Centaurus te blijven en Kapitein Knijf zei, dat hij van plan was,
om voor zich en zijn dochter intrek te nemen in de Stadsherberg,
de anderen namen 't voorstel van de Kommandeur met dank aan.
Toen onze vrienden voor 't laatst weder op de Centaurus bijeen waren,
vond er 'n niet onaardige plechtigheid plaats.
Op verzoek van de bootsman kwamen allen, en dus ook Katrijn, op
't dek te zamen, en daar hield hij de volgende aanspraak:
"Juffrouw Katrijn, zoals u weet, hebben alle offisieren en manschappen
van de Stavenisse, die hier zijn, 'n gedeelte van hun gage ontvangen,
en de enige die niet betaald werd is u. U hebt ons echter van af
de dag van de schipbreuk zo goed en vriendelik behandeld, dat we
ons gedwongen voelen u een klein bewijs te geven van onze achting en
dankbaarheid, en onze waardering van uw flink gedrag; daarom hopen we
dan ook dat u zo goed zult wezen om 't kleine bedrag, dat dit zakje
bevat van ons te willen aannemen." Na deze woorden overhandigde hij
't meisje het zakje, dat 25 blanke rijksdaalders bleek te bevatten.
Katrijn was zo verbaasd, dat ze eerst geen woord kon zeggen en barstte
daarna in 'n luid gelach uit, en toen ze zich eindelik bedwongen had,
sprak ze:
"Kerels, zijn jullie nou mal! Wat ik gedaan heb voor jullie, was
uit puur plezier, en niet meer dan mijn plicht, als de dochter van
jullie Kapitein. Jullie hebben het geld zelf hard nodig en ik zal dit
geschenk niet aannemen, want als ik iets wil hebben, kan mijn vader
't mij geven."
Maar na lang aandringen van al de gevers nam 't meisje ten slotte
't geld toch aan, en zei, dat ze 't gebruiken zou om 'n sieraad te
kopen, als een aandenken aan de schipbreuk van de Stavenisse.
Daarop gingen de Kapitein en zijn dochter naar de Stadsherberg,
kregen daar twee vrij goede kamers en maakten er schikkingen voor
't gebruiken van hun maaltijden tegen een zeer redelike prijs.
De anderen gingen naar het Kasteel, terwijl Kingston en Christian
aan boord bleven.
Op de volgende Vrijdag kwamen allen weer bijeen op het Kasteel en
traden om half elf de grote zaal binnen, waar de Politieke Raad
vergaderd was.
Aan 't hoofd van de lange, met groei baai beklede tafel zat de
Kommandeur in een grote leuningstoel. Aan weerszijden van hem was
een Kapitein gezeten, en dan volgden de andere leden naar hun rang.
Kapitein Knijf was de eerste die getuigenis moest afleggen. Nadat hij
'n omstandig verhaal van alles had gedaan, werd hij aan een scherp
kruisverhoor onderworpen door een van de Kapiteins.
"Ge zegt dat volgens uw berekening het schip nog minstens 100 mijl van
't land zou zijn geweest; waarop hebt ge die berekening gegrond?" vroeg
hij.
"Aangezien de lucht bewolkt bleef, en ik daardoor niet in staat was
waarnemingen te doen, kon ik niet anders dan de gemiddelde vaart
van 't schip per dag nemen en daarnaar mijn berekening maken," was
't antwoord.
"Waaraan schrijft ge het dan toe dat ge u zoveel mijl misgist hebt?"
"Daaraan, dat 't schip sneller zeilde dan ik meende, en ook aan
'n stroming die zich sterk in westelike richting bewoog."
"Hoe laat hebt u op de 16de Februarie 't dek verlaten?"
"Even vóór acht uur loste de Eerste stuurman mij af, en ik ging
dadelik daarop naar bed."
"De eerste wacht was eigenlik de uwe, en u hebt dus omgeruild met de
Eerste stuurman?"
"Dat is zo."
"Hebt u daarvan aantekening gemaakt in uw scheepsjournaal?"
"Ja," antwoordde Knijf, "voordat ik naar beneden ging, deed ik dat."
"Waar was de Eerste stuurman toen u om zo wat 10 uur op 't kampanjedek
kwam?"
"Hij was niet op 't dek, maar 'n half uur later kwam hij uit zijn
kajuit, en ik vroeg hem naar de reden van zijn afwezigheid, waarop
hij antwoordde, dat hij zo zenuwachtig was over 't ongeluk, dat hij
half van z'n verstand was geraakt."
"Hoe was de verstandhouding tussen u en de Eerste stuurman?"
"Ik had niets tegen hem," zei Knijf, "maar vanaf de eerste dag dat ik
't dek van de Stavenisse betrad, was hij nors en stuurs tegenover mij,
en vond ik het zeer moeilik met hem klaar te komen."
"Wat was de oorzaak daarvan?"
"Bepaald weet ik dit niet, maar ik heb vernomen, dat hij verwacht
had om zelf Kapitein van de Stavenisse te worden, en dat hij erg
teleurgesteld was, toen hij vernam, dat die betrekking aan iemand
anders was opgedragen. Hij was zeer opgewonden van aard en kon erg
te keer gaan tegen 't scheepsvolk."
Abraham Hartog was de volgende getuige, en ook hij moest 'n
kruisverhoor doorstaan, waarin hij verklaarde, dat, wanneer stuurman
Hogesaad op de eerste waarschuwing van de uitkijk, dadelik de nodige
maatregelen had genomen, het schip naar zijn mening 't gevaar ontkomen
zou zijn.
Een van de Kapiteins vroeg hem om dit wat duideliker te verklaren,
waarop Hartog antwoordde: "Toen de uitkijk voor 't eerst land zag,
moet 't schip omtrent vijf of zes kabellengten van de kust geweest
zijn. Er was toen niet veel wind, maar genoeg om de zeilen te vullen,
en als de Eerste stuurman order gegeven had om de raas te brassen
en 't roer te wenden, zou 't schip, dat uitmuntend naar het roer
luisterde, gemakkelik van koers zijn veranderd; wanneer de steven
Oost-Zuid-Oost was gekeerd, zou 't uit de bocht geraakt zijn, waarin
't nu strandde, want tussen 't eerste en tweede geroep van de uitkijk
ging 'n kwartier voorbij."
De andere Kapitein vroeg op scherpe toon:
"U wijt dus 't verlies van de Stavenisse aan de onverschilligheid of
onbekwaamheid van de Eerste offisier?"
"Het spijt mij dat ik niet anders zeggen kan," antwoordde Hartog
bedaard.
Reich, de matroos die op de uitkijk was geweest, legde 'n dergelijke
verklaring af als Hartog en ook hij wierp de schuld op Hogesaad.
De uitkijk op de voorboeg was niet tegenwoordig, daar hij een van de
47 was die over land waren getrokken.
Van de andere tans tegenwoordige offisieren en manschappen was er geen
een op 't dek geweest in de kritieke ogenblikken, en hun verklaring
was dus niet van veel belang, behalve wat betreft de verhouding,
die tussen Hogesaad en de bemanning bestond.
Na afloop van 't verhoor, zei de Kommandeur, dat de Raad in z'n
volgende zitting uitspraak in de zaak zou geven.
Deze zitting zou in de gewone loop van zaken eerst op de volgende
Vrijdag plaats gevonden hebben, maar daar de Kapiteins van de twee
schepen zeer verlangden om zo spoedig mogelik hun reis naar Indië voort
te zetten, deed de Kommandeur 'n buitengewone zitting bijeenroepen
tegen de volgende Maandag, en liet daarvan kennis geven aan allen
van de Stavenisse en tevens aan Kingston en Christian.
Om half elf op die morgen werden ze in de raadzaal toegelaten, waarop
de Kommandeur de volgende uitspraak gaf:
"De Politieke Raad heeft na gedaan onderzoek, waarin hij uitmuntend
bijgestaan werd door de Kapiteins van de Rotterdam en de Nieuwe
Middelburg, bevonden, dat de Stavenisse, 'n derde klas schip van de
Achtbare Kompanjie, omtrent 600 ton groot, op de Oostkust van Afrika,
ongeveer 70 mijl van de Baai van Natal, met zijn gehele lading,
vergaan is op de 16de Februarie 1686.
