Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?
Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de
mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der
waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal,
dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben
om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen,
de meesters, die zelve hunne waarden scheppen inplaats van haar van
buiten af te ontvangen, erkend worden.
Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene
eeuwenlange beschaving het "blonde beest" dier oorspronkelijke tijden
doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg
en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen
verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die
hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen
en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.
De mensch zal den Uebermensch doen ontstaan door auto-suppressie
(Selbstaufhebung) zooals Nietzsche het meermalen uitdrukt. Die overgang
van mensch tot Uebermensch kan in zekeren zin vergeleken worden bij
de evolutie, die volgens Schopenhauer, den asceet voortbrengt. In de
oogen van den grooten pessimist kan de smart den mensch ten eerste er
toe brengen van zijn individueelen wil afstand te doen en bijgevolg
tot zelfmoord voeren; maar dat is niet genoeg, want om gered te
worden moet hij niet alleen van den individueelen levensvorm, die
hem ten deel viel, afstand doen, maar tevens van het willen leven
over het algemeen: alleen op die voorwaarde kan hij vrede vinden. In
Nietzsche's ideeën nu is ook de smart de machtige prikkel, die den
mensch tot gelukzaligheid voert: de mensch lijdt in de eerste plaats
om hetgeen hij is als individu; hij kent den hevigen, smartelijken
afkeer van zijn eigen ik en die afkeer drijft hem tot ascetisme en
pessimisme; in dien zielstoestand verkeeren de "hoogere menschen,"
die Zarathustra in zijn hol verzamelt. "Maar, zegt de profeet, gij
lijdt nog niet genoeg naar mijnen zin! Want gij lijdt om wat gij zijt,
maar gij hebt nog niet geleden om wat de mensch is, ihr leidet an
euch, ihr littet noch nicht am Menschen." [103] Eerst wanneer hij
dien hoogsten graad van smart en afkeer bereikt heeft, zal de mensch
in de overmaat zelve van zijne smart de noodige geestkracht vinden om
den laatsten stap te doen en zichzelf op te offeren voor de geboorte
van den Uebermensch.
Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend
optimisme voortbrengen.
Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van
den bestaanden mensch verschillen zal.
Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den
Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel,
dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de
eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven
geesten kan weggelegd zijn.
Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist
democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen;
Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der
menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in
bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne
plichten hebben. De lagere kaste bestaat uit de mindere soort, de
middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het
raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen
landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen
werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van
eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten,
en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan
den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven
ofwel "geëxploiteerden", want zij onderhouden de hoogere kasten
ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd;
ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want
de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat
evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger,
rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen,
daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten
leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad,
want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half
dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over
zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen
de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het
schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle
dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen
werkkring in die wereldorde hebben gekregen. "Aan u behoort geloof
en slavernij!" dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale
maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der
beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat
de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel
gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk,
dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de
hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en "scheppers van waarden"
zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op
aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het
Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en
voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.
Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneele moraal
door hare qualiteit van aristocratische wet "for the happy few", maar
zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de
Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn
leven naar een ideaal vormt en zijne "zelfzuchtige" neigingen aan den
dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens
Nietzsche, boven alles een "schepper van waarden" en ziet daarin zijn
levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde,
want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang
heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch,
die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om "de wereld, waarin
de menschen belang stellen" [104] