Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
DE DOCHTER VAN DE ZEEKAPITEIN.
EEN HISTORIES VERHAAL
DOOR
D'ARBEZ.
Tweede Serie, No. 4.
J. H. DE BUSSY.
Pretoria, Amsterdam.
HOLL.-AFRIK. UITGEVERS-MIJ. v/h. J. DUSSEAU & Co.
Kaapstad.
1920.
INHOUD.
Bladz.
HOOFDSTUK I.
Waarin wij met Vader en Dochter bekend raken 1
HOOFDSTUK II.
Kapitein Knijf krijgt een nieuw schip 8
HOOFDSTUK III.
De reis van de Stavenisse 17
HOOFDSTUK IV.
De schipbreuk 25
HOOFDSTUK V.
Een beraadslaging en de gevolgen daarvan 30
HOOFDSTUK VI.
Donkere dagen 37
HOOFDSTUK VII.
Er komt hulp 42
HOOFDSTUK VIII.
De reis naar de Baai en de aankomst aldaar 49
HOOFDSTUK IX.
Vier maanden een lekker lui leven 55
HOOFDSTUK X.
Een zeeman tegen wil en dank 64
HOOFDSTUK XI.
Een goed plan 76
HOOFDSTUK XII.
Het bouwen van de boot 86
HOOFDSTUK XIII.
De reis naar- en de aankomst te Kaapstad 100
HOOFDSTUK XIV.
Het onderzoek 108
HOOFDSTUK XV.
Katrijn verandert van plan 121
HOOFDSTUK XVI.
De reis van de Centaurus 129
HOOFDSTUK XVII.
Het verhaal van de jonge Fransman 134
HOOFDSTUK XVIII.
De reis van de Noord 140
HOOFDSTUK XIX.
Twee brieven van belang 145
HOOFDSTUK XX.
Van zeeman tot boer 154
HOOFDSTUK XXI.
Donkere dagen 163
HOOFDSTUK XXII.
Een onverwacht bezoek 170
HOOFDSTUK XXIII.
De Kommandeur wordt profeties 179
HOOFDSTUK XXIV.
Een nieuwe vijand 187
HOOFDSTUK XXV.
Een oude kennis 192
HOOFDSTUK XXVI.
De dood van Kapitein Knijf 204
HOOFDSTUK XXVII.
De laatste zeereis van de dochter van de Zeekapitein 209
HOOFDSTUK XXVIII.
De dood van Katrijn 220
HOOFDSTUK XXIX
Besluit 230
VOORWOORD.
In dit boekje heb ik tot zulk 'n bedrag op de Bank van de Fantasie
getrokken, dat 't misschien niet onnodig is om mijn lezers te
vertellen, wat er waarheid, en wat verdicht in is, te meer, daar deze
serie van boeken, de naam van Zuid Afrikaanse Historie Bibliotheek
draagt.
De gebeurtenissen betrekking hebbende op 't vergaan van de Stavenisse
en 't bouwen van de Centaurus zijn zuiver histories, evenals de
reis van de Centaurus naar Natal en de geschiedenis van Drakenstein,
voor zover in dit werk behandeld.
De Kapitein van de Stavenisse heette werkelik Willem Knijf, en IJsbrand
Hogesaad was de Eerste stuurman. Natuurlik had de Stavenisse 'n tweede
en 'n derde stuurman, maar of ze MacIntosh en Abraham Hartog heetten,
dan wel Jan Klaassen en Piet Hein, kan ik niet zeggen. Ook was er
'n opperbootsman, maar deze heb ik willekeurig Willem Tuijl genoemd.
De namen van de Engelsen in Natal zijn histories juist.
Heeft de held van dit verhaal Abraham Hartog 'n verdichte naam,
hetzelfde is 't geval met Katrijn Knijf, de heldin. Of de Kapitein
ooit 'n dochter gehad heeft, is mij onbekend, maar zeer zeker is
't, dat die dochter nooit op de Stavenisse was, toen deze strandde:
Katrijn is 'n zuiver produkt van mijn verbeeldingskracht, en ik hoop,
dat ze deze geen oneer zal aandoen.
Dat 'n meisje als zij, van jongs af aan op zee opgegroeid, 'n rein,
prakties karakter had, is niet onnatuurlik en dat zij zo gemakkelik
de overgang maakte van 't zee- tot 't landleven, laat zich uit dat
karakter begrijpen.
Minder natuurlik is misschien die overgang van de zijde van de jonge
Hartog, maar we zouden 't niet moeilik vinden om voorbeelden uit de
tegenwoordige geschiedenis van Zuid-Afrika aan te halen van mannen,
die zonder vorige ervaring de boerderij hebben uitgeoefend en daarin
uitmuntend zijn geslaagd. Ik moet echter erkennen dat 't geluk Hartog
biezonder gunstig is geweest.
Als er onder mijn lezers of lezeressen sommigen mochten zijn, die
iets van 't zeewezen afweten, zullen ze zich wellicht verwonderen,
hoe 'n bootsman zo snel tot Kapitein opklom, maar in de oude dagen,
toen Nederland en niet Engeland de zee beheerste, waren zulke gevallen
niet zeldzaam.
Als slechts één voorbeeld mogen wij de naam noemen van Michiel
Adriaanszoon de Ruyter, de grootste vlootvoogd, die Holland en zelfs
Europa ooit gekend heeft, en die van scheepsjongen, admiraal werd.
Met deze verklaringen biedt de schrijver het publiek dit boekje aan
en hoopt dat 't een waardige mededinger mag worden van "Mooi Annie",
dat, naar de ervaring heeft geleerd, het geliefkoosd boek is, niet
alleen van de jeugd van Zuid-Afrika. maar ook van ouderen van dagen.
D'ARBEZ.
HOOFDSTUK I.
WAARIN WIJ MET VADER EN DOCHTER BEKEND RAKEN.
Er zijn mensen in de wereld, die zich tot de ongelukkigen van de Aarde
rekenen, en die zelfs als het hen goed gaat, steeds blijven mopperen
en klagen en niets anders kunnen doen dan alles van de donkerste
zijde te beschouwen.
Zulk een man was schipper Willem Knijf. Het is waar dat hij veel
te doorstaan had gehad, maar niet minder waar, dat meer dan eens
zijn leven op wonderbaarlike wijze gered werd. Evenwel scheen het
eerste steeds in z'n geheugen te blijven en vergat hij 't laatste
te gemakkelik.
Willem Knijf was een Zeeuw van geboorte en zover hij wist, waren zijn
voorouders steeds zeelieden of dochters van zeelieden geweest.
Eén Willem Knijf was 'n Watergeus geweest en had als bootsmansmaat op
't admiraalschip van Willem van der Marck op 1 April 1572 deelgenomen
aan de verovering van den Briel; later, in 1588, had hij als eerste
stuurman van Van Heemskerk 't zijne bijgedragen tot 't vernielen van
de Spaanse Onoverwinlike vloot.
Een ander, Jan Knijf, was tweede stuurman op 't schip van Piet Hein,
toen deze de Zilvervloot veroverde.