"Dat zulks waarschijnlik geschied is tengevolge van de onachtzaamheid
of onbekwaamheid van de tans overleden Eerste Stuurman IJsbrand
Hogesaad, en geen blaam dienaangaande rust op de bevelvoerende
Kapitein, Willem Knijf.
"Dat de manschappen zich ijverig en behoorlik hebben gedragen, en
dat vooral 't gedrag van de Derde stuurman, Abraham Hartog, zeer
prijzenswaardig was.
"Dat dientengevolge de offisieren en manschappen ten volle gerechtigd
zijn op hun half salaris of wachtgeld van af de 16de Februarie 1686
tot op de 18de Maart 1687, en de Raad hierbij de geredde Boekhouder
van de Stavenisse machtigt aan de offisieren en manschappen het hun
toekomende geld uit te betalen, met de bepaling dat, indien gezegde
Boekhouder, niet in 't bezit is van de nodige kontanten, hij voor
't hem ontbrekende bedrag, aanzoek kan doen bij de Sekretaris van
deze volkplanting."
Een ogenblik zweeg de Kommandeur nu, doch vervolgde daarna:
"John Kingston en William Christian, volgens uw verklaringen en
verdere door de Raad ingewonnen inlichtingen, behoort 't scheepje de
Centaurus aan u beiden, te zamen met drie andere Engelsen, tans of
onlangs wonende aan de Baai van Natal. De Raad heeft 't scheepje laten
onderzoeken door de assessoren, die de waarde ervan hebben geschat op
een duizend gulden, waarvan dus 400 gulden aan u toekomt, welk bedrag
aan u uitbetaald zal worden. De overige 600 gulden zullen hier ter
beschikking blijven van de andere eigenaars, en uitbetaald worden
zodra zij zich daarvoor aanmelden. Doch dit alles op voorwaarde,
dat ge beiden dienst neemt bij de Kompanjie als kwartiermeester,
tegen 'n salaris van 25 gulden per maand met rantsoenen, en dat de
Kompanjie de tans nog op de Centaurus voorhanden proviand, alsmede
't zich daarin bevindend ivoor tegen taksatie overneemt. Zijt ge
genegen dit voorstel aan te nemen?"
De twee Engelsen verklaarden, dat ze dit voorstel goedkeurden, zowel
voor zichzelf als namens hun maats, waarop Van der Stel antwoordde,
dat zij dan te eniger tijd de 400 gulden bij de Sekretaris konden
ontvangen.
Nog diezelfde namiddag betaalde de Boekhouder allen van de Stavenisse
uit.
Kapitein Knijf, wiens maandeliks salaris 50 gulden bedroeg, ontving
bijna 325 gulden, en Abraham Hartog, die 20 gulden per maand verdiende,
kreeg 125 gulden; de vier matrozen ieder 50 gulden.
Reeds de volgende dag vertrokken MacIntosh, de zeven man van de Bona
Ventura, de vier matrozen, alsmede de bootsman, de Barbier en de
Boekhouder van de Stavenisse met de Rotterdam naar Oost-Indië. Er
bleven van de Centaurus slechts 5 personen achter, namelik: de
Kapitein, zijn dochter, Abraham Hartog en de 2 Engelsen.
Men had Hartog ook een betrekking op de Rotterdam aangeboden, doch hij
had daarvoor bedankt, omdat hij meende, dat aangezien hij op reis was
naar 't vaderland, toen de Stavenisse schipbreuk leed, de Kompanjie
hem alleen kon verplichten, dienst te doen op 'n schip dat naar
Patria ging. De Sekretaris erkende dat hij hierin geen ongelijk had,
maar tevens werd hem aangezegd, dat hij tengevolge van die weigering
niet langer vrij kost en inwoning in het Kasteel kon krijgen, waarna
Hartog, die toen nog in 't bezit van bijna 200 gulden was, ook zijn
intrek in de Stadsherberg nam.
De Centaurus werd in de Roggebaai op 't strand gehaald en opnieuw
nauwkeurig onderzocht.
Zijn zijkanten werden behoorlik gelijkgeschrapt en groen geschilderd,
en in plaats van de takelage voor een visserschuit, kreeg hij een
nieuwe mast en werd als kotter opgetuigd, wat hem niet alleen 'n
beter aanzien gaf, maar ook zijn snelheid vermeerderde.
Gedurende de eerste maanden werd 't scheepje gebruikt om tochten naar
Saldanha Baai en Simonsstad te maken, en 't scheen alsof Simon van
der Stel zijn belofte aan Kapitein Knijf vergeten had, en men geen
pogingen aanwendde om een onderzoek in te stellen naar de vermiste
schipbreukelingen van de Stavenisse.
HOOFDSTUK XV.
KATRIJN VERANDERT VAN PLAN.
Tengevolge van 't feit dat Hartog nu ook zijn intrek in de Stadsherberg
had genomen, bleef de jonge stuurman in voortdurende aanraking met
de zeekapitein en diens dochter.
De oude Kapitein was opnieuw in zijn vroegere moedeloosheid vervallen,
en klaagde steen en been over 't ongeluk dat hem overkomen was door
het vergaan van de Stavenisse.
Tevergeefs trachtten Katrijn en Hartog hem moed in te spreken door te
zeggen, dat 't Hof hem van alle blaam vrijgesproken had, en dat als
hij naar Holland terug ging, hij ongetwijfeld 't bevel zou krijgen over
'n ander schip van de Kompanjie. Maar de oude man antwoordde:
"Wat 't Hof van onderzoek gezegd heeft, is één ding, maar wat de
Direkteuren er van denken is een ander. Die denken slechts aan
't geldelik verlies dat ze geleden hebben, en de Stavenisse had 'n
lading, die minstens 200,000 gulden waard was. Een Kapitein, die zulk
'n lading van de Kompanjie verliest, heeft maar weinig kans om weer
'n schip te krijgen, en ik heb geen lust om op mijn oude dag nog eens
voor Tweede of Derde stuurman te gaan spelen.
"Ik heb in Holland nog 'n klein kapitaaltje, dat ik opgespaard heb,
en ook enige huizen in Vlissingen, die ik uit de boedel van mijn vader
geërfd heb. Ik zal naar Holland schrijven om die huizen te verkopen,
en al 't mij toekomend geld hierheen te sturen; met zuinigheid zal ik
dan wel in staat wezen, om van de rente van mijn kapitaaltje te leven."
Dit gesprek deed Katrijn er aan denken dat Hartog ook nog geld in
Holland had liggen, en op haar aansporen schreef de jonge stuurman
inderdaad een brief aan Notaris Van Doorn en ook aan zijn vader.
Natuurlik konden die brieven niet naar Europa gaan voor er 'n schip
uit Indië kwam, en 't duurde verscheidene weken voor dit 't geval was.
Omstreeks 't einde van Oktober, ontving de Kapitein een brief van de
Sekretaris van de Politieke Raad, dat hij hem gaarne wilde spreken
en daarom verzocht op het Kasteel te komen.
Toen Knijf hieraan gehoor gaf, vertelde de Sekretaris hem, dat men
van plan was zo spoedig mogelik, de Centaurus langs de Oostkust te
zenden, om te zien of men enig nieuws kon inwinnen omtrent de verloren
schipbreukelingen van de Stavenisse, en dat men nu aan de Kapitein
't bevel van de Centaurus aanbood, niet alleen omdat hij met al de
schipbreukelingen bekend was, maar ook omdat hij 't meeste recht op
zulk 'n betrekking had.
Kapitein Knijf meende echter dat bevel niet te kunnen aanvaarden,
en gaf als reden op, dat hij zich niet wel genoeg bevond, en dat hij
moe was van 't zwalken op de zee; zijn oude dagen wilde hij in rust
aan land doorbrengen.
Drie dagen later bracht Hartog 'n bezoek aan de oude man, die toen
samen met Katrijn was. Het meisje begroette hem schertsend met 'n
"Goede middag, Stuurman," waarop Hartog een hoge borst zette en op
kwazie hooghartige toon antwoordde: "Alsjeblieft, Juffer, ik ben nu
Kapitein Hartog."
Vader en dochter vroegen: "Kapitein? en van welk schip dan?"
