet faraud (handwerkgezel), zijn transteverijn
heet voorstedeling, zijn lazzarone heet pègre (dief), en zijn Cockney
heet Gandin. Al wat elders is, is ook te Parijs.
Zoek iets wat Parijs niet heeft. De kuip van Trophonius bevat alles
wat in den bak van Mesmer was; Ergaphilas herrijst in Cagliostro; de
bramin Vasaphanta verlichamelijkt zich in den graaf van Saint-Germain;
en het kerkhof van St. Medardus doet evengoed wonderen als de moskee
Oumoumié te Damaskus.
Parijs heeft een Esopus, Mayeux, en een Canidia, mejuffrouw Le
Normand. Het schrikt als Delphus bij de treffende vertooningen
der geestverschijningen; het doet de tafels draaien gelijk Dodona
de drievoeten. Het plaatst de grisette op den troon, gelijk Rome
de courtisane. Kortom: Is Lodewijk XV erger dan Claudius, madame
Dubarry is beter dan Messalina. Parijs vereenigt in zich, als in
een onbeschrijfelijke type, die bestaan heeft en waarmede wij zelfs
in aanraking zijn geweest, de Grieksche naaktheid, de hebreeuwsche
melaatschheid en de gasconsche kwinkslag. Het mengt Diogenes, Job
en Paljas ondereen, bekleedt een spook met oude nummers van den
Constitutionnel en brengt Chodruc Duclos voort.
Hoewel Plutarchus zegt: "de tyran wordt niet oud", onderwerpt zich
toch Rome onder Sulla evenals onder Domitiaan en mengde gaarne water in
zijn wijn. De Tiber was een Lethé, zoo men den lof van Varus Vibiscus
mag gelooven: Contra Gracchos Tiberim habemus. Bibere Tiberim id est
seditionem oblevisci. Tegen de Grieken hebben wij den Tiber. Uit den
Tiber te drinken is het oproer vergeten. Parijs drinkt dagelijks een
millioen kannen water, maar dit belet niet, dat het bij gelegenheid
den stormmarsch slaat en de stormklok luidt.
Overigens is Parijs toch goedhartig. Het neemt alles aan; in 't geen
Venus betreft, is het niet keurig; zijn Callipyge is een Hottentotsche
vrouw; zoo het maar kan lachen, vergeeft het alles; leelijkheid,
wanstaltigheid vervroolijkt het; de ondeugd verschaft het verstrooiing;
wees grappig en ge kunt een grappenmaker zijn; zelfs de huichelarij,
deze uiterste onbeschaamdheid, walgt het niet; het is zoo letterkundig,
dat het voor Basile den neus niet dichtknijpt, en zich evenmin ergert
over het gebed van Tartuffe als Horatius voor den hik van Priapus
terugdeinst. Geen trek van het gelaat der wereld ontbreekt aan het
gezicht van Parijs. Het bal-Mabille is wel niet de Polymnische dans
op den Janiculus, maar de uitdraagster loert er toch op de lorette
evenals de koppelaarster Staphyla op de maagd Planesium loerde. De
"barrière du combat" is geen Colyseum, maar men is er toch wreed
alsof Cæsar toeschouwer was. De syrische herbergierster is bevalliger
dan moeder Saguet; maar zoo Virgilius de romeinsche herberg bezocht,
David d'Angers, Balzac en Charlet kwamen in de Parijsche kroeg. Parijs
heerscht. De genieën fonkelen, de roodstaarten bloeien er. Adonaï
rijdt er door op zijn wagen met twaalf wielen van donder en bliksem,
en Sileen doet er zijn intrede op een ezel.
Parijs is synoniem met Cosmos. Parijs is Athene, Rome, Sybaris,
Jeruzalem, Pantin. 't Is het kort begrip van alle beschaving,
evenals van alle barbaarschheden. 't Zou Parijs leed doen zoo 't geen
guillotine had.
Een weinig Grève-plein is goed. Wat zou dit eeuwige feest zijn zonder
deze toespijs? Onze wetten hebben er wijselijk in voorzien; en aan
haar is het te danken, dat deze valbijl zijn droppels op dit carnaval
laat vallen.
ELFDE HOOFDSTUK.
SCHERTSEN EN HEERSCHEN.
