De bruiloft werd op zeer eenvoudige wijze gevierd en de huweliksknoop

gelegd door Ds. Leonardus Terwold, die in Januarie van dat jaar,

als predikant te Kaapstad was aangesteld.

Drie dagen daarna vertrok 'n grote huif- of kapkar, waarop 't jonge

echtpaar en Kapitein Knijf waren gezeten, en die getrokken werd

door acht ossen, met twee slaven als drijver en leider, uit de Kaap,

en op de tweede dag bereikte men de plaats te Drakenstein, die reeds

door Katrijn gedoopt was met de naam van Goede Hoop. Het meest nodige

huisraad, dat voornamelik bestond uit datgene wat de Kapitein in zijn

huis had gebruikt, was reeds enige dagen te voren naar de plaats

gezonden; als 't huis klaar was, zou Abraham Hartog voor 't verder

benodigde zorgen.

Zowel op de eerste kar of wagen, zoals men die toen reeds noemde,

als op de tweede was genoeg proviand voor enige maanden, want men

wist niet of men 't nodige kon krijgen op 't nieuwe dorp Stellenbosch.

Katrijn was opgetogen toen zij de ligging van de plaats en de prachtige

vallei zag, want daar 't reeds winter was, waren er zware regens

gevallen en had 't veld een waas van fris groen.

Omstreeks 200 tree van de plek waar 't huis gebouwd werd, stroomde

de Bergrivier, die reeds tamelik gezwollen was door de regens, en

aan de oevers waarvan talrijke treurwilgen groeiden.

Naar de kant van de berg verhief zich een nogal groot bos van geelhout-

en andere bomen, en aan de rivierzijde van dit bos lag, niet ver van

de kleine bergstroom, de nieuw aangelegde wingerd. Tussen deze en

het huis graasden de koeien en de schapen en vonden daar volop kost.

Was 't daar toen reeds schoon en aangenaam, 't werd onbeschrijflik

mooi in 't begin van de maand Oktober, toen de zon zijn kracht had

herkregen, de wilgebomen met jonge blaren waren bedekt en de wingerd

reeds begon te botten, terwijl op de velden 't gras bijna twee voet

hoog stond en daartussen talrijke veelkleurige bloemen 't geheel als

een rijk tapijt deden voorkomen.

Het was juist in die maand dat de jonggetrouwden 't nieuwe huis

introkken, dat op eenvoudige doch nette wijze gebouwd was. Door de

voordeur kwam men in het voorhuis, ter linkerzijde waarvan 'n deur

toegang gaf tot het slaapvertrek van de echtgenoten, terwijl rechts

de kamer van de Kapitein was. Een derde deur, in 't midden, leidde

naar een flinke eet- en zitkamer, en daarachter bevonden zich de

kombuis en dispens.

Het huis was van baksteen gebouwd en had een strodak. Op ongeveer

20 tree afstand van 't huis stond een tweede gebouw, dat voor

wagenhuis en stal moest dienen, en dat evenals 't woonhuis zelf,

'n grote zolder bevatte.

Natuurlik voelde Abraham Hartog zich in de eerste maanden als 'n kat in

een vreemd pakhuis, en raakte hij in zaken, die de boerderij betroffen,

dikwels de kluts kwijt. Maar hij begreep, dat hij 't nodige moest leren

van anderen, en zijn buren, waarvan 'n groot deel landgenoten waren,

toonden zich steeds bereid om hem nuttige raad te geven en te wijzen,

hoe hij moeilikheden kon overwinnen. Er waren echter ook enige Franse

vluchtelingen, die in de nabijheid grond bezaten, en van hen kreeg

de jonge man menige nuttige wenk omtrent de wijnbouw, want Nortier,

schoon met 't bedrijf niet onbekend, was pas 22 jaar oud en dus nog

niet zo ervaren.

Kort na de aankomst op de plaats, had de oude Kapitein zich 'n stukje

grond uitgekozen, ter grootte van omstreeks drie kwart morgen, op 'n

plek niet ver van het punt waar de bergstroom zich met de Bergrivier

verenigde, en dit beschouwde hij als zijn privaat eigendom, waarop

hij kon doen, wat hij verkoos.

