uiterste best gedaan, zodat er toch een heerlik maal op tafel stond,
dat hoog door de gasten gewaardeerd werd, en waarvoor Katrijn dan
ook èn van Zijn Edele, èn van de Luitenant een welverdiend kompliment
kreeg.
HOOFDSTUK XXIII.
DE KOMMANDEUR WORDT PROFETIES.
Na 't avondeten ging men weder naar 't voorhuis, waar bij 't licht van
enige kaarsen--want lampen waren nog niet algemeen in gebruik,--een
levendig gesprek plaats vond, waaraan ook Katrijn, nu zij met haar
huishoudelik werk klaar was, deel nam.
Dit gesprek werd ingeleid door een vraag van de Kommandeur, hoe Hartog
en z'n vrouw klaar kwamen met hun buren, waarop Hartog zei, dat men
op zeer goede voet stond, niet alleen met de oude Hollandse bewoners,
maar ook met de Franse vluchtelingen.
Toen de Kommandeur daarop aan de gastheer vroeg wat hij van de
vluchtelingen dacht, antwoordde deze, dat ze ongetwijfeld hardwerkende
lieden waren, die zuinig en voorzichtig leefden en met de grootste
lijdzaamheid alle ontberingen en ongemakken droegen, wat te meer trof,
daar velen van hen vroeger in goede doen en 'n beter leven gewoon
geweest waren. Hij prees niet alleen hun godsdienstzin, maar ook hun
bereidwilligheid om anderen met raad en daad te helpen. Zij waren van
een meer levendige aard en daardoor ook voortvarender dan de enigszins
langzame Nederlanders. Tevens maakte hij de opmerking, dat er reeds
verscheidene huweliken hadden plaats gevonden tussen deze Franse
vluchtelingen en de oude Hollandse kolonisten, en dat eerstgenoemden
hoe langer hoe meer met de Hollandse taal bekend raakten.
Van der Stel had met aandacht geluisterd naar hetgeen de jonge boer
zei, en toen deze geëindigd had, zweeg hij enige ogenblikken en
begon toen:
"Ik ben blij van u te vernemen, meneer Hartog, dat er te Drakenstein
zulk een goede verstandhouding bestaat tussen de twee rassen, en dat
deze blijkbaar veel beter is dan die welke te Stellenbosch heerst. Ik
ben Nederlander van geboorte en natuurlik voel ik meer voor mijn
landgenoten dan voor de vreemdelingen; van mijn jeugd af heb ik
daarenboven altijd 'n soort van antipathie gehad tegen de Fransosen.
"Toen de Direkteuren in Holland mij berichtten, dat zij van plan
waren om 'n aantal uitgeweken Franse Protestanten naar Zuid-Afrika te
zenden, was ik allesbehalve gesticht over dat nieuws, want ik vreesde
dat de aankomst van zoveel vreemdelingen van 'n ander ras tot grote
onaangenaamheden zou kunnen leiden, en zelfs botsingen veroorzaken.
"Natuurlik moest ik echter aan de bevelen van de Kompanjie gehoor
geven, en ik geloof dat niemand kan zeggen, dat ik op enige wijze mijn
plichten op dit punt verzaakt heb. Ik erken gaarne, dat de Franse
Hugenoten hard werkende en eerlike lieden zijn, die trachten in de
wereld vooruit te komen, en ik geloof ook, dat ze 'n nuttige invloed
kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en vooruitgang van de landbouw,
en vooral van de wijnbouw; maar zoals u zegt, zijn ze levendiger en
voortvarender van aard dan de meeste Nederlanders.
"Dit is waarschijnlik te wijten aan 't warmere Zuid-franse bloed,
dat in hun aderen stroomt.