De grootvader van onze Willem Knijf had toen hij reeds 'n oud man was,
als kapitein van 'n schip, de oude Tromp geholpen om de Noordzee van de
Engelsen schoon te vegen. Doch de vader van Willem Knijf hield niet van
oorlogen, maar had zich op de walvisvangst begeven, en was verscheidene
jaren kapitein van een walvisvaarder geweest; Willem's moeder was de
dochter van 'n stuurman, in de dienst van de West Indiese Kompanjie.
Onze Knijf die geboren was in 't jaar 1630, had reeds op twaalfjarige
leeftijd 'n tocht met zijn vader naar 't Noorden meegemaakt.
Op die tocht drong de stoutmoedige kapitein door tot ver in 't Noorden
langs de Westkust van Groenland, voor die tijd 'n zeer gevaarlike
onderneming. Zijn moed werd echter beloond, want toen hij eindelik de
steven zuidwaarts wendde, was 't ruim van zijn schip geheel met traan
gevuld en stonden zelfs vaten daarmee, vastgesjord op 't bovendek.
Maar langs de kust van Labrador stootte het schip op 'n ijsberg en
werd zodanig beschadigd dat het de kapitein slechts met grote moeite
gelukte om 't vaartuig op 't vlakke strand te zetten. De gehele
bemanning werd gered en ook de kleine Willem.
Daar het weer mooi bleef, was men in de gelegenheid om alle proviand,
de zeilen en masten aan land te krijgen, en tevens een groot deel van
de traan. Maar daar 't reeds laat in 't najaar was en de strenge koude
zich geweldig deed gevoelen, bleef er niets anders voor de bemanning
over dan op de woeste kust te overwinteren.
Een plan door een van de stuurlieden geopperd, om te trachten over
land de Hollandse volkplanting Nieuw Amsterdam (tans New York) te
bereiken, werd door de kapitein als te gevaarlik, van de hand gewezen.
Van de zeilen en masten maakte men twee tenten en daarin bracht men
zo goed mogelik de winter door.
Twee kachels waren uit 't schip gered en er was genoeg drijfhout aan
't strand te vinden, dat als brandstof dienst kon doen.
Lampen, gevuld met walvisolie verschaften licht in de nacht en ook
op de niet minder donkere winterdagen.
Maar beschutting, brandstof en licht zijn niet voldoende om de mens in
't leven te houden, daartoe is voedsel ook hoogst nodig. Er was genoeg
proviand op 't schip geweest om de bemanning te voeden, totdat men de
kust van Nederland weer bereikt had, maar niet voor de zeven maanden
lange wintertijd van Labrador.
Schoon de kapitein de rantsoenen zoveel mogelik verminderde, zou
waarschijnlik de hongerdood het lot van allen zijn geweest, ware 't
niet, dat men er in geslaagd was om 'n aantal ijsberen te schieten
en tevens veel wilde ganzen en andere zeevogels.
Gebrek aan groenten deed echter de gevreesde scheurbuik uitbreken
onder de bemanning en voor 't einde van de winter stierven vijf hunner,
terwijl het dubbele van dat getal ziek lag.
Gelukkig kwam in Mei van 't volgende jaar 'n Deense walvisvanger
langs de kust van Labrador, op de terugreis naar Copenhagen en
slaagde men er in, signalen met deze te wisselen en 'n overeenkomst
te treffen, waarbij de Deense kapitein aannam om tegen afstand van
de overgebleven vaten traan, de bemanning van 't Hollandse schip mee
te nemen naar Denemarken. Van daar viel 't de bemanning gemakkelik
Holland te bereiken.
Op zijn twaalfde jaar had dus Willem Knijf reeds enige gevaren van
de zee ondervonden. Doch hij was hierdoor niet afgeschrikt en maakte
nog verscheidene reizen met zijn vader mede.
Toen Willem 18 jaar was, stierf zijn moeder en kort daarop besloot de
jonge Knijf op eigen wieken te drijven, nam dienst bij 'n rederij,
die z'n schepen naar de Levant of Middellandse Zee zond, en klom
daarbij op tot Eerste Stuurman.
Op 25jarige leeftijd huwde hij met een dochter van 'n kapitein
in dienst van de West Indiese Kompanjie; door de invloed van zijn
schoonvader kreeg hij 't bevel over een der kleinere schepen van die
Kompanjie en bleef bijna 10 jaar in zijn dienst.
Intussen was zijn huwelik gezegend met de geboorte van 'n dochter,
die Catharina werd genoemd, doch gewoonlik als Katrijn bekend was.
Kapitein Knijf had eenmaal 't ongeluk dat hij door nalatigheid van een
van de stuurlui, schipbreuk leed op een van de Bahama eilanden. De
Direkteuren van de Kompanjie gaven hem echter de schuld daarvan en
ontsloegen hem uit hun dienst.
Een jaar lang was hij zonder betrekking, maar toen gelukte 't hem met
veel moeite om als Eerste Stuurman te worden aangesteld bij de Oost
Indiese Kompanjie en in 1680 het bevel te krijgen over het schip de
"Waterslang".
Vijf jaren lang deed hij met dit schip verscheidene reizen naar Indië,
maar op de laatste reis bleek bij de aankomst te Batavia, dat het
schip reeds zo oud en verrot was, dat zowel kapitein als bemanning
weigerde er op te blijven.
Na veel gesukkel stemden de autoriteiten in Batavia er in toe om de
Waterslang degelik te doen onderzoeken, met 't gevolg dat 't schip
afgekeurd en later afgebroken werd. Aan de Kapitein werd beloofd dat
hij zodra mogelik 'n ander schip zou krijgen en intussen werd hij op
wachtgeld gesteld.
Op deze laatste reis had Knijf, zoals toen de gewoonte onder de
schippers was, zijn vrouw en dochter meegenomen, maar drie maanden
na zijn aankomst in Batavia werd zijn vrouw door de koorts aangetast
en stierf na 'n ziekbed van enige weken.
Katrijn Knijf was toen reeds 'n volwassen meisje van omtrent 23 jaar,
en schoon 't haar niet aan vrijers had ontbroken, was zij nog ongehuwd;
als haar vader meermalen bij haar aandrong om zich 'n levensgezel
uit te kiezen was haar lachend antwoord, dat de zee haar man was en
zij geen andere echtgenoot verkoos.
Het meisje was inderdaad een echte Geuzedochter.
Haar lengte was bijna 6 voet en daarbij was zij fors gebouwd en bezat
'n onvrouwelike spierkracht. Van jongs af had zij met haar moeder
de reizen van haar vader meegemaakt, en was steeds de lieveling van
offisieren en manschappen geweest, en op die wijze raakte ze spoedig
met 't zeewezen bekend, wist niet alleen de namen van alle zeilen en
touwen, maar kon ook 't stuurrad hanteren en zelfs "de zon schieten".
Ongelukkiger wijze nam zij ook veel van de ruwe taal der matrozen
over en deinsde zelfs niet er voor terug om nu en dan 'n vloek over
haar lippen te doen komen. Vrees kende ze niet, en 't was niets
ongewoons om in 'n hevige storm haar aan de zijde van haar vader op
't kampanje-dek te zien staan, gehuld in 'n Zuidwester en 'n oliejas.
Willem Knijf deed zijnerzijds niets om dit leven van zijn dochter te
belemmeren; integendeel was hij trots op z'n stuurmeisje, zoals hij
haar noemde, en zei dat ze meer van 't zeeleven afwist dan menige
gecertificeerde stuurman.
HOOFDSTUK II.
KAPITEIN KNIJF KRIJGT EEN NIEUW SCHIP.
Op 3 Oktober 1685 trad Kapitein Knijf, vroeg in de morgen, in 't
kantoor van de Sekretaris van Indië, te Batavia, en vroeg aan 'n jong
ambtenaar of hij de Sekretaris kon spreken, daar deze hem ontboden had.
Knijf werd dadelik tot de Sekretaris toegelaten, die hem ontving
met de woorden: "Goede morgen, Kapitein Knijf, we hebben eindelik
'n schip voor je gevonden. Kapitein Gerritsen van de Stavenisse
is overgeplaatst op 'n schip dat naar China en Japan zeilt, en
nu hebben we een nieuwe kapitein voor de Stavenisse nodig. Het is
'n derde klas schip, meet omtrent 600 ton en heeft 'n bemanning van
ongeveer 80 koppen. Het ligt op de ree van Batavia en je kunt 't gaan
bezien en 't bevel er over krijgen, als 't je bevalt, maar je moet
je wat haasten, want we zijn verlangend 't schip zodra mogelik naar
't vaderland terug te zenden en willen dadelik 'n aanvang maken met
't inschepen van de lading. Indien je ons aanbod aanneemt, zullen we
je 't zelfde traktement betalen, dat je genoot als schipper van de
Waterslang, ofschoon de Stavenisse 'n kleiner schip is."
De Kapitein bedankte de Sekretaris en zei dat hij nog die middag
't schip zou gaan bezichtigen. Hij liet zich daartoe dan ook om 2
uur naar 't schip roeien, dat op bijna 2 mijl afstand van 't land lag.
De Eerste stuurman, IJsbrand Hogesaad, ontving hem aan boord, maar
deze ontvangst was niet erg hartelik, want Hogesaad had verwacht zelf
't bevel over 't schip te krijgen en was dus niet weinig verstoord,
toen hij hoorde, dat men 'n nieuwe kapitein zou aanstellen.
De Tweede stuurman bleek ook 'n onaangenaam mens te wezen, maar de
Derde stuurman, 'n nog jonge man met de naam van Abraham Hartog, scheen
'n geschikte kerel en aan deze werd 't overgelaten om schipper Knijf op
't schip rond te leiden.
De Stavenisse was niet meer dan 10 jaar oud en nog in goede
toestand. Masten, zeilen en touwwerk, alles zag er nog goed uit. 't
Schip scheen hecht gebouwd en de scherpe ogen van Willem Knijf
konden slechts één fout ontdekken, namelik dat de achtersteven wat
te hoog gebouwd was. Doch Hartog deelde aan de schipper mede, dat 't
'n uitmuntende zeiler was, die zijn roer goed gehoorzaamde.
Was 't schip dus wel naar de zin van de nieuwe kapitein, veel minder
beviel hem de bemanning. Deze bestond uit lieden van allerlei naties:
Hollanders, Duitsers, Noren, en ook waren er drie Engelsen onder. Het
waren ruwe gezellen en de gezichten van sommigen stonden Knijf
volstrekt niet aan.
Toen hij hierover een opmerking tot Hartog maakte, antwoordde
deze, dat de bemanning werkelik 'n lastig klompje was, schoon de
vorige kapitein ze door grote gestrengheid in toom had gehouden;
de Eerste bootsman, Willem Tuijl, was echter gelukkig een flukse
kerel, voor wie de bemanning ontzag had, en die zij zonder de minste
tegenwerping gehoorzaamden, "en," voegde de jonge stuurman er bij,
"als 't u gelukt om Tuijl op uw hand te krijgen, dan zult u geen
moeite met de mannen hebben."
Voor 'n ogenblik dacht Knijf er aan om Hartog te ondervragen omtrent
't karakter van de Eerste stuurman, doch hij liet dit na, omdat hij
't verkeerd achtte bij 'n mindere offisier inlichtingen in te winnen
omtrent diens meerdere.
De volgende morgen ging Knijf weer naar 't kantoor van de Sekretaris en
gaf deze te kennen, dat hij 't bevel over de Stavenisse zou aannemen,
dat men kon beginnen met 't laden van 't schip, en dat hij, als
kapitein, persoonlik daarbij zou wezen, daar hij 't liever niet aan
zijn mindere offisieren toevertrouwde.
Ook deelde hij mede, dat hij wel wat bezwaar had tegen de bemanning,
doch zijn best zou doen om met hen klaar te komen.
Het was toen Zaterdag, en Maandag, aldus beloofde de Sekretaris,
zou men trachten, te beginnen met laden.
Op de Zondag had de Kapitein een lang onderhoud met zijn dochter. Hij
vertelde haar alles wat hij van Hartog gehoord had, en gaf ronduit
zijn vrees te kennen, dat hij met Hogesaad en 'n gedeelte van de
bemanning niet overweg zou kunnen.
Katrijn lachte. Zij kende haar vader en wist dat deze niet graag al
te streng tegen z'n mannen optrad, maar vrede en rust boven alles
verkoos, want Kapitein Knijf had de slechte gewoonte om zich alle
onaangenaamheden te veel aan te trekken.
"Kijk, vader," sprak 't meisje, "naar u zegt, heeft Hartog u de raad
gegeven om de Eerste bootsman op uw hand te krijgen. Laat dit nu
maar aan mij over; ik kan met zulke oude zeebonken goed terecht en
ik zal die oude baas wel zo paaien, dat hij geheel en al naar mijn
pijpen danst. Ik denk dat u meer moeite zult hebben met de Eerste
stuurman dan met iemand anders, en dat hij 'n man is die u in 't oog
zult moeten houden. Ik zal morgen eens voor de grap met u medegaan
en poolshoogte nemen, zodat ik kan weten hoe ik mij op de reizen te
gedragen zal hebben. Wat is de naam van de Tweede Stuurman?"
"Die ben ik vergeten," antwoordde de Kapitein, "hij is 'n Schot met
rode haren en een nors, bars gezicht. O ja, MacIntosh is z'n naam. Ik
houd niet van de Engelsen en Schotten. Ze hebben gewoonlik te veel
noten op hun zangen en menen alles beter te weten dan 'n ander. Ik
begrijp niet waarom de Kompanjie altijd zulke schorriemorrie in
dienst neemt."
"Dat weet je wel, Vader," zei Katrijn. "Het is doodeenvoudig, omdat
de Kompanjie dat slag van mensen tegen minder loon kan krijgen, dan
Nederlandse zeelui, en bovendien komen er in ons vaderland zoveel
vreemdelingen, dat men daar maar blij is, als die iets te doen kunnen
krijgen."
De volgende morgen liet de Kapitein zich met z'n dochter overroeien
naar het schip en hij stelde haar voor aan de verschillende offisieren.
Toen hij echter aan hen vertelde, dat zijn dochter hem op de reis
zou vergezellen, bromde de Schotse stuurman in 't Engels iets in z'n
baard. Kapitein Knijf verstond hem niet want hij kende geen Engels,
maar Katrijn, die op een van de vorige reizen wat van die taal
geleerd had van 'n jonge Engelsman, die verliefd op haar was geworden,
verstond goed wat MacIntosh zei.
