Oom Willem om hem gevangen te nemen, maar de vogel was gevlogen, en
hoe men ook heinde en ver zocht of navraag deed, men kon geen spoor
van hem ontdekken.
Twee dagen later kwam Jan Lubbe, een van de veldwachters of
politiebeambten, die te Drakenstein dienst deden, te paard naar Goede
Hoop, en vroeg om de heer Hartog te spreken.
"Meneer Hartog," zei hij, "u weet zeker dat er 'n lastbrief is
uitgevaardigd tegen de oude Willem van Zijl."
"Wat!" riep Hartog, met 't meest onschuldige gezicht uit, "welk kwaad
heeft die oude man dan gedaan?"
"Hij staat beschuldigd van hoogverraad en verzet tegen de Regering,
maar hij is gevlucht en we kunnen hem niet vinden, doch we vernemen
dat hij eergisteren met u 't dorp is uitgereden."
"Ja," zei Hartog bedaard, "dat is zo; maar wat bedoel je
daarmee?" vervolgde hij, terwijl hij de wenkbrauwen fronste. Lubbe
aarzelde 'n ogenblik en zei toen: "Wilt u me zeggen waar u afscheid
van hem genomen hebt?"
"Daar, waar het pad naar mijn plaats afdraait van de grote weg naar
Stellenbosch; ik reed toen naar huis en Meneer van Zijl ging verder
de grote weg op."
"Weet u niet, waar hij naar toe gegaan is?" vroeg de politiedienaar
verder.
"Nee," zei Hartog, "dat heb ik hem niet gevraagd."
Lubbe lachte op 'n eigenaardige wijze en Hartog zag hem scherp aan.
"Hoe schijnt 't mij toe, kerel, alsof je denkt, dat ik iets te doen
heb met 't verdwijnen van de oude Willem van Zijl?" zei hij, met goed
nagebootste ergernis. "Als je dat denkt, dan moet je 't maar zeggen,
en dan kan je mijn hele huis en plaats onderzoeken, maar ik bezweer
je, dat ik dan dadelik naar de Kaap ga en me bij de Goeverneur zal
beklagen, dat ik met zulk een verdenking door jullie, veldwachters,
ben lastig gevallen; ik heb invloed genoeg op het Kasteel om te zorgen,
dat ze dan iemand anders in jouw plek zullen aanstellen, daar je niet
schijnt te weten, hoe een fatsoenlik man te behandelen."
Lubbe werd asvaal van schrik; hij maakte allerlei verontschuldigingen
en eindigde met te zeggen, dat hij naar 't dorp zou terugrijden.
"Hoe gauwer je rijdt, hoe beter," zei Hartog, "en pas voortaan op, dat
je me niet meer op mijn plaats met zulke praatjes komt lastig vallen."
Toen de politiedienaar verdwenen was, kwam Katrijn, die blijkbaar
luistervink gespeeld had, de kamer binnen, en lachte dat zij schudde
over de wijze, waarop haar man de arme Jan Lubbe uit 't veld had
geslagen.
Het verblijf van Willem van Zijl op Goede Hoop duurde langer, dan hij
of zijn gastheer wel had gedacht. Drie maanden gingen voorbij en nog
was men bezig om Willem op te sporen.
De oude man zelf scheen verlegen met zijn toestand, en zei ten laatste,
dat hij trachten zou, om in de nacht naar 't land van Waveren te
vluchten (tegenwoordig Tulbagh), maar hiervan wilde Hartog niets weten.
Het werd Desember 1706 en Willem van Zijl was reeds zes maanden
op Goede Hoop. Gedurende de laatste weken was de koortsziekte in
Drakenstein uitgebroken, waarschijnlik doordat de Bergrivier zeer
laag was en niet meer stroomde, en men dus verplicht was, het water
uit de stilstaande poelen te drinken. Dit was een oude gewoonte en
zelfs de geneeskundigen in die dagen, wisten nog niet, dat dit een
van de hoofdoorzaken van de koortsziekte was.
Ook op Goede Hoop dronk men het water van de rivier, en omtrent op
de helft van de maand begon Katrijn Hartog zich niet wel te gevoelen.
