besloot dus niet langer op de drie blanken te wachten, maar de
terugreis naar de Tafelbaai te aanvaarden.
De reis naar 't Oosten had de Centaurus bijna drie maanden genomen;
de terugreis werd in 8 dagen afgelegd en op de 19de Februarie zeilde
het schip met zijn niet talrijke bemanning de Baai binnen.
HOOFDSTUK XVII.
HET VERHAAL VAN DE JONGE FRANSMAN.
De geschiedenis van Zuid-Afrika is zo vol merkwaardige en
belangwekkende gebeurtenissen, dat 'n geoefend schrijver, wie 't niet
aan verbeeldingskracht ontbreekt, daarin wel genoeg stof zou kunnen
vinden voor 'n vijftigtal romans.
Onder die wetenswaardige voorvallen mogen ongetwijfeld gerekend
worden de avonturen van de jonge Fransman, die tesamen met de
schipbreukelingen van de Stavenisse door de Centaurus naar de Kaap
werd gebracht.
Zijn naam was Guillaume Chenut, en hij was toen iets over de 17
jaar oud.
Hij kon slechts Frans spreken, maar 'n korte schets van wat hij
doorgemaakt had, was reeds ter ore van Kapitein Hartog gekomen, en
daar deze wat meer ervan wilde weten, bracht hij op zekere dag de
jonge Fransman naar de Stadsherberg, om hem daar aan Katrijn en haar
vader zijn verhaal te laten doen.
Een soldaat van het Kasteel, die van geboorte Fransman was, doch reeds
lang genoeg in de dienst van de Kompanjie om Hollands goed te kunnen
spreken, werd door Hartog ook medegenomen, om als tolk te dienen.
De jongeling vertelde dan het volgende:
"Ik ben de tweede zoon van Baron Louis Chenut, die omtrent 20 jaar
geleden 'n klein kasteel bezat, niet ver van 't stadje Guyon in de
provinsie Guyenne.
"Onze familie was vroeger zeer rijk en in 't bezit van grote
landerijen, maar daarvan werd gedurende de godsdienstoorlogen veel
verkocht tot ondersteuning van de zaak van onze geloofsgenoten, de
Hugenoten. Mijn vader was zodoende slechts in 't bezit gebleven van
't oude kasteel met niet meer dan 'n paar honderd morgen grond; maar de
opbrengst daarvan was voldoende om onze kleine familie te onderhouden.
"In 1680 begonnen onder Koning Lodewijk XIV, opnieuw de vervolgingen
van de Hugenoten, en daar mijn vader een man was, die grote invloed
uitoefende in zijn omgeving, werd hij 't mikpunt van de Roomse
Geestelikheid, en op alle mogelike manieren getergd en geplaagd.
"Mijn oudste broer, die zes jaar ouder dan ik was, studeerde te Parijs,
en ik zelf bezocht 'n Protestantse school te Nantes.
"Ik was nog maar 12 jaar, toen ik plotseling het bericht kreeg, dat
'n aantal Katholieken uit de lagere klassen van 't volk, daartoe
aangehitst door de priesters van Guyon, een nachtelike aanval gedaan
hadden op 't kasteel van mijn vader en dit in brand gestoken; mijn
beide ouders waren in de vlammen omgekomen.
"Te Nantes woonde een oom van mij, de jongere broeder van mijn vader,
en daar men ook op die plaats heftig optrad tegen de Hugenoten,
besloot mijn oom naar Engeland te vluchten en mij met zich te nemen.
"Een jaar lang woonden we in Londen, waar mijn oom 'n karig bestaan
vond door 't geven van lessen in 't Frans en op de viool, 'n instrument
dat hij zeer goed bespeelde.
"Hij vatte echter een kou, kreeg een ontsteking in de longen en
stierf na 'n kort ziekbed, mij niets nalatende als zijn viool en
enkele losse shillings.
"Ik verkocht de viool voor enige ponden, en deze hielden me 'n paar
weken in 't leven, maar daarna was ik zonder enig middel van bestaan.