"Het is volstrekt niet 't doel geweest van de Kamer van Zeventien,
om hier in Zuid-Afrika twee zeer verschillende rassen onafhankelik en
afgescheiden van elkaar te doen voortbestaan, want zulk een toestand
zou zeker met grote gevaren gepaard gaan. Daarom was mij dan ook
opgedragen, om de nieuw aangekomenen zoveel mogelik te midden van de
oude bevolking te plaatsen, en schoon ik aan enigen van hen elders
gronden heb toegekend, hier zowel als in Franschhoek, heb ik 't
grootste gedeelte woonplaatsen aangewezen tussen de oude Hollandse
Kolonisten in en om Stellenbosch. Reeds van 't begin af was dit een
steen des aanstoots voor de Fransen, die blijkbaar verwacht hadden
allen bij elkaar te kunnen wonen, en 't gevolg is dan ook geweest,
dat velen van hen, die ik te Stellenbosch gevestigd had, liever
verkozen om in dienst te treden van hun land- en geloofsgenoten hier
en te Franschhoek, dan om hun eigen gronden te bewerken tussen de oude
kolonisten. Ik had dit niet kunnen voorzien, of liever gezegd, ik was
dom genoeg om het niet te voorzien, anders had ik in hun grondbrieven
zeker een bepaling gemaakt, waarbij deze verhuizing belet werd.
"Het is niet te betwijfelen dat er bij de Hugenoten een geest
van onafhankelikheid heerst en vrijheidsdenkbeelden bestaan, die
gelukkig niet onder de Nederlanders gevonden worden, en een geest
die waarschijnlik 't gevolg is van de geschiedenis der Hugenoten in
Frankrijk, waar ze sedert het Edikt van Nantes niet alleen vrijheid van
godsdienst, maar ook zekere politieke voorrechten genoten, en tot 'n
zekere mate zelfbestuur hadden. Het is waar dat kardinaal Richelieu hun
veel van hun voorrechten ontnomen heeft en feitelik 'n einde maakte aan
hun zelfbestuur, schoon hij hen volkomen godsdienstvrijheid toeliet;
en dit is dan ook een van de hoofdgrieven die de vluchtelingen tegen
't Goevernement van Frankrijk hebben en die van geslacht tot geslacht
overgeërfd zijn.
"Nu ze op vreemde bodem en onder een nieuw bestuur zijn, schijnt 't dat
velen van hen menen, dat zij de gelegenheid hebben om hun rechten te
herkrijgen, niettegenstaande zij in Holland vóór hun vertrek hierheen,
'n verklaring hebben afgelegd, zich aan de wetten van de Kompanjie
te onderwerpen en die te zullen gehoorzamen. Dat is reeds gebleken
in 1689, toen ze er op stonden om hun eigen en zichzelf besturende
kerkelike gemeente te hebben, iets dat ik beslist weigerde toe te
staan, omdat ik daarin 't indrijven zag van 't dunne einde van de wig,
en dit later kon leiden tot een eis van zelfbestuur ook op politiek
gebied, hetgeen ten slotte zou leiden tot een gehele scheiding tussen
twee rassen.
"Na mijn weigering hebben de Eerwaarde Simond en de andere leiders
van de Fransen zich direkt tot de Kamer van Zeventien gewend en zij
kwamen dus in beroep van mijn uitspraak. Ongelukkiger wijze hebben
de Direkteuren de zaken niet zo helder ingezien, als ik dat hier kon
doen en stonden zij 't verzoek van de Fransen toe. Ik beschouw de
Heer Simond als een trouwe herder van zijn kudde en als een braaf en
godsdienstig man, maar zijn liefde voor zijn godsdienst en landgenoten
drijven hem te ver, en hij wordt te lijdzaam gevolgd door de leden
van zijn gemeente. Mijns inziens belooft die geest niet veel goeds
voor de toekomst van deze volkplanting, en ik vrees dat men weldra
zal inzien, dat de aankomst van de Franse vluchtelingen alhier, een
niet onverdeelde zegen is geweest, maar dat zij hier een geest van
verzet hebben gebracht, die, wanneer voortgeplant in 't nageslacht,
tot grote verwikkelingen kan aanleiding geven, en heel wat hoofdbreken
zal kosten aan hen die na mij hier 't bestuur zullen voeren."