Parijs kent geen grenzen. Geen stad heeft zulk een heerschappij
gehad als de hare, die soms hen bespotte, welke zij onder het juk
bracht. "U te behagen, o Atheniensers!" riep Alexander. Parijs maakt
meer dan wetten, het maakt de mode; meer dan de mode, den sleur. Parijs
kan, als 't wil, dom zijn, en veroorlooft zich soms deze weelde;
maar dan is de wereld met Parijs dom; doch straks ontwaakt het,
wrijft zich de oogen uit, zegt: "Wat ben ik dom!" en lacht in 't
aanzien van het geheele menschdom. Welk een wonder is zulk een stad;
't is zonderling, dat deze grootheid en dit bespottelijke zulke goede
buren zijn, dat al deze majesteit door al die parodie niet in de war
wordt gebracht, en dat dezelfde mond heden de bazuin van het laatste
oordeel en morgen een zakpijp kan blazen. Parijs bezit een heerschende
vroolijkheid. Zijn vroolijkheid is de bliksem, en zijn kluchtigheid
draagt een schepter. Zijn orkaan ontstaat soms uit een grimas. Zijn
uitbarstingen, zijn groote dagen, zijn kunstgewrochten, zijn wonderen,
zijn heldenfeiten gaan tot de uitersten der wereld; zijn domheden
insgelijks. Zijn gelach is de krater van een vulkaan, die de geheele
aarde bespat. Zijn lazzi zijn vonken. Het legt den volken zoowel zijn
caricaturen als zijn ideaal op; de hoogste monumenten der menschelijke
beschaving nemen zijn spotternijen aan en leenen hun eeuwigheid aan
zijn kwajongensstreken. Parijs is majestueus; het heeft een wonderbare
14 Juli, die den aardbol vrijmaakt; aan alle natiën laat het den eed
van de kaatsbaan doen; zijn nacht van 4 Augustus vernietigt in drie
uren de drieduizendjarige leenheerschappij; het maakt van zijn logica
de speer van den algemeenen wil; het vermenigvuldigt zich onder de
vormen van het verhevene; het vervult met zijn glans Washington,
Kosciusko, Bolivar, Botzaris, Rigo, Bem, Manin, Lopez, John Brown,
Garibaldi; het is overal waar de toekomst zich verheldert, te Boston
in 1779, op 't eiland Lion in 1820; te Pesth in 1848, te Palermo in
1860; het fluistert het machtige wachtwoord: vrijheid! in het oor
der Amerikaansche abolitionisten die bij Harpers-Ferry verzameld
zijn, en in het oor der patriotten van Ancona aan den oever der
zee, in de schaduw der Archi voor de herberg van Gozzi vereenigd;
het schept Canaris, Pisacana, Quiroga; het straalt het grootsche
op de wereld uit; 't is wijl zijn adem hen voortstuwt, dat Byron te
Missolonghi, en Mazet te Barcelona gaan sterven; het is de tribune
onder de voeten van Mirabeau en de krater onder die van Robespierre;
zijn boeken, zijn schouwburg, zijn kunsten, zijn wetenschappen,
letterkunde en wijsbegeerte zijn de leesboeken voor het menschelijk
geslacht; het heeft Pascal, Regnier, Corneille, Descartes, Jean
Jacques; Voltaire voor iederen dag, Molière voor alle eeuwen; het
doet den mond der wereld zijn taal spreken, en deze taal is woord
geworden; in alle geesten bouwt het de idée van den vooruitgang; de
bevrijdende leerstukken, die het verspreidt, zijn voor de geslachten
uitgetrokken zwaarden, en van den geest zijner denkers en dichters
zijn sedert 1789 al de helden van alle volken gevormd; schoon dat
alles het echter niet belet straatjongen te zijn; en dit groot genie,
dat Parijs wordt geheeten, en de wereld door zijn licht herschept,
teekent met houtskool Bouginiers neus op den tempel van Theseus en
schrijft "Credeville dief" op de pyramiden.
Parijs toont altijd de tanden; als het niet bromt, lacht het.
Zoo is Parijs. De rook zijner schoorsteenen vormt de denkbeelden der
wereld. 't Is, zoo men wil, een hoop steenen en slijk, maar bovenal een
zedelijk wezen. 't Is meer dan groot, 't is onmetelijk. Waarom? Wijl
het durft.
Durven is de prijs van den vooruitgang.
Alle grootsche veroveringen zijn min of meer de prijs der
stoutmoedigheid. 't Is niet voldoende, dat Montesquieu de revolutie
vooruit ziet, dat Diderot ze preekt, dat Beaumarchais ze aankondigt,
dat Condorcet ze berekent, dat Arouet ze voorbereidt, dat Rousseau
er over mijmert. Danton moet ze durven ondernemen.