Tot verbazing van zijn schoonzoon toonde de oude heer niet alleen heel

wat geestkracht, maar ook nog veel lichaamskracht te bezitten. Met

geen andere hulp als die van een oorlamse Hottentot, die goed Hollands

sprak, maakte hij een wal van enige voeten hoog om 't stukje grond,

dat hij voor het grootste deel omspitte en daarna beplantte en bezaaide

met kool, bloemkool, erten, bonen en andere groenten.

Het bovenste gedeelte van de grond herschiep hij in een bloemetuin,

en zijn vreugde steeg ten top toen Hartog, na een van zijn reizen

naar Kaapstad, terugkwam met een kistje bloemzaden van verschillende

soorten, die hij bij de tuinier van de Kompanjies tuin gekocht had.

Het was 'n aardig gezicht om de oude Kapitein op 'n warme dag, dikwels

van baadje en onderbaadje ontdaan, in de tuin te zien werken, nu eens

wiedende, dan weer de paden harkende, of jacht makende op schadelike

insekten; want deze laatste waren de oude heer een vreeslike plaag,

en hij zei vaak, dat hij niet begrijpen kon, waarvoor de Heer zulke

nutteloze goggas geschapen had, die net tot ergernis van de mens

strekten.

Hartog was natuurlik altijd in de weer. Meermalen moest hij naar

Kaapstad en naar Stellenbosch, terwijl hij ook niet zelden bezoeken

bracht aan zijn naburen.

Zijn aangename manieren, zijn gewilligheid om steeds naar raad te

luisteren en zijn goedhartige natuur maakten, dat hij spoedig de

achting van de oudere kolonisten won; bij de Franse vluchtelingen,

stond hij in hoog aanzien, vooral omdat hij hun taal kon spreken,

en zij steeds grote moeite hadden zich te wennen aan het Hollands.

Reeds in die dagen begon de Afrikaanse gewoonte zich te ontwikkelen die

nog lang niet verdwenen is. Wij bedoelen het zogenaamde "kuieren", of

het aan elkander brengen van bezoeken door buurlieden en vrienden. Dit

werd voornamelik veroorzaakt door het overigens eenzame en eentonige

leven, dat de kolonisten leidden, vooral in de binnenlanden waar de

boereplaatsen soms uren ver van elkander lagen. Karren en paarden

waren toen nog zeldzaam, want de meeste boeren bezaten nog niet de

middelen om zich zulke weeldeartikelen aan te schaffen; bovendien

hadden de jonge kolonisten in de Drakenstein vallei nog niet genoeg

land onder de ploeg om 't nodige voer voor paarden te kunnen winnen;

zelfs Hartog had er nog geen.

Het kuieren werd dus gedaan met 'n kleine kapkar door twee of

vier makke ossen getrokken, en op die wijze had ook Katrijn reeds

verscheidene bezoeken ontvangen van de buren en hun vrouwen.

Van deze laatsten leerde zij veel, vooral op 't gebied van de

kookkunst, terwijl zij zelf in andere opzichten weer goede raad aan

haar bekenden kon geven. De buurvrouwen waren niet weinig verwonderd

om te zien, hoe deze jonge vrouw die haar gehele leven op zee had

doorgebracht, zich gewende aan haar nieuwe toestand en omgeving,

en hoe prakties zij alles behandelde; ofschoon het meisje geen hoge

opvoeding had genoten, was deze echter in menig opzicht heel wat

beter geweest dan die van de meeste boerevrouwen.

Katrijn was gewoon meermalen geheel alleen lange wandelingen te

maken in 't bos langs de bergen, en zij was niet weinig verwonderd,

om van haar man te vernemen, dat ze hiermee moest ophouden, want dat,

naar hij vernomen had, er nog tigers in de bergen waren, en dat men

er enige dagen geleden zelfs een grote leeuw had geschoten, tussen

Drakenstein en Stellenbosch; na die waarschuwing vermeed de jonge

vrouw voortaan die gevaarlike plek.

HOOFDSTUK XXI.

DONKERE DAGEN.

"Die boer krij maar swaar," hoort men tegenwoordig nog dikwels zeggen,

en daarmee wordt niets nieuws verteld, want 't is in werkelikheid

'n oude, oude storie.

Toch zijn er veel mensen, vooral onder onze Engelse bevolking, die om

dit gezegde lachen, en beweren, dat de boeren de meeste ongelukken aan

zichzelf te wijten hebben, doch dat zij over 't algemeen geld maken,

en er veel beter aan toe zijn dan de stedelingen. Hoe dit ook zij,

het is waar dat onze boeren nog lang niet zo op de hoogte van hun

zaken zijn, als in andere landen 't geval is, en ook is 't niet minder

juist, dat over de gehele wereld, de landbouwer zowel als de veeboer,

een ontevreden en zelfzuchtig karakter heeft, en steeds vol klachten

is. Zelfs de grote Bismarck, die 't kon weten, omdat hij zelf uit

'n boerefamilie was gesproten, zei eens tot de zogenaamde agrariese

partij in Pruisen, dat hij gewillig was op alle mogelike manieren die

partij te steunen en te beschermen, maar dat hij nooit zou toelaten,

dat ze aan 't roer van zaken kwam, daar ze in dat geval alleen hun

eigen belangen zou behartigen, en die van 't overig gedeelte van de

bevolking uit 't oog verliezen. Dat is ook 't geval in Zuid-Afrika en

een van de grootste moeilikheden, waarmee de Regering in 't Parlement

te kampen heeft.

Van 't begin af heeft de boer in dit land 'n zware strijd

gestreden. Hij woont in een werelddeel, waarvan het klimaat zeer

wisselvallig is en de natuur grillig; hij kan daardoor nooit op

zijn oogst rekenen; als zijn koren reeds rijp is voor de sikkel, en

hij al berekend heeft, wat het hem dat jaar zal opbrengen, komt er

misschien plotseling een hagelbui, die al zijn zoete verwachtingen

in rook doet vervliegen.

Is het niet de weersgesteldheid, dan zijn er dikwels plagen, als

sprinkhanen, rupsen en allerlei andere insekten, die hem grote schade

veroorzaken, of is 't de een of andere veeziekte die zijn kudden te

gronde richt.

Toen Abraham Hartog begon te boeren, was hij met al die tegenslagen

nog onbekend, en zag hij de dingen veel te rooskleurig in. Hij meende

dat er voor iemand met een klein kapitaal, doch grote werklust geen

lonender arbeid bestond dan die van de boer, en hij droomde reeds van

vette koeien, grasrijke velden en zwaar beladen wingerden,--maar de

ervaring zou hem nog vele dure lessen leren.

In 't eerste jaar gingen de zaken op Goede Hoop werkelik uitmuntend. De

nieuwe wingerd groeide uitstekend, maar toch zou 't nog drie jaar

duren, voor hij daarvan een redelike opbrengst kon verwachten. De

landerijen, waarop hij voornamelik koren en haver had gezaaid,

leverden een rijke oogst op. Zijn koeien en schapen waren vet, en

ook de lammertijd was bevredigend. Maar in 't tweede jaar ging alles

verkeerd. Het was een droog jaar, en de winter bracht wel veel wind,

maar weinig regen, en reeds vóór 't midden van de zomer was 't gras

verdord en had de gloeiende zon de graanlanden verschroeid. In de

wingerd hingen de blaren van de stokken slap en half verbrand. Gras

voor het vee was er niet, en de dieren vermagerden niet alleen, maar

stierven zelfs van honger. De Bergrivier was niet meer 'n heldere,

vloeiende stroom, doch slechts 'n aaneenschakeling van poelen modderig

water, die met kroos en allerlei andere waterplanten bedekt waren.

In de tuin van de oude Kapitein zag 't er ook treurig uit. Van bloemen

was er bijna geen spoor te zien, en niettegenstaande alle pogingen,

die de oude heer aanwendde, kon hij nauweliks in de dagelikse behoeften

van groenten voorzien.

De Bergstroom, die uit een fontein in de rotsen gelegen ontsprong,

had nog een goede straal water, meer dan genoeg om mens en dier van

drinkwater te voorzien, en had Hartog genoeg ervaring bezeten en ook

'n ruimere blik in de toekomst gehad, dan zou hij misschien maatregelen

genomen hebben om landen en tuin te besproeien, en daardoor een groot

deel van zijn oogst gered hebben. Maar zover dacht de onervaren boer

nog niet.

Men droeg 't juk met gelatenheid en geduld, omdat het de Voorzienigheid

was, die wegens de zonden van de mens, hem aldus met zware hand

kastijdde.

Dit was ook 't gevoelen van Katrijn; het stemde haar treurig en zij

vergeleek het leven op 't land met dat op de zee, en onwillekeurig

kwam bij haar, de geuzedochter, 'n bijna onweerstaanbaar verlangen op,

om weer op het grote, ruime water te wezen, waar wel gevaren waren,

maar men die van het land niet kende.

Zij was echter verstandig genoeg om deze gedachten niet te uiten

tegenover haar man, want zij kon zien dat hij zelf zijn lot al zwaar

genoeg droeg en zij wilde dit niet erger maken door ontevredenheid

van haar kant.

De kosten van 't aanleggen van de plaats, van 't bouwen van het huis,

en het aanschaffen van 't vee en de gereedschappen, waren groter

geweest, dan waarop de jonge boer wel gerekend had, en schoon hij 'n

aardig duitje gemaakt had met de oogst van 't eerste jaar, wogen die

winsten lang niet op tegen de verliezen van 't tweede; zo was reeds

meer dan de helft van de 6000 gulden verdwenen, ook doordat Hartog,

om 't Katrijn thuis zo aangenaam mogelik te maken, heel wat geld had

uitgegeven voor nieuw huisraad.

Toen echter 't derde jaar even ongunstig, indien zelfs nog niet

erger was dan het tweede, en ziekte bijna al zijn vee deed sterven,

was Hartog verplicht om naar de jonge Notaris Van Doorn te schrijven

en hem te verzoeken een aanzienlike som over te zenden.

Hij deed dit zeer tegen zijn zin, want hij had die gelden willen

sparen tot later tijd, en wel met de gedachte, dat hij 't merendeel

daarvan aan zijn kinderen zou kunnen nalaten, en dezen daardoor iets

zouden hebben wanneer ze de wereld ingingen. Evenwel zij hier gezegd,

dat ofschoon Abraham en Katrijn reeds drie jaar getrouwd waren,

er nog geen tekenen waren, die op een nageslacht deden hopen.

Toen 't gevraagde geld uit Holland kwam, kocht Hartog zich nieuw vee

en bracht hij ook enige zeer nodige verbeteringen op de plaats aan.

Het feit dat hij nog over kapitaal te beschikken had, was natuurlik

een zegen voor hem. Veel moeiliker was de toestand in dat opzicht

van de hem omringende boeren, en vooral van de Franse vluchtelingen,

die geen stuiver van zichzelf bezaten en alleen moesten leven van de

opbrengst van hun landen en hun vee.

Drakenstein was ontzettend in omvang toegenomen, want de vluchtelingen,

die te Stellenbosch waren gevestigd, hadden langzamerhand dat dorp

verlaten en zich aangesloten bij de inwoners van Drakenstein en

Franschhoek; in 't jaar 1691 waren er dan ook reeds niet minder

dan 80 families in de vallei gevestigd, zodat deze meer op een lang

uitgestrekt dorp begon te lijken, dan op een aaneenschakeling van

boereplaatsen.

Meer dan de helft van die families behoorden tot de Hugenoten. Het

noodlot dat hen trof en de gelegenheid die hun bij elkaar wonen aan

hen gaf, om met elkander over hun bezwaren te spreken en hun klachten

te uiten, veroorzaakten dat er een geest van ontevredenheid onder hen

begon te ontstaan, en we zullen dan ook zien, dat zij later daardoor

in botsing kwamen met de Regering van de Kolonie.

Doch aan alle dingen komt 'n einde, ook aan tegenspoed, zowel als

aan voorspoed.

Het vierde jaar was even gunstig als de vorige twee jaren ongunstig

waren geweest. Er viel volop regen; 't gras begon welig te groeien,

't vee geraakte in goede toestand en daarmee hielden de veeziekten

op; de landerijen gaven 'n goede oogst en de wijnstokken waren zo

volgeladen met heerlike druiven, dat ze nauweliks in staat waren die

last te torsen. Al was de winst die men in dat jaar maakte, niet groot

genoeg om de geleden schade te dekken, zo was de boer toch uit de nood,

en vrolik ging hij weer de toekomst tegemoet.

HOOFDSTUK XXII.

EEN ONVERWACHT BEZOEK.

Abraham Hartog had op zijn vele tochten naar de Kaap dikwels een

bezoek gebracht aan het Kasteel, en daar een onderhoud gehad met

de Kommandeur, die in de jonge energieke boer belang stelde, en hem

zoveel mogelik aanmoedigde, zoals hij dan ook bewees, toen hij hem

de 1000 wijnstokken ten geschenke gaf.

Reeds verscheidene malen had de Kommandeur beloofd een bezoek te

zullen brengen aan Goede Hoop, maar eerst in 1692, was hij in staat,

om aan die belofte te voldoen.

Het was op een mooie dag in Oktober van dat jaar dat Abraham

Hartog in de achtermiddag naar zijn wingerd ging om te zien hoe

't daar gesteld was. Hij kwam er met een vrolik hart vandaan, want

de druivestokken waren beladen met jonge trossen, die er gezond en

veelbelovend uitzagen.

Op de terugweg zag hij in de verte iets aankomen dat op een rijtuig

geleek, en op enige afstand daarachter een tweede voertuig, en toen

hij wat wachtte, bleek 't dat het eerste rijtuig een karos was,

getrokken door vier paarden, terwijl het tweede 'n zware wagen was,

waarvoor zestien ossen waren gespannen.

Hartog begreep niet van wie die karos kon zijn, want hij wist, dat

niemand in Stellenbosch, in Drakenstein of Franschhoek, in het bezit

was van zulk een weeldeartikel.

Het rijtuig scheen blijkbaar naar Goede Hoop te gaan, want het sloeg 't

zijpad in, dat van de grote dorpsweg naar de plaats van Hartog leidde.

Abraham snelde dus naar huis om daar zijn bezoeker af te wachten en

aan zijn vrouw kennis te geven dat er mensen kwamen. Daarop ging hij

op de stoep staan, waarvoor dan ook de karos enige ogenblikken later

stilhield. Uit 't rijtuig stapte toen tot niet geringe verbazing van

de jonge boer, Simon van der Stel, gevolgd door luitenant Oloff Bergh,

die tot het Kaapse garnizoen behoorde.

Abraham groette de hoge bezoekers met alle verschuldigde eerbied,

waarop de Kommandeur zei: "Ja, meneer Hartog, eindelik ben ik hier,

en ik moet zeggen, dat ik de Heemraden van Stellenbosch, bij mijn

terugkomst aldaar een lelik standje zal maken over de wijze, waarop

zij de weg bij Drakenstein in orde houden. Mijn paarden hadden moeite

om de karos hierheen te trekken en mijn lichaam doet me pijn van al

de schokken en stoten, die ik in de laatste uren gekregen heb."

De jonge boer nodigde de Kommandeur uit, het huis binnen te gaan,

en toen men in 't voorhuis gezeten was, zei Zijn Edele:

"Je hebt bijna 't beste huis in Drakenstein, meneer Hartog, en 't

verschilt heel wat met de krotjes, waarin de meeste Hugenoten wonen."