Het was Katrijn die 't eerst na de Kommandeur sprak en zei:
"Ik wil me niet met politieke zaken bemoeien, want dat past een vrouw
niet, maar ik leef onder de mensen, waarvan u gesproken hebt, en ik ben
't niet geheel met u eens. Het is wel waar dat de Franse vluchtelingen
wat meer levendig van aard en opgewonden zijn dan wij Nederlanders,
maar die eigenschappen lossen zich meer op in woorden dan in daden,
en ik vind ze even prakties als onze eigen mensen. Daarbij hebben
ze over 't algemeen 'n betere opvoeding genoten dan de meesten van
de onzen, en in vele van hun huizen vindt men leesboeken, iets wat
zelden 't geval is bij onze boeren. Dat zij hun onafhankelikheid
en de vrijheid in 't algemeen liefhebben, kunnen we hen niet kwalik
nemen, want wij, Nederlanders, hebben ook 80 jaar voor onze vrijheid
gestreden. Bovendien hebben er heel wat huweliken plaats tussen
de beide rassen en 't karakter van beide zal daardoor aanmerkelik
veranderd worden. Dat zij de heer Simond aanhangen, strekt hen tot
eer, want de man heeft veel voor hen gedaan, en met hen gestreden
en geleden, alhoewel ik erken, dat hij wel iets fanatieks in zijn
karakter heeft."
"U zult hem spoedig beter leren kennen, Mevrouw," antwoordde de
Kommandeur, "want ik verneem, dat hij van plan is om zich binnenkort
hier te vestigen, in plaats van te Stellenbosch, waar zijn gemeente
bijna verlopen is."
Hartog brak nu het stilzwijgen door te zeggen: "Mijn vrouw weet
minder van de Fransen af dan ik, want zij kent hun taal niet zoals
ik, die steeds met hen in hun eigen taal praat, en schoon ik u niet
op alle punten gelijk kan geven, ben ik toch ook van oordeel, dat
de vluchtelingen een woelig volkje zijn, dat heel wat moeite aan de
Regering kan geven, als er iets gebeurt, dat hen niet bevalt. Zij
koesteren niet de minste kwade gevoelens tegen de Hollanders, maar
hebben 't alleen gemunt op 'n Regering, die hun wensen niet tegemoet
komen kan of wil."
Het gesprek nam nu 'n andere wending en liep verder over landbouw en
zulke zaken meer, waarin ook vader Knijf 'n woordje kon meespreken,
en toen men nog 'n goed glas wijn had gedronken, dat de Kommandeur
uit zijn wagen had laten halen, wenste deze zijn gastheer en diens
huisgenoten goede nacht, en ging zijn legerstede in zijn tent opzoeken.
Vroeg, de volgende morgen, vertrok het hoofd van de Kolonie weder
naar Stellenbosch, nadat hij tot Katrijn's grote teleurstelling,
haar aanbod om 't ontbijt op Goede Hoop te gebruiken, had afgeslagen.
HOOFDSTUK XXIV.
EEN NIEUWE VIJAND.
De eerstvolgende jaren die verliepen, waren over 't algemeen niet
ongunstig voor de nieuwe kolonisten te Drakenstein, schoon er nu en
dan 'n misoogst was, en nieuwe ziekten onder 't vee uitbraken. Die
kleine ergernissen trokken de boeren zich echter niet aan, en zelfs
Hartog kwam tot de overtuiging, dat de boer zich moest gewennen aan
heel wat jaarliks verlies, waarop hij niet gerekend had.
In 1692 was Pierre Simond, de Franse predikant, werkelik te Drakenstein
komen wonen, waar zich toen 't merendeel van zijn gemeente bevond.
Hartog ging hem beleefdheidshalve een bezoek brengen, en vond
hem een zeer ernstig man, steeds bezig om de eeuwige zowel als de
wereldse belangen van zijn gemeente te behartigen. Hij liet zich zeer
vriendschappelik uit over de oude kolonisten, maar 't was duidelik,
dat hij niet goed overweg kon met de heer Simon van der Stel, want
hij sprak met enige verbittering over diens handelwijze tegenover
de Hugenoten.
Zijn invloed op de Drakensteiners was niet gering, hij hield 'n
strenge tucht onder hen en waakte met biezondere nauwgezetheid tegen
elke ontheiliging van de Sabbat.
De jonge boer ging zo nu en dan naar de kerk van de Franse predikant
en bevond dat deze een goed redenaar was, wiens preken veel indruk
op zijn gemeente maakten.