De kreet: Durven! is een Daar zij licht! Voor den vooruitgang van
het menschelijk geslacht moeten uit de hoogte steeds fiere lessen van
moed gegeven worden. Vermetelheid begoochelt de geschiedenis en stelt
den mensch in 't schitterendst licht. De dageraad durft, wanneer
zij aan de kimmen verrijst. Pogen, tarten, volharden, aanhouden,
zich zelven trouw zijn, met het voorstellen de gebeurtenissen te
verstommen door er geen vrees voor te toonen, de onrechtvaardige macht
en de bedwelmde zegepraal tarten, pal staan; ziedaar het voorbeeld,
dat de volken behoeven en het licht dat hen electriseert. Dezelfde
ontzettende bliksem schiet zoowel uit de toorts van Prometheus als
uit Cambronnes stompje.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE IN HET VOLK BESLOTEN TOEKOMST.
Zelfs als man, is het Parijsche volk altijd straatjongen; zoo men
den jongen schildert, schildert men de stad, en daarom hebben wij
den adelaar in de musch bestudeerd.
't Is vooral in de voorsteden, wij herhalen het, dat de Parijzenaar
te voorschijn treedt; dáár is de volbloed Parijzenaar; daar vertoont
hij zich in zijn ware gedaante, daar werkt en lijdt het volk: lijden
en werken zijn de twee gestalten der menschheid. Daar zijn onpeilbare
drommen onbekende wezens, en 't wemelt er van de zonderlingste typen,
van den sjouwerman der Rapée af tot den viller van Montfaucon. Fex
Urbis, roept Cicero; mob, voegt Burke verontwaardigd er bij. Gemeen
volk, gepeupel, deze woorden zijn gemakkelijk gezegd. Goed! Wat doet
het er toe, wat scheelt het mij, dat zij barrevoets gaan? Zoo zij
niet lezen kunnen, des te erger. Moet men hen daarom aan hun lot
overlaten? Moet men van hun nood een vloek maken? Kan het licht
deze drommen niet doordringen? Herhalen wij den kreet: licht! met
volharding. Licht! licht!--Wie weet, of deze duisternis zich niet
zal ophelderen? Zijn de revolutiën geen herscheppingen? Gaat,
wijsgeeren, onderwijst, verlicht, ontvlamt, denkt luidt, spreekt
luid, gaat vroolijk in het volle zonlicht, maakt u met de openbare
pleinen vertrouwd, verkondigt blijde tijdingen, strooit het alphabet,
verklaart de rechten van den mensch, zingt de Marseillaise, zaait
geestdrift en breekt de groene takken van de eiken. Laat de idée een
maalstroom worden. Het volk kan gereinigd worden. Laat ons gebruik
maken van deze uitgebreide ontvlamming der beginselen en deugden, die
nu en dan opgaat. Deze bloote voeten, deze bloote armen, deze lompen,
deze onwetendheid, deze verdorvenheid, deze duisternis kunnen nuttig
aangewend worden. Men zie door het volk heen, en men zal de waarheid
ontdekken. Dat men het gemeene zand, 't welk men onder den voet treedt,
in den oven werpe, het smelt en zal schitterend kristal worden,
en daarmede zullen Newtons en Galiléis sterren en werelden ontdekken.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE KLEINE GAVROCHE.
Acht of negen jaren na de in de tweede afdeeling van dit werk verhaalde
gebeurtenissen, zag men op den boulevard du Temple en in den omtrek
van het Waterkasteel een elf- of twaalfjarigen knaap, die tamelijk
nauwkeurig de type van den hiervoren geschetsten straatjongen zou
hebben verwezenlijkt, zoo, bij den glimlach van zijn leeftijd op de
lippen, zijn hart niet geheel somber en ledig ware geweest. Deze knaap
droeg wel een broek, maar hij had ze niet van zijn vader, wel een
vrouwenjak, maar niet van zijn moeder. Vreemde lieden hadden hem uit
liefdadigheid in de plunje gestoken. Hij had evenwel een vader en een
moeder. Maar zijn vader dacht niet aan hem, en zijn moeder beminde hem
niet. 't Was een dier bij uitnemendheid medelijdenswaardige kinderen,
die ouders hebben en toch weezen zijn.
Deze knaap bevond zich nergens liever dan op de straat. Voor hem
waren de straatsteenen minder hard dan het hart zijner moeder.
Zijn ouders hadden hem ruw in de wereld geworpen. En hij was eenvoudig
zijn weg gegaan.
't Was een drokke, bleeke, vlugge, snuggere, grappige knaap met
levendig, maar ziekelijk voorkomen. Hij ging, liep, zong, speelde,
morste in de goten, stal een weinig, maar vroolijk gelijk de katten
en musschen, lachte wanneer men hem deugniet, en werd kwaad als men
hem bengel noemde. Hij had geen huisvesting, geen brood, geen vuur,
geen liefde; maar hij was vroolijk, wijl hij vrij was.