"Van de Centaurus," antwoordde de jonge man, "die in 't begin van
November de oostkust opgaat om naar de 47 man van de Stavenisse te
zoeken. Zij hebben me 'n salaris van 35 gulden in de maand gegeven,
en dat is mooi genoeg voor 'n kapitein van zulk 'n klein scheepje.
"Kingston en Christian gaan samen als kwartiermeesters. Hebt u al
't laatste nieuws omtrent hen gehoord?"
"Nee," zei Katrijn, "wat is het?"
"Zij hebben voor de proviand van de Centaurus 25 gulden gekregen
en voor 't ivoor 9 stuivers per pond, zodat ze daarvoor 2400 gulden
zullen ontvangen."
De Kapitein zei, dat hij verblijd was dit te horen, want de twee
Engelsen verdienden het, en daarop vertelde hij aan Hartog, dat 't
bevel van de Centaurus eerst aan hem aangeboden was, maar dat hij
't niet aangenomen had.
Diezelfde avond ging de Kapitein kort na 't avondeten slapen, en daar
't mooi maanlicht was en vrij warm, zaten Hartog en Katrijn op de
buitenveranda van de Stadsherberg nog wat te gezelsen.
"Nu je Kapitein bent, meneer Hartog, mag ik je zeker niet meer zo
familiaar behandelen," begon Katrijn op spottende toon.
"Ik hoop, en geloof ook niet, dat 't enig verschil tussen ons zal
maken," zei Hartog lachend, en daarop vervolgde hij:
"In uw leven is tans ook 'n hele verandering gekomen, juffer Katrijn."
"Hoe zo?" vroeg 't meisje verwonderd.
"Wel, u bent tans weduwe," was 't antwoord.
"Weduwe? Ik begrijp niet wat je meent, Kapitein Hartog," zei Katrijn.
"Uw vader gaat nu voor goed de zee verlaten, en u doet dat
ook. Herinnert ge u niet, dat u eens aan mij gezegd hebt, dat u niet
kon trouwen, want dat de zee uw man was en u geen andere hebben wilde?"
Katrijn lachte en zei schalks: "Ik zal wel van mijn man gescheiden
zijn, maar 't is maar 'n scheiding tussen tafel en bed, en wie weet,
hoe spoedig wij ons weder verenigen zullen."
"Zolang uw vader leeft, niet," merkte Hartog op, "want u zult hem
zeker niet eenzaam en verlaten willen zien."
Katrijn bracht nu snel 't gesprek op 'n ander onderwerp en vroeg:
"En wat zijn je plannen, Kapitein Hartog, ga je op zee blijven,
als zeeman tegen wil en dank?"
"Dat hangt geheel van omstandigheden af, en van 't antwoord dat Notaris
Van Doorn mij zendt. Is 't geld nog tot mijn beschikking, dan zal ik
'n stuk grond uitkiezen in of bij 't nieuwe dorp Stellenbosch. Ik
verneem dat 't biezonder goed gaat met de kolonisten, die zich daar
gevestigd hebben, en grond is er tegen zeer voordelige voorwaarden
te krijgen," was 't antwoord van Hartog.
"En als 't geld weg is?" vroeg het meisje weer.
"Dan blijf ik 'n zeeman tegen wil en dank," zei de jonge Kapitein.
"Van zeeman tot boer is 'n hele sprong," hervatte Katrijn. "En als je
boer wilt worden, moet je 'n vrouw nemen, want ik heb dikwels gehoord,
dat 'n boerderij zonder 'n vrouw iets onbestaanbaars is."
"Zoudt u dan die plaats niet willen innemen, Katrijn?" vroeg de
jongeling op ernstige toon, en tegelijk waagde hij 't zijn arm om
't middel van 't meisje te slaan.