Het was, dat hij haatte om een vrouwspersoon op 't schip te hebben,
omdat zij zich bemoeide met alles wat haar niet aanging.
Tot zijn niet geringe verwondering zei Katrijn lachend en in 't Engels:
"Meneer MacIntosh, je hoeft niet bang te wezen, dat ik me met jou
zal bemoeien, want mooi ben je niet, en 'n aangenaam humeur schijn je
ook niet te hebben," 'n aanmerking waarover de Schot zelf moest lachen.
Een geheel andere indruk maakte de jonge Hartog op 't meisje. Ze zag
spoedig dat hij 'n flinke kerel was, die z'n zaken kende en zelf hard
werkte, terwijl hij blijkbaar meer populair bij de bemanning was dan
de twee andere stuurlui.
IJsbrand Hogesaad sprak niet veel. Men kon aan hem zien dat hij
een wrok in z'n hart had, en dat hij dus een gevaarlik man kon
worden. Katrijn trachtte verscheidene malen 'n gesprek met hem aan
te knopen, maar daar ze geen andere antwoorden kreeg dan ja en nee,
moest ze spoedig de poging opgeven.
Het bevrachten ging zeer langzaam. De lading bestond voornamelik
uit specerijen, tee en andere landbouwprodukten en scheen uit alle
hoeken bijeen te zijn gehaald, en daar de balen en kisten van allerlei
grootte waren, was 't lastig om ze op behoorlike manier in 't ruim te
pakken. De schipper was daarom blij dat hij zelf er bij tegenwoordig
was, want hij wist bij ondervinding hoe gevaarlik 't was als de lading
van 'n schip kon verschuiven.
Hij zorgde dus door middel van zware balken en andere maatregelen, dat
er geen gevaar voor zo iets bestond, een en ander tot grote ergernis
van de Eerste Stuurman, die klaagde dat de kapitein te veel onnodige
bohaai maakte en dat al die omslag niet nodig was.
MacIntosh bemoeide zich weinig met 't laden, daar Knijf hem opgedragen
had om al de zeilen en 't touwwerk goed na te zien en waar 't nodig
was, die geheel en al te vernieuwen. Dit was reeds op zichzelf 'n reden
dat de opperbootsman achting voor de nieuwe kapitein begon te krijgen,
want er was niets, dat Willem Tuijl meer genoegen deed dan te zien,
dat al z'n takelwerk eerste klas in orde was.
Reeds op de tweede dag begon Katrijn 'n gesprek met de bootsman,
vertelde hem heel wat omtrent haar eigen reizen en liet daarbij de oude
zeebonk ook de gelegenheid om zijn ervaringen te verhalen, iets wat
hij ongehinderd kon doen, omdat hij bezig was aan 't verstellen van 'n
groot zeil, welk werk niet te veel van zijn aandacht vereiste. Daarop
begon 't meisje te spreken over schepen en tuigen, over weer en wind,
over het sturen van 'n schip en dergelijke zaken meer, en toonde zulk
'n kennis van 't zeewezen, dat de oude man er verbaasd over stond en
hij niet kon nalaten om te zeggen, dat zij op haar jonge jaren bijna
evenveel wist als hij nu.
"Kan je zeemansknopen maken, Juffer?" vroeg hij ten laatste, juist
op 'n ogenblik dat er 'n gedeelte van de bemanning in hun nabijheid
stond. "Neem de proef maar eens met me," zei 't meisje lachend,
terwijl zij twee stukjes touw in haar hand nam.
De bootsman noemde 'n zekere soort van zeemansknoop, die 't meisje
daarop in 'n oogwenk op zeer handige manier maakte en vervolgens aan
de oude ter beoordeling gaf.
De ene soort van knoop na de andere werd aan de dochter van de Kapitein
opgegeven, maar zij raakte geen ogenblik de kluts kwijt en slaagde
er steeds in, ze goed te maken, wat iedere keer door de bemanning
met handgeklap toegejuicht werd.
Dit alles maakte 'n niet geringe indruk op 't scheepsvolk, en reeds
vóór 't vertrek van de Stavenisse had 't meisje niet alleen de oude
bootsman op haar hand, maar ook de genegenheid gewonnen van alle
manschappen, door wie ze niet anders genoemd werd als "de juffer".
Eerst tegen 't einde van Oktober had de Stavenisse z'n lading
ingenomen, die echter niet biezonder zwaar was, en gedurende de
volgende dagen kwam de proviand aan boord, waarbij de Kapitein
voornamelik zorg droeg, dat alleen goede eetwaren werden meegenomen
en ook zijn eigen tafel goed voorzien was; want al was de Kompanjie
niet zo heel presies op de behandeling van de manschappen, zo was
hij toch meer vrijgevig tegenover de offisieren.
Op de laatste dag vóór het vertrek kwamen de grote vaten met drinkwater
aan boord en op 4 November werden de zeilen van de Stavenisse gehesen
en zette hij, door 'n flinke Oostenbries gedreven, koers naar de
Straat van Sunda.
HOOFDSTUK III.
DE REIS VAN DE STAVENISSE.
De Stavenisse bewees spoedig, dat de jonge Hartog de waarheid had
gesproken, toen hij zei dat 't schip 'n goede zeiler was.
Licht geladen als 't was, kliefde 't schip de wateren met buitengewone
snelheid, en daar de gunstige wind enige dagen aanhield, was men
spoedig de Straat van Sunda door, en in de open Indiese Oceaan.
Alles ging zo goed, dat de Kapitein tot de gevolgtrekking kwam, dat
de aanvankelik door hem gevoelde vrees, ongegrond was geweest en hij
'n aangename reis zou hebben.
MacIntosh, de Schot, was heel wat ontdooid en scheen op goede voet
te geraken met Katrijn, schoon hij nog enigszins stug was tegenover
haar vader.
De bootsman glimlachte van plezier als hij Katrijn naar 't voordek
zag komen, om met hem en de bemanning 'n praatje te maken.
Hogesaad alleen bleek onhandelbaar, en alle pogingen van Katrijn
om hem aan 't praten te krijgen en wat vroliker te stemmen, schenen
vruchteloos te zijn.
Ja, somtijds was hij zelfs tamelik onbeschoft tegen haar, doch ze vond
het geraden hiervan geen notitie te nemen en er zelfs geen klachten
bij haar vader over te maken.
Met de Kapitein zelf onderhield de Eerste stuurman zich ook weinig.
Als hij iets tegen deze zei, was het slechts om hem te bestrijden
omtrent de een of andere voorgestelde maatregel.
Tegenover het scheepsvolk sloeg hij 'n hoge toon aan, vloekte tegen
hen voor 't minste vergrijp en maakte 'n vrij gebruik van 't eindje
touw om hen lichaamstraf toe te dienen; om die redenen was hij wel
gevreesd door de bemanning, maar tevens gehaat.
De enige man, die 't waagde om de Eerste stuurman 't hoofd te bieden,
was de opperbootsman, die met de grootste koelbloedigheid z'n vloeken
en schelden aanhoorde, nooit 'n woord terug zei, doch als hij er
genoeg van had, met 'n minachtend schouderophalen, de offisier de
rug toedraaide.
