Enige losse ijzeren stangen en twee kisten werden ook nog gevonden. De

ene kist, of liever koffer, droeg de naam van C. Knijf en behoorde dus

blijkbaar aan Katrijn. De tweede kist, die beschadigd was, bevatte

'n aantal in teelood verpakte pakketten Chinese tee. De inhoud van

't merendeel dier pakketten was echter door 't zeewater bedorven,

maar Christian vond er toch nog zes met goede tee, en de beide blanken

waren niet weinig verheugd over deze vondst. Er lagen ook nog meerdere

pakken en zakken, die suiker, nootmuskaat en andere specerijen hadden

bevat, maar waarvan natuurlik de inhoud geheel bedorven was.

Laat in de namiddag vond men 'n hoopje touwen en takelwerk, dat goed

te pas kon komen en meende MacIntosh, enige schreden van 't strand, 'n

stuk van 'n dikke kabel op 't water te zien drijven. Snel ontdeed hij

zich van z'n kleren, en waadde door 't vrij ondiepe water om dit stuk

kabel te bemachtigen, maar toen hij 't beet kreeg en er aan trok, bleek

't onbeweegbaar te zijn. Op eens riep de Schot uit: "Mijn machtig,

dat is de kabel van een van de ankers, die we uitgeworpen hebben,

toen 't schip in de branding kwam, en ik geloof dat 't anker er nog

aan vastzit."

Daarop ging de Tweede stuurman, die 'n uitmuntende zwemmer was,

wat dieper de zee in, dook naar beneden, en toen hij weer aan de

oppervlakte verscheen, riep hij tot Christian:

"Het anker ligt hier in omtrent 8 voet water, maar als ik de hulp van

drie of vier man kan krijgen, denk ik dat we 't wel los kunnen werken,

al is 't wat zwaar."

In 'n ogenblik was Christian, die ook goed zwemmen kon, uit z'n kleren

en in 't water, en werd door drie kaffers gevolgd, want alle kaffers

kunnen zwemmen als waterhonden. Op bevel van de Engelsman begaven

zich de overige kaffers in 't ondiepe water en grepen 't losse einde

van de kabel.

Na drie vergeefse pogingen gelukte 't de twee blanken en de drie

kaffers om 't anker uit 't zand los te woelen, en toen de andere

kaffers vereend hun krachten inspanden, slaagde men er in 't zware

anker met omtrent 80 voet van de kabel er aan, op 't droge te brengen.

Zij waren er vermoeid van en gingen rusten bij de tent, en daar de

zon weldra zou ondergaan, gebruikte men kort daarna 't avondeten.

Na afloop daarvan hielden de twee blanken raad. Men had heel wat meer

gevonden dan men verwacht had, en 't was duidelik dat er niet genoeg

dragers waren om al dat zware goed naar de Baai van Natal te vervoeren.

Het grote anker zou alleen minstens tien dragers vereisen, 't kleine

verroeste zeker zes man; en dan waren er nog de kist, 14 planken en

de balken, 't zeil, de daarbij behorende stukken mast, 't ijzer, enz.

Er werd dus besloten dat Christian de volgende dag nog 'n

vijf-en-twintig tal dragers bij 't kafferdorp zou trachten te krijgen.

"Het zal ons verscheidene koperen ringen kosten, maar daaraan is nu

niets te doen. De ankers alleen zijn ons op dit ogenblik meer waard

dan 200 koperen armbanden," zei de Engelsman.

Nadat Christian de volgende morgen vertrokken was, ging de Tweede

stuurman 'n eind verder langs het strand, aan beide zijden van 't wrak,

om te zien of hij nog iets van z'n gading kon vinden, maar hij vond

niet veel: slechts wat touwen en katrollen.

Plotseling echter viel z'n oog op 'n klein ijzeren kistje, dat half

met zand bedekt, tussen de rotsen lag, en 't opschrift "Stavenisse"

en ook 't naamcijfer van de Oost Indiese Kompanjie droeg.

Het kistje woog zwaar en MacIntosh kwam tot de overtuiging dat dit de

geldtrommel van de boekhouder of kargadoor moest zijn en dus grote

waarde had, om welke reden hij 't door twee kaffers in veiligheid

liet brengen.

Vrij laat die middag kwam Christian met de nieuwe dragers van de

kafferkraal terug, en werden schikkingen getroffen om de volgende

morgen naar de Baai terug te gaan.

Die morgen deed zich echter een nieuwe moeilikheid voor. De kaffers,

die aangewezen waren om de beide ankers te dragen, weigerden beslist

dit te doen, tenzij ze het dubbele van 't gewone loon kregen, omdat

de ankers niet alleen zeer zwaar waren, maar ook lastig te dragen,

daar ze deze niet, zoals andere dingen op 't hoofd konden plaatsen,

doch met touwen over de schouders moesten dragen.

"Die duivels zijn slim genoeg om te begrijpen dat we in 't nauw

zitten, en trekken daarvan nu partij," bromde Christian, doch ten

slotte beloofde hij de zestien ankerdragers dubbel loon.

De reis ging nu heel wat langzamer dan de vorige keer, en 't was

Zaterdagmiddag voor men bij de Baai aankwam.

Intussen hadden Kingston en de anderen niet stil gezeten en vooral

de Engelsman toonde dat hij 'n buitengewone werkkracht bezat en niets

aan zijn aandacht ontsnapte.

Het eerste werk dat hij begon, was 't oprichten, van een smederij. Van

klippen, klei en modder liet hij de kaffers een ronde muur van

omtrent 8 voet doorsnede bouwen, richtte toen aan de ene zijde een

soort van haard in, en plaatste in 't midden, niet ver van die haard,

'n grote vierkante ijzerklip, die als aanbeeld moest dienen. Bij de

haard bracht hij 'n blaasbalg aan, zoals door de kaffers gebruikt,

en die uit twee gelooide en toegenaaide geitevellen bestond.

De Abambo's waren goed bekend met 't bewerken van ijzer, dat ze uit

'n rijk erts wisten te smelten. Daarvan smeedden ze dan uitmuntende

en zeer harde assegaaispitsen, niet alleen voor eigen gebruik, maar

ook ter ruiling met andere kafferstammen, die er 'n hoge prijs voor

betaalden.

Eigenlik was 't bewerken van ijzer 'n soort van geheim, maar Kingston

had hen menigmaal zien werken en die kunst van ze afgekeken.

Toen de smederij in orde was, moest hij de kwestie van brandstof

oplossen.

Hout deugde niet, omdat 't geen hitte genoeg gaf om 't ijzer

wit-gloeiend te maken. De kaffers gebruikten houtskool, maar hoe ze

dit vervaardigden wist de Engelsman niet, en hij wilde 't hun niet

vragen, uit vrees van hun achterdocht op te wekken.

Toen hij over deze zaak met de schipbreukelingen van de Stavenisse

sprak, gaf een der matrozen, Reich geheten, te kennen, dat hij

'n Duitser uit 't Zwarte Woud was, waar zijn vader als kolebrander

werkzaam was geweest, en hij zelf ook in z'n jonge jaren dat ambacht

had geleerd. Hij kon goed een kolemijt pakken, maar de grote vraag

was of men hier 't geschikte hout voor goede kolen kon krijgen.

Op verzoek van Kingston ging Reich met 'n andere matroos en vergezeld

van drie kaffers het bos in, enige bijlen met zich mede nemende. Na

geruime tijd zoeken, vond hij eindelik een soort hout dat hem geschikt

voorkwam. Het was het hout dat tans bekend is als "paardepis-hout",

een eigenaardige naam, die 't ontvangen heeft naar de reuk, die het

groene hout van de pas omgekapte boom verspreidt. Dat hout is sterk

harsachtig, en daarom geschikt om er goede houtskolen van te maken. De

boom is gewoonlik niet meer dan 30 voet hoog en niet veel dikker dan

één voet in doorsnede.

Reich liet de kaffers 'n tiental van deze bomen omkappen en 't

hout toen kloven in stukken van omtrent 2 1/2 voet lang en 3 duim

dik. Deze stapelde hij behendig op tot een mijt, overdekte die met

natte kleimodder en vóór de avond viel, had hij 't hout in brand

gestoken, dat door gebrek aan genoegzame lucht langzaam smeulde.

Toen de mijt, enige dagen later uitgebrand en afgekoeld was, probeerde

Kingston de kolen die er uit kwamen, in de smederij en hij was met de

uitslag zo tevreden, dat hij Reich verzocht, dadelik nog twee mijten

aan te leggen en in brand te steken.

Ook Hartog en de bootsman Willem Tuijl hadden niet geluierd, maar waren

't bos ingegaan om geschikt hout voor de kiel van de boot.

Gemakkelik ging dit niet, want de kiel moest uit één stuk bestaan en

van zwaar hout zijn.

Ten laatste vonden zij 'n prachtige stinkhoutboom, waarvan de rechte

stam 80 voet hoog was. De twee blanken en 'n paar kaffers begonnen nu

deze boom te vellen, maar het hout was zeer hard en de bijlen waren

stomp en moesten telkens gescherpt worden, zodat 't avond was vóór

de boom viel.

Met pikken, die de kaffers gebruikten voor 't bewerken van hun

landen--want met ploegen waren ze onbekend--moest de stam nu zo goed

mogelik vierkant gekapt worden, en dit gaf natuurlik verscheidene

dagen werk.

Toen de mannen die 't wrak bezocht hadden, terugkwamen, helderde 't

gelaat van John Kingston nog meer op bij 't zien van 't grote anker,

en 't was moeilik te zeggen, wie blijder was: de Engelsman met z'n

anker, de boekhouder met zijn teruggevonden geldkistje, of Katrijn

met haar koffer, die bijna al haar kleren bevatte.

Reeds de volgende Maandag begon Kingston 't anker te bewerken, en

't eerste wat hij maakte, was 'n nieuwe zaag en daarna vervaardigde

hij twee grote beitels en één kleinere. Vervolgens maakte hij 'n

paar vijlen en toen die klaar waren, herstelde hij de oude zaag en

scherpte die. Daar de beitels goed uitgevallen waren, besloot hij er

ook een te maken voor een schaaf, waarvan hij het houten blok nog had.

Enige dagen later kwam Hartog naar de hut waar Katrijn was en vroeg of

ze haar kist al geopend had, waarop 't meisje bevestigend antwoordde.

"Hebt u dan ook misschien wat papier en pen en inkt voor me?" vroeg

de jonge stuurman.

Katrijn ging de hut binnen en keerde 'n ogenblik later terug met twee

vellen oud-Hollands papier, 'n paar ganzepennen, en 'n potje inkt,

welke ze aan Hartog overhandigde.

"Wat wil je daarmee doen?" vroeg 't meisje.

"MacIntosh wil 'n plan hebben van de boot en heeft me gevraagd er

een te tekenen. Het behoeft niet zo mooi te wezen, als de afmetingen

maar nauwkeurig zijn," zei de Derde stuurman, die daarop haastig de

hut verliet.

De tekening, die Hartog werkelik zeer goed maakte, stelde 'n boot voor

van 70 voet lang en 14 voet breed, bij een diepte van 10 voet; er was

'n behoorlik dek van planken op, en 'n mast met 'n bezaanszeil en twee

gaffels, terwijl daarenboven voorziening was gemaakt voor acht roeiers,

voor 't geval omstandigheden beletten om de zeilen te gebruiken.

In de achtersteven waren twee kajuiten aangebracht voor Kapitein

Knijf en diens dochter, terwijl in de voorsteven, de slaapplaatsen

waren voor de rest van de bemanning.

In 't midden was 'n klein kombuisje met een haard en aan iedere zijde

daarvan, een ruim ter berging van de proviand en de andere goederen.

De boot had 'n vrij hoog boord, vooral aan de voorsteven om 't inslaan

van de zeeën zoveel mogelik te beletten.

We zullen geen verdere beschrijving geven van al de biezonderheden

aangaande het bouwen van dit vaartuig, maar slechts zeggen dat

tengevolge van te weinig gereedschap en andere moeilikheden, 't werk

slechts langzaam vorderde.

Op 20 November kwamen de reeds gemelde 9 man van de Bona Ventura aan

de Baai van Natal aan en waren de anderen tot grote hulp.

Op de 1ste Februarie 1687 werd 't scheepje te water gelaten.

Kingston had aan Katrijn verzocht om 't schip te dopen, en toen zij

vroeg met welke naam, antwoordde hij: "natuurlik Katrijn", doch dat

wilde 't meisje niet, en op voorstel van de grappige barbier, noemde

men 't schip de Centaurus, omdat het naar zijn mening even sterk was

en net zo snel zou lopen als de beroemde paardmensen uit de oudheid.

Het eerstvolgende werk was nu 't schip van de nodige proviand te

voorzien, en dat de Engelsen hun ruilmiddelen niet gespaard hadden,

blijkt uit de lijst van goederen, die er in geladen werden; deze waren:

7000 pond kafferkoren, 1000 pond gezouten en gerookt vlees, 400

pond kafferkorenmeel, 20 geiten, 250 hoenders, 150 pompoenen en 17

vaten water.

Het laatste dat men inschepen wilde, was 't ivoor, dat omtrent 7000

pond woog, doch toen John Kingston met 'n aantal kaffers aankwam om het

te halen, kwamen de andere drie Engelsen hem tegemoet, en zei een van

hen, Turnbull: "Kijk, John, je kunt jouw aandeel en dat van Christian,

te zamen 3000 pond gewicht inladen, maar de rest moet hier blijven."

"Waarom?" vroeg Kingston verbaasd.

"Omdat wij drieën niet met jullie samen gaan," antwoordde de ander.

"Dat is 'n vrij plotselinge verandering in jullie plannen," meende

Kingston te moeten opmerken.

Een der andere Engelsen zei nu: "Zie eens hier, John, we willen in

vrede en liefde van jullie scheiden, maar we zien geen kans om met

jullie mee te gaan. We hebben do drie kaffermeiden als onze huisvrouwen

genomen, ze volgens kafferwet van hun ouders gekocht en betaald, en

't zou onbillik en oneerlik zijn om ze nu te verlaten, te meer daar

ze ieder reeds een kind hebben. Die vrouwen zouden daardoor geminacht

worden door hun stamgenoten, en wij zouden de naam van de blanken

groot nadeel gedaan hebben.

"Bovendien bevalt ons dit wilde leven en we hebben geen lust om tot de

zogenaamde beschaving terug te keren. We hebben lang geweifeld wat te

doen, maar zijn nu tot dit besluit gekomen, dat onwrikbaar vast staat."

Kingston haalde de schouders op en zei: "Jullie moeten weten, wat je

doet, want 't is natuurlik jullie eigen zaak; ik zal dan de 3000 pond

ivoor nemen, die mij en Christian toekomen."

Enige uren daarna gaven twee leden van de bemanning van de Bona

Ventura ook kennis dat ze zouden blijven, waar ze waren.

Er zouden dus met de Centaurus vertrekken, 11 man en 1 meisje uit

de Stavenisse, 7 man van de Bona Ventura, benevens John Kingston en

William Christian van de Good Hope.

Het enige waartegen Kingston bezwaar had, was dat Turnbull niet

alleen niet meeging, maar ook weigerde om tegen welke prijs dan ook,

afstand te doen van zijn kompas.

Op 17 Februarie 1687, één jaar en één dag na de schipbreuk van de

Stavenisse, ging de Centaurus de zee in.

HOOFDSTUK XIII.

DE REIS NAAR EN DE AANKOMST TE KAAPSTAD.

Er valt niet veel te vertellen omtrent de reis van de Centaurus

naar Kaapstad.

Het bleek spoedig dat de boot op uitstekende wijze gebouwd was; hij

was niet alleen 'n snelle zeiler, maar lag ook zo vast en stevig op

't water als 'n eend.

Op aanraden van Kapitein Knijf, die, nu hij weer op zee was, zijn

moedeloosheid te boven was gekomen en zelfs heel wat van zijn oude

geestkracht had herkregen, hield men wel de kust van Afrika in 't

gezicht, maar bleef toch op 'n afstand van drie of vier mijl er van;

en dit niet alleen om alle onbekende onderzeese riffen of klippen te

vermijden, maar ook omdat op die afstand van 't land de zeestroming

gewoonlik van 't Oosten naar 't Westen liep, terwijl die nader bij

de kust in tegenovergestelde richting ging.