Katrijn sloeg niet als 'n zenuwachtige maagd, die arm weg, maar zei
rustig en bedaard:
"Hartog, je bent de enige man, van de velen die ik ontmoet heb, die ik
zou kunnen liefhebben en als man begeren. Maar volgens mijn denkbeeld,
als volwassen vrouw, moet een huwelik niet alleen op de hartstochten
gebouwd zijn, maar ook op 't gezond verstand. Nu wil ik je zeggen
dat ik van jongsaf, 'n bedorven kind ben geweest. Mijn wensen waren,
zover ik weet, nooit van buitensporige aard, maar wat ik hebben wilde,
heeft mijn vader me altijd verschaft, en nooit heb ik honger geleden
of gebrek aan iets gehad. En wanneer ik trouwde, zou ik dat ook niet
willen, want ik weet hoe treurig 't lot is van de vrouw van 'n arm man;
't is slaven en zwoegen van de morgen tot de avond, en dit slechts voor
'n bete broods. Zulk 'n lot zou ik niet kunnen dragen. Een rijke man
verlang ik niet, maar wel een die me behoorlik onderhouden kan. 't
Is beter voor ons beiden dat ik je dit zeg, vóór we ons tot iets
verbinden, want anders zouden we, na 't huwelik, elkander verwijten
maken en beiden 'n ongelukkig en diep treurig leven leiden. Daarom,
mijn vriend, kan ik je tans geen antwoord op je vraag geven, want 35
gulden in de maand is 'n gering bedrag om op te trouwen, en je weet
zelfs niet hoelang je dit behouden zult. Wacht dus tot je 'n antwoord
van de Notaris ontvangt, en als dat bevredigend is, herhaal dan je
vraag, en ik zal je 'n bepaald antwoord geven."
"En intussen?" vroeg Hartog op weifelende toon.
"Intussen blijven we wat we zijn: goede vrienden, die elkaar
eerbiedigen en liefhebben," zei 't meisje.
"En als intussen een rijker en meer verkieselike man aanzoek doet om
uw hand, wat wordt er dan van mij?" vroeg de jongeling opnieuw.
Katrijn bleef enige ogenblikken 't stilzwijgen bewaren, en antwoordde
toen:
"Abraham, ik geloof niet, dat ik ooit iemand anders zou kunnen beminnen
als jou, maar om je gerust te stellen, wil ik zo ver gaan om je hierbij
te beloven, dat ik geen ander huweliks-voorstel in overweging zal
nemen, vóórdat je antwoord uit Holland hebt ontvangen. Meer kan ik
niet doen."
Hartog scheen blijkbaar teleurgesteld, doch hij begreep, dat hij
't meisje niet verder kon dwingen.
"'t Is al laat, ik ben moe en ga nu slapen. Goede nacht." Met deze
woorden bood 't meisje de jongeling haar hand aan.
Hij greep die, trok zijn geliefde zachtjes naar zich toe, en drukte
'n zoen op haar maagdelike lippen, 'n behandeling waaraan Katrijn
zich zonder tegenstribbelen onderwierp.
Toen scheidden ze.
HOOFDSTUK XVI.
DE REIS VAN DE CENTAURUS.
Op de 1ste November 1687 liep de retoervloot uit Indië de Tafelbaai
binnen, en Hartog was er niet weinig verheugd over, want nu konden
zijn brieven naar Holland weg. Maar toch was hij blij, dat de vloot
niet vroeger was gekomen, want dan zou hij verplicht geweest zijn,
er mede naar Holland terug te gaan en de kans verloren hebben om
Kapitein van de Centaurus te worden.
Op de 9de van diezelfde maand staken de schepen weer in zee, en
in de avond van die dag kwam de jonge Kapitein afscheid nemen van
Kapitein Knijf en diens dochter, want daags daarna zou hij de reis
naar Natal aanvaarden.
De eerste dagen na 't vertrek van de Centaurus waren gunstig, en Hartog
voelde zich niet weinig trots op zijn boot, die zich uitmuntend hield
en met zijn nieuw tuig beter zeilde dan ooit.
Ten oosten van de tegenwoordige Mosselbaai sloeg de wind om naar
't zuidoosten en werd daarna bijna vlak oost, terwijl de zee vrij
stormachtig werd en men bovendien met 'n sterke stroming naar 't
westen had te kampen.
Maanden lang kon men geen stap vooruitgaan zonder te laveren, en
eerst op de 6de Februarie 1688 bereikte men de mond van de Keirivier.
