III.

"Hij, die evenals ik, door eene of andere raadselachtige

nieuwsgierigheid gedrongen, getracht heeft de hypothese van het

pessimisme tot in zijne uiterste gevolgen uit te denken, heeft zichzelf

wellicht meteen de oogen geopend voor het tegenovergesteld ideaal,

dat n.l. van den vroolijken, levendigen mensch, die zich gelukkig

gevoelt te leven, die niet alleen geleerd heeft zich te onderwerpen

en het verleden en het tegenwoordige te dulden, maar opnieuw het

verleden en het tegenwoordige, zooals het was en zooals het is, wil

doorleven tot in de eeuwigheid toe, die zonder ophouden da capo roept,

niet alleen tot zijn eigen leven, maar tot de geheele wereldcomedie,

en dat niet alleen tot die comedie, maar in waarheid tot het Wezen,

dat die comedie verlangt en haar noodzakelijk maakt, omdat het zichzelf

steeds opnieuw wil en zichzelf zoodoende noodzakelijk maakt.

Nietzsche's Philosophie · 第 38 / 45 题