Zij verzette zich echter tegen de koortsaanval en bleef nog 'n dag
of vier, vijf, op de been, doch ten slotte moest zij 't bed houden
en zond Abraham, die spoedig inzag, dat zijn vrouw zwaar ziek was,
om Tante Sannie van Zijl, die op deze wijze toevallig de gelegenheid
kreeg om haar verborgen man te zien.
De oude vrouw, die werkelik veel ervaring had, zei dadelik, dat
Katrijn de koortsziekte had, en bood aan de zieke op te passen,
'n aanbod, dat Hartog met gretigheid aannam.
Hij vond 't echter geraden om ook naar Stellenbosch te zenden, waar
een Barbier zich toen gevestigd had, en deze te laten overkomen.
De Barbier was van hetzelfde gevoelen als Tante Sannie. Hij gaf zekere
geneesmiddelen, die echter van geen nut waren, want in die dagen
wisten de dokters weinig of niets af van de aard en de behandeling
van deze koorts, hoewel die in Europa dikwels voorkwam.
Tante Sannie zei, dat de voornaamste zaak was om de krachten van de
patiënt op te houden, en voerde haar dus zoveel mogelik met vlees,
melk, eieren en ander versterkend voedsel, en dit verergerde natuurlik
de ziekte, en deed de ingewanden meer en meer ontsteken. De koorts
werd steeds heviger en Katrijn zwakker.
Zestien dagen nadat zij voor 't eerst naar bed was gegaan, verergerde
de ziekte plotseling zodanig, dat Abraham Hartog snel geroepen werd;
hij stond toen bij 't sterfbed van zijn vrouw.
Ofschoon zwak, was zij toch bij haar volle bewustzijn. Zij voelde
zelf dat 't einde nabij was, en met zwakke stem zei ze: "Abraham,
als ik gestorven ben, treur dan niet te lang over me, maar kies je 'n
andere vrouw uit, die je misschien gelukkiger zal maken dan ik, door
je kinderen te schenken; want ik daal als kinderloze vrouw in 't graf."
Snikkend wierp de diep bedroefde man zich aan de borst van de
stervende, die hem nog toefluisterde: "Begraaf mij naast vader,
bij de Kommandeursboom," en daarna slaakte zij een diepe zucht,
en toen Hartog zich ophief, was Katrijn niet meer.
De oude Willem van Zijl had 't gewaagd naar beneden te komen en was
getuige geweest van de doodstrijd. Op een wenk van zijn vrouw nam
hij zijn jongere vriend onder de arm en leidde hem stil uit 't vertrek.
De begrafenis van Katrijn was een der grootste, die men ooit in
Drakenstein had gezien, want de overledene was algemeen bemind geweest.
De dag van de teraardebestelling was een zeer zware voor de oude
Willem, want hij moest zich van 's morgens vroeg tot de late avond in
zijn schuilplaats verborgen houden, en eerst toen allen de plaats
verlaten hadden, kon hij naar beneden komen om Abraham in zijn
droefheid te troosten.
HOOFDSTUK XXIX.
BESLUIT.
Twee jaren lang treurde Abraham Hartog over zijn overleden vrouw,
maar de wonden, die de Voorzienigheid aan de mens toebrengt, worden
op de lange duur door Vader Tijd geheeld, hoe zwaar ze ook mogen zijn.
Abraham zag in dat hij de boerderij zonder vrouw niet kon
volhouden. Over 't algemeen waren zijn bedienden goed en vertrouwbaar,
maar toch kon hij spoedig bemerken, hoe hij links en rechts bestolen
werd. Suiker, koffie, rijst en zelfs meel, verdwenen op geheimzinnige
wijze en zijn huishoudelike uitgaven verdubbelden zich.
In Katrijn's tijd had de boter van Goede Hoop, een uitstekende naam in
Kaapstad en behaalde ze de hoogste prijzen. Zes maanden na haar dood,
kon Hartog er nauweliks 'n bod voor krijgen.
De hoenders en 't andere gevogelte, die de trots uitgemaakt hadden
van de overleden vrouw, werden verwaarloosd en stierven de een na de
ander; in één woord, alles ging achteruit.
Achttien maanden na Katrijn's dood huwde Nortier met een Frans
meisje. Hartog behandelde hem bij die gelegenheid zeer edelmoedig. Hij
liet voor hem een behoorlik huisje bouwen op de plaats en gaf hem
daarbij omstreeks 60 morgen grond in vrij gebruik, zodat de jonge
Fransman een wingerd voor zich kon aanleggen en ook wat vee houden.