Zoodra deze arme wezens mannen zijn geworden, ontmoet hen schier altijd
de molensteen der maatschappelijke orde, die hen vermorzelt; als kind
ontsnappen zij, wijl zij klein zijn. Het kleinste gaatje redt hen.
Hoe verlaten deze knaap was, gebeurde 't soms echter om de twee of
drie maanden, dat hij zeide: Kom, ik ga moeder bezoeken! Dan verliet
hij den boulevard, den circus, de porte St. Martin, ging langs de
kaden, over de bruggen naar de voorsteden tot aan la Salpetrière,
en waar kwam hij daar? Juist voor het dubbel nummer 50-52, dat de
lezer reeds kent, aan het vervallen huis-Gorbeau.
Op dit tijdstip was dit oude huis 50-52, dat gewoonlijk ledig stond
en met het bordje: "kamers te huur," prijkte--zeldzamerwijs--bewoond
door verscheidene personen, die overigens, gelijk dit immer te Parijs
het geval is, volstrekt in geen betrekking tot elkander stonden. Allen
behoorden tot die armoedige klasse, welke aanvangt bij den geringen
burger, die in slechte omstandigheden verkeert, en van den eenen trap
van armoede tot den anderen in de maatschappelijke diepte verzinkt,
tot aan de volgende twee wezens, bij wie alle stoffelijke zaken der
beschaving een einde nemen: den gotenschepper, die het slijk wegveegt,
en den voddenraper.
De "hoofdhuurderes," tijdens Jean Valjean er woonde, was overleden
en door een dergelijke vervangen. Ik weet niet, welke wijsgeer gezegd
heeft: "Aan oude vrouwen is nooit gebrek."
Deze nieuwe oude vrouw heette vrouw Burgon en had niets merkwaardigs
in haar leven dan een dynastie van drie papegaaien, die achtereen
over haar hart geregeerd hadden.
De armste dergenen, die het oude huis bewoonden, was een gezin van
vier personen, vader, moeder, en twee bijna volwassen dochters, allen
in dezelfde kamer gehuisvest, in een dier cellen, waarvan wij reeds
gesproken hebben.
Dit gezin vertoonde bij den eersten aanblik niets bijzonders dan de
uiterste armoede. De vader had, toen hij de kamer huurde, gezegd,
dat hij Jondrette heette. Eenigen tijd nadat hij hier ingetrokken was,
welke intrekking, om de eigenaardige uitdrukking der "hoofdhuurderes"
te bezigen, een "verhuizing van niets" geleek, had Jondrette aan deze
vrouw gezegd, die gelijk haar voorgangster, tevens portierster was
en de trap veegde:--"Buurvrouw, zoo iemand mocht komen om een Pool
of een Italiaan, of ook een Spanjaard te spreken... deze ben ik."
Die familie was de familie van den vroolijken barvoetigen knaap. Hij
kwam te huis en vond er nood; doch wat treuriger was, geen enkelen
glimlach; koude aan den haard en koude in de harten. Wanneer hij
binnenkwam, vroeg men hem:--"Van waar komt ge?"--Hij antwoordde:--"Van
de straat."--Wanneer hij heen ging, vroeg men hem:--"Waar gaat ge
heen?" en hij antwoordde: "Naar de straat." Zijn moeder vroeg hem:
"Wat komt ge hier doen?"
Deze knaap leefde in ontbering van alle liefde, gelijk bleeke
grasscheuten in de kelders bij gemis van alle licht. Hij leed er
niet onder en nam het niemand kwalijk. Hij wist eigenlijk niet hoe
een vader en een moeder zijn moesten.
Zijn moeder beminde evenwel zijn zusters.
Wij hebben vergeten te zeggen, dat men op den boulevard du
Temple dezen knaap den kleinen Gavroche noemde. Waarom heette hij
Gavroche? Waarschijnlijk omdat zijn vader Jondrette heette.
Den familieband te verbreken, schijnt bij sommige arme familiën een
instinct te zijn.
De kamer, welke het gezin Jondrette in het huis Gorbeau bewoonde,
was de laatste aan het einde van de gang.
De cel er naast werd bewoond door een zeer arm jong mensch, die
mijnheer Marius werd genoemd.
Laat ons zeggen wie mijnheer Marius was.
BOEK II.
DE GROOTE BURGER.
EERSTE HOOFDSTUK.
NEGENTIG JAREN EN TWEE-EN-DERTIG TANDEN.
