"Verleden week Zaterdag zeilden we Tafelbaai binnen zonder enig

verder ongeval, en daar moeten we nu blijven totdat we zo goed mogelik

opgeknapt zijn."

"Drommels," zei Hartog, "je hebt heel wat meegemaakt, maar zoals

gewoonlik ben je er verbazend goed afgekomen, en ik wens je geluk

met je nieuwe rang."

"Ja," antwoordde Tuijl, "zoals je weet, ben ik op zee geboren, maar

ik ben niet van plan ook op zee te sterven, en hoop ergens in Holland

'n rustig plekje te kunnen vinden, waar ik kalm kan slapen tot aan

de Opstandingsdag."

"Je zult wel dorstig wezen, Tuijl, na dit lange verhaal," meende de

praktiese Katrijn, en meteen stond ze op en haalde een karaf wijn

met drie glazen.

"Proef die wijn eens, Tuijl," zei Hartog, "dit is eigen maaksel."

Tuijl nam een duchtige teug uit zijn glas, smakte met z'n lippen en

zei toen:

"Abraham, je was in jouw tijd 'n degelik zeeman, maar ik geloof dat

je nog 'n betere wijnboer bent. Hoe ben je er toe gekomen om een

landrot te worden, en dat nogal in Zuid-Afrika?"

Hartog wilde nu op zijn beurt een verhaal van zijn verdere leven doen,

maar juist op dat ogenblik kwam de oude kapitein in de kamer. Hij

keek de bezoeker oplettend aan, haalde toen zijn bril te voorschijn,

zette die op de neus en keek de bezoeker nog eens aan.

"Wel, duivekater," mompelde hij, "ik ben 'n boon, als dat niet Willem

Tuijl is!"

"Je hebt goed gezien, Kapitein," riep Tuijl verheugd uit, en hij

sprong op om zijn oude bevelhebber hartelik de hand te drukken.

"Ik dacht dat je al lang naar de haaien was, Tuijl," zei de oude

kapitein, "maar je hebt nu 'n kapiteinspak aan," vervolgde hij,

en voegde er schertsend bij: "'t moet er beroerd bij de Kompanjie

uitzien, als ze nu al bootslui tot kapiteins maken!"

"Ze kunnen niet anders doen, Kapitein," antwoordde Tuijl lachend,

"want de goede, oude kapiteins, zoals u, zijn allemaal landrotten

geworden, en boeren of tuiniers."

Er werd die dag en ook de volgende nog heel wat "gezelsd" tussen de

oude schipbreukelingen van de Stavenisse, en met 'n week hart nam de

Kapitein van de Prins te paard afscheid van de oude Knijf en zijn

dochter, voor hij in 't lichte karretje steeg, waarin Hartog reeds

gezeten was.

HOOFDSTUK XXVI.

DE DOOD VAN KAPITEIN KNIJF.

Het landleven was niet alleen aangenaam voor de oude Kapitein, maar

scheen ook 'n gunstige invloed op zijn gezondheid en gemoedstoestand te

hebben. Wat deze laatste aanging, hij kreeg nooit meer die aanvallen

van zwaarmoedigheid, die hem vroeger zo gekweld hadden. Hij was nu

altijd vrolik en goed gehumeurd, en hij gromde alleen, wanneer de

rupsen of andere insekten 't wat te bont maakten in de tuin.

En wat zijn gezondheid betrof: zijn gewicht was in de laatste jaren

heel wat toegenomen, zodat hij zelf menigmaal 'n grap maakte over

zijn "Burgemeester's buik". Inderdaad was de eetlust van de oude

heer verbazend, en dit was voor een groot gedeelte te wijten aan

de zorg en oplettendheid van Katrijn, die steeds er op uit was haar

vader zijn lievelingsgerechten voor te zetten. Zo was bijvoorbeeld

"kop en pootjes" iets, waarvan de oude heer zeer veel hield, en

als dit 's avonds op tafel was, scheen de Kapitein er nooit genoeg

van te kunnen krijgen; niet zelden gebeurde het dan, dat Katrijn

verplicht was te weigeren hem 'n derde of vierde maal te bedienen,

wat ze gewoonlik deed met de woorden: "Nee vader, u krijgt niet meer,

anders wordt u vannacht nog door 'n beroerte overvallen."