Niettegenstaande de kleine onheilen, die hem nu en dan overkwamen,
ging de boerderij van Abraham Hartog vooruit. Zijn eerste wijnoogst
bleek uitstekend te zijn, en daar hij geen kosten of moeite spaarde
bij 't bereiden van de wijn, kreeg deze niet alleen een goede naam in
Drakenstein en Stellenbosch, maar ook in Kaapstad, zodat de Kompanjie
ten laatste al de wijn, die Hartog kon leveren tegen een goede prijs
opkocht en daarvan zelfs een gedeelte naar Europa zond. Bovendien had
hij ook de raad van de Kommandeur aangenomen en zich op de paardeteelt
toegelegd. Niet te duur kocht hij een twaalftal merries en schafte
zich, toen de Perziese hengsten aangekomen waren, één daarvan aan,
zodat hij reeds spoedig verscheidene veulens had. Het jaar 1693 was
nog niet voorbij, toen hij uitvond dat voor de eerste maal sedert
hij begonnen was te boeren, zijn inkomsten aanmerkelik hoger waren
dan zijn uitgaven.
Het echtpaar had dus geen reden van klagen, behalve over één treurig
feit, namelik dat het kinderloos bleef.
In datzelfde jaar maakte echter een nieuwe vijand voor de boeren
zijn verschijning in de buurt van Drakenstein. Men wist reeds lang,
dat er Bosjesmannen waren op de bergen in de buurt van de zogenaamde
Heksrivier, op een afstand van enige uren te paard, doch tot nu toe
hadden dezen geen last veroorzaakt.
Toen evenwel deed 'n klompje Bosjesmannen een onverwachte aanval
op een der verst afgelegen plaatsen en slaagde er in een aanzienlik
aantal beesten weg te voeren. Wel werden de dieven achtervolgd, maar
zij bereikten met hun buit veilig hun schuilplaatsen in de bijna
ontoegankelike bergen.
Aangemoedigd door deze eerste, voor hen gunstige uitslag herhaalden
zij hun rooftocht enige maanden later en ontkwamen weder met hun buit.
Dit maakte hen nog driester, en ze kwamen zelfs tot dicht bij het
dorp, zodat de inwoners beangstigd werden, en de hulp van de Regering
inriepen.
De Kommandeur zond daarop een twaalftal mannen te paard, ter
bescherming van de boeren en tevens om de rovers te vervolgen, maar
dit had niet de goede uitkomst, die men er van verwachtte. Wel werd
nu en dan een Bosjesman doodgeschoten, maar meestal ontkwamen de
vlugge dieven, en als ze eenmaal in de bergen waren, was 't zelfs
de paarderuiters onmogelik om hen in de ruwe rotskloven en steile
kransen in te halen.
Ten laatste besloten de Drakensteiners zich zelf te helpen, en toen van
een van de Franse vluchtelingen een twintigtal beesten waren gestolen,
werden dadelik allen die paard, zadel en toom bezaten, en tevens
geweren hadden, opgeroepen om de vijand onmiddellik te vervolgen. Men
slaagde er in de Bosjesmannen vast te keren, alvorens zij de bergen
konden bereiken, en de gehele bende, omtrent 30 man sterk, werd als
wilde dieren doodgeschoten. De boeren toch waren woedend over de
door hen geleden verliezen, en hun toorn werd nog aangewakkerd door
de wrede wijze waarop de vijand, toen hij zich in 't nauw voelde, de
buitgemaakte beesten verminkte, door hen de hakpezen af te snijden,
en het arme vee daardoor aan een wisse hongerdood prijs te geven.
Jaren lang bleven de veedieven weg en eerst in 1720 hoorde men opnieuw
van roverijen in die streek.
HOOFDSTUK XXV.
EEN OUDE KENNIS.
Het was in de maand Mei van het jaar 1696, en Abraham Hartog was druk
bezig met ploegen, want enige dagen te voren waren er mooie regens
gevallen die de grond goed doorweekt hadden.
Het was nog tamelik vroeg in de morgen, niet later dan 10 uur, toen
hij in de verte langs de weg van Stellenbosch 'n kapkar zag aankomen,
die door zes ossen getrokken werd.