De wind was nu gaan liggen en er heerste 'n doodse kalmte, en daar
de roeiriemen uit de Centaurus waren genomen, was er niet alleen
geen middel om 't schip verder te krijgen, maar dreef het zelfs
door de stroming uit 't oosten terug, zodat men op de middag van de
7de weer tegenover de grote rots was, die toen de "Doodkist" werd
genoemd, en tans bekend is als de Bat's Cove, even ten oosten van
't tegenwoordige Oost-Londen.
Hartog liet 't anker uitwerpen en zond 'n boot naar de kust om te
zien of er ergens een geschikte plaats was, waar men landen kon.
Terwijl de boot hiermede bezig was, zag men 'n aantal personen op het
land, die signalen maakten, doch op die afstand was 't onmogelik om
te zien of zij die dit deden, blanken dan wel Hottentotten waren.
Toen de boot terugkwam, bracht men 't bericht mede dat de branding op
de kust zo sterk was, dat er geen kans bestond om ergens 'n landing
te doen.
Intussen was er 'n vrij sterke bries opgekomen, en daar de ankergrond
los zand was, en de Centaurus zijn ankers reeds begon te slepen,
besloot Hartog zo spoedig mogelik deze gevaarlike plaats te verlaten;
hij liet dan ook de ankers lichten en stak daarna in zee.
De volgende morgen toen de wind was gaan liggen en de zee kalm was,
ging 't schip terug naar de Bat's Cove, omdat Hartog zich nu wilde
verzekeren of de personen die signalen gemaakt hadden, blanken of
gekleurden waren.
Men had juist 't anker opnieuw geworpen, toen Kingston, die naar 't
land stond te turen, uit die richting iets zag aankomen, doch hij kon
eerst, zelfs met behulp van de verrekijker, niet uitmaken wat 't was.
Eindelik bleek 't dat dit voorwerp niets meer of minder was dan 'n
ruw vlot, waarop zich drie naakte personen bevonden, en toen dit kort
daarna 't schip bereikte en de mannen ervan aan boord waren geklommen,
vertelden dezen dat ze drie van de schipbreukelingen van de Stavenisse
waren, waarop Hartog hen ook dadelik herkende.
Verder gaven ze te kennen, dat nog 18 medeschipbreukelingen aan
land waren, benevens een jonge Fransman, die deel had uitgemaakt
van de bemanning van 'n boot die door 'n Engels schip naar land was
gezonden. Deze bemanning was door 'n klomp Kaffers aangevallen en
allen waren vermoord, met uitzondering van de jonge Fransman.
Na 't horen van dit bericht, deed Hartog opnieuw de zeilen hijsen,
en trachtte zo dicht mogelik bij de kust te komen, totdat hij 't anker
in 80 voet water wierp en toen de Kompanjie's vlag in top liet halen.
Kort daarop bereikte 'n vierde schipbreukeling de boot door er heen
te zwemmen.
Op de 9de was de zee doodkalm, zodat de Kapitein van de Centaurus
't wagen kon, om 'n boot uit te zetten, die zonder moeite 't land
bereikte. Door middel hiervan werden 14 man van de Stavenisse en de
jonge Fransman aan boord van de Centaurus gebracht, alsmede 't vlees
van 'n vette os, die men van 't Kafferopperhoofd had gekocht voor
'n koperen ring ter waarde van 4 shillings.
De volgende dag maakte de boot weer een reisje naar 't land en kocht
men nog twee ossen, maar voor die geslacht konden worden, kwam de
wind op, en Hartog liet dadelik signalen geven, dat de boot naar 't
schip terug moest komen, zodat men verplicht was de ossen achter te
laten en aan 't bevel van de Kapitein gehoor te geven; kort daarop
vertrok de Centaurus van deze gevaarlike plaats.
Enige uren later bereikte men de monding van 'n rivier, die tans de
naam van de Buffalo draagt, doch toen onder de Hollanders bekend was
als de Eerste Rivier. De branding op de zandbank aan de mond van die
rivier was echter zo sterk, dat 't voor 'n kleine boot onmogelik was,
de rivier binnen te gaan en de Centaurus moest dus enige mijlen van
't land ankeren.
Er waren nu nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse op 't land,
maar uit de mededelingen van de anderen maakte Hartog op, dat deze
blanken niet gaarne wilden scheiden van hun zwarte metgezellen en
zich derhalve verborgen hadden.