Zodra zij hiervan overtuigd was, riep 't meisje in de richting van

de tent: "kom uit, kom uit, er komen blanke mensen aan!"

Allen, behalve de drie zieken, holden op dit geroep de tent uit en

de verrekijker ging van hand tot hand, totdat er geen twijfel meer

bestond of de aankomende personen waren blanken.

Geen half uur later kwamen twee mannen, ongetwijfeld van Europese

afkomst, op de schipbreukelingen af, en een van die twee riep in

't Engels uit: "Verstaan jullie Engels?"

"O yes, O yes!" riepen Katrijn en stuurman MacIntosh als uit één mond.

"Mijn naam is John Kingston en die van mijn maat is William Christian,"

zei een der beide vreemdelingen. "Wij zijn schipbreukelingen van

de "Good Hope", die verleden jaar bij de Baai van Natal gestrand

is. Vier-en-twintig van ons bereikten levend 't land; we hebben

toen 'n boot gebouwd en de Kapitein en negen man zijn daarin naar

Mozambique gegaan. Later zijn vier anderen met 'n klein Engels scheepje

vertrokken, terwijl vijf van ons aan buikloop zijn gestorven, zodat

er nu nog vijf in Natal zijn. Verleden week hebben we gehoord dat er

zuidelik en niet ver van ons 'n schip was vergaan en daarop besloten

wij tweeën te gaan zien of we jullie niet konden helpen. Jullie zien

er uit alsof je niet te veel te eten hebt."

MacIntosh en Katrijn vertelden toen aan de twee Engelsen alles wat

er gebeurd was en gaven hun te kennen, dat ze bijna verhongerd waren

en geen raad wisten hoe aan voedsel te komen.

"O," zei Christian, "dat zullen we gauw verhelpen," en na 'n paar

woorden in kaffertaal met z'n maat gesproken te hebben, namen ze

afscheid en beloofden in de middag terug te zullen komen.

De schipbreukelingen wisten niet waarheen de Engelsen gegaan waren

en wat hun doel was, zodat de Kapitein z'n vrees uitsprak, dat ze

wellicht verraders waren, die de kaffers zouden aansporen de blanken te

overvallen, doch MacIntosh sprak dit met kracht tegen en ook Katrijn

was van mening, dat de Engelsen het goed met hen meenden, want waarom

zouden ze anders de 70 mijl afgelegd hebben om hen te bezoeken?

Het was even over twaalven toen men de Engelsen weder zag aankomen,

gevolgd door omtrent 25 kaffers.

Toen dit troepje bij de tent kwam, bleek 't dat de twee Engelsen

voedsel waren gaan halen voor de schipbreukelingen, want Christian

had in 'n zak die hij op z'n rug droeg, heel wat gekleurde kralen

van allerlei soort en ook koperen ringen, beide artikelen die als

ruilmiddelen zeer bij de kaffers in trek waren.

Er was heel wat door de kaffers meegebracht, o. a. 1 jonge os,

4 bokken, 20 hoenders, 5 grote manden met kafferkorenmeel, 6 manden

met kafferkoren en ook enige kannen met kafferbier, benevens 'n mand

met veldvruchten, en enige eetbare bolgewassen.

Katrijn nam 't voedsel in ontvangst. De bokken werden vastgemaakt, maar

de os werd dadelik geslacht en spoedig genoten de schipbreukelingen

de aangename en voor hen ongewone geur van bradend vlees.

"Vrienden," zei Christian, "eet nu zoveel ge wilt, en als jullie magen

gevuld zijn, zullen we raad houden, en zien wat ons te doen staat."

Daarop wenkte hij de kaffers naar huis toe te gaan, waarop Katrijn op

stukken platte klip 't voedsel uitdeelde, dat gretig door de anderen

verslonden werd.

Een van de kaffers had 'n klein mandje met zout meegebracht, en daar

de schipbreukelingen in meer dan 'n maand geen zout hadden geproefd,

was dit hen zeer welkom, terwijl het verse kafferbier 'n uitmuntende

verfrissende drank uitmaakte.