In de straat Boucherat, in de straat de Normandie, en in de straat
Saintonge bestaan nog eenige lieden, die zich een oud man, een zekeren
mijnheer Gillenormand, herinneren en gaarne van hem spreken. Deze
man was reeds oud, toen zij jong waren. Zijn gestalte is voor hen,
die met droefgeestigen blik dat flauwe schimmengewemel aanschouwen,
't welk men het verleden noemt, nog niet geheel en al uit dien doolhof
van straten in den omtrek van den Temple verdwenen, waaraan, onder de
regeering van Lodewijk XIV, de namen van al de provinciën van Frankrijk
werden gegeven, gelijk men in onzen tijd aan de straten der nieuwe
wijk Tivoli de namen van al de hoofdsteden van Europa gegeven heeft;
een bewijs van vooruitgang ook in dit opzicht.
De heer Gillenormand die in 1831 nog springlevend was, was een dier
menschen, welke door hun hoogen leeftijd merkwaardig worden en thans
ongemeen zijn, terwijl zij vroeger als iedereen geleken en thans
op niemand meer gelijken. Hij was een zonderling grijsaard en wel
degelijk een man van een andere eeuw, de volmaakte en een weinig
trotsche burger der achttiende eeuw, die even fier op zijn oud
burgerschap was als de markies op zijn markiezaat. Hij was over de
negentig jaar oud, ging rechtop, sprak luid, zag helder, dronk goed,
at, sliep en ronkte evenals vroeger. Hij had nog al zijn twee-en-dertig
tanden. Slechts om te lezen gebruikte hij een bril. Hij was verliefd
van natuur, maar zeide dat hij sedert tien jaren bepaald geheel en al
van de vrouwen had afgezien. Hij kon niet meer behagen, zooals hij
zeide; hij voegde er echter niet bij: ik ben te oud; maar: ik ben
te arm; ware ik niet geruïneerd... O!--Hij bezat inderdaad slechts
een inkomen van omstreeks vijftien duizend francs. Zijn eenigste
wensch was te erven en honderd duizend francs rente te bezitten om
maitressen te kunnen houden. Hij behoorde, gelijk men ziet, niet tot
die soort van ziekelijke grijsaards die, zooals Voltaire, levenslang
sterven; hij had niet het lange leven van een gebarsten pot; de
fiksche grijsaard was altijd gezond geweest. Hij was oppervlakkig,
driftig, spoedig vergramd. Bij elke gelegenheid bruiste hij op,
meestal ten onrechte. Zoo men hem tegensprak, hief hij zijn stok op,
en sloeg de menschen als in de "groote eeuw." Hij had een ongehuwde
dochter van over de vijftig jaar, welke hij duchtig ranselde, als
hij toornig werd, en zeer gaarne zelfs had gegeeseld. Zij was voor
hem niet ouder dan acht jaar. Zijn dienstboden gaf hij oorvegen,
noemde ze beesten! en overlaadde ze met vloeken. Toch was hij soms
buitengewoon kalm en rustig; en liet zich dagelijks door een barbier
scheren, die krankzinnig was geweest en mijnheer Gillenormand haatte,
wijl hij jaloersch op hem was, om zijn vrouw, een bekoorlijke coquette.
De heer Gillenormand bewonderde zijn eigen knapheid in alle zaken, en
verklaarde zich zelven voor zeer schrander en verstandig; hij zeide
onder anderen: "Ik heb waarlijk zooveel scherpzinnigheid, dat ik u
zou kunnen zeggen van welke vrouw ik de vloo heb, die mij bijt." De
woorden, die hij 't meest gebruikte, waren: "de gevoelige mensch" en
"de natuur." Hij gaf aan dit laatste woord niet dezelfde grootsche
beteekenis, die onze eeuw er aan hecht, maar mengde het op zijn wijze
onder zijn bijtende uitvallen in het hoekje van den haard.--De natuur,
zeide hij, schenkt der beschaving, opdat zij een weinig van alles
hebbe, zelfs velerlei soorten van vermakelijke barbaarschheden. Europa
heeft staaltjes van Azië en Afrika in klein formaat. De kat is een
kamertijger, de hagedis een zakkrokodil. De danseressen der opera
zijn rozeroode wilden. Zij eten de mannen niet op, maar zuigen ze
uit. Ofwel--die tooveressen!--zij veranderen ze in oesters en slikken
ze aldus. De Karaïeben laten slechts de beenderen over, zij niets
dan de schaal. Zoo zijn onze zeden. Wij verslinden niet, maar knagen;
wij vernietigen niet, maar houden toch vast met onze klauwen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
ZOO DE MAN, ZOO DE WONING.