Die uitmuntende eetlust had de Kapitein waarschijnlik te danken aan

't feit, dat hij 't grootste gedeelte van de dag in de buitenlucht

doorbracht, en daarbij matig in zijn tuin arbeidde, zonder zich ooit

te veel te vermoeien.

Het was in de maand Junie 1700, dat de Kapitein hard bezig was in

de tuin en, niet bemerkende dat 't weer dreigend werd, plotseling

door een regenbui overvallen werd. Tot haar niet geringe verbazing

zag Katrijn, die even aan de voordeur keek, dat de oude heer in

z'n hemdsmouwen in de tuin werkte, terwijl dikke regendroppels in

groten getale neerkwamen. Snel nam zij de overjas van haar vader

van de kapstok en bracht hem die, waarbij ze hem beknorde, dat hij

zich liet natregenen, en de vrees uitsprak, dat hij zich 'n lelike

verkoudheid op de hals zou halen.

De Kapitein antwoordde echter: "Stil, stil nou Katrijn, 'n mens zou

waarlik gaan denken, dat ik nog nooit in 'n regenbui ben geweest,

en op zee heb ik dan wel 24 uur in stortzeeën gestaan, zonder dat

iets mij overkwam."

"Dat is waar, Vader," hernam zijn dochter, "maar regenbuien zijn

veel ongezonder dan stortzeeën, en zeewater is niet zo gevaarlik

als regenwater."

De volgende morgen klaagde de Kapitein over wat hoofdpijn, en 's

avonds hoestte hij op een wijze, die Katrijn de schrik in 't hart

deed slaan. Op haar aandringen nam hij voor 't naar bed gaan, een

warm mosterd-voetbad, doch de morgen daarna had hij zulk een hevige

koorts, dat Katrijn het geraden achtte, hem in bed te houden, en ze

's middags om tante Sannie, de vrouw van Willem van Zijl, zond, die

in 't dorp een goede naam had wegens haar kennis van medicijnen en

ziekten. Tante Sannie zei dadelik in vertrouwen tot Katrijn, dat zij

vreesde, dat de oude Kapitein 'n aanval van longontsteking had, en

toen hij de volgende dag niet beter was, liet de oude vrouw een bok

slachten en de warme pens ervan op de borst van de zieke leggen, om

er de inflammatie uit te trekken, zoals ze zei; maar niettegenstaande

dit beproefde middel, was de Kapitein daags daarna nog erger en werd

de koorts zo hevig, dat hij van tijd tot tijd begon te ijlen.

Op verzoek van zijn vrouw liet Abraham vier van zijn beste paarden

inspannen en reed er zelf mede naar Kaapstad om de garnizoensbarbier

te halen, want er was geen geneeskundige te Stellenbosch.

Binnen 16 uur was Hartog terug met de opperbarbier, doch in die

tussentijd had de ziekte reeds zoveel voortgang gemaakt, dat de

geneesheer meende, dat er geen de minste hoop was om 't leven van de

oude man te redden, en langzamerhand namen diens krachten dan ook af.

Op de vierde dag was de patiënt bijna de gehele tijd ijlend,

maar kort voor zononder, kwam hij weder bij zijn verstand en riep

Katrijn bij zijn bed: "Ik voel, m'n kind," zei hij met zwakke stem,

"dat ik spoedig sterven zal, en als ik dood ben, dan moet jullie me

begraven bij de jonge eik, die ik zes jaar geleden van de Kommandeur

heb gekregen en door mij geplant is in 't midden van de tuin."

Katrijn beloofde dit en dadelik daarop werd de oude man overvallen

door zulk 'n hevige hoestbui, dat zijn dochter meende, dat hij daarin

zou blijven.

Hij overkwam die echter voor 't ogenblik, maar viel daarna vermoeid

op zijn kussens terug, en Katrijn, die zag dat 't einde niet meer

ver af was, liet haar man roepen.