Eens had Hogesaad in z'n woede 'n bevel gegeven omtrent 't rangschikken
van de zeilen; 't was echter onuitvoerbaar, waarop Tuijl in luid
gelach uitbarstte en zich naar 't voordek begaf, waar hij overluid tot
't scheepsvolk zei: "Hier, maats, de Eerste stuurman heeft ons een
raadsel opgegeven; ik kan 't niet oplossen; probeer jullie het maar!"
Hogesaad had reeds z'n fout ingezien, doch hij beefde van woede, toen
hij hoorde, dat de bootsman de gek met hem scheerde bij de bemanning;
hij wilde zich juist naar 't voordek begeven met 'n stuk dik touw,
toen hij bijna de Kapitein tegen 't lijf liep, die op dat ogenblik
de kompanjietrap opkwam.
De Kapitein, die zag dat zijn Eerste stuurman zeer opgewonden was,
vroeg: "wat is er aan de hand, Hogesaad?"
"De bootsman heeft me beledigd," riep Hogesaad verbolgen uit, "en ik
ga hem eens flink op z'n tabernakel geven."
"Ik zou je niet raden dat te doen, stuurman," zei de Kapitein bedaard;
"de bootsman is geen gewone matroos, maar de eerste onderoffisier op
't voordek, en de scheepsartikelen van de Kompanjie bepalen dat alle
twisten tussen de offisieren of onderoffisieren beslist zullen worden
door de bevelhebber van 't schip, en in ernstige gevallen door de
Scheepsraad. Wil je je bij mij beklagen, dan zal ik zien of de zaak
door mij persoonlik beslist kan worden, dan wel of 't nodig is,
om de Scheepsraad bij elkaar te roepen."
Hogesaad begreep dat 't niet ging om de kwestie op gerechtelike
wijze te doen beslissen, en terwijl hij 't stuk touw op 't dek wierp,
antwoordde hij, dat de zaak de moeite niet waard was.
Katrijn sprak, toen zij eens met de bootsman alleen was, met hem over
't gedrag en karakter van de Eerste stuurman, waarop zij ten antwoord
kreeg, dat deze geheel veranderd was, sedert Kapitein Gerritsen het
schip had verlaten, want met hem had Hogesaad goed klaar kunnen komen;
z'n behandeling van 't scheepsvolk was in die tijd ook heel wat zachter
dan tans. "Ik kan niet anders dan tot de gevolgtrekking komen, Juffer,"
zei de bootsman, "dat meneer Hogesaad 'n teleurgesteld man is, die
geloofde dat hij Kapitein van 't schip zou worden. Hij voelt zich nu
beledigd en uw vader moet daarvan de gevolgen ondervinden. Ik ben bang
dat hij op de een of andere goede dag uw vader 'n lelike streek zal
trachten te spelen; maar gelukkig staat hij alleen, en wij zullen wel
'n oogje op hem houden en toezien dat hij geen malligheden begint. Het
scheepsvolk heeft al de buik vol van hem, en er zijn zelfs sommigen
die menen, dat 't raadzaam zou zijn, dat de Eerste stuurman op 'n
donkere nacht over boord viel, het zij per ongeluk of anderszins."
"Nee," zei Katrijn, "dat moeten jullie niet doen, maar ik zou daarom
wensen, dat Hogesaad zich wat aangenamer gedroeg."
Behalve de reeds hierboven genoemde offisieren waren er nog twee mannen
aan boord, die de rang van offisier hadden, namelik de Boekhouder of
Kargadoor, en de Barbier of Chirurgijn.
De Boekhouder was 'n man van over de 50 jaar, heel stil en eenvoudig
van aard, die dageliks bezig was met de scheepspapieren en z'n vrije
tijd doorbracht met 't lezen van boeken, waarvan hij een kist vol in
z'n kajuit had.
De Barbier, die eigenlik slechts de rang van onderbarbier had, was
'n jonge man van 24 jaar, vrolik van aard en 'n echte spotvogel,
die niemand spaarde met z'n kwinkslagen, en 'n biezondere slag
had om spotversjes te dichten. Zijn spottende aanmerkingen waren
hoofdzakelik tegen de Eerste en de Tweede stuurman gericht, die zich
niet weinig woedend daarover maakten, doch natuurlik de dichter niet
't stilzwegen konden opleggen.
Toen men omtrent 10 mijl ten zuiden van 't eiland Ceylon was, sloeg
de wind om naar 't Noorden en werd 't weer stormachtig.
Kapitein Knijf liet de zeilen reven, doch de wind nam zo in hevigheid
toe, dat hij ten slotte verplicht was alle zeilen in te halen, met
uitzondering van 'n stormzeil en 'n gaffel.
Het schip steigerde en rolde op 'n ontzettende wijze en schoon 't aan
't roer gehoorzaamde, moest men twee stuurlui aan 't stuurtoestel
hebben.
Op de tweede dag van de storm stond Katrijn als gewoonlik naast
haar vader op 't kampanjedek en bespraken ze samen de toestand van
't weer en de kans van 'n verandering in de richting van de wind.
Abraham Hartog was met 'n jonge matroos aan 't roer.
Plotseling sloeg 'n hevige golf tegen 't schip aan en draaide 't
roer met zulk 'n geweld om, dat de twee mannen niet in staat waren
het stuurrad in bedwang te houden; het slingerde hen zo hevig weg,
dat 't aan hun handen ontglipte. Katrijn zag dit en nog voor haar
vader het bemerkte, vloog ze naar het rad, greep het met forse hand
beet en bracht met een snelle beweging 't schip voor de wind.
Hartog was weer opgesprongen en hij en de Kapitein snelden toe om
't dappere meisje te helpen, dat met al haar krachten nauweliks bij
machte was om 't stuurrad te bedwingen.
Zodra de twee mannen het in handen hadden, liep Katrijn op de jonge
matroos toe, die bewusteloos op 't dek lag en uit 'n gat in z'n hoofd
bloedde; 't meisje trachtte 't bloed met haar zakdoek te stillen.
Intussen hadden de bootsman en enige matrozen 't ongeval bemerkt en
zij snelden te hulp om de nog bewusteloze jonge man van 't dek op te
tillen en hem ter behandeling naar de barbier te brengen.
Dit voorval maakte, toen 't op 't voordek bekend werd, 'n verbazende
indruk en Katrijn steeg er nog hoger door in de achting van de
bemanning.
De derde dag hield de storm op en gedurende twee weken was 't weer
fraai en de wind rustig. Daarna echter werd de hemel bedekt met
wolken en schoon de wind bleef waaien, zag men drie weken lang noch
zon noch sterren.
De Kapitein kon dus geen waarnemingen doen om de richting en plaats te
bepalen en slechts bij benadering kon hij vaststellen dat hij omtrent
200 mijlen van de Zuid Afrikaanse kust moest verwijderd wezen. Na
afloop van de drie weken ging de wind liggen, doch de hemel bleef
bewolkt en het schip maakte slechts weinig vordering.
Kapitein Knijf, voelde zich volstrekt niet op z'n gemak en hij sprak
er over met z'n dochter.