"Terwijl ik rondzwierf in de straten van de grote Engelse stad,
ontmoette ik onverwacht 'n Engelse zeekapitein, die vroeger dikwels
Nantes had bezocht en toen goed bekend was met mijn oom en mij.
"Ik vertelde hem de ongelukkige omstandigheden waarin ik verkeerde,
en hij nam mij met zich naar zijn huis en onderhield me daar voor
meer dan een jaar.
"Na verloop daarvan nam hij mij aan boord van zijn schip en ik
zeilde met hem naar New-York, waar we geruime tijd vertoefden, daar
de Kapitein verscheidene reizen langs de kust van Amerika deed met
volle vrachten, en hij rijkelik geld verdiende.
"Drie jaar geleden kreeg hij 'n grote vracht om naar Engels-Indië te
vervoeren, en vertrok met zijn schip daarheen. De reis was aanvankelik
zeer voorspoedig, maar toen we langs de kust van Zuid-Afrika kwamen,
kregen we enige dagen lang zulk een windstilte, dat de schipper
genoodzaakt was het anker in een baai, niet ver van Natal, te werpen.
"Daar de zee zo kalm was, besloot de Kapitein een boot te bemannen
en een bezoek te brengen aan 't land; ik ging met hem mede. Niemand
op de kust ziende, namen we geen wapens hoegenaamd met ons.
"Toen we geland waren en ons omtrent een mijl van de kust begeven
hadden, werden we plotseling aangevallen door 'n bende Kaffers, die
de Kapitein en alle anderen vermoordden. Ik zelf werd zwaar gewond,
maar de Kaffers doodden me niet, doch brachten me naar hun dorp of
kraal en verzorgden me daar, totdat ik geheel hersteld was. Toen ik
weer gezond was, nam 't Kafferopperhoofd, Sotopa genaamd, me onder
zijn bescherming en zorgde voor me.
"Ik had 't er niet slecht, kreeg 'n hut voor mezelf en genoeg kost. Al
spoedig leerde ik de kaffertaal en hoorde dat de naam van het volk,
de Amaxosa was, en dat het groot-opperhoofd van de stam Togu heette.
"Na meer dan twee jaar bij deze Kaffers gebleven te zijn, vernam ik,
dat er in de buurt kleine troepjes blanken rondzwierven. Ik vatte
nu 't plan op om uit de kafferkraal te ontsnappen en de blanken op
te zoeken. Dit gelukte me en ik vond omtrent een twintigtal van de
bemanning van de Stavenisse, bij wie ik me aansloot en bleef totdat
we door de Centaurus gered werden.
"Ik had een zware tijd met de blanken, want ze hadden geen voedsel
en geen ruilmiddelen om iets van de Kaffers te kopen; ze waren dus
verplicht hun karig bestaan te vinden, door op de rotsen mosselen en
oesters te zoeken en eetbare bolgewassen, die ik bij de Kaffers had
leren kennen, uit te graven."
Hier eindigde 't verhaal van de jonge Fransman en allen betoonden
hun deelneming met zijn ongelukkig lot.
"En wat ga je nu beginnen, m'n jongen?" vroeg Katrijn.
"Er zit niets anders voor me op, dan om dienst te nemen bij de
Kompanjie, hetzij als matroos of als soldaat," was 't antwoord.
Gelukkig voor de jongen, behoefde dit niet, want 't bleek spoedig
daarna, dat Kapitein Dominique de Chavonnes, die kort daarop uit
Holland aan de Kaap kwam, als bevelhebber van 't garnizoen, goed
bekend was met de familie Chenut, en wist dat de oudste broeder van
Guillaume 'n hoge betrekking bekleedde aan het Hof van de Stadhouder
van Friesland.
Er werd toen over deze zaak geschreven aan de Kamer van Zeventien,
met verzoek hieromtrent inlichtingen in te winnen, en het gevolg was,
dat de oudere Chenut niet alleen een som gelds zond ten behoeve van
zijn jongere broeder, maar tevens aan de Kompanjie verzocht, om deze
zo spoedig mogelik naar Holland terug te sturen.
Een volledig verhaal van de wonderbare lotgevallen van de jonge Chenut
vindt men in het deeltje van deze serie: De Zoon van de Hugenoot.