Toen deze bij 't bed kwam, trachtte de lijder nog enige woorden

te uiten, doch zijn stem was reeds zo zwak, dat Hartog slechts met

moeite de woorden: "Zorg voor haar" kon verstaan, waarop de oude man

in een toestand van bewusteloosheid verviel, en om 10 uur die avond,

met een diepe zucht 't tijdelike met 't eeuwige verwisselde.

Hartog sloot hem de ogen en Katrijn drukte een laatste kus op de

lippen van haar vader, en barstte toen in tranen uit.

Abraham trachtte zijn vrouw te troosten, door te zeggen, dat ze haar

gehele leven haar plicht tegenover haar vader had gedaan en zich dus

niets te verwijten had, en dat zij daarbij ook nog de troost had,

dat hij de laatste elf jaar van zijn leven in geluk en tevredenheid

in hun huis had doorgebracht.

Overeenkomstig de belofte aan hem gedaan, werd de Kapitein begraven in

't midden van zijn geliefd tuintje, aan de voet van de jonge eikeboom,

die gewoonlik door de familie de Kommandeursboom werd genoemd.

HOOFDSTUK XXVII.

DE LAATSTE ZEEREIS VAN DE DOCHTER VAN DE ZEEKAPITEIN.

Het ene jaar na 't andere verliep. Simon van der Stel had met verlof

van de Direkteuren zijn hoge betrekking neergelegd, en leefde tans

rustig op zijn prachtige plaats Constantia, bij de Wijnberg.

Na hem was zijn zoon, Willem Adriaan van der Stel, Goeverneur

geworden, doch deze was een man van 'n geheel ander karakter als

zijn vader. De wijze waarop hij steeds op eigen voordeel uit was,

zichzelf trachtte te verrijken ten koste van de kolonisten, wier

belangen geheel door hem verwaarloosd werden--een voorbeeld spoedig

door de andere ambtenaren gevolgd,--deden weldra grote ontevredenheid

onder de kolonisten ontstaan.

In die dagen had een zekere Henning Huising een kontrakt met de

Kompanjie, waarbij hij aangenomen had om deze tegen 'n bepaalde

prijs van beeste- en schapevlees te voorzien, maar kort nadat Willem

van der Stel aan het bestuur was gekomen, werd dit kontrakt door hem

vernietigd. Henning Huising was hierover zeer verbolgen en zette nu met

behulp van zijn neef Adam Tas een beweging tegen de Goeverneur op touw.

Zij hadden een aantal gegronde redenen en vonden grote steun onder

alle klassen van de burgers, maar vooral bij de Franse vluchtelingen

te Drakenstein en Franschhoek.

Op zijn rondreizen door de Kolonie, met 't doel om ondertekenaars

te krijgen op een klaagschrift tegen de Goeverneur, dat men naar de

Kamer van Zeventien wilde zenden, kwam Adam Tas in 't jaar 1704 op

Goede Hoop, en had een lang onderhoud met Abraham Hartog, waarin hij

z'n uiterste best deed, om deze te overreden, bovengenoemd stuk ook

te tekenen.

Abraham Hartog weigerde echter standvastig iets met de zaak te doen

te willen hebben, en zei dat hij zulks hoofdzakelik om twee redenen

deed. Ten eerste had de Goeverneur hem persoonlik nooit enig kwaad

gedaan of nadeel toegebracht, maar kocht hij daarentegen, evenals

zijn vader, elk jaar de wijnopbrengst van Goede Hoop; ten tweede

wilde Hartog, zich niet met politieke zaken bemoeien en vooral niet

voor anderen de kastanjes uit 't vuur halen; hij had niets over de

Regering te klagen, hij betaalde zijn belastingen en tienden geregeld,

en zolang men hem verder niet lastig viel, had hij geen reden om zich

tegen de Regering te verzetten.

"Dan ben u dus een ondersteuner van de Goeverneur," zei Adam Tas

ten laatste; "dit zal u niet populair maken onder de bevolking van

Drakenstein."

"Ge vergist u, meneer Tas," antwoordde Hartog op vrij scherpe toon. "Ik

ben geen ondersteuner van de Goeverneur, maar ook niet tegen hem. Ik

ben alleen geheel neutraal, en weiger me te bemoeien met een zaak,

die me persoonlik niet aangaat; en wat u daar zegt omtrent mijn

populariteit onder de inwoners van Drakenstein, dit is iets wat mij

koud laat, en ik kan daaromtrent slechts zeggen, dat ik nooit naar

populariteit gestreefd heb, doch, zonder meer, mijn plicht tegenover

mijn medemensen heb gedaan en dit voortaan nog zal doen."

Adam Tas moest onverrichter zake van Goede Hoop wegrijden.

Enige dagen later bezocht Hartog de Kaapstad, en toen hij daarvandaan

terugkwam, vroeg hij 's avonds plotseling aan Katrijn:

"Vrouw, zou je niet weer eens 'n zeereisje willen doen?"

Katrijn keek verwonderd op en begreep niet wat haar man in 't schild

voerde. "Hoe kom je daar zo opeens toe?" vroeg zij. "Heb je misschien

'n schip gekocht?" voegde ze er lachend bij.

"Nee," zei haar man, "zo dwaas ben ik nog niet, maar gisteren heeft

de Goeverneur me gevraagd of ik niet tijdelik 't bevel wil nemen over

de galjoot de Postloper. De Politieke Raad wil dit scheepje zodra

mogelik langs de kust naar Natal sturen, om te zien of er ergens

een plaats of geschikte baai is, waar men goed bouwhout kan krijgen,

dat gemakkelik naar de Kaap kan verscheept worden. Het hout rondom

Tafelberg is reeds geheel uitgeroeid en om 't over Holland uit Rusland

of Zweden te laten komen, maakt de onkosten te groot. Ik heb aan de

Goeverneur gezegd, dat ik hem niet dadelik een antwoord kon geven,

omdat ik jou eerst wilde raadplegen, want in geen geval zal ik jou

hier alleen op de plaats achterlaten. De vraag is dus, of je lust

hebt om met me mee te gaan of niet.

"Ik, voor mij, geloof dat een reisje in de frisse zeelucht je geen

kwaad zal doen, want je hebt je de dood van je vader, wat sterk

aangetrokken, en dit heeft natuurlik invloed gehad op je gezondheid,

want je ziet er wat bleek en zwak uit, al zeg je dat je er zelf niets

van bemerkt."

Katrijn bewaarde enige tijd 't stilzwijgen, en vroeg toen of de zaak

haast had, waarop Hartog antwoordde, dat hij zo gauw mogelik tot 'n

besluit moest komen, want dat de Goeverneur 't scheepje spoedig wenste

te laten vertrekken. Bovendien zat de Regering in een moeilikheid,

want er was op dat ogenblik geen zeeman in Kaapstad, die genoeg met

de Oostkust van Afrika bekend was om 't bevel van de expeditie op

zich te nemen.

"Goed, Abraham," zei Katrijn, "morgenochtend bij 't ontbijt, zal ik je

mijn antwoord geven. Maar zeg me eerst, wie naar de plaats zal kijken,

gedurende onze afwezigheid."

Hartog antwoordde: "Ik geloof niet dat we langer dan hoogstens twee

maanden zullen wegblijven en bovendien is er op 't ogenblik niet veel

op de plaats te doen, zodat ik meen dat Jean Nortier in staat zal zijn

om intussen de plaats te besturen. Als er iets biezonders gebeurt,

kan hij altijd Oom Willem van Zijl raadplegen."

Die nacht streed Katrijn een zware strijd. Zij dacht aan die grote,

prachtige zee, aan 't vrije leven op 't schip, aan de opwekkende

gevaren, die zulk een reis opleverde en zij gevoelde dat grote

verlangen en die oude liefde, die zij steeds voor de oceaan had gehad,

terugkeren.

En toch boezemde juist dat verlangen en die liefde haar een zekere

onbepaalde vrees in. Het was geen vrees voor de zee en zijn gevaren,

het was een vrees voor haar eigen gemoed. Zij wist dat haar man nimmer

weer z'n fortuin op de baren zou gaan zoeken, maar ze was bang, dat,

als zij eenmaal de zeelucht weer voor enige tijd ingeademd had,

zij de zee weer zou liefkrijgen en een tegenzin gaan voelen voor

't landleven, en aldus in haar hart een strijd zou ontstaan tussen

liefde en plicht. Eindelik viel zij in slaap en toen zij ontwaakte,

was haar besluit genomen, alsof dit in een droom tot haar gekomen was.