De wind, die zich geen enkele dag boven 'n flinke bries verhief,

bleef in 't Noord-noord-oosten, en deed de boot als 'n meeuw door de

vrij stille wateren schieten. In één woord, wat verondersteld was een

gevaarlike tocht te zullen wezen, bleek nu bijna een plezierreisje

te zijn.

Offisieren en manschappen waren in uitstekende stemming en niet weinig

verheugd, dat ze geen enkele keer de roeiriemen ter hand behoefden

te nemen.

Katrijn zong de gehele dag, en tijdens de uren die er tussen de

maaltijden verliepen, zat ze gewoonlik naast haar vader bij 't roer

en vermaakte zich zo nu en dan met 't plagen van de bemanning.

Dertien dagen na 't vertrek uit Natal, namelik op de 1ste Maart,

stevende de Centaurus de Tafelbaai binnen, en zijn diepgang liet

juist toe, dat hij bij de trap van de landingsplaats kon liggen.

Kapitein Knijf was niet onbekend met Kaapstad en de havenbepalingen,

die daar van kracht waren, want met de Waterslang had hij verscheidene

malen de Kaap aangedaan.

Ook Hartog herinnerde zich Kaapstad zeer goed, daar hij er 'n jaar

in garnizoen had gelegen.

De Kapitein liet dus de boot vastleggen, en wachtte geduldig op de

komst van de Havenmeester, die niet lang op zich liet wachten.

Aan deze ambtenaar, die allerlei vragen deed, gaf Knijf 'n kort verhaal

van de schipbreuk van de Stavenisse, en overhandigde hem een lijst met

de namen van de offisieren en manschappen, die op de Centaurus waren.

Hij vroeg daarop of men iets vernomen had van de andere 47 man van

't Hollandse schip, en was niet weinig verbaasd om te horen, dat

niet alleen geen hunner alsnog was aangekomen, maar dat men ook niets

vernomen had van 't vergaan van het schip.

Het was nu omtrent 1 uur in de namiddag en de Kapitein wilde zich

zo spoedig mogelik naar het Kasteel begeven, om daar de autoriteiten

bekend te stellen met 't gebeurde. Maar nu kwam er 'n moeilikheid in

de weg. De kleren van de Kapitein geleken wel op 't bonte pak van

'n cirkusklown, want overal hadden ze lappen van allerlei kleuren,

en hij begreep dat hij zo geen bezoek kon brengen aan Zijn Edele

de Kommandeur.

Gelukkig hadden Christian en Kingston nog enige ordentelike kleren in

hun kisten, en de Kapitein leende van de een 'n schoon hemd, van de

ander een broek en van de bemanning van de Bona Ventura een baadje

en onderbaadje.

Wel pasten al die kledingstukken hem niet precies, maar in alle geval

waren ze toch beter dan zijn eigen gelapte plunje.

Katrijn en de Boekhouder zouden hem naar het Kasteel vergezellen. Het

meisje trok haar beste kleren aan en zag er werkelik niet slecht uit,

maar de Boekhouder leek al te koddig in zijn eigenhandig gemaakt pak

van gelooide geitevellen.

Ten laatste begaf men zich op weg; de Kapitein met zijn dochter

voorop, de Boekhouder, met z'n geld trommeltje in de rechterhand,

achter hen aan.

De Kapitein stapte over de Parade rechtuit naar de Kasteelspoort,

en vroeg of hij dadelik de Kommandeur over 'n belangrijke zaak kon

spreken.

Kommandeur van de volkplanting aan de Kaap was toen Simon van der Stel,

in die dagen nog in de kracht van z'n leven, en hoog geacht en gezien

bij de kolonisten, wat in latere jaren niet meer 't geval was.

Na 'n korte tijd gewacht te hebben, werden de drie personen in de

tegenwoordigheid van de Kommandeur toegelaten, die hen welwillend

ontving en aan de Kapitein vroeg wie hij was.

"Ik ben Kapitein Willem Knijf van de Stavenisse," was 't

antwoord. "Deze dame is mijn dochter, en dit is de Boekhouder van 't

schip," en zonder te wachten, begon de Kapitein 'n omstandig verhaal

te geven van de schipbreuk en alles wat daarna gebeurd was.

Simon van der Stel had aandachtig geluisterd, en gaf na het door de

Kapitein medegedeelde zijn leedwezen over 't gebeurde te kennen,

en vroeg waar de Centaurus en z'n bemanning was. Kapitein Knijf

zei toen dat zij bij de landingsplaats waren, en vroeg tevens of de

Kommandeur iets afwist van de 47 man die de reis over land naar de

Kaap hadden aanvaard.

Van der Stel deelde daarop mede dat hij tot zijn spijt taal noch

teken van die mannen had gehoord.

"Het is nu één jaar en 14 dagen geleden sedert zij van 't wrak zijn

vertrokken," merkte Knijf op, "en in die tijd konden ze zeker hier

geweest zijn."

"U vergeet, meneer de Kapitein," antwoordde de Kommandeur, "dat

de afstand van daar tot hier minstens 1000 mijl is; dat men wilde

volksstammen moet voorbijgaan, grote rivieren over trekken, zich

'n weg banen door ontzaggelike bossen, en dat 't land wemelt van

wilde dieren. Zulk een tocht is 'n zeer gevaarvolle onderneming, en

't zou me volstrekt niet verwonderen, als al de 47 mannen op de een

of andere manier omgekomen waren."

"Ja," zei de Kapitein, "dat is natuurlik mogelik, maar ik meen toch,

dat men onderzoek behoort te doen, wat er van die mensen geworden is."

"Dat zal ook wel geschieden," antwoordde de Kommandeur, "maar dit

is 'n zaak die de Politieke Raad moet beslissen, en die ik alleen

niet kan behandelen. Doch 't eerste wat gedaan moet worden, is 't

instellen van 'n onderzoek naar 't vergaan van de Stavenisse, en

daarvan dadelik verslag te zenden aan de Kamer van Zeventien. Ik zou

u dus willen verzoeken om morgenochtend om 10 uur met al de personen

die op de Centaurus zijn, op het Kasteel te verschijnen, zodat de

nodige verklaringen kunnen worden afgenomen en aan de Politieke Raad

voorgelegd." En zich daarop tot de Boekhouder wendende, vroeg hij:

"wat hebt u in dat kistje meneer?"

"Dat is 't geldkistje van de Stavenisse, meneer de Kommandeur, en

daarin bevindt zich ook mijn aantekenboekje, waarin de uitgaven en

ontvangsten behoorlik geboekt zijn, alsmede 'n lijst van de maandelikse

gages van de offisieren en bemanning," en met deze woorden overhandigde

hij aan de Kommandeur 't kistje met de daarbij behorende sleutel,

die aan 'n zijden koord om de hals van de Boekhouder hing.

De Kommandeur opende 't kistje en haalde er 'n klein blauw boekje uit,

dat hij even inkeek.

"Op welke datum bent u uit Batavia vertrokken?" vroeg hij daarop aan

de Kapitein.

"Op de 4de November 1685," luidde 't antwoord.

"Dan heeft niemand van de bemanning nog iets van zijn traktement

ontvangen," merkte de Kommandeur op. "Volgens de bepalingen van de

Kompanjie, zijn de offisieren en de manschappen gerechtigd op vol

traktement van af de datum van 't vertrek van 't schip, tot op de

dag waarop de schipbreuk plaats vond, en indien later blijkt, dat 't

schip vergaan is zonder blaam van de Kapitein of de bemanning, wordt

het halve salaris betaald van af de dag van de schipbreuk tot op die,

dat de bemanning aankomt in 'n Hollandse haven of volkplanting. Dit

laatste gedeelte van 't salaris kan natuurlik niet uitbetaald worden

vóór de afloop van 't in te stellen onderzoek, maar in alle geval

hebben de offisieren en manschappen recht op hun volle gage van 4

November 1685 tot 16 Februarie 1686, de dag waarop 't schip gestrand

is; dat wil dus zeggen over drie maanden en twaalf dagen. Daar 't

zeker is, dat zowel offisieren als manschappen geld nodig hebben om

zich van de nodige kleren en andere benodigdheden te voorzien, gelast

ik u hierbij, meneer de Boekhouder, om die gelden zodra mogelik uit

te betalen en daarvan kwitantie te nemen.