HOOFDSTUK XVIII.
DE REIS VAN DE NOORD.
De Centaurus werd na zijn terugkomst weer in dienst gesteld als
kustboot tussen Saldanha Baai en Tafelbaai, Hartog bleef er nog
enige maanden Kapitein op, maar in Oktober 1688 werd hij als zodanig
overgeplaatst op 'n groter schip, de Noord, die reeds geruime tijd
had gevaren als kustboot, doch op 19 Oktober 1688, de Tafelbaai
verliet om opnieuw een onderzoek in te stellen naar de nog vermiste
schipbreukelingen van de Stavenisse. Behalve Hartog had de Noord een
bemanning van 18 koppen, waaronder ook William Christian, die als
Eerste stuurman dienst deed.
Hartog had bevel om eerst naar Delagoa Baai te zeilen, die Baai goed
te onderzoeken en alle mogelike inlichtingen in te winnen omtrent
de landstreek in de buurt er van. Op zijn terugreis moest hij dan
onderzoek doen naar de vermiste schipbreukelingen.
Op 15 November van 't zelfde jaar kwam de Noord in Delagoa Baai aan,
en vond er twee schepen, 't ene Engels, en 't andere Portugees. De
bemanning van het Engelse schip had op een klein eiland een tent
opgeslagen en dreef handel met de naburige Kafferstammen, die zich
zeer vriendschappelik gedroegen.
De Portugezen hadden een gebouwtje opgericht op 't vaste land, nabij de
mond van de Manisa rivier, en van daar uit zonden ze kleine expedities
naar 't binnenland en zelfs naar de St. Lucia Baai, waardoor ze heel
wat ivoor verkregen.
De Hollanders onderzochten de Baai en maakten kennis met de
inboorlingen, die hen vriendelik ontvingen, maar ten slotte sluwe
dieven bleken te zijn.
Aan 't einde van het jaar vertrok de Noord weder, met vier man ziek
aan de koorts. Vijf dagen later wierp men het anker in de Baai van
Natal, en zag daar toen enige mensen op 't land signalen maken.
Een boot werd er heen gezonden en kwam terug met twee man, die tot
de bemanning van de Stavenisse hadden behoord.
Hartog liet peilingen doen op de zandbank, gelegen voor de ingang van
de binnenste baai, en daar hij er een diepte van 15 voet vond, zeilde
hij over de zandbank en wierp 't anker op korte afstand van de kust.
De zieken werden aan land gebracht en in een tent geplaatst, waar twee
van hen aan de koorts stierven, die ze in Delagoa Baai hadden opgedaan.
Men vond dat de Abambo's zeer vriendschappelik waren en geredelik
voedsel verkochten tegen zeer lage prijzen: voor drie kralen kocht
men 'n hoender, voor vier kreeg men drie grote pompoenen; melk en
kafferkoren waren ook zeer goedkoop.
Hartog zond vier man, waaronder 'n mijnwerker, 't binnenland in, om
te zien of men metaalertsen kon vinden, maar ze kwamen onverrichter
zake terug, na 'n afwezigheid van acht dagen.
Toen de Centaurus bijna twee jaar geleden zijn reis naar de Kaap
begon, liet hij vier Engelsen en een Fransman in Natal achter, maar
de bemanning van de Noord hoorde niets van dezen. Voordat de Noord
weder vertrok, gaf William Christian echter op 't laatste ogenblik
drie brieven aan een zekere kaffer, Panda genaamd, met wie hij vroeger
zeer goed bevriend was, en 't is zeer waarschijnlik dat die brieven
geadresseerd waren aan z'n oude makkers, die misschien verder in het
binnenland woonden.
Op 23 Januarie verliet de Noord Natal, doch werd door een storm
zeewaarts gedreven, zodat hij eerst twee dagen later, de mond van de
Buffalo bereikte, waar men het anker wierp.
Men stuurde een boot naar 't land, doch deze was niet in staat om
door de sterke branding te komen. Een der matrozen echter sprong in
't water en bereikte veilig de kust, waar hij enige Kaffers ontmoette
en van hen vernam, dat twee Hollanders zich in de buurt ophielden.
Die middag trachtte de boot opnieuw door de branding te gaan,
doch slaagde er niet in, maar 't gelukte een van de bemanning van
de Stavenisse om van de kust naar de boot te zwemmen en veilig aan
boord te komen.
De volgende dag deed men een poging om de andere schipbreukeling te
redden door middel van een uitgeworpen lijn, maar deze kon door de
branding 't land niet bereiken en de Noord moest die avond zonder
hem vertrekken.
Op 6 Februarie was de Noord weer in de Tafelbaai.
De reizen van de Centaurus en de Noord waren van groot nut, want door
de geredde schipbreukelingen van de Stavenisse, werd men bekend met
't leven en de gewoonten van de verschillende kafferstammen.
De beschrijvingen door hen gegeven, stemden volkomen overeen met
wat we tans van de Kaffers weten, en bewijzen dat de mannen van de
Stavenisse hun ogen en oren goed hadden gebruikt.
In Oktober 1689 vertrok de Noord voor de tweede maal naar de Oostkust,
doch toen was Hartog niet meer z'n Kapitein, maar voerde zekere Pieter
Timmerman 't bevel.
Nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse werden op deze wijze
gevonden, maar ongelukkig kwam de Noord tot 'n treurig einde, want op
16 Januarie van 't volgende jaar strandde hij niet ver van de plaats,
nu bekend als Kaap St. Francis.
De bemanning, 18 in aantal, bereikte veilig 't land en trachtte de
Kaap te voet te bereiken.
De stuurman Teunis van der Schelling kwam met drie anderen op 27
Maart bij het Kasteel aan en toen pogingen gedaan werden om de rest
van de bemanning op te zoeken, slaagde men er in slechts twee man
meer te redden; de anderen waren of door de Bosjesmannen vermoord,
of van honger omgekomen.
HOOFDSTUK XIX.
TWEE BRIEVEN VAN BELANG.
In 't begin van Oktober 1689 kwam de uitgaande vloot van Holland
naar Oost-Indië de Tafelbaai binnen, en onder de brieven, die deze
van Patria meebracht, waren er twee voor Abraham Hartog.
Aan het adres te zien, waren ze van één persoon, en toen Hartog ze
opende, bleken ze dan ook beide te zijn verzonden door de oudste zoon
van Notaris van Doorn.
De eerste brief luidde als volgt:
Geachte Heer,
Uw brief van 5 Oktober 1687 bereikte mij veilig. Hij was
geadresseerd aan mijn vader, doch deze heeft zich meer dan een
jaar geleden van alle zaken teruggetrokken en ik sta tans aan
't hoofd van 't kantoor.
Wat aangaat de gelden ten bedrage van 1950 gulden, die u bijna 9
jaar geleden aan mijn vader overhandigd hebt, kan ik u de volgende
mededelingen doen.
Daar u de vrije beschikking over uw geld aan mijn vader hebt
gelaten, heeft deze goedgevonden, het dadelik te beleggen in
aandelen van de Oost Indiese Kompanjie, en aangezien de dividenden
door de Kompanjie uitbetaald, aanzienlike sommen bedroegen, heeft
hij ook die in dezelfde aandelen gestoken, met 't gevolg dat
't oorspronkelik kapitaal tans vermeerderd is tot 'n bedrag van
6025 gulden.
Dit bedrag is te eniger tijd te uwer beschikking, en indien u
zulks verkiest, zal ik de gehele som aan u overmaken door middel
van de Rotterdamse Kamer van de Kompanjie.
Met achting
de Uwe
Eduard van Doorn.
De tweede brief was 14 dagen later gedateerd en bevatte 't volgende:
Geachte Heer,
De brief door u aan uw vader geschreven, is mij ter hand gekomen
in mijn hoedanigheid van Exekuteur in de boedel van uw vader,
want deze is na een ziekbed van enige maanden in Maart van dit
jaar overleden.
Enige weken na uw vertrek heeft mijn vader voor de uwe een
testament opgetrokken, waarbij hij de helft van zijn vermogen
naliet aan zijn zuster Anna en de andere helft vermaakte aan
verschillende liefdadige instellingen, terwijl slechts honderd
gulden aan u nagelaten werd; omtrent één maand voor zijn dood, toen
ik reeds aan 't hoofd van het kantoor stond, had hij echter een
vertrouwelik onderhoud met mijn vader, en werd ik later door hem
geroepen om een nieuw testament op te trekken, waardoor natuurlik
het vroegere verviel.
Bij dit laatste testament vermaakte hij aan zijn zuster Anna
het huis te Rotterdam door hem bewoond, benevens een som van
tien-duizend gulden, en aan liefdadige instellingen enige kleine
legaten tesamen ten bedrage van vijf-duizend gulden, en benoemde
hij u tot zijn erfgenaam van 't overige.
De boedel is nog niet geheel vereffend, aangezien er zekere vaste
eigendommen zijn, die nog niet getakseerd werden, maar volgens
'n matige berekening door mij gemaakt, zal uw aandeel omtrent
zeventig-duizend gulden wezen.
Wij hadden allen gemeend, dat uw vader veel meer bezat, maar
't blijkt dat hij enige jaren voor zijn dood zeer belangrijke
verliezen leed door 't faljiet gaan van twee grote kooplieden te
Venetië en te Konstantinopel, waarbij hij meer dan de helft van
zijn kapitaal verloor.
Zodra de boedel vereffend is, zal ik u een afschrift zenden van
de goedgekeurde boedelrekening.
Hebt u echter intussen geld nodig, dan kunt u op mij trekken, door
middel van de Rotterdamse Kamer van de Oost Indiese Kompanjie,
ten bedrage van niet meer dan dertig-duizend gulden.
Ik mag hierbij voegen, dat bij 't maken van dit testament uw vader
zijn innig berouw heeft te kennen gegeven over de houding, die hij
indertijd tegenover u aangenomen had, en u alles vergeven heeft,
wat door u misdaan was.
In de hoop spoedig van u te vernemen, heb ik de eer te zijn.
Uw dw. dienaar,
Eduard van Doorn.
Men kan zich begrijpen dat de jonge Kapitein deze brieven met
verschillende aandoeningen ontving.
Hij was natuurlik diep bedroefd over 't bericht dat zijn vader
overleden was, maar daarentegen was 't met een gevoel van dankbaarheid,
dat hij vernam dat hem ten slotte alles vergeven, en hij in al zijn
rechten hersteld was.
Hij gevoelde ook diepe erkentelikheid jegens de oude Notaris, die op
zulk een verstandige wijze zijn geld belegd had, zodat 't kapitaal
meer dan verdrievoudigd was.
Maar, en dit bovenal, verheugde hem de gedachte, dat hij tans in staat
zou zijn om naar Katrijn te gaan en haar om een afdoend antwoord te
vragen, want 't leed geen twijfel, dat hij nu in staat was, 'n vrouw
behoorlik te onderhouden.
Kapitein Knijf en zijn dochter woonden niet meer in de Stadsherberg,
want ook hij had goed nieuws uit Holland ontvangen. Zijn vaste goederen
in Vlissingen waren tegen buitengewoon hoge prijzen van de hand gezet,
en toen alles bij elkaar gerekend werd, vond hij zich in 't bezit van
een kapitaal van ongeveer tien-duizend gulden, op de rente waarvan
hij met enige zuinigheid vrij wel kon leven.
Hij had daarom 'n kleine, maar nette woning gehuurd voorbij het
Kasteel, op de weg naar Simonsstad, op de tegenwoordige Sir Lowry's
Road.
Bij 't huis behoorde omstreeks een halve morgen grond en 't grote
genoegen van de Kapitein was om die tuin te bewerken en er voldoende
groenten van te winnen voor eigen gebruik.
De Kapitein was zijn zwaarmoedigheid te boven gekomen, niet alleen
omdat zijn financiële zaken zo goed gebleken waren, maar voornamelik
omdat hem door de Kompanjie 't bevel was aangeboden over een nieuw
schip van de 2de klasse.