Hij schonk eerst weinig aandacht aan de kar en ging door met ploegen,
daar hij meende, dat 't een van de Drakensteiners was, die van een
bezoek aan Stellenbosch terugkwam.
Toen echter de kar de weg naar 't huis insloeg, gaf hij zijn zweep over
aan Nortier en stapte huiswaarts om te zien, wie op dit ongewone uur
hem een bezoek kwam brengen. De kar hield evenwel reeds voor 't huis
stil, toen Hartog nog minstens 200 tree daarvan verwijderd was, en
toen hij de stoep opkwam, vond hij zijn vrouw in gesprek met iemand,
gekleed in het uniform van een zeeoffisier; hij hoorde haar juist
zeggen: "Nee Meneer, ik herinner me niet u ooit gezien te hebben,"
waarop de vreemdeling in een luid gelach uitbarstte.
Het was die lach, die maakte, dat Hartog de zeeoffisier dadelik
herkende, zodat hij met één sprong op de stoep stond en uitriep:
"Wel alle mensen, 't is werkelik Willem Tuijl, onze oude bootsman!"
De twee mannen drukten elkaar stevig de hand en ook Katrijn heette
haar oude vriend nu hartelik welkom.
"Je hebt gelijk Abraham, ik ben Willem Tuijl, maar niet meer
opperbootsman, doch Kapitein van 't schip de Prins te paard, dat op
't ogenblik in de Tafelbaai ligt zonder fokkemast en grote mast,
die we in 'n storm bij Madagascar hebben verloren."
"Kom binnen Tuijl, kom binnen," riepen beide echtgenoten als uit één
mond, en trokken hun oude vriend 't huis in.
"Hoe met je kar?" vroeg Hartog, "zal je de ossen niet uitspannen?"
"Ja," antwoordde Tuijl, "maar ik moet vanmiddag nog weg naar
Stellenbosch, en daarvandaan naar de Kaap. De kar en ossen heb ik
in Stellenbosch gehuurd, en beloofd ze vanavond terug te brengen,"
zei Tuijl.
"Ben je mal?" viel Hartog in, "je blijft vandaag en morgen
hier. We sturen de kar vanmiddag weer naar Stellenbosch terug en
overmorgenochtend breng ik je met mijn eigen kar en paarden naar
Stellenbosch. Als je schip twee masten heeft verloren, en die hersteld
moeten worden, kan je er op rekenen, dat je niet binnen een maand
van de Tafelbaai weg komt, en je hoeft je dus niet te haasten."
Tuijl gaf de zaak gewonnen. De Hottentot die bij de kar was, kreeg
order om de ossen uit te spannen, en ze 't veld in te jagen, maar te
zorgen dat ze niet wegliepen.
"Vertel me nu eerst," zei Hartog, "hoe je uitgevonden hebt dat ik
hier woon."
"Ik ontmoette eergisteren Kingston, die nu Kwartiermeester op de
Centaurus is, en ik vroeg hem naar verschillende van de oude vrienden
en hij was 't, die me vertelde dat je hier woont. Diezelfde middag zag
ik de Kommandeur, die me verder inlichtte, en beduidde hoe ik je 't
beste vinden kon, maar wat me 't meeste plezier deed, was te vernemen,
dat je met Katrijn getrouwd bent. Maar waar is de oude Kapitein? Ik
heb gehoord dat hij bij je inwoont."
"Dat doet hij ook," antwoordde Hartog, "maar op 't ogenblik werkt
hij in z'n tuintje, doch zal tegen half twaalf hier zijn voor
't middagmaal."
Katrijn kwam nu de kamer binnen met twee koppen koffie en zei:
"kijk hier, Tuijl, ik heb 'n uurtje de tijd, en nu moet je ons eens
haarfijn vertellen, wat je in al die negen jaren gedaan hebt."
"Ja, ja," voegde Hartog er bij, "biecht nu al je zonden op."
Tuijl schraapte zijn keel, nam een flinke teug koffie en begon toen:
"Zoals jullie weten, ben ik hiervandaan met de Rotterdam naar Indië
gegaan, en kwam na 'n uitmuntende reis te Batavia aan.
"Enige dagen later werd ik overgeplaatst op de Zeeland, die een
reis naar China en Japan ging maken. Op de zesde dag van onze reis
werden we door 'n Chinese zeerover aangevallen. De djonk was 'n groot
schip met een sterke bemanning, en zij schenen te denken, dat ze 'n
gemakkelik zaakje aan ons zouden hebben. We voerden echter 24 stukken
grof geschut, de Kapitein was 'n dappere kerel en de manschappen
waren van zessen klaar. De djonk trachtte ons aan te klampen, maar
we peperden hem zo geweldig, dat 't niet gelukte. Daarop zond hij
7 boten naar ons om te trachten vaste voet op ons dek te krijgen,
maar onze zeesoldaten schoten de rovers bij hopen dood, terwijl ze
probeerden om langs de zijde van 't schip ons te bereiken.
"De Kapitein van de djonk scheen echter vast besloten te hebben ons
niet los te laten, en 't gevecht duurde meer dan drie uur. Eindelik
slaagden wij er in een kogel in de kruidkamer van de djonk te schieten,
waarop deze in de lucht vloog en de Chineesjes als poedels in 't water
ploeterden, waar we ze lieten. In dat gevecht vielen aan onze kant 7
doden en omtrent 20 gekwetsten, tot welke laatsten ik ook behoorde,
want ik kreeg 'n lelike kogelwond in mijn linkerarm. Gelukkig had
de kogel 't been niet geraakt, maar de wond bloedde sterk, daar 'n
slagader was afgesneden, doch nadat de barbier me verbonden had,
herstelde ik spoedig. Ik moet me dapper in dat gevecht gedragen
hebben, al weet ik 't zelf niet, want niet alleen prees de Kapitein
mijn gedrag, maar toen we in Batavia terugkwamen, beval hij me bij
de Kompanjie aan voor bevordering.
"Tien dagen na dit gevecht kwamen we in de Chinese havenstad Foochow
aan, waar we een gedeelte van onze lading losten, en daarvoor 'n paar
honderd kisten tee inscheepten.
"Van Foochow zeilden we rechtuit naar 't eiland Decima, waar de
Hollanders de alleenhandel met Japan hebben, en ik vertel jullie dat
de Kompanjie daar geld maakt als water, niettegenstaande de beperkingen
en zware belastingen, die de Japanners ons opleggen.
"We raakten hier de rest van onze lading kwijt, maar namen weer 'n
grote partij rijst, porselein, verlakte waren en andere snuisterijen
in, zodat we zwaar beladen naar Batavia terugzeilden, waar we zonder
wederwaardigheden aankwamen.
"Drie weken later werd ik overgeplaatst op de Vlaardingen, als Tweede
stuurman, alhoewel ik nooit mijn stuurmanseksamen afgelegd heb, maar
ik had genoeg ervaring opgedaan in de 20 jaren die ik al op zee was,
om net zoveel van 'n schip te weten als de beste stuurman, die ooit op
'n kampanjedek heeft gelopen.
"De Kapitein van de Vlaardingen was een ziekelik man, die aan een
nierkwaal leed, en we waren nog geen tien dagen van Batavia weg,
toen hij erg ziek werd en binnen vier dagen overleed. Onze kost aan
boord was slecht, doordat de Eerste stuurman, die voor de proviand had
moeten zorgen, kop in één muts was met de leverancier van de Kompanjie,
en zij deze met hun tweeën lelik in de nek zagen; maar 't noodlot
wilde dat de Eerste stuurman zelf 't slachtoffer werd van zijn bedrog.
"Op zekere dag, kort na 't middagmaal, werden alle offisieren ziek
en ik ook. We braakten dat 't verschrikkelik was en leden aan hevige
pijnen in de ingewanden. De barbier zei, dat we door 't een of ander
voedsel vergiftigd waren.
"Twee dagen daarna overleed de Eerste stuurman aan de gevolgen van
die ziekte, en wij anderen sukkelden wel tien dagen vóór we weer
beter waren.
