De kaffermeiden waren gekleed met rokken van zeer fijn gelooid,

dun leer, meestal dat van geiten of wilde bokken, en ze waren niet

ongewillig om 't blanke meisje te wijzen, hoe die vellen gelooid en

voor dragen gereed gemaakt werden.

Kingston voorzag Katrijn daartoe gaarne van de nodige vellen, enige

dikke naalden, en ook van uit de darmen van verschillende dieren

vervaardigde draden of pezen, waarmede de kaffers gewoon waren de

bereide vellen aan elkaar te werken.

Nadat zij de vellen op kafferwijze had gelooid en deze mooi zacht

waren--'n werk dat heel wat moeite en tijd kostte--vervaardigde zij er

'n rok van, en ook een lijfje, dat zij met gekleurde kralen versierde,

zodat toen alles klaar was, zij er heel netjes uitzag.

Laat in de namiddag, als 't meisje met haar werk klaar was, kwam

Abraham Hartog haar en haar vader meestal 'n bezoek brengen.

Hij trachtte dan de oude man wat op te vroliken en onderhield zich

op aangename wijze met Katrijn.

Daardoor raakten de twee jongelieden goed bekend met elkander, en

hoe meer dit geschiedde des te beter leken ze mekaar, zodat zij na

verloop van enige maanden op vertrouwelike voet stonden.

Op zekere middag toen de oude Kapitein zich niet heel wel gevoelde,

en in zijn hut was gaan liggen, zaten Hartog en Katrijn op 'n bankje

buiten de hut. Reeds menigmaal had Katrijn gedacht dat Hartog van

betere familie was, dan men wel op 't eerste gezicht zou menen, en dat

't zeemansberoep hem eigenlik niet paste. Die middag waagde zij het

om daarover een opmerking aan Hartog te maken.

De jonge stuurman zweeg enige ogenblikken en zei toen: "Wel, juffer,

u heeft gelijk, voor zeeman ben ik niet in de wieg gelegd, en 't is

dan ook wel m'n eigen schuld, dat ik hier nu in 'n woest land heb

schipbreuk geleden. Als ik u niet verveel, ben ik niet ongewillig om

u te vertellen, hoe dit alles gekomen is."

Katrijn antwoordde, dat niets haar meer genoegen zou doen dan dat

verhaal aan te horen, waarop Hartog begon:

"Ik ben in Rotterdam geboren, en verloor mijn moeder, toen ik nauweliks

twee jaar oud was. Mijn vader had als koopman 'n grote zaak, vooral

in goederen die uit de Levant kwamen, en reeds bij mijn geboorte

was hij 'n wel-af man en wegens zijn eerlikheid, algemeen onder de

kooplui gezien.

"Schoon hij zelf geen hoge opvoeding genoten had, wilde hij dat ik,

z'n enige zoon, zou gaan studeren, en met dat doel werd ik op m'n

dertiende jaar naar 't gymnasium te Rotterdam gezonden. Maar dat

eeuwige zitten over boeken, en dat gedurig leren van Latijn en Grieks,

beviel me volstrekt niet, en ik wenste soldaat te worden, en 'n leven

van avonturen te leiden.

"Mijn vader was niet hertrouwd en na de dood van mijn moeder, had

zijn oudste zuster die ongehuwd was, 't bestuur van zijn huishouden

op zich genomen.

"Tante Anna was geen slechte vrouw en zorgde goed voor ons, maar ze

had 'n grote vrees voor mijn vader en keurde daarom alles goed wat

deze zei of deed.

"Toen ik 't gymnasium doorlopen had, wilde mijn vader mij als student

naar Leiden sturen, maar ik verzette me daar hevig tegen en verklaarde

hem ronduit, dat ik geen lust had in studeren, en dat ik soldaat

wilde worden.

"Er had toen 'n vrij heftig toneel tussen mij en de oude heer plaats,

en 't einde er van was dat hij zeide: 'Abraham, met mijn verlof

zal je nooit soldaat worden, want in mijn oog is 't 'n gemeen en

laag baantje. Als je niet studeren wilt, zal ik je op m'n kantoor

nemen, je 't koopmansvak leren, en dan kan je later als ik oud ben,

de zaak overnemen.'