Toen 't maal geëindigd was, kwamen allen bij elkaar en nu begon

Kingston de vergadering toe te spreken in 't Engels, dat door MacIntosh

vertolkt werd.

"Vrienden," zei hij, "ge begrijpt dat 't onmogelik is voor jullie om

hier alleen te blijven. Ik geloof niet dat de kaffers jullie kwaad

zullen doen, maar daar ge geen ruilmiddelen hebt, zullen ze jullie

ook geen voedsel verkopen, en ge zoudt dus ten slotte van honger

omkomen. We zijn met ons vijven aan de Baai van Natal en hebben genoeg

kralen, koperen ringen, en andere ruilmiddelen, om gedurende 50 jaar

voedsel voor ons allen te kopen en behalve dat, hebben we omtrent

8000 pond ivoor, dat we bij de schepen die in de Baai komen, kunnen

verruilen voor levensmiddelen. Ge zult welkom zijn om alles met ons

te delen, we wonen in kafferhutten en leven op kafferwijze; drie van

ons hebben zelfs kaffervrouwen en we leiden 'n gemakkelik leven.

"We zijn goed gewapend, hebben geweren, kruit en lood in overvloed,

en ook twee koperen kanonnen die we uit ons schip gered hebben. Een

groot deel van 't schip ligt nog op 't strand, en bevat nog veel dat

we gebruiken kunnen.

"Ik stel dus voor, dat ge zo snel mogelik met ons vertrekt naar de

Baai van Natal. De afstand is maar 70 mijl, of niet meer dan drie

dagen. Er is 'n voetpad, want onze kaffers bezoeken dikwels de stam

die hier woont, en ook wij blanken zijn verscheidene malen hier

geweest om handel te drijven. Jullie goederen en de nodige proviand

kunnen door kaffers hiervandaan tot de Baai worden gedragen, want

't zal ons min moeite kosten om de nodige dragers te krijgen. Zijn

we eenmaal aan de Baai, dan kunnen we daar verdere plannen maken."

Het spreekt vanzelf dat dit edelmoedige voorstel zonder de minste

aarzeling aangenomen werd, en men kwam overeen, dat de tocht de

volgende middag zou beginnen.

Er was slechts één moeilikheid, namelik wat men met de drie zieken

moest doen. Kingston zei, dat de kaffers zich niet zouden laten

overhalen om hen te dragen.

Daarom besloot men ten laatste, dat Kingston bij de zieken in de tent

zou blijven, niet alleen om voor hun voedsel te zorgen, maar ook om

hen te beschermen en dat Christian met de overigen naar Natal zou gaan.

Toen dit alles afgesproken was, vertrokken de twee Engelsen naar

't omtrent 6 mijl verwijderde kafferdorp, waar ze de nacht zouden

doorbrengen en dan de volgende dag terug komen met de nodige dragers

en proviand voor de reis.

De schipbreukelingen waren natuurlik hoogst verheugd over deze redding

uit de nood en zelfs de Kapitein kon op dit punt niets vinden om over

te klagen.

Allen brachten 'n rustige nacht door, maar waren reeds voor dag en voor

dauw op de been, en na 'n haastig maal van kafferkorenpap en gebraden

vlees, hielp iedereen mee om al hun bezittingen te pakken in bundels

van omtrent 40 tot 60 pond gewicht, zoals Christian dit voorgeschreven

had. Zulk 'n bundel, had hij gezegd, zou 'n kaffer vandaar naar de

Baai dragen voor 'n koperen ring ter waarde van sixpence.

De zon stond nog niet op midderhoogte, toen de twee Engelsen bij de

tent terug kwamen met omtrent 30 kaffers. Snel werd aan elke drager

z'n pakje toegewezen, terwijl de vier matrozen ieder 'n bok aan

'n touw meenamen, of beter gezegd meesleepten, en de overigen van

't gezelschap ieder 'n paar hoenders onder de arm droegen.

Nadat men Kingston en de drie zieken gegroet had, begon men de reis.

HOOFDSTUK VIII.

DE REIS NAAR DE BAAI EN DE AANKOMST ALDAAR.

Het was een aardig gezicht, dat deze uittocht aanbood. Christian liep

voorop met een lange, zware kafferkierie in de hand; dan kwamen een

voor een in een ganzerij, de Kapitein, diens dochter, de offisieren

en onderoffisieren, vervolgens de manschappen en ten slotte de dragers.

Dezen schenen goed gehumeurd, want onder 'n enigszins eentonig,

maar niet onaangenaam gezang, hielden zij de maat in hun gang,

en elke paar minuten hieven zij een luid hu! hu! of au! au! aan,

waarbij zij dan een soort van bokkesprong maakten.

Katrijn wilde ook wat leven onder de blanken brengen en begon 'n

vrolik en welbekend zeemansliedje te zingen, waarbij de anderen als

een koor invielen. Slechts de Kapitein bleef somber en stil, totdat

zijn dochter hem met 'n stok die ze droeg, begon te plagen, door hem

in de rug te porren, natuurlik tot groot vermaak van de anderen.

Het voetpad dat niet breder dan omtrent 18 duim was, slingerde zich

nu eens door 'n dik bos, dan weer over 'n schone grasvlakte, of over

'n rijk begroeide en met bloemen bedekte hoogte. Hoge bergen of

rotsgevaarten vond men er niet.

Er waren niet lang geleden regens gevallen, zodat 't veld er prachtig

uitzag, en hier en daar 't gras aan de kanten wel 4 of 5 voet hoog

stond. Niet zelden zag men in de verte op de velden, aanzienlike

troepen wilde bokken, en nu en dan sprong 'n duiker of een bosbok

in de nabijheid van Christian op, die zich echter niet de moeite

getroostte er op te schieten.

Toen men omtrent 2 1/2 uur gelopen had, kwam men bij 'n helder

stroompje, waar Christian bevel gaf halt te houden, en waar men

wat beschuit van kaffermeel gebruikte, waarvan sommige dragers 'n

aanzienlike hoeveelheid bij zich hadden.

Na 'n uur rusten, ging men weer op weg, en kwam eerst in 'n groot dik

bos, waarin verscheidene bomen 'n hoogte van over de 100 voet hadden.

Christian liet nu de mannen die geweren bij zich hadden, deze

evenals hij zelf deed, gereed houden, want er waren, naar hij zei,

nog olifanten in 't bos.

Gelukkig echter ontmoette men geen enkele van deze reuzen van 't woud

en na 2 uur gelopen te hebben, was men 't bos uit. De zon begon reeds

sterk naar 't westen te dalen, en toen men nog 'n uur verder was,

kwam men opnieuw bij 'n riviertje, waar de Engelsman voorstelde

te overnachten.

Daar er aan de oever van de rivier 'n aantal bomen stonden, kapte

men spoedig 'n hoeveelheid grote takken af, waarmede men 'n soort van

lager vormde. Daarin zouden de blanken slapen, terwijl de dragers de

nacht er buiten doorbrachten.

Plotseling hoorde Christian 't eigenaardige geluid dat de tarantalen

maken; hij riep 'n paar van hen die geweren hadden, men sloop

behoedzaam onder de bomen door en kwam weldra in 't lager terug met

meer dan twintig van de smakelike vogels.

Katrijn liet ze door de manschappen en zelfs door de offisieren zo snel

mogelik plukken, en toen ze op braadspitten gaar gemaakt waren, had

men er met warme koeken van kafferkorenmeel 'n smakelike maaltijd van.

Onder het nuttigen van dit maal vroeg MacIntosh aan Christian, of er

ook leeuwen of andere wilde dieren in deze streken waren, waarop deze

antwoordde, dat dit deel van 't land dicht bevolkt was met kaffers,

die uit zelfbehoud de leeuwen hadden uitgeroeid. Wel waren er nog

tigers en luipaarden, doch die hielden zich meest in 't gebergte op,

en vielen slechts zeer zelden de mens aan.

De nacht ging zonder enige stoornis voorbij en toen de volgende morgen

de zon opkwam, zette men met frisse moed de reis voort.