"Ik zal meegaan," zei ze tot zichzelf, "en de zee zal me niet

overwinnen."

Aan 't ontbijt, deelde zij dit besluit aan Hartog mede, die daarover

blijkbaar zeer verheugd was. Dadelik schreef hij dan ook een brief

aan de Goeverneur, dat hij tijdelik en alleen voor deze tocht, 't

bevel van de Postloper op zich zou nemen, en dat hij daartoe zodra

mogelik met zijn vrouw in Kaapstad zou zijn.

Veel voorbereidingen waren er niet te maken. Katrijn pakte wat oude

kleren voor zich en haar man in 'n kist, en wat handwerk, en daarmee

was de zaak klaar, want goede kleren aan boord te dragen vond ze

verkwisting. De kist werd met de wagen van een buurman, die toevallig

naar de Kaap ging, meegezonden, om afgegeven te worden aan het Kasteel,

en de volgende dag bracht ou Koos, de vertrouwde staljongen op Goede

Hoop, de baas en zijn vrouw in de grote kar met vier paarden naar

Kaapstad, en reed daarop alleen met de kar terug.

De Postloper lag zeilklaar in de Baai. Hartog liet wat ekstra proviand

voor zich en zijn vrouw op 't schip bezorgen, kreeg vervolgens op

het Kasteel de nodige bevelen van de Sekretaris en zeilde op de 20ste

November 1705 met de galjoot de baai uit.

Het weer was mooi en de wind de eerste dagen gunstig, doch hij ging

daarna liggen, en woei eindelik als een lichte bries uit 't Westen,

zodat 't schip eerst op 29 Desember de Baai van Natal binnenliep.

De reis deed Katrijn werkelik goed. Zij voelde zich biezonder gelukkig,

doch hield haar oude hartstocht toch in bedwang. Daar de zandbank het

water te ondiep maakte, kon de Postloper niet in de Binnenbaai ankeren

en moest men met een boot het strand bereiken. Eerst zes dagen later,

toen 't hoog getij was, waagde Hartog 't de baai binnen te lopen. De

stam van de Abambo's, die 18 jaar geleden bij de Baai woonde, werd er

nog gevonden, maar de Engelsen waren, zoals de Kaffers mededeelden,

op 'n expeditie naar 't verre binnenland, door een vijandelike stam

vermoord. De Abambo's zelf hadden in die jaren herhaaldelik strijd

gevoerd met andere naburige volken, en zware verliezen geleden,

zodat zij lang niet meer zoveel vee hadden als vroeger.

Hartog ondernam 'n kleine tocht naar 't binnenland ten einde de

bossen aldaar te onderzoeken, en daarbij werd hij vergezeld door

Katrijn en ook door een Engelsman, Goodwin geheten, die in 1699 aan

de Baai was gekomen met twee andere landgenoten, welke echter door

de Kaffers vermoord waren. Deze Engelsman had twee kaffervrouwen en

'n aantal kinderen.

Hartog bevond dat er nog ontzaglike bossen met bruikbare bomen waren

in Natal en wel op geringe afstand van 't strand, zodat men het

hout zonder grote moeite naar de Kaap kon verschepen. Hij vertoefde

echter langer in de Baai, dan oorspronkelik zijn plan was, en eerst

op 22 Februarie 1706 zeilde de Postloper weer uit om de terugreis

te aanvaarden. Intussen waren er twee van de bemanning van het schip

gedrost en hadden zich bij de Kaffers aangesloten.

Op de zandbank in de baai was meer branding dan de Kapitein verwacht

had, en voordat hij hem overging, zei hij tot Katrijn, die dicht bij

't roer stond, dat ze liever wat meer naar 't midden van het schip

moest gaan, en dit deed zij.

Hartog nam daarop het roer ter hand dat geen stuurrad had. Toen het

schip op de zandbank kwam, wierp de branding 't uit zijn koers en

zwaaide het zo plotseling en geweldig, dat 't roer omsprong en het

handvatsel Hartog 'n geduchte slag op zijn borst toebracht, zodat

hij bewusteloos op 't dek neerviel.