"De Tweede stuurman, die nu 't bevel voerde, wilde de Tafelbaai
binnenlopen, om nieuwe proviand in te nemen, maar niet ver van Kaap
Agulhas liepen we in 'n storm, die ons snel in zee joeg en tien dagen
lang aanhield.
"Toen de storm voorbij was, bemerkten we dat we bijna 200 mijl ten
westen van de Kaap waren, en daarop wilde de stuurman niet omkeren,
maar de reis voortzetten.
"De proviand werd nauwkeurig onderzocht en alles, wat er niet pluis
uitzag, over boord geworpen.
"Dit maakte dat de bemanning op kort rantsoen werd gezet en deed ook
de scheurbuik onder hen uitbreken. De Vlaardingen was een eerste klas
schip van over de 1000 ton, met een bemanning van zo wat 220, maar
zó erg woedde de scheurbuik, dat toen we de Azoren voorbij gingen,
70 man gestorven waren en er bijna 100 ziek in hun hangmatten lagen.
"Er waren dus niet meer dan omtrent 40 man om 't schip te hanteren
en zij hadden hun handen vol, vooral toen we langs de Spaanse kust
opnieuw door 'n verschrikkelike storm werden overvallen.
"Het roer brak en 't schip was aan de genade van de golven
overgeleverd. Met de grootste moeite gelukte het ons om 'n noodroer
samen te flansen en dat over boord te krijgen, zodat 't schip enigszins
handelbaar werd. Doch diezelfde avond sloeg een geweldige golf op
't dek en vernielde niet alleen al onze boten, maar wierp de Kapitein
en de Derde stuurman, die aan 't roer waren, over boord. Er was geen
kans hen te redden, en nu kwam 't bevel aan mij. De storm hield aan
tot ver in de Golf van Biskaie en vóór de wind ging liggen, hadden
we twee van onze masten verloren. Nog nooit van m'n leven heb ik
't zo zwaar gehad als in die tijd.
"Met 100 man ziek aan boord, met niet meer dan 40 paar handen om
te helpen, en met 'n gebrekkig roer moest ik het bijna ontredderd
schip veilig in de haven brengen, en toch was ik beslist van plan
dit te doen.
"Gelukkig was de weerbare bemanning gewillig en zette alle krachten op
't spel. We richtten twee kleine noodmasten op, en daar 't weer goed
bleef en de wind gunstig, bereikten we in veiligheid Vlissingen.
"Van de Kamer van Vlissingen kreeg ik een speciaal bedankje voor de
bekwame wijze waarop ik 't schip behouden had, en tevens een ekstra
maand gage voor mezelf en de bemanning.
"De Vlaardingen bleef te Vlissingen om op de scheepswerf te worden
hersteld, maar ik ging door naar Rotterdam, om aan de Kamer aldaar, aan
wie de Vlaardingen toebehoorde, verslag van mijn reis uit te brengen.
"Tot mijn niet geringe verwondering zette men me voor drie maanden
op wachtgeld, en wilde me daarvoor geen reden opgeven. Gelukkig had
ik wat geld opgespaard en behoefde dus geen gebrek te lijden.
"Na verloop van die drie maanden, werd ik aangesteld als Tweede
stuurman van de Wassenaar, en maakte daarmee drie reizen naar de Oost.
"De Wassenaar was echter een oud schip en op de derde reis huiswaarts,
vertoonde het zulke gebreken dat 't afgekeurd werd.
"Ik werd toen nogmaals drie maanden op wachtgeld gezet en daarna
bevorderd tot Eerste stuurman van de Schiedam, en deed verleden
jaar mijn eerste reis daarmee naar Batavia, en later nog 'n reisje
naar Japan.
"Bij mijn terugkomst te Batavia in Desember van het vorig jaar, werd me
buiten alle verwachting het bevel aangeboden over de Prins te paard,
die op de ree van Batavia lag, en ik aarzelde niet die benoeming aan
te nemen.
"Op 10 Januarie van dit jaar ondernamen we onze terugreis naar Patria
en alles ging uiterst voorspoedig, totdat wij, niet ver van Madagascar,
in een cykloon kwamen, die ons niet losliet voor hij onze fokkemast
en de helft van onze grote mast had meegenomen.