Na 'n wandeling van drie uur kwam men op 'n steile rand, aan welks

voet 'n grote rivier liep. Op die rand stond 'n kafferkraal of

dorp, bestaande uit over de 200 ronde hutten; Christian leidde z'n

reisgenoten rechtuit naar de kraal, waar hij als 'n oude bekende

begroet werd. Hij liet de blanken en de dragers omtrent 'n honderd tree

van de kraal wachten, en nadat hij z'n geweer aan Kapitein Knijf had

overhandigd, stapte hij alleen 't dorp binnen om de hoofdman ervan

te bezoeken, want hij wist dat dit kaffergebruik was.

Na 'n half uur kwam hij terug en deelde mede dat ze er 'n weinig

zouden uitrusten.

Niet lang daarna kwamen enige kaffervrouwen die gekookt geitevlees,

kafferkoren, boontjes en ook 'n twaalftal kalabassen met kafferbier

brachten. Zij zeiden dat dit 'n geschenk van de induna was.

Men liet zich alles goed smaken en toen 't maal afgelopen was, ging

Christian weder naar de hoofdman om hem te bedanken en tevens te

beloven, dat hij, zodra hij kon, hem 'n tegengeschenk zou zenden.

Na een goed uur gerust te hebben, trok men verder en ging de rivier

door op 'n doorwaadbare plaats, waar 't water echter een voet diep was,

zodat de blanken toch hun schoenen moesten uittrekken om er doorheen

te komen.

De doortocht geschiedde niet zonder 'n lachwekkend toneel, want de

zeilmaker gleed uit op 'n gladde klip, viel in 't water, dat juist

daar iets dieper was en werd natuurlik papnat op 't droge gesleept. De

arme kerel, die bibberde van 't koude bad dat hij gehad had, kreeg van

Christian de troost, dat de zon warm was en hij wel gauw zou opdrogen.

Zonder verdere wederwaardigheden bereikte men die avond 'n tweede

aanzienlike rivier en overnachtte aldaar.

Voor 't geheel donker was, verliet Christian 't kamp, doch kwam binnen

'n half uur terug met 'n bosbok en twee duikers, die hij nauweliks

dragen kon, zodat er toen weder voldoende vlees was, zowel voor de

avond als voor de volgende morgen.

Men had die dag 'n flinke afstand afgelegd en allen waren moe en

stijf, zodat 'n ieder blij was om na het maal zo spoedig mogelik zijn

slaapplek op te zoeken.

De volgende dag kwam men weder bij 'n kraal en werd ook daar goed

ontvangen en onthaald.

Eén uur voor zonsondergang, kwamen de blauwe wateren van de Indiese

Oceaan in 't gezicht, en de zon was juist aan 't verdwijnen toen

men bij 'n kleine kraal kwam, waarin zes kafferhutten stonden, die

omringd waren door 'n tamelik hoge aarden wal.

"Zo," zei Christian, "nu zijn we thuis," en gevolgd door de anderen,

stapte hij de kraal binnen, waar hij spoedig zijn metgezellen

voorstelde aan de drie achtergebleven Engelsen, die de nieuw

aangekomenen hartelik verwelkomden.

Men wees Kapitein Knijf en z'n dochter 'n lege kafferhut aan,

die er zeer eenvoudig doch zindelik uitzag; de anderen moesten de

eerste dagen nog maar buiten slapen, totdat er nieuwe hutten voor

hen opgericht waren.

De dragers legden hun vrachten neder, waarop Christian hen ieder

'n grote koperen ring en 'n handvol blauwe kralen als hun betaling gaf.

Daarop gingen ze vergenoegd heen, naar de grote kraal van de Abambo's,

die zoals Christian zei, 'n half uur te voet aan de andere kant van

de heuvel of 't kopje lag.

HOOFDSTUK IX.

VIER MAANDEN EEN LEKKER LUI LEVEN.

Toen de schipbreukelingen de volgende morgen na 'n geruste slaap

opstonden, was de zon reeds 'n half uur op, en vertoonde zich aan

hen een schoon toneel.

De kraal van de Engelsen was gebouwd op de helling van 'n heuvel,

die men tans de Berea noemt.

Vóór hen strekte zich de Baai van Natal uit, met z'n blauwe wateren,

die zachtjes tegen 't zonnige strand bruisten.

Rechts van de Baai verhief zich de steile Kaap, die gewoonlik bekend

is als "de Bluff" en waar tegenwoordig de vuurtoren staat.

Tussen de kraal en de zee was de grond bedekt met weelderig gras en

lage bloeiende struiken, terwijl links en rechts 't geboomte geleidelik

hoger werd en eindelik in 'n dicht bos overging.

Al was men reeds in de tweede wintermaand, toch was de zon nog warm

en de lucht zoel.

Ging men de heuvelrand over, dan zag men aan de voet ervan de talrijke

hutten van de Abambo-kraal, links waarvan op 'n uitgestrekte gras

vlakte duizenden koeien en ossen rustig weidden, want de Abambo's

waren een rijk en welvarend volk.

Met groot welgevallen zagen de schipbreukelingen dan ook dit prachtige

land aan, en MacIntosh zei, dat hij hier wel z'n hele leven zou

willen blijven.

Inderdaad volgde er 'n zeer aangename tijd voor de schipbreukelingen

van de Stavenisse.

In de eerste dagen was men de Engelsen behulpzaam met 't oprichten

van vier grote ronde hutten, die elk als slaapplek voor drie man

konden gebruikt worden, zodat er nu ruimte genoeg voor allen was.

William Christian bracht de Kapitein en z'n dochter naar 'n grote hut,

die niet ver van de wal achter de verblijfplaats van de Engelsen stond.

Deze hut was 'n soort van pakhuis, waarin verscheidene kisten en

balen stonden, waarvan sommige reeds geopend waren.

De inhoud van de geopende kisten bestond uit kralen van allerlei

kleuren, koperen ringen, stukken ruw linnen, enz., en uit snuisterijen,

alles afkomstig van de Good Hope, en geschikt voor ruiling met de

inboorlingen, want de Good Hope had handel gedreven op de Oostkust

van Afrika en zelfs op Madagascar, niet alleen in produkten, maar

ook in slaven.

Het merkwaardigste in de hut was 'n grote hoop olifantstanden, waarvan

er sommige zeker 80 pond wogen; in 'n hoek stonden zowat 'n twintigtal

geweren van 'n beter maaksel dan dat waaraan de schipbreukelingen

gewoon waren.

Vier of vijf van die geweren waren prachtig versierd en ingelegd met

ivoor en zilver, en toen de Kapitein aan Christian vroeg, hoe hij aan

die mooie wapenen kwam, antwoordde deze, dat zij ze gevonden hadden op

'n Arabiese Dhow, die zij ten noorden van Mozambique hadden veroverd.

Katrijn beschouwde al deze merkwaardigheden met aandacht en zei toen

tot William Christian: "Ik zie, meneer Christian, dat ge niet te veel

gezegd hebt, toen u ons vertelde, dat u bij de Baai genoeg goed had

om voedsel voor 50 jaar te kopen."

"Ja," zei Christian, "er is genoeg goed en men kan er heel wat voor

kopen, maar 't ongeluk is dat 't volk hier te slim begint te worden

en steeds meer begint te vragen voor z'n produkten. Vroeger kreeg

ik voor 'n koperen armband 'n dozijn hoenders, nu kan ik er slechts

vier krijgen, en als ik mijn waren tegen 'n hoge prijs van de hand

wil zetten, moet ik nu al ver 't binnenland in, soms bij volken die

nog nooit 'n witte man hebben gezien. Die tochten zijn gevaarlik,

want men weet nooit hoe 'n vreemd volk je ontvangen en behandelen zal,

en vooral de stammen die in aanraking geweest zijn met de Arabieren

zijn dikwels zeer gevaarlik."

Drie van de Engelsen leefden met kaffervrouwen uit de stam van de

Abambo's, maar deden nog niet aan veelwijverij, zodat er slechts drie

vrouwen in de kraal waren, die ieder 'n zuigeling in de arm hadden.