Dit aanbod had hij weliswaar afgeslagen, maar 't bewees hem toch dat
de Kompanjie er niet aan dacht hem verantwoordelik te stellen voor
't vergaan van de Stavenisse.
Diezelfde avond bracht Abraham Hartog, die nog steeds zijn
intrek had in de Stadsherberg, 'n bezoek aan de kleine woning van
Kapitein Knijf. Toen hij daar kwam, was Katrijn juist bezig om na
't avondeten de tafel af te dekken, en nadat zij dit gedaan had, ging
ze rustig naast de grote leuningstoel van haar vader zitten. Hartog
overhandigde haar de eerste brief van de jonge Van Doorn en zij las
die aandachtig door. Nadat zij daarmede klaar was, keek ze de jonge
man recht in de ogen, terwijl haar gelaat zich met 'n donkere blos
overdekte. Vervolgens stond zij kalm op, vatte Hartog bij de hand en
zei tot haar vader:
"Vader, Hartog en ik hebben ons met elkaar verloofd, en wij vragen
daarop uw toestemming en uw zegen."
De oude Kapitein glimlachte van genoegen en zei:
"Kinderen, dit is de vervulling van een hoop, die ik al maanden lang
in mijn hart heb gevoed. Ik wenste vóór mijn dood de toekomst van
mijn enig kind verzekerd te zien, en ik hoop, Hartog, dat je haar
gelukkig zult maken en goed voor haar zorgen, alhoewel je het met je
salaris van 40 gulden per maand, heel zuinig zult moeten aanleggen."
Katrijn las toen de brief van de Notaris voor en zei:
"U ziet, Vader, dat we wat meer hebben dan 40 gulden in de maand en
dat Hartog de beschikking heeft over 'n vrij grote som, waarmee hij
heel wat kan doen."
Hartog haalde nu de tweede brief van de jonge Van Doorn uit z'n zak en
gaf die ook ter lezing aan 't meisje, dat toen ze die brief geëindigd
had snel opsprong en zei:
"Abraham, je hebt me gefopt; je bent niet alleen 'n wel-af man, maar
'n schatrijke, en ik weet niet of ik je nu nemen kan, want ik ben niet
'n meisje, dat de hoge positie in de wereld kan innemen en de stand
ophouden, die 'n vrouw als de jouwe zal passen."
Hartog glimlachte en antwoordde:
"Katrijn, maak je daarover maar niet ongerust. Al bezat ik tien ton
gouds, en al was ik de rijkste man in deze volkplanting, dan zou ik
toch nog eenvoudig leven, en zonder praal en weelde de wereld doorgaan,
want geld maakt niet gelukkig en hoe meer geld, hoe meer zorgen."
Dat de Kapitein, toen ook hij de tweede brief gelezen had, niet
weinig verbaasd was over de inhoud daarvan, behoeven we nauweliks te
zeggen. Hartog was nu verplicht zijn gehele levensgeschiedenis aan de
oude man te verhalen, evenals hij dit in Natal aan Katrijn had gedaan.
"En wat ga je nu beginnen?" vroeg de Kapitein. "Als ik jou was, kocht
ik me 'n mooi schip en dreef daarmee handel op de Oostkust van Afrika,
vooral in slaven, waarmee heel wat geld te verdienen is."
"Dank u hartelik, Kapitein," zei de jonge man. "In de eerste plaats
heb ik geen lust meer om op zee te gaan, en ten tweede is het handelen
in slaven 'n baantje, waarvoor ik me niet geschikt acht, want daarvoor
moet je 'n hart als 'n klip en al je zelfrespekt verloren hebben. Ik
heb 'n beter plan: de Regering is juist begonnen met 't uitgeven van
nieuwe plaatsen te Drakenstein, en ik wil me daar ook 'n goed stuk
grond uitzoeken en 'n boerderij beginnen. Daar kunnen we dan rustig
wonen, wat vee houden en ons voornamelik toeleggen op de wijnbouw,
waarvoor de grond uiterst geschikt is naar ik hoor. Ik heb kennis
gemaakt met 'n jonge Hugenoot, Jean Nortier, de zoon van een wijnboer
in 't zuiden van Frankrijk, die veel kennis heeft van de wijnbouw,
en die gewillig is, om voor een tamelik loon het toezicht over de
plaats te houden en me alle nodige inlichtingen te geven."