Hartog antwoordde dat 't hem speet, dat de arme Franse vluchtelingen

nog zo slecht behuisd waren, en zei dat zij ook twee zware jaren

achter de rug hadden en in die tijd moeite genoeg hadden gehad om ziel

en lichaam bij elkaar te houden, en er dus geen sprake kon zijn van

't bouwen van nieuwe huizen.

Juist op dat ogenblik kwam Katrijn in 't voorhuis en groette de

Kommandeur, die zij vroeger reeds in de Kaap 'n enkele keer ontmoet

had. Zij maakte haar verontschuldiging dat ze er niet op gerekend

had zulke hoge gasten te ontvangen, en zei dat ze trachten zou het

Zijn Edele zo behaaglik mogelik te maken.

"Doe toch asjeblieft geen moeite, Mevrouw," zei Van der Stel, "mijn

wagen zal spoedig hier wezen en we zullen onze eigen tenten opslaan

en hebben genoeg proviand bij ons. Het weer is prachtig en de nachten

zijn al zo warm, dat ik liever in een tent slaap dan in een kamer."

Katrijn antwoordde: "Dat u verkiest buiten te slapen, kan ik me

begrijpen, maar ik hoop dat UEdele en luitenant Bergh ons de eer

zullen aandoen om uw maaltijden in ons huis te gebruiken."

"Dat zullen we met genoegen doen, Mevrouw, en ik ben er zeker van,

dat uw kookkunst ons bevredigen zal."

Toen Katrijn zich verwijderd had en de wagen van de Kommandeur was

aangekomen, sprak Van der Stel de wens uit om eens buiten naar de

boerderij te gaan kijken, en begaf men zich toen eerst naar 't tuintje

van de oude Kapitein, waar deze zich juist bevond.

De oude man was erg in zijn schik en wees de Kommandeur met zekere

trots, hoe mooi zijn bloemen er uitzagen en hoe heerlik zijn groenten

groeiden.

Van der Stel glimlachte en zei, dat dit de eerste keer in z'n leven

was, dat hij gezien had hoe er van een oude zeebonk een goede landrot

kon worden.

Hij vroeg aan de oude man, of hij somtijds niet naar de zee terug

verlangde, waarop de Kapitein antwoordde, dat dit niet het geval was,

want dat hij tans rustig en in vrede leefde, niet naar stormen behoorde

uit te zien en geen weerspannige bemanning in bedwang had te houden.

"Ik ben nu Kapitein te land," voegde hij er schertsend bij, "en daar

staat mijn stuurman, die zijn werk goed doet,"--bij welke laatste

woorden hij op de nabij staande Hottentot wees.

"Ge zoudt 'n aardig stuivertje uit die tuin kunnen maken," meende

Van der Stel, "wanneer u van uw groenten aan de andere inwoners van

Drakenstein zou verkopen."

"Zoveel heb ik niet," antwoordde de oude man, "en bovendien heeft

bijna elke inwoner van het dorp zijn eigen tuintje en wint daarin

genoeg om in zijn eigen behoeften te voorzien."

Van de tuin ging men naar de landerijen, waar 't koren en de haver

reeds aren begonnen te vertonen en 'n veelbelovende oogst voorspelden.

Van der Stel onderzocht 't koren, en toen hij bevond dat 't een

Hollandse soort was, zei hij:

"Meneer Hartog, als u weer in de stad komt, en me een bezoek brengt,

vergeet dan niet om me te vragen u een zak koren te geven. Verleden

jaar heb ik er een uit Indië gekregen, oorspronkelik uit Bengalen

afkomstig, en dat koren heb ik bij 't Rondeboschje laten zaaien, waar

't zó uitmuntend beantwoordde, dat we van dat ene mud er bijna 40

hebben gewonnen; ik zou graag zien, dat onze boeren zich op 't kweken

van dat soort koren toelegden. Ook zou ik u willen aanraden om een

nieuw stuk land aan te leggen, en daarop bonen en erten te zaaien,

want die beide artikelen worden door de schepen zeer verlangd, en

wij zijn bij verre niet in staat om aan de aanvraag te voldoen."

Hartog vroeg, wat de Kompanjie dan wel voor die artikelen betaalde,

waarop de Kommandeur antwoordde: "zeven gulden voor een zak bonen en

acht gulden voor een zak erten."