"Het is een lelike toestand," zo begon hij, op zekere avond in
Februarie 1686, "waarin wij verkeren. Er lopen hier in de Oceaan zeer
veranderlike stromingen, die daarbij zo sterk zijn dat ze 't schip
mijlen uit z'n koers kunnen werpen en de Oostkust van Madagascar,
zowel als de kust van Zuid-Afrika is rotsachtig en zeer gevaarlik. Ik
heb dan ook aan Hogesaad bevolen om dag en nacht 'n uitkijk op de grote
mast te zetten en ook nog een op de voorboeg. Het zal me echter niets
verwonderen als, met m'n gewone ongeluk, dit schip ergens op de kust
wordt geworpen, en dat zou voor goed 'n einde aan mijn loopbaan maken."
Katrijn glimlachte en zeide: "Vader, u moet niet alles zo donker
inzien. Denk wat moeder altijd gezegd heeft: Vertrouw op God en alles
zal recht komen."
HOOFDSTUK IV.
DE SCHIPBREUK.
In diezelfde nacht van 16 Februarie 1686 had IJsbrand Hogesaad de wacht
op de Stavenisse. Eigenlik was 't de wachtbeurt van de Kapitein, doch
deze gevoelde zich niet wel en had Hogesaad gevraagd de eerste wacht te
doen, om dan zelf de tweede te nemen. Het was 8 uur in de avond toen
de Eerste stuurman op wacht ging; 't was pikdonker en er woei bijna
geen wind. De ene uitkijk was in de grote mast, en vooraan de boeg was
er nog een en daar zat ook Abraham Hartog. Het was omtrent 10 uur en
de Kapitein en z'n dochter waren reeds naar bed gegaan, toen opeens
de uitkijk in de mast zo hard hij kon, schreeuwde dat hij land zag.
Hogesaad riep hem toe, dat hij gek was, want dat ze wel honderd mijlen
van 't land af waren en dat wat de man zag niet anders kon zijn dan
'n mistbank.
Voor 'n ogenblik dacht IJsbrand Hogesaad eraan om zelf in de mast te
gaan kijken wat er van was, maar opeens werd hij als door de duivel
bezeten en fluisterde deze hem in: wat, stoor je niet aan de zaak, als
't schip strandt, rust er geen blaam op jou, maar wel op de Kapitein,
die z'n wacht heeft verzuimd. Gebeurt er iets, dan verliest hij z'n
post en dan ben jij niet alleen gewroken, maar heb kans om kapitein
te worden.
Aan die valse gedachte liet de Eerste stuurman de vrije teugel en
hij bleef rustig op 't kampanjedek staan.
Zowat 'n kwartier later kwam weder uit de grote mast 't geroep:
"Land vlak bij ons!" en riep ook de man op de voorboeg 't zelfde,
terwijl Hogesaad zelf 't witte van de branding reeds kon zien en het
geluid er van horen.
Voor hij echter 'n woord kon uiten, sprong Abraham Hartog naar de
trap, die naar de slaapplek van de bemanning leidde en riep luidkeels:
"alle handen op dek! 't schip is in gevaar!"
De bootsman hoorde 't en in 'n ogenblik was de bemanning op 't dek,
gereed om alle orders uit te voeren.
Hogesaad scheen als door de bliksem getroffen en geen bevel kwam uit
z'n mond, maar Abraham Hartog gaf dadelik order de beste twee ankers
uit te werpen, ten einde 't schip tot staan te brengen.
De bemanning was juist hiermede bezig toen de Kapitein op 't dek
verscheen en 't bevel overnam.
Toen hij op de kampanje kwam was Hogesaad verdwenen, maar Abraham
Hartog vertelde hem welke maatregelen genomen waren.
Ook de andere offisieren verschenen op 't dek, alsmede Katrijn.
Men hield raad, maar kon voor 't ogenblik geen betere maatregelen
bedenken, dan die reeds genomen waren; de grote vraag was slechts
of de kabels 't schip zouden houden, want blijkbaar was dit in 'n
sterke stroming.
Een uur later brak de eerste kabel en slechts de stuurboordkabel
hield het schip toen nog vast.
Op die wijze bleef het vaartuig liggen tot omtrent 3 uur in de
morgen, maar elk ogenblik verwachtte men dat de tweede kabel ook
zou breken. Offisieren zowel als bemanning maakten zich gereed voor
't ergste.
Katrijn snelde naar haar kajuit, ontdeed zich van haar vrouwekleren
en trok 'n mans pak aan, dat zij dikwels in stormweer had gebruikt.
Zij was 'n uitmuntende zwemster, maar wist dat in 't water vrouwekleren
haar bewegingen zouden belemmeren.
Zonder te weten waarom, stak ze in de rechterzak van haar baadje,
'n groot zakmes en in de linker 'n tweeloops pistool, dat aan de wand
van haar kajuit hing, maar niet geladen was.
Even voor drieën sprong de tweede kabel met 'n knal als van 'n
kanonschot en bijna onmiddellik daarna stootte 't schip op 'n rots
en werd zo beschadigd, dat 't zich dadelik met water begon te vullen.
De bemanning sprong weldra over boord en 'n ieder trachtte door zwemmen
't land te bereiken, want in de branding waren de boten nutteloos.
Van de 71 personen op 't schip slaagden 60 er in om op 't droge te
komen, terwijl 11 man verdronken.
De Kapitein en z'n dochter waren de laatste twee die in zee
sprongen. Gedurende enige tijd hadden ze een zware strijd te doorstaan
met de branding, toen bereikten ze echter 'n platte rots, die slechts
'n paar voet onder water was en daarna zonder veel moeite 't zanderige
strand.
De Kargadoor, de Dokter, en een der matrozen hadden zich vrij erg
bezeerd aan de rotsen, en waren niet in staat zich te bewegen,
de anderen waren voor 't ogenblik wel uitgeput, maar herstelden
zich spoedig.
Toen de dag aanbrak, zag men dat 't schip reddeloos verloren was. De
masten waren overboord geslagen en aan de ene zijde was 'n groot gat,
waaruit reeds 'n deel van de lading in zee spoelde.
Gelukkig lagen de ra's van de grote mast en de fokkemast met hun zeilen
op 't strand en 't eerste werk was dan ook om daarmee zo goed mogelik
een soort van tent op te slaan, als beschutting tegen zon en regen.
Op de twee volgende dagen slaagde men er in om 't kompas en enige
andere instrumenten uit 't wrak te redden, alsmede drie vaten
varkensvlees, 'n kist met beschuit en wat kleren.
Natuurlik zou die proviand slechts voor enige dagen voldoende zijn,
doch men hoopte spoedig inboorlingen te zien en van hen vee te kunnen
ruilen, terwijl ook kreeft en vis verkrijgbaar zouden zijn.
HOOFDSTUK V.
EEN BERAADSLAGING EN DE GEVOLGEN DAARVAN.
De schipbreuk had 'n geweldige invloed op Kapitein Knijf, die door
't ongeluk geheel was terneder geslagen. Hij sprak bijna geen woord,
maar zat tegen 'n rots aan 't strand geleund, bij zichzelf te klagen
en te mompelen, en had blijkbaar alle geestkracht verloren.