Nadat 't jonge paar zich in 't nieuwe huis had gevestigd, begon ook
Hartog rond te zien naar een andere levensgezellin, en hij sloeg
zijn oog op Annie van Zijl, de jongste dochter van Oom Willem en
Tante Sannie.
Alle gevaar voor Oom Willem was reeds lang geweken, want in 't begin
van 1707 was Willem van der Stel uit zijn betrekking ontslagen,
en werden allen die door hem gevangen genomen waren op vrije voeten
gesteld, en alle vervolgingen gestaakt.
Toen alles in Drakenstein weer z'n oude gang ging en de rust geheel
hersteld was, lekte 't langzamerhand uit, waar de oude boer 'n
veilige schuilplaats had gevonden, en toen 't verhaal de ronde deed,
verdubbelde de achting, die men vroeger voor Abraham Hartog had gehad;
men bewees dit in Stellenbosch door hem in 1708 te kiezen als een
van de Heemraden voor 't distrikt, want Drakenstein vormde een deel
van Stellenbosch.
Annie van Zijl was nog slechts 21 jaar oud, en bezat lang niet de
schone vormen en fiere houding, die Katrijn eigen waren geweest,
maar zij was algemeen bekend als een braaf en oppassend meisje, en
een uitmuntende huishoudster, die de rechterhand van haar moeder was.
Toen Hartog haar om 't jawoord vroeg, gaf zij dit geredelik. Zij hield
werkelik veel van hem en meende dan ook geen beter huwelik te kunnen
doen. Toch kostte 't Hartog heel wat moeite om het ouderlik paar te
overreden, hun jongste pand af te staan, en toen de oude Willem ten
laatste zijn toestemming gaf, voegde hij er bij: "Abraham, ik geef
haar aan jou als een offer van dankbaarheid voor wat je voor mij
hebt gedaan."
Evenals vroeger met Katrijn werd ook deze bruiloft op zeer eenvoudige
wijze gevierd; de jonggehuwden brachten enige dagen in Kaapstad door
en daarop werd de nieuwe meesteres naar haar toekomstig huis gebracht
en aanvaardde dadelik haar huishoudelike plichten.
Als door een toverslag veranderde de toestanden op Goede Hoop. Annie
hield streng toezicht op alles en niets ontging aan haar scherpe
blik. Binnen 14 dagen werden de twee hoofdschuldigen van de bedienden
van de plaats gejaagd en kreeg zelfs een Hottentot, die reeds 10 jaar
in dienst van Hartog was, van deze een flink pak slaag, dat hem voor
goed 't stelen afleerde.
De boter door Annie gemaakt, overtrof zelfs die van Katrijn en kwam
weer in de gunst van de kopers.
Er kwam nieuw leven op Goede Hoop, en nieuw geluk, want een jaar na
't huwelik verblijdde de jonge vrouw haar echtgenoot met een flinke
zoon, die David genoemd werd.
Op hem volgden nog drie zoons en twee dochters, en nu heerste er in 't
huis op Goede Hoop een leven en vrolikheid die 't nog nooit gekend had.
Het is niet ons doel om verder 't leven van Abraham Hartog en zijn
vrouw te schetsen, want wij zijn aan 't einde van dit verhaal gekomen.
Slechts willen wij nog zeggen dat Hartog in 1750 stierf op bijna
tachtigjarige leeftijd. Na zijn dood verspreidden zijn kinderen zich,
en de jongste, Willem geheten, vestigde zich bij de Groote Brakrivier,
bijna op de grenzen van de volkplanting.
Zijn moeder nam later haar intrek bij hem, had 't geluk haar
kindskinderen te zien en stierf eerst in 1762.
Haar lijk werd vervoerd naar Goede Hoop en zij rustte onder de oude
Kommandeursboom naast haar man, Katrijn en de oude Zeekapitein. Als
ge de plaats Goede Hoop nog kunt vinden, zult ge gelegenheid hebben
om dat schone graf te bezoeken.
Maar daar twijfel ik aan.
End of Project Gutenberg's De Dochter van de Zeekapitein, by D'Arbez