"Intussen, meneer de Kapitein, moet u en de bemanning deze nacht

nog doorbrengen op de Centaurus, totdat morgen andere schikkingen

gemaakt kunnen worden, en vergeet niet om morgenochtend om tien uur

allen hier te zijn."

Daarop groette de Kommandeur zijn drie bezoekers en verlieten dezen

de kamer.

HOOFDSTUK XIV.

HET ONDERZOEK.

Zodra de drie bezoekers van het Kasteel op de Centaurus terugkwamen,

gaven ze 'n verslag van 't besprokene en deelden aan de anderen de

blijde tijding mede, dat ze 3 maanden en 12 dagen salaris zouden

ontvangen, en dat de Boekhouder last had dit dadelik uit te betalen.

Als 'n echte Schot was MacIntosh degene die dadelik opstond en de

Boekhouder toeriep: "Boekhouder, dok maar op, zo gauw als je kan. Ik

heb in 16 maanden niet gezien hoe 'n dubbeltje er uit ziet."

"Wacht 'n ogenblik," zei de Boekhouder, "ik moet eerst de kwitanties

gaan uitschrijven, en dan kunnen jullie het geld krijgen."

Binnen 'n uur had ieder z'n geld en nu stelde MacIntosh voor, dat

men naar 'n herberg zou gaan en 'n lekker glas bier drinken.

Maar hiertegen verzette Kapitein Knijf zich ten sterkste, en zei:

"Jullie moeten wachten tot morgenmiddag, want ik ken jullie goed

genoeg om te weten, dat als jullie nu aan land gaan, jullie vannacht

met verhitte koppen aan boord zullen komen en morgenochtend haarpijn

hebben, dat zal volstrekt niet gaan, want om 10 uur moeten jullie

dan op het Kasteel zijn en verklaringen afleggen, en daarvoor is

'n helder hoofd nodig, anders loopt de boel mis."

Er was wel 'n beetje gemopper, maar men onderwierp zich toch aan

't bevel van Kapitein Knijf, vooral omdat Hartog en de bootsman,

de Kapitein gelijk gaven.

De volgende morgen om 10 uur waren allen op het Kasteel, en nam de

Sekretaris hun de verklaringen af; eerst die van de Kapitein, daarna

van de offisieren, en ten slotte van de manschappen. Ook Christian

en Kingston legden verklaringen af omtrent 't bouwen van de Centaurus.

De mededelingen van Hartog en de matroos Reich, die de uitkijk op de

mast was, toen 't schip in gevaar raakte, waren de belangrijkste,

want daarin werd verklaard, dat stuurman Hogesaad geen de minste

maatregelen had genomen, toen de uitkijk voor de eerste maal uitriep,

dat hij land zag.

Toen de verklaringen alle afgenomen waren door de Sekretaris, bracht

deze ze aan de Kommandeur, die kort daarop 't vertrek binnenkwam

en zei:

"Ik zal deze verklaringen aan de Raad voorleggen op de eerste

vergadering, die vrijdag a.s. plaats vindt, en de Kapiteins van

de twee in de Baai liggende schepen, de Rotterdam en de Nieuwe

Middelburg, verzoeken om als assessoren de Raad bij te wonen, en

ge zult opgeroepen worden om voor de Raad getuigenis af te leggen,

indien zulks nodig bevonden wordt. Zorg dus dat ge Vrijdagmorgen om

10 uur weder hier verschijnt. Ondertussen kunnen de offisieren en

manschappen van de Centaurus vrije slaapplek en rantsoenen krijgen

op het Kasteel, volgens de bepalingen van de Kompanjie omtrent

schipbreukelingen. De bemanningen van de Good Hope en de Bona Ventura

zijn eigenlik daartoe niet gerechtigd, maar dit recht wordt hun door

mij geschonken, wegens de edele wijze, waarop ze de bemanning van de

Stavenisse hebben behandeld."

De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal · 第 4 / 10 段