"Maar om de hele dag aan een lessenaar te zitten, kolommen cijfers

op te tellen en eentonige handelsbrieven te schrijven, had ik ook

geen lust.

"Die laatste weigering van mij, maakte mijn vader woedend en hij

antwoordde: 'Ik zal je twee dagen tijd geven om je te bedenken,

wat je gaat doen; of je naar Leiden zal gaan, of op m'n kantoor zal

komen. Als je geen van beide aanneemt, dan ga je mijn huis uit en

dan kan je zien hoe je in de wereld klaar komt, maar dan wil ik ook

niets meer met je te doen hebben.'

"Die twee dagen waren voor mij dagen van inwendige strijd, maar ten

slotte besloot ik mijn eigen hoofd te volgen, zelfs op gevaar van

aan de toorn van m'n vader overgeleverd te zijn.

"Tante Anna, die natuurlik 't plan van mijn vader goedkeurde, trachtte

tevergeefs mij op mijn voorgenomen besluit te doen terugkomen en

aan de wens van mijn vader te voldoen; toen de derde dag daar was,

en mijn vader mij vroeg wat ik zou doen, zei ik dat ik noch naar

Leiden zou gaan, noch op zijn kantoor komen.

"Ik zag dat mijn vader boos werd, doch hij bedwong zich en zei zo

kalm mogelik: 'dan moet je om 12 uur maar bij mij op kantoor komen.'

"Dat deed ik, en toen ik z'n kantoor was binnengetreden, sloot hij de

deur en zei: 'Je bent oud genoeg om te weten wat je doet. Je weigert

om aan de wensen van je vader te voldoen en je wilt de wijde wereld

ingaan, zonder dat je 't minste begrip hebt van de behandeling, die je

daar zal ondervinden, want je hebt wel wat geleerd op 't gymnasium,

maar bent onervaren en hebt geen praktiese kennis van de wereld. Ik

heb je reeds gezegd, dat als je mijn beide voorstellen weigert, ik

niets meer met je te doen wil hebben, en je moet niet verwachten dat

ik je hulp zal verlenen, als je ooit in moeilikheid mocht komen. Ik

wil je echter niet als 'n bedelaar de wereld insturen. Hier is 2000

gulden, begin daarmee de strijd om 't bestaan, maar is je geld op,

denk dan niet dat je weer bij mij behoeft te komen aankloppen.'

"Daarop haalde mijn vader vier rolletjes goud uit z'n lessenaar en

overhandigde die aan mij.

"Zonder ze te tellen stak ik ze in m'n zak, waarop de oude heer zonder

enig verder liefdesbewijs en blijkbaar zonder aandoening mij de hand

gaf en slechts zei: 'Goeden dag, Abraham.'

"Voor 'n ogenblik voelde ik 'n heftige aandrang om voor mijn vader op

de knieën te vallen, hem om vergiffenis te vragen, en te zeggen dat

ik aan zijn wensen zou voldoen, doch mijn hoogmoed en eigenzinnigheid

beletten mij aan die roepstem gehoor te geven, en met 'n 'Goeden dag,

Vader', stapte ik de kamer uit.

"Ik ging rechtuit naar huis, pakte mijn kleren en andere bezittingen

in 'n grote kist en liet die door de knecht naar 'n kleine herberg

aan de Maaskant brengen.

"Ik wilde tante Anna nog groeten, doch bevond dat ze uitgegaan was

en zonder dralen verliet ik 't huis en begaf me naar de herberg.

"Die nacht dekte de slaap mijn ogen niet, want mijn gedachten waren

gedurig bezig met wat ik zou beginnen.

"Ik had die avond in de herberg enige soldaten ontmoet en aan hen

mijn plan medegedeeld om ook dienst te nemen, maar ze raadden mij dit

sterk af, omdat 't 'n hondeleven was en je meer straf kreeg dan kost;

zij waren zelf ten minste van plan 't Staatsleger te verlaten, en

zich in dienst van de Oost Indiese Kompanjie te begeven. Ze haalden

verscheidene voorbeelden aan van mannen, die als soldaat bij de

Kompanjie waren begonnen en nu hoge betrekkingen bekleedden en

schatrijk waren geworden.

"Natuurlik vertelde ik hun niet dat ik in 't bezit van 2000 gulden was.

"Na lang 't voor en tegen overwogen te hebben, kwam ik, toen de

morgenstond aanbrak, tot 't besluit, dat ik 't voorbeeld van de

soldaten zou volgen en dienst nemen bij de Oost Indiese Kompanjie.

"Ik was pas 17 jaar, maar krachtig, en flink opgegroeid, want ik had

toen reeds 'n lengte van over de vijf en 'n halve voet.

"Ik bood me dus aan voor dienst bij de Kompanjie, werd dadelik

aangenomen en moest me reeds drie dagen daarna aanmelden bij zekere

Kapitein Reiniers, die met 'n detachement soldaten naar Indië zou

vertrekken met het schip "de Draak".

"Ik was op tijd aan boord en de volgende dag vertrok 't schip.

"Toen we bij de Kaap aankwamen, was er juist 'n tekort bij 't garnizoen

aldaar en werd de helft van ons detachement, waaronder ook ik, door de

Goeverneur gelast er te blijven; we kregen onze intrek in het Kasteel.

"Een jaar lang ging 't vrij goed, maar de gewenste bevordering,

waarvan men mij zoveel gesproken had, bleef uit en 't soldateleven

beviel me ook volstrekt niet, te meer daar destijds in de Kaap de

soldaten voor allerlei werkzaamheden gebruikt werden, en zelfs naar

de bossen werden gestuurd om bomen te kappen.

"In 't tweede jaar kwam de vloot van Holland naar Indië de Tafelbaai

binnen, en ik maakte kennis met verscheidenen van de onderoffisieren

en matrozen aan boord van die vloot, o. a. met onze opperbootsman

Willem Tuijl, die toen nog bootsmansgezel was.

"Het was op zijn raad dat ik verlof vroeg om als soldaat uit de dienst

te treden, en me opnieuw te laten inschrijven als matroos; dit werd

mij geredelik toegestaan, en Tuijl maakte dat ik op 't zelfde schip

kwam als hij.

"De goede opleiding die ik op 't gymnasium had ontvangen, kwam me nu

te pas en op de tweede reis, die ik van Holland naar Indië maakte,

begon ik de theorie van 't zeewezen te bestuderen, want 't praktiese

gedeelte, leerde ik natuurlik op 't schip zelf en dit te beter, omdat

Willem Tuijl mij veel nuttige wenken en heel wat inlichtingen gaf.

"Bij mijn derde aankomst in 't Vaderland deed ik aanzoek om bewijzen

te mogen afleggen van mijn bekwaamheid voor stuurman en werd toen

door vier kapiteins geëksamineerd.

"Enige dagen daarna was ik in 't bezit van mijn certificaat, maar

't duurde nog 'n jaar voor ik op 'n groot schip de betrekking van

vierde stuurman kon krijgen. Tuijl en ik waren echter zulke grote

vrienden geworden, dat we niet zonder elkander konden klaarkomen,

en toen twee jaar geleden de "Stavenisse" uit Holland zou vertrekken,

en 'n derde stuurman nodig had, deed ik bij de Kompanjie aanzoek voor

die betrekking en kreeg ik die.

"Zo ben ik als 't ware 'n zeeman tegen wil en dank."

"En bevalt het leven je?" vroeg Katrijn.

"Om de waarheid te zeggen," antwoordde Hartog, "nee. Wanneer alle

zeelui waren zoals Tuijl, zou ik er nog vrede mede kunnen hebben,

maar de meesten van de tegenwoordige zeelieden, in dienst van de

Kompanjie zijn schuim van de ergste soort van alle naties; ik geloof

niet dat men 'n enkel schip van de Kompanjie zal krijgen, waarvan de

bemanning alleen uit Hollanders bestaat. Anders is 't leven niet zo

slecht, want de gage is goed en over de kost valt niet te klagen."

"En heb je ooit iets verder van je vader gehoord?" vroeg het meisje.

"Ik heb hem nooit meer persoonlik gezien," antwoordde de jonge man,

"maar ik heb drie brieven aan hem en aan tante Anna geschreven."

"In die brieven heb ik niet om hulp gevraagd, maar slechts medegedeeld,

waar ik was en hoe 't met me ging, maar op geen een er van heb ik

ooit antwoord ontvangen."

"En wat heb je met je twee duizend gulden gedaan?" vroeg het meisje.

"Voordat ik de eerste keer Rotterdam verliet, ben ik naar de Notaris

Jan van Doorn gegaan, die steeds de zaakwaarnemer van mijn vader

was. Ik vertelde hem wat er met me gebeurd was, dat ik naar Indië

ging, en 't gevaarlik vond om zoveel geld bij me te hebben, daar

't gestolen kon worden, of misschien bij 'n schipbreuk verloren gaan.

"Vijftig gulden hield ik bij me, maar de rest overhandigde ik hem,

met verzoek die voor mij te bewaren, of ze te beleggen, naar hij

goeddacht."

"En waar zijn ze nu?" vroeg Katrijn weer.

"Zover ik weet," was 't antwoord, "zijn ze nog bij de Notaris, wiens

kwitantie ik in m'n bezit heb, maar ik heb nooit de moeite genomen

om er navraag naar te doen; zodra ik echter weer in Holland kom,

zal ik er eens naar vernemen."

Katrijn lachte en zei: "je bent zeker 'n zorgeloos mens op 't gebied

van geldzaken, meneer Hartog. Die 1950 gulden is 'n grote som, waar

men veel mee kan doen en in de zeven jaren die verlopen zijn, moet

de rente 't kapitaal aanzienlik vermeerderd hebben."

"Het is juist daarom dat ik het bij de Notaris heb laten blijven,"

was 't antwoord, "want dan heb ik op m'n oude dag toch nog 'n appeltje

voor de dorst.

"Maar ik ben benieuwd of ik ooit Holland weer zal zien."

"Waarom niet?" vroeg het meisje. "Als de anderen de Kaap bereikt

hebben, zullen er wel maatregelen genomen worden om ons op te zoeken."

"Hoe eerder hoe beter," zei Hartog, "want ik ben 't luie, nutteloze

leven al lang moe."

HOOFDSTUK XI.

EEN GOED PLAN.

Het was op zekere avond in 't eind van Augustus 1686, dat MacIntosh

en Hartog de hut binnentraden, waarin Kingston en Christian woonden,

en om 'n onderhoud met dezen verzochten. Toen dit door de twee Engelsen

toegestaan was, begon MacIntosh aldus:

"Vrienden, in de eerste plaats verzoeken we jullie om toch niet te

denken, dat we komen om te klagen of onze ontevredenheid te kennen

te geven. Integendeel zijn we jullie en de drie andere Engelsen zeer

dankbaar voor alles wat jullie voor ons, schipbreukelingen van de

Stavenisse, hebt gedaan. Je hebt ons van de hongersnood gered, ons

hier naar deze prachtige plek gebracht, en edelmoedig en rojaal van

alles voorzien; we kunnen jullie dat nooit vergelden.

"Maar er zijn er onder ons, vooral van de Hollanders, die verlangen

om naar hun vaderland terug te gaan, en dit is voornamelik 't geval

met de kapitein en z'n dochter.

"Jullie zijn al gewoon aan dit land en deze leefwijze, wij nog niet.

"We hadden gehoopt dat er spoedig een schip hier in de baai zou

binnenlopen, dat ons ten minste naar de een of andere Portugese

bezitting kon vervoeren, van waar er meer gelegenheid zou zijn om naar

Europa terug te gaan, maar we zijn hier nu al bijna vijf maanden,

en in die tijd heeft geen schip de baai van Natal bezocht, en wie

weet wanneer dit gebeuren zal. Bovendien vrezen we, dat de kaffers

niet altijd jegens ons zo vriendelik gestemd zullen blijven, als ze

nu zijn, en wanneer ze vijandig worden en ons aanvallen, zijn wij niet

bij machte hen tegen te staan, doch zullen we allen vermoord worden.

"We hebben gisteren avond raad gehouden, en mijn vriend Hartog hier,

gaf aan de hand, een grote, sterke boot te bouwen, en te trachten

daarmee de Kaap te bereiken.

"Daar we dat echter niet zonder jullie hulp kunnen doen, zijn Hartog

en ik afgevaardigd om van jullie en je drie metgezellen te vernemen,

wat jullie van ons plan denken. Keuren jullie 't goed, dan beloven

we om met onze uiterste krachten te helpen 't ten uitvoer te brengen."

De twee Engelsen hadden met aandacht naar MacIntosh geluisterd,

en toen deze geëindigd had, nam William Christian 't woord en zei:

"Het plan door jullie voorgesteld, is voor ons volstrekt niet

nieuw, want verleden jaar hebben Kingston en ik deze kwestie reeds

herhaaldelik besproken, maar er waren toen moeilikheden in de weg, die

't plan onuitvoerbaar maakten. In de eerste plaats waren we te weinig

in aantal om zulk 'n groot werk te ondernemen, en in de tweede plaats

hadden we niet 't allernodigste gereedschap. Toen de kapitein van de

Good Hope met negen van de onzen naar Mozambique vertrok, nam hij al

't bruikbare gereedschap met zich, en liet slechts enige versleten

en nutteloze artikelen achter. Eerst toen in 't begin van dit jaar

het tweede Engelse scheepje hier aankwam, gelukte het ons om enige

dingen te ruilen, en kwamen we zodoende in 't bezit van 'n stuk of

wat bijlen, 'n paar hamers, drie boren en 'n zaag. Maar toen we die

kregen, hadden de andere drie reeds kaffervrouwen genomen en bestond

er bij hen geen biezondere lust meer om dit land te verlaten. Met

ons tweeën konden we natuurlik niets uitrichten. Nu is de zaak echter

anders. We zijn met ons allen 16 man sterk, en ofschoon we met heel

wat moeilikheden zullen moeten kampen, is 't plan toch uitvoerbaar,

naar ik meen. We zijn natuurlik niet in staat om jullie vanavond

'n beslist antwoord te geven, want we zijn verplicht om onze drie

vrienden te raadplegen en hun oordeel te vragen; als zij er echter in

toestemmen, moeten we bespreken, hoe we 't op de beste wijze kunnen

aanleggen, en welke middelen te onzer beschikking staan.

"We kunnen zo iets niet hals over kop beginnen, om later uit te vinden,

dat we te veel hooi op onze vork hebben genomen. Morgen zullen we met

hen spreken, en als ze 't plan goedkeuren, zullen Kingston en ik,

en misschien ook de anderen, jullie daarna bezoeken en dan verdere

biezonderheden gezamenlik bespreken."

De Tweede en Derde stuurman namen genoegen hiermede en gingen welgemoed

naar hun hut terug.

De volgende avond kwamen Kingston en Christian werkelik naar de hut van

de kapitein en maakten 'n verontschuldiging voor hun drie maats, die,

naar ze zeiden, voor belangrijke zaken naar 't dorp van de Abambo's

waren gegaan.

De andere schipbreukelingen van de Stavenisse werden toen geroepen,

en daar 't een warme en heldere avond was, besloot men de vergadering

buiten te houden. Wie een bankje of houten stoeltje had, ging dat

halen, de anderen vleiden zich neer op de grond. Katrijn was natuurlik

ook op de vergadering tegenwoordig.

Deze avond was 't John Kingston, die 't eerst sprak, en zijn woorden

werden door MacIntosh vertolkt, schoon Katrijn een handje meehielp,

als de Schot het juiste Hollandse woord niet kon vinden.

Kingston zei dan: "Vrienden, volgens belofte gisteren avond aan jullie

afgevaardigden gedaan, hebben we vandaag onze drie maters geraadpleegd.

"Het kostte ons wel wat moeite om ze te overreden, maar ten laatste

stemden ze volmondig met ons plan samen en beloofden om eerlik hun

aandeel in 't werk te verrichten.

"Het plan om 'n boot te bouwen, groot en sterk genoeg om ons veilig

naar de Kaap de Goede Hoop te brengen, gaat dus door. Tans moeten we

de biezonderheden bespreken, en zien welke moeilikheden we te boven

moeten komen.

"Vooreerst wil ik mededelen, dat alhoewel we enigszins weten hoe 'n

boot moet gebouwd worden, geen van ons vijven dit ooit werkelik heeft

gedaan, en we hopen dus voor een groot deel op jullie inlichtingen,

altans als er iemand onder jullie is, die er meer van weet, dan wij."

Op dat ogenblik viel stuurman MacIntosh de spreker in de rede, en zei:

"Daar kan ik jullie in helpen, want vóór ik op zee ging, heb ik zes

jaar gewerkt op 'n scheepstimmerwerf te Glasgow, waar men voornamelik

boten voor de haringvisserij bouwde, en zo 'n haringbuis, indien goed

gemaakt, kan heel wat zee en wind verdragen en zou ons gemakkelik

naar de Kaap brengen."

"En hoe groot zou zo 'n boot wezen?" vroeg William Christian.

"Minstens 60 voet lang bij 9 voet breed en niet minder dan 8 voet

diep, maar nog liever 10 voet, om hem zonder veel ballast toch

standvastigheid te geven," antwoordde de Tweede stuurman.

"Goed, dat is reeds heel wat gewonnen," zei Kingston lachend en toen

vervolgde hij:

"Hout, en goed hout ook, hebben we in overvloed, en als we de nodige

bomen hebben gekapt, zullen we geen moeite hebben dragers te krijgen

om ze naar 't strand te brengen. Bovendien zijn er nog 'n aantal

planken in het stuk romp van de Good Hope, dat op 't strand ligt,

die misschien te pas kunnen komen. Bouten kunnen we ook krijgen,

maar wat we voornamelik nodig hebben, zijn spijkers. Nu zou ik wel

zelf die spijkers kunnen maken, want ik ben niet onbekend met het

smidsambacht, maar daarvoor moet ik ijzer van de rechte soort hebben,

b.v. een anker. Bij 't stranden van de Good Hope zijn al de ankers

verloren gegaan."

Hier sprong Willem Tuijl op en zei:

"Er moet nog heel wat ijzer op 't wrak van de Stavenisse zijn, als

dit ten minste bij deze tijd niet geheel uit elkander is geslagen,

en ik meen ook dat ik op 't strand een oud anker heb zien liggen,

maar of dat aan de Stavenisse behoorde, weet ik niet. In alle geval

waren er nog heel wat goede planken, vooral in 't dek, en zelfs als

't schip uit elkaar geslagen is, zal zonder twijfel 'n gedeelte van

de planken aan land zijn gespoeld."

"Dan is er slechts één goed plan," merkte Christian op, "namelik dat

een of twee van ons met 'n klompje dragers teruggaan naar de plek waar

de Stavenisse gestrand is, om te zien wat er aan land gespoeld is,

en al wat bruikbaar is, naar de Baai te brengen."

"En nu wil ik weten, hoeveel en welk gereedschap de bemanning van de

Stavenisse bezit," zei Kingston verder.

Na enig narekenen, was het antwoord hierop, 5 bijlen, 2 graven en

3 pikken.

"En één mes," riep Katrijn lachend uit, terwijl ze 't grote mes, dat

ze van 't schip meegenomen had, voor den dag haalde, en aan Kingston

overhandigde, die zei dat dit van groot nut kon zijn.

Daarop verklaarde MacIntosh, dat men nog meer gereedschap uit 't

wrak had gered, maar dat 't merendeel bij 't omslaan van de door hen

gebouwde boot verloren was gegaan.

"En nu komt de laatste vraag," vervolgde Kingston, "waar is de tent

van zeilen, die jullie bij de Stavenisse hadden?"

"Die heb je op de plek laten staan, waar hij stond," antwoordde de

barbier, die een van de herstelde zieken was, "en de kaffers hebben

die zeker ingepikt."

Kingston bedacht zich 'n ogenblik, sloeg toen met z'n vuist tegen

z'n voorhoofd, en riep uit: "Dat is werkelik zo, en dat is de domste

streek, die ik ooit in m'n leven uitgehaald heb. Doch 't zou me niet

verwonderen als die tent er nog stond, want kaffers hebben geen nut van

'n zeil, ofschoon ze 't uit pure moedwilligheid mogen vernield hebben."

"Hoe omtrent proviand voor de reis, meneer Kingston?" vroeg Katrijn,

die dit als haar eigen speciaal departement beschouwde.

"Daar zullen we voor zorgen, en ge zult geen honger lijden," antwoordde

de Engelsman lachend; "we hebben ruilwaren genoeg om voldoende proviand

voor tien zulke boten te krijgen. Laat dat maar gerust aan ons over,

op voorwaarde dat u de kost voor ons aan boord kookt, als uw aandeel in

't werk. Wij zullen voor 'n behoorlik kombuisje zorgen."

"Hoe zult ge de weg naar de Kaap vinden?" vroeg Kapitein Knijf,

die tot nu toe 't stilzwijgen had bewaard.

"Turnbull, een van onze kameraads, heeft een kompas, dat we altijd

gebruiken op onze landreizen," antwoordde Christian, "en dat kan

ons op zee ook van dienst zijn. 't Is wel klein, maar vrij juist,

en bovendien kunnen we altijd de kust in 't gezicht houden."

Kapitein Knijf mompelde iets van "onderzeese riffen", maar zei

verder niets.

Na nog 'n aantal punten van minder belang besproken te hebben, kwam

men ten laatste tot de volgende besluiten:

1. Dat aangezien het nu Woensdag was, en er eerst heel wat

schikkingen en toebereidselen moesten gemaakt worden, men de

volgende Maandag met 't bouwen van de boot zou beginnen.

2. Dat de volgende middag William Christian en MacIntosh met 'n

twintigtal kafferdragers dadelik naar 't wrak van de Stavenisse

zouden vertrekken en van daar alles zouden brengen, wat van nut

zou kunnen zijn bij de bouw van de boot.

3. Dat Kingston ondertussen de verder nodige toebereidselen

zou maken, en elk persoon daartoe opgeroepen, hem alle hulp

zou verlenen.

Het was reeds laat toen de vergadering verdaagde, doch iedereen ging

met een hoopvol hart slapen.

HOOFDSTUK XII.

HET BOUWEN VAN DE BOOT.

De volgende dag, kort na twaalven, waren William Christian en stuurman

MacIntosh met 20 kaffers gereed om te vertrekken en na nog enige

aanwijzingen van Kingston te hebben ontvangen, aanvaardden ze de

reis. Zonder enig ongeval bereikten ze op Zaterdagavond de plaats

waar de Stavenisse gestrand was.

Van 't wrak was niets meer te zien, maar tot grote vreugde van

Christian vond men de tent, schoon omvergewaaid, nog in z'n geheel,

terwijl het zeil door weer en wind wel wat geleden had.

Daags daarna ging Christian reeds vroegtijdig met zowat de helft van

de kaffers naar 't nabijzijnde inboorlingedorp en kwam nog vóór de

middag met 'n aanzienlike hoeveelheid proviand terug.

Intussen had MacIntosh 't strand in de buurt van 't wrak onderzocht en

heel wat van waarde gevonden. Het eerst ontdekte hij 't oude anker,

waarvan de bootsman had gesproken. Het was oud en verroest en de

stuurman zag spoedig dat het aan een ander schip als de Stavenisse

behoord had. Zonder veel moeite sleepten de kaffers 't naar de plaats,

waar de tent lag.

Van 't wrak waren 'n aantal balken en planken aangespoeld. De meeste

daarvan waren zodanig gebroken en beschadigd, dat ze geheel nutteloos

waren, maar 'n viertal balken van eikehout en 'n twintig planken

waren nog gaaf, en ook die werden door de kaffers geborgen, waarna de

stuurman het volk aan 't werk zette om al de bouten en 't ijzer uit

't onbruikbare hout te halen.

Men was hiermee nog bezig toen Christian met de proviand aankwam.

Na 'n goed middagmaal zette men 't werk voort.

De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal · 第 3 / 10 段