"En moeten we daarvan ook tienden betalen?" vroeg Hartog nu.

"Natuurlik," zei de Kommandeur.

De jonge boer glimlachte en hernam: "De Kompanjie zal 't wel eisen,

maar ik ben niet zo zeker er van dat hij daartoe 't recht heeft,

want onze grondbrieven houden alleen in, dat wij tienden moeten

betalen op graan, en ik geloof niet, dat erten en bonen als graan

kunnen worden beschouwd."

De Kommandeur lachte en antwoordde: "U schijnt voor advokaat in de wieg

gelegd te zijn, meneer Hartog, maar ik ben blij dat u mijn aandacht

op dit punt gevestigd hebt, want nu zal ik voortaan in de uit te geven

grondbrieven de woorden: "granen en andere veldgewassen" laten zetten."

Hartog beet zich op de lip, toen hij zag dat de Kommandeur hem te

slim af was.

Men stapte nu naar de wingerd, die door de Kommandeur nauwkeurig

werd onderzocht, en waar hij voorgesteld werd aan de jonge Nortier,

die hij enige vragen deed en daarop zijn hoge tevredenheid te kennen

gaf over 't gedane werk.

Men ging daarna terug naar het huis en Van der Stel bezichtigde het

wagenhuis en de veekralen, waarop hij vroeg of Hartog geen paarden

aanhield.

Hierop een ontkennend antwoord ontvangende, begon Van der Stel de

kwestie van paardeaanteelt te bespreken. Hij vertelde dat men in

't begin paarden uit Java had gekregen, doch bevonden had, dat die

hier verbasterden en aanzienlik kleiner werden; om die reden had hij

de Raad van Indië verzocht hem enige Perziese hengsten te sturen,

om daarmee een beter ras van paarden aan te telen. Er was, deelde hij

mede, een grote schaarste van paarden in de kolonie en 't werd meer

en meer nodig om bereden militairen te hebben, want die te voet waren

van geen nut bij 't vervolgen van de Bosjesmannen en andere veedieven.

De zon begon nu onder te gaan en nadat Van der Stel aan zijn bedienden

order had gegeven om de tenten op te slaan, ging men het huis weer

binnen.

Daar gekomen, bood Hartog de Kommandeur een glas wijn aan, en na deze

geproefd te hebben, vroeg hij of ze van Hartog's eigen wingerd was.

De gastheer antwoordde, dat hij dit jaar voor 't eerst zou persen,

en dat hij deze wijn had gekocht van een zekere Willem van Zijl,

die een van de oudste inwoners van Drakenstein was en vroeger aan de

Wijnberg had gewoond, waar hij zich ook voornamelik met de wijnbouw

had bezig gehouden.

"Deze wijn smaakt uitmuntend," zei Van der Stel daarop, "en gelijkt

veel op de wijnen van de Rijn, al heeft ze juist niet dezelfde geur,

en als ze wat ouder is, zal ze nog beter smaken."

"Dat is ook 't gevoelen van Nortier," antwoordde Hartog, "maar de

oude Abraham de Villiers, die zoals u weet, in Frankrijk een grote

wingerd bezat en een jaren lange ondervinding heeft, meent dat deze

wijn te licht is en waarschijnlik spoedig zuur zal worden, zodat ze

alleen bewaard kan worden door toevoeging van alkohol, wat natuurlik

de wijn heel wat zwaarder zal maken."

"Ik ken de oude Willem van Zijl heel goed," zei de Kommandeur,

"uit de tijd toen hij nog bij de Wijnberg woonde, en ik zal trachten

'n legger van deze wijn van hem te krijgen, en die naar Holland te

sturen, om te zien, of ze de zeereis verdraagt. Doet ze dat, dan zou

men heel wat kopers in Holland daarvoor krijgen."

Katrijn trad nu de kamer binnen en deelde mede, dat 't avondeten

gereed was, waarop men zich naar de eetkamer begaf.

De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal · 第 7 / 10 段