Daar het schip nu in een gevaarlike positie lag, snelde de stuurman,

Van der Schelling, met enige manschappen te hulp. Katrijn had

't ongeluk gezien en zat reeds aan de zijde van haar man, die ze

vergeefs tot bewustzijn trachtte te brengen. Terwijl de stuurman en

twee matrozen zich meester maakten van 't stuurroer en het schip

deden wenden, tilden de anderen Hartog van het dek op en brachten

hem naar zijn kajuit. Er was geen barbier aan boord, doch wel een

kist met medicijnen, en daar Katrijn met de meeste ervan bekend was,

en zij ook wat brandewijn tot haar beschikking had, gelukte 't haar

eindelik om Hartog tot bewustzijn terug te brengen.

Hij klaagde echter over hevige pijnen in zijn borst, en Katrijn vreesde

dat hij 't borstbeen gebroken had, maar later bleek dat dit het geval

was met de bovenste drie ribben.

Aan Hartog was opgedragen om op zijn terugreis iedere geschikte baai

binnen te lopen en zowel de hoeveelheid als de hoedanigheid van het in

de buurt groeiende hout te onderzoeken. Er was echter behalve Hartog,

niemand aan boord, die genoeg kennis van hout bezat om die taak te

volvoeren, en daar hij nu niet in staat was zulks te doen en Katrijn

verlangde om zo spoedig mogelik geneeskundige hulp voor haar man te

hebben, werd besloten, dat de Postloper rechtuit naar de Tafelbaai

zou stevenen en geen enkele haven meer aandoen.

Op 8 Maart 1706 ankerde men voor het Kasteel en hees noodsignalen,

waarop de Havenmeester met zijn boot naar het schip kwam; de gekwetste

Kapitein werd nu voorzichtig in de boot neergelegd en Katrijn nam

plaats naast haar man.

Hartog werd dadelik naar het Hospitaal gebracht en onder de zorg van

de Opperbarbier was hij binnen vier weken hersteld, schoon hij nog

geruime tijd, door een lastige hoest geplaagd werd. Op 12 April reed

de kar, waarin Hartog en Katrijn gezeten waren, de werf van Goede

Hoop op, en werden zij met blijdschap door Nortier en de andere

bedienden ontvangen.

Zo eindigde de laatste zeereis van Katrijn en van af die dag kwam

nooit weer enig verlangen naar de zee in haar hart op.

HOOFDSTUK XXVIII.

DE DOOD VAN KATRIJN.

Juist in de tijd dat de eigenaar van Goede Hoop en zijn vrouw op hun

plaats terugkwamen, waren de beroeringen tegen Willem van der Stel

ten top gestegen.

Adam Tas was gevangen genomen, vier anderen waren naar Europa gezonden

en ook uit Drakenstein waren er van de meest invloedrijke Hugenoten

naar het Kasteel overgebracht, waaronder Jakob de Savoye, François du

Toit en Hercules du Preez; de laatste werd zelfs dadelik op 'n schip

geplaatst om naar Mauritius verbannen te worden. Men kan dus begrijpen

dat er heel wat opgewondenheid in Drakenstein heerste, want de grote

meerderheid van de bevolking aldaar was tegen de Goeverneur gekant,

Fransen zowel als Hollanders.

Het was een moeilik geval, waarin Hartog zich bevond. Schoon hij

persoonlik niets tegen de Goeverneur had, kon hij de willekeurige

handelingen, waaraan Willem van der Stel zich nu schuldig maakte,

niet goedkeuren, en evenmin de gevangenneming van mensen, die

aan geen misdaad schuldig waren; maar toch had hij besloten zich

buiten de verwikkelingen te houden en zich niet met politiek in te

laten. Verscheidenen van de oude inwoners spraken met hem over de

zaak en zeiden, dat ze niet verstaan konden, waarom hij, die een

van de voornaamste inwoners in de buurt was, zich zo van de anderen

afscheidde.

Hartog gaf hierop slechts te kennen, dat de zaak hem niet aanging en

hij zich onzijdig wilde houden.