De Kapitein vond dit 'n goed plan en Katrijn zei: "Natuurlik, Vader,
als Abraham en ik getrouwd zijn, en we op de plaats gaan wonen, dan
komt u bij ons uw intrek nemen; daar kunt u dan uw oude dag in rust
en vrede doorbrengen, zonder u om iets te bekommeren."
Op deze woorden sloot de oude man, met tranen in de ogen, zijn dochter
in z'n armen, en kuste haar hartelik. Daarop zei hij: "Katrijn,
haal me eens 'n bottel van de Bourgondiese wijn, die ik drie maanden
geleden van de Kapitein van 't Franse schip heb gekocht, want op deze
gelukkige avond, kunnen we wel 'n potje breken."
Het was half elf, toen Abraham Hartog afscheid van Vader en dochter
nam, en met een gelukkig, weltevreden hart zich naar zijn kamer in
de Stadsherberg begaf.
HOOFDSTUK XX.
VAN ZEEMAN TOT BOER.
In 't jaar 1687 had Kommandeur Simon van der Stel 'n bezoek gebracht
aan een prachtige vallei, die dertig jaar te voren aan de voet van
de Simonsberg ontdekt was door de Fiskaal Abraham Gabbema.
Deze vallei had nog geen naam en de Kommandeur noemde ze Drakenstein,
naar 'n zeker landgoed van de heer van Mijdrecht in Holland.
Tijdens dat bezoek liet hij langs de Bergrivier 23 plaatsen uitmeten,
ieder van omtrent 60 morgen, en deze werden uitgegeven aan burgers,
tegen betaling van één tiende van 't graan, en de kosten van de
opmeting en de grondbrief. Bij betaling daarvan verkregen de burgers
't volle eigendom van de grond, op voorwaarde dat, wanneer de eigenaar
niet binnen één jaar begonnen was om de grond te bebouwen, of de
plaats later verliet, deze aan de Regering zou terugvallen.
Die voorwaarde was nodig omdat de ondervinding geleerd had, dat velen
van de burgers die grond kregen, ongeschikt bleken voor de boerderij,
en de plaatsen verlieten of de grond verkochten.
Abraham Hartog was niet tevreden met 'n stukje grond van 60 morgen,
maar deed aanzoek voor drie aan elkander grenzende stukken: één voor
hemzelf, één voor Willem Knijf en één voor Catharina Knijf.
Dit werd hem toegestaan, want de Goeverneur was niet weinig verblijd om
een kolonist te krijgen, die niet alleen uit liefhebberij wilde boeren,
maar ook 't nodige kapitaal bezat, om de grond behoorlik te bewerken.
Zodra alles geregeld was, en hij de grondbrieven in zijn bezit had,
trok de jonge man, door middel van de Kompanjie een wissel op de heer
Van Doorn voor de 6025 gulden en liet daarna dadelik 'n klein, doch
geriefelik huis op de plaats bouwen, terwijl hij de jonge Nortier aan
't werk zette met 't aanleggen van de wingerd.
Vervolgens kocht hij op krediet, van de Kompanjie 'n twaalftal koeien,
een bul, alsmede 100 schapen, en 't nodige boeregereedschap, dat de
Kompanjie hem, als naar gewoonte, verschafte tegen de inkoopsprijs
in Holland.
Hierna verzocht de jongeling aan Katrijn om de dag voor 't huwelik
te bepalen, en deze stelde daarvoor de 4de Julie 1689 vast.
Tegen die tijd zou 't huisje op de plaats nog niet klaar zijn, maar
men zou zolang in 'n ruime tent gaan wonen, totdat men z'n intrek in
't huis kon nemen.
Toen de grond voor de wingerd bestemd, behoorlik ommuurd en gedolven
was, en de tijd van planten aangekomen, kocht Hartog 'n tien-duizend
jonge wijnstokken en ontving bovendien als geschenk van de Kommandeur,
duizend stokken van diens plaats te Constantia.