Katrijn had eerst 'n afkeer van die wezens, doch langzamerhand

raakte zij met hen bekend, en vond zij ze beter dan ze gedacht

had. Ze hielden hun hutten ordelik en zindelik en waren bezig van

de morgen tot de avond, hetzij met 't koken van kost, of 't werken

in de kleine tuinen, die buiten de kraal op de helling van de heuvel

aangelegd waren en waarin kafferkoren, zoet riet, pompoenen en boontjes

weelderig groeiden.

Er was zelfs een stuk grond met maïs of mielies bezaaid, 'n plant toen

nog niet algemeen bekend in Zuid-Afrika, maar in die streken door de

Portugezen ingevoerd; deze mieliepitten had de bemanning van de Good

Hope in Sofala gekregen.

Toen Katrijn deze plant, die ze dikwels in Indië gezien had, opmerkte,

vroeg ze aan Christian of men ze hier at. De Engelsman antwoordde, dat

men ze zeer goed kon eten, maar de opbrengst van 't kleine lapje dat

hij had, wilde hij gebruiken om ze te verkopen of te verruilen. Hij had

't vorige jaar 'n handjevol pitten ten geschenke gegeven aan de Koning

van de Abambo's en deze had heel wat koppen daarvan gewonnen, en nu

wilde het volk van de Abambo's ook van 't nieuwe voedsel hebben; hij

hoopte zodoende heel wat voordeel uit dat stukje grond te maken. Was

dit 't geval dan zou hij 't volgende jaar 'n groter stuk land er

mee beplanten.

Nadat 't meisje haar eerste afkeer van de kleurlingvrouwen overwonnen

had, bracht zij ze meermalen 'n bezoek en schoon ze hun taal niet

kon praten, wist men door gebaren elkander op 'n manier te begrijpen.

Langzamerhand leerde Katrijn echter heel wat uitdrukkingen in de taal

van de Abambo's, die niet veel verschilde van de tegenwoordige taal

der Zulu's.

Overigens leidde Katrijn ook geen ledig leven. Zij moest voor de kost

zorgen en voor de gemakken van haar vader.

Nog altijd was de Kapitein in droevige gedachten verzonken en gewoonlik

zat hij stil en eenzaam in de schaduw van 'n boom of bosje naar de zee

te turen, terwijl hij onophoudelik rookte. Dit roken was voor hem,

zowel als voor de andere zeelieden 'n waar genot, want al hadden

sommigen nog wel 'n pijp gehad, sinds de schipbreuk waren ze zonder

tabak geweest.

De Abambo's echter kenden 't gebruik van tabak en verbouwden 'n

soort van die plant, welke in sommige delen van Zuid-Afrika in 't

wild groeit. Ze droogden de blaren en maakten er kleine rollen van,

evenals de Pondo's dit tans nog doen. Die tabak had geen slechte smaak,

maar was verbazend sterk, doch de zeelieden waren aan sterke tabak

gewoon. Zij die geen pijpen hadden, kregen die òf van de kaffers,

òf maakten ze zelf uit 't hout van 'n zekere boom, dat daartoe zeer

geschikt was.

Nadat de hutten gereed waren, hadden de mannen weinig of niets te

doen. Soms gingen ze 's morgens naar 't strand, waar ze zich eerst

baadden, en zich dan vermaakten met 't vangen van vis en niet zelden

'n rijke buit meebrachten.

Nu en dan vergezelden ze Christian of een der andere Engelsen naar

de hoofdkraal van de Abambo's; bij andere gelegenheden gingen ze met

de nieuwe vrienden op de jacht.

Over 't algemeen leidden ze 'n aangenaam en zorgeloos leven. Wild,

vis, kafferkoren en ander voedsel was er volop, en ze hadden zich

over niets te bekommeren.

Om echter een van de kaffermeiden tot vrouw te nemen, zoals de drie

Engelsen hadden gedaan, dat stuitte zelfs de anders niet kieskeurige

Hollandse zeelui tegen de borst.

Nadat ze omtrent drie weken nabij de Baai van Natal waren geweest,

kwam Kingston aanzetten met twee van de drie achtergebleven zieken,

die tans hersteld waren. De derde was intussen overleden. Nu was het

oude gezelschap weer zo goed als voltallig.

Kort na hun aankomst zeiden Christian en Kingston, dat ze van plan

waren 'n eind ver 't binnenland in te gaan, ten einde olifanten te

jagen en handel te drijven met de inboorlingen, en ze stelden aan de

Hollanders voor met hen samen te gaan, 't geen dan ook aangenomen werd.

Slechts Hartog en de oude Kapitein en diens dochter bleven thuis,

met de andere drie Engelsen.

De twee herstelde zieken wilde Christian eerst niet meenemen, want hij

vreesde, dat ze nog niet sterk genoeg zouden zijn om de ongemakken

van de reis te verdragen, doch ze drongen zo bij hem aan, dat hij

ten slotte er in toestemde.

Al de blanken werden met geweren en de nodige ammunitie gewapend. Men

had geen andere vracht te dragen, dan z'n eigen kombaars en genoeg

proviand voor 'n dag.

Veertig dragers, ieder met twee assegaaien gewapend, werden met de

handelswaren en genoeg kafferkoren voor de reis beladen; vlees kon

men langs de weg krijgen in de vorm van wild.

Evenals op de reis van 't wrak liep men langs 'n voetpad, de een achter

de ander, doch na verloop van drie dagen eindigde het voetpad bij

'n zekere kraal en moest men met behulp van 'n kompas, dat Christian

bij zich had, de weg zoeken door de bossen en over de grasvlakten.

We zullen de tocht niet beschrijven, maar slechts melden dat deze

uitmuntend afliep.

De twee Engelsen, die natuurlik het leeuwe-aandeel in de jacht hadden,

schoten over de twintig olifanten, waarvan sommige heel wat ivoor

opleverden.

De handel slaagde eveneens uitstekend en de dragers hadden werk om de

zware pakken naar de baai terug te brengen. Ook bracht men 'n achttal

beesten en 25 geiten met zich mede.

Driemaal werden in vier maanden tijd zulke reizen gemaakt, alle met

even groot sukses. Slechts op de laatste reis, waarop men in aanraking

kwam met 'n vreemde stam, die zich niet al te vriendschappelik

betoonde, liep men groot gevaar om vermoord te worden en 't was

slechts aan de takt van de twee Engelsen te danken, dat men heelhuids

uit die streek terugkwam.

Omstreeks 't einde van 1686, kwamen plotseling acht mannen en een

jongen uit 't Noorden bij de Baai van Natal aan, en verhaalden dat

zij de bemanning waren van 'n klein Engels schip, de Bona Ventura,

dat bij de St. Lucia Baai vergaan was, en dat zij nu op weg waren

naar de Kaap de Goede Hoop.

Zij waren allen Engelsen, en toen zij nu in de Baai waren aangekomen,

maakten de andere daar reeds wonende Engelsen het hun duidelik,

dat het dwaasheid was om te trachten de Kaap de Goede Hoop te voet

te bereiken. Ze moesten liever in Natal blijven en men was geheel

bereid om alles met hen te delen, mits zij hun aandeel namen in

't werk dat men te doen had.

Wat dat werk was, zullen we in 'n later hoofdstuk verhalen.

HOOFDSTUK X.

EEN ZEEMAN TEGEN WIL EN DANK.

Gedurende de tijd, dat de anderen op expeditie waren, leidden de drie

achtergebleven Engelsen, de Kapitein, zijn dochter en Abraham Hartog

'n rustig leven.

De drie Engelsen waren dikwels afwezig en bij de grote kraal van de

Abambo's; er was dan voor de schipbreukelingen meestal geen ander

gezelschap dan dat van de drie kaffermeiden.

Met hen was Katrijn nu op goede voet en dit kwam haar in menig opzicht

best te pas.

De manskleren waarin zij geland was, hadden reeds zoveel geleden,

dat ze bijna onbruikbaar waren, en Katrijn moest op de een of andere

manier 'n plan maken, om nieuwe kleren in handen te krijgen.

Wat haar onderkleren betrof, had zij geen moeite want op haar verzoek

gaf Kingston haar wat zij nodig had van katoen of linnen, maar iets

dat kon dienen voor bovenkleren, had hij niet in z'n bezit.

De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal · 第 2 / 10 段