Hoewel geen mens 't waagde hem enig beledigend woord toe te voegen,

kon hij zien, dat zijn handelwijze hem in de achting van de kolonisten

had doen dalen en zijn oude vrienden z'n huis zelfs vermeden.

Enige weken na zijn terugkomst, werd in Kaapstad een lastbrief tot

inhechtenisneming van de oude Willem van Zijl uitgevaardigd.

Juist toen dit gebeurde, was Abraham Hartog in Kaapstad en toevallig

hoorde hij van deze zaak, door tussenkomst van de Sekretaris van

de Politieke Raad. Zonder verzuim zadelde hij zijn paard op en reed

spoorslags naar Drakenstein terug, waar hij zich terstond naar het

huis van de oude Willem begaf en deze vertelde, wat men tegen hem in

't schild voerde.

"Je moet dadelik vluchten en je ergens verbergen, Oom Willem," zei

Hartog; "als ik er iets aan kan doen, zal je nooit in de tronk komen."

"Waarheen?" vroeg de oude Van Zijl; "de bergen kan ik niet ingaan,

want daar heb ik kans dat de Bosjesmannen me vermoorden, en de spionnen

van Landdrost Starrenberg, van Stellenbosch, zijn overal in de buurt,

en zullen gauw uitvinden, waar ik ben."

"Heb je jouw paard in de stal?" vroeg Hartog, waarop de oude man

bevestigend antwoordde.

"Zadel 't dan op, Oom Willem," zei Hartog, "en rijd met me saam. Ik

zal je verbergen, en op een veilige plaats brengen."

"Waar?" vroeg de oude man.

"Bij mij op de plaats," klonk 't antwoord.

De oude Van Zijl keek zijn jonge vriend ongelovig aan en scheen

te weifelen.

"Maar je bent immers een vriend van de Goeverneur," merkte hij aan,

"en hoe kan je mij dan verbergen? Kijk, Hartog, je gaat me toch niet

verraden en me aan de speurdienders overleveren?"

Hartog was verontwaardigd over die woorden en sprak op ernstige toon:

"Oom Willem, je kent me al 16 jaar, en ik geloof dat je nog nooit

uitgevonden hebt, dat ik oneerlik of een schurk ben. Wat ik wil doen,

is net om je te helpen, omdat je 'n oude vriend van me bent. Vertrouw

je me niet, dan kan ik het niet helpen, maar 't zou me spijten,

als je in moeilikheden kwam."

De eerlike en rondborstige wijze, waarop Hartog sprak, deed de

twijfel van de oude boer verdwijnen; hij zadelde zijn paard op,

en enige minuten later reden hij en Hartog stapvoets 't dorp uit;

daar dit niets ongewoons was, veroorzaakte het bij niemand verbazing.

Langs het pad deelde Hartog aan de oude man mede wat zijn plan was. Hij

zou Willem van Zijl verbergen op de zolder van 't huis en hem daar

van al 't nodige voorzien. Was er geen onraad, dan kon hij naar

beneden komen en met Hartog en z'n vrouw samen zijn. Kwam er gevaar,

dan moest hij vlug de binnentrap oplopen, die van de kombuis naar de

zolder leidde, en zijn schuilplaats weer opzoeken.

"Ik geloof dat je bij mij veilig zult zijn," besloot Hartog; "daar

is niemand van de Regering, die er ooit aan denken zal, om jou bij

mij te zoeken, en zowel Nortier als mijn volk zijn vertrouwbaar en

zullen hun mond niet opendoen, terwijl mijn vrouw maar al te blij

zal wezen om jou te helpen."

In werkelikheid was Katrijn zeer verheugd, toen ze Oom Willem in

't huis zag komen, want zij mocht de oude man graag, terwijl diens

vrouw, Tante Sannie, haar menige dienst had bewezen.

Hartog deelde aan Katrijn natuurlik 't geheim mede, en zij kon niet

nalaten haar man om de hals te vallen en hem 'n hartelike kus te geven

als beloning voor zijn edelmoedig gedrag. Spoedig werd er op zolder

een bed opgeslagen en was de oude boer van al 't nodige voorzien.

De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal · 第 9 / 10 段