Het nam Katrijn heel wat tijd en moeite om haar arme vader wat op te
beuren; maar de Kapitein antwoordde, dat alles nu verloren was, dat
hij nooit meer 'n schip zou krijgen en dat hij en z'n dochter nu van
honger zouden omkomen. "De toekomst is donker, erg donker mijn kind,"
zo besloot hij met 'n diepe zucht.
"Vader, 't is nu niet de tijd om over de toekomst te denken, maar we
moeten ons tot 't heden bepalen en zien wat 't beste is voor ons om
te doen, en ik moet zeggen dat u ondankbaar is jegens de Hemel. Het
is wel waar, dat 't vergaan van de Stavenisse 'n grote slag voor ons
allen is, maar we behoren dankbaar te zijn, dat ons leven tot dusver
gespaard werd. U geeft 'n slecht voorbeeld aan 't scheepsvolk, dat ook
alle moed zal verliezen, als ze hun Kapitein in zo'n toestand zien."
Ook de jonge Hartog sprak tot de Kapitein en spoorde hem aan,
allen bij elkander te roepen, ten einde te bespreken wat men zou
doen. "Maar voor wij daarmede beginnen, moeten wij trachten uit te
vinden, waar wij zijn," zei hij. "De lucht is nu helder en we hebben
de instrumenten om de lengte- en breedtegraad te vinden."
De Kapitein luisterde naar de raad van de Derde stuurman, en spoedig
waren hij, Hogesaad en ook Hartog bezig met 't doen van waarnemingen,
waaruit bleek dat ze op de kust van Zuid-Afrika waren gestrand,
op omtrent 70 mijl ten zuiden van 't tegenwoordige Durban.
De Kapitein maakte dit bekend aan de bemanning en riep allen bijeen.
Weldra was men 't er algemeen over eens, dat men dadelik moest beginnen
de reis over land naar de Kaap te ondernemen.
Hoe ver dat was, wist eigenlik niemand en zeker was er niet een die
op dat ogenblik 't minste denkbeeld had, dat ze zowat duizend mijl van
de Kaap af waren, en nog minder een die begrip had van de moeilikheden
aan zo'n reis verbonden.
De hoofdzaak was, volgens de meesten, dat men dadelik zou aanvangen,
want hoe langer men bleef hoe groter de kans voor hongersnood werd.
Men maakte zich dus dadelik voor de reis gereed. De drie mannen die
zich bij de landing hadden bezeerd, waren niet in staat om te lopen,
en er zat dus niets anders op, dan dezen in de tent achter te laten
met wat voedsel.
Diezelfde morgen nog gingen de andere 57 op weg en namen zoveel
proviand met zich mee als ze konden dragen.
Men nam z'n weg langs 't strand, dat echter spoedig rotsachtig werd
en daardoor zeer vermoeiend.
Twee dagen lang hield men vol, maar op de morgen van de derde dag,
bevonden de Kapitein en z'n dochter, de drie stuurlui, de zeilmaker,
de bootsman en vier matrozen, dat ze niet in staat waren om verder
te gaan; zij besloten derhalve terug te keren naar de plaats waar 't
schip gestrand was. De overige 46 man vervolgden hun reis westwaarts.
Er was echter bij de tent geen proviand genoeg voor 14 personen en
men moest daarom dadelik beginnen, met aan 't strand schelpdieren
te zoeken.
Met veel moeite vond men voldoende oesters en mosselen voor 'n dag of
twee, maar gelukkig spoelden er de dag daarna enige vaten en kisten
met voedsel aan land, zodat men nu voor de eerste maand geen vrees
voor hongersnood behoefde te koesteren.
Bij laag water zou men, zoals later bleek, 't wrak wel kunnen bereiken,
al was 't dan ook met moeite, en de bootsman en vier matrozen,
deden ook werkelik 'n poging daartoe en slaagden er in om na heel
wat gesukkel, 'n kleine hoeveelheid proviand aan land te brengen.
Ook spoelde 'n beschadigde boot van 't schip aan, en de Kapitein
besloot dadelik om de boot te doen herstellen en daarmee 'n reis naar
Kaapstad te ondernemen.
Bomen van allerlei soort en grootte waren er op korte afstand van
't strand te vinden. Men had enige bijlen en messen en ook wat ruw
timmermansgereedschap, en moedig toog men aan 't werk.
Slechts zeer langzaam vorderde men, want er moesten verscheidene
planken van de boot uitgezaagd en door nieuwe vervangen worden, en
daar men geen spijkers had, was men genoodzaakt de nieuwe planken
door middel van pennen van hard hout te bevestigen.
Maar dit scheen zo weinig betrouwbaar, dat de bootsman en de vier
matrozen met heel wat levensgevaar 'n tweede tocht naar het wrak
ondernamen, waarvan zij terugkwamen met 'n hoeveelheid bouten en
spijkers, die ze uit de romp van 't wrak hadden gehaald.
Katrijn was de ziel en 't leven van het gezelschap. Haar voornaamste
werk was natuurlik om voor de kost te zorgen, maar niet zelden nam
zij ook bijl en hamer ter hand en hielp de anderen met hun werk.
Bootsman Willem Tuijl toonde nu wat er in hem zat, en daar hij zeer
vernuftig was, kwam hij de grootste moeilikheden te boven.
Hij slaagde er zelfs in om van 'n paar spijkers vishoeken te maken,
waarmee men inderdaad 'n aantal tamelik grote vissen ving, die 'n
welkome versnapering waren, al moest men ze zonder zout eten.
Niet minder handig toonde zich Abraham Hartog, en ook de oude MacIntosh
deed onder de invloed van Katrijn alles in z'n vermogen om met 't werk
behulpzaam te zijn. Slechts de Eerste stuurman bleef nors en mokkend,
zonder zich veel met de anderen te bemoeien of hen te helpen, en dit
gaf dikwels aanleiding tot hevige twisten tussen hem en de bootsman.
Na 14 dagen hard werken was de boot gereed en zeevaardig. Hij werd te
water gelaten en gevuld met zoveel proviand als men machtig kon worden.
De drie zieken gaven heel wat moeite. MacIntosh had voorgesteld hen
achter te laten; Hogesaad verenigde zich met dat voorstel en zelfs
de Kapitein was daartoe geneigd, doch Katrijn, Hartog en de bootsman
verzetten zich ten sterkste tegen deze onmenselike daad, en daar de
anderen hen steunden, werd ten slotte overeengekomen hen mee te nemen.
Toen allen zich ingescheept hadden, was de boot vrij zwaar geladen,
en Willem Tuijl die het roer vatte, zag met een bezwaard hart naar de
vrij sterke branding die tegen de rotsen en 't strand sloeg. Het zeil
werd gehesen en de boot verliet de kust, doch de bootsman had zich niet
vergist. Toen 't zwakke vaartuig in de ziedende branding kwam, bleek 't
onhandelbaar en schoon Tuijl alle pogingen van de stuurmanskunst in 't
werk stelde, werd de boot door 'n zware golf getroffen en kantelde om.
Met grote moeite bereikte men de kust, waarbij Hartog, de bootsman
en de vier matrozen niet alleen zichzelf moesten redden, maar ook
behulpzaam zijn met 't aan land brengen van de drie ongelukkige zieken,
die buiten staat waren zich zelf te helpen.
Het grootste verlies echter was dat van de ingescheepte proviand,
want nu dreigde er werkelik hongersnood.
Wel gelukte 't de bootsman om nog twee vishoeken te maken, maar 't
scheen of de vissen de lust om te bijten hadden verloren en in drie
dagen ving men slechts twee vissen.
Hartog, de zeilmaker en drie matrozen ondernamen opnieuw 'n tocht
naar 't wrak, maar zij bevonden dat de gehele lading reeds zo goed
als weggespoeld was en men kwam met bijna lege handen terug.
Slechts enige bouten en wat spijkers en losse ijzeren staven werden
buitgemaakt.
De toekomst zag er nu waarlik duister uit.
HOOFDSTUK VI.
DONKERE DAGEN.
Men had uit 't schip ook drie geweren gered, en 'n klein vaatje
buskruit, dat echter gedeeltelik door 't zeewater bedorven was, en
'n kistje met hagel waren nog aangespoeld.
Maar onder de veertien personen waren er slechts twee die behoorlik
'n geweer konden hanteren en dit waren de Eerste stuurman en een der
matrozen, Willem Schelling geheten.
Het kostte echter heel wat moeite voor men Hogesaad kon overreden op
de jacht te gaan, maar ten slotte stemde hij toch toe.
Elk der twee mannen nam 'n zakje kruit mee en wat hagel van de grootste
soort. Ook zorgden zij om nieuwe vuurstenen, in hun pangeweren te
zetten en daarop trokken zij welgemoed 't land in.
Men zag spoedig enige bokken, maar ze schenen erg wild en toen Hogesaad
er op een schoot, miste hij.
Plotseling, bij 't komen uit een dik bos in 'n open ruimte, bevonden
de jagers zich tot hun niet geringe schrik, tussen een aanzienlike
troep olifanten.
Schelling wierp dadelik z'n geweer weg en klom in 'n hoge, dikke
boom, maar niet voordat de olifanten de indringers reeds hadden
bemerkt. Hogesaad trachtte het voorbeeld van z'n maat te volgen,
maar toen hij, zo hard als hij kon, naar 'n andere grote boom liep,
zag hij zich achtervolgd door 'n reusachtige mannetjesolifant, die
hem inhaalde, juist toen de stuurman de boom trachtte te beklimmen.
De olifant greep hem met z'n slurf, wierp hem 'n eind ver weg en
trapte hem zodanig, dat de Eerste stuurman binnen weinige minuten
een vormeloze klomp vlees was.
Na z'n woede aldus gekoeld te hebben, stapte de olifant 't bos in,
gevolgd door de overige van de troep en waren ze alle spoedig uit
't gezicht.
Schelling bleef nog enige tijd in de boom zitten om te zien of de
dieren niet zouden terugkomen, doch toen dit niet geschiedde en alles
stil bleef, klom hij uit de boom, nam z'n geweer op en stapte naar
de plaats waar 't lijk van Hogesaad lag. Hij nam ook diens geweer en
begaf zich daarop zo snel mogelik naar de tent terug.
Na dit rampspoedig voorval waagde niemand 't meer om op de jacht
te gaan.
We zouden een onwaarheid vertellen, als we beweerden, dat de Eerste
stuurman diep betreurd werd door zijn metgezellen. Slechts MacIntosh
mompelde, toen hij 't verhaal gehoord had, de woorden "poor fellow".
Twee dagen daarna werden de schipbreukelingen niet weinig verrast
door de aankomst van ongeveer twintig kaffers, die met assegaaien
en knopkieries gewapend waren, maar die blijkbaar geen kwaad in hun
schild voerden, en met vriendschappelike gebaren de tent naderden.
Geen der blanken kon 'n woord van hun taal verstaan, maar door gebaren
en door hen wat spijkers en bouten en ook 'n paar koperen ringen te
wijzen, die uit 't wrak waren aangespoeld, deed men hen ten slotte
verstaan, dat zij die ten geschenke zouden krijgen, wanneer ze enig
voedsel brachten.
De kaffers gingen daarop terug, en kwamen de volgende dag in groter
getal opnieuw 'n bezoek brengen, en brachten toen 'n dozijn hoenders,
'n platte mand gevuld met kafferkorenmeel, en 'n kleine wilde bok mede.
Er begon nu 'n handel die meer dan 'n uur duurde, en waarbij van beide
kanten getracht werd een zo voordelig mogelike koop te sluiten. De
blanken slaagden er ten slotte in al de meegebrachte eetwaren te
verkrijgen voor 12 grote bouten, 20 spijkers en 1 koperen ring, en
gaven de kaffers te kennen, dat zij nog meer eetwaren moesten brengen.
Werkelik werden dan ook gedurende vier dagen de bezoeken herhaald,
zodat de schipbreukelingen een nog al aanzienlike hoeveelheid eetwaren
machtig werden, schoon dit veroorzaakte, dat driemaal 'n tocht naar
't wrak moest worden gedaan, om de nodige ijzerwaren voor ruiling
te bekomen.
Op de vijfde dag echter toonden de kaffers dat zij niet tot de
domste behoorden. Ze brachten deze keer geen proviand met zich,
kwamen ook niet bij de tent, maar begaven zich rechtstreeks naar 't
wrak, dat zij zonder blijkbare moeite bereikten en waaruit ze zich
spoedig door middel van hun strijdbijlen in 't bezit stelden van
'n aantal bouten en spijkers.
Dit was een hele teleurstelling voor de schipbreukelingen, die nu
niet in staat waren om op deze goedkope wijze aan kost te komen, want
hoezeer men ook door gebaren de kaffers trachtte te doen verstaan dat
zij meer voedsel moesten brengen, en men de prijs daarvoor te geven
meer dan verdubbelde, schudden de zwartjes slechts 't hoofd en kwamen
elke dag naar 't wrak terug, totdat zij alle te bemachtigen ijzer er
uit hadden weggevoerd.
Nu scheen de toestand van de blanken hopeloos en inderdaad gaven
sommigen zich geheel aan de wanhoop over.
Katrijn en Hartog, zowel als de bootsman, bleken echter onversaagd
en legden lange afstanden aan 't strand af om mosselen en oesters te
vergaren, doch op dit armoedig voedsel konden de schipbreukelingen
niet lang leven, en de dood scheen al nader en nader te komen.
HOOFDSTUK VII.
ER KOMT HULP.
Het was op de morgen van de 2de April 1686 dat Katrijn Knijf, die
gewoonlik vroeg opstond, uit de tent van de schipbreukelingen kwam en
naar buiten staarde. Het eens zo krachtige meisje zag er nu vervallen
en vermagerd uit, en haar vroeger schitterende ogen waren nu dof en
weemoedig. Zij zuchtte op treurige wijze, terwijl ze naar de bossen
keek, die zich ver landwaarts uitstrekten.
Plotseling verhelderde haar gezicht, want ze zag in de verte iets
aankomen.
Snel liep ze de tent binnen en haalde bij haar vader de verrekijker,
om die te richten op hetgeen zij ginds zag bewegen.
Zij tuurde lang voordat zij kon uitmaken dat het mensen waren, en
blijkbaar blanken, want ze waren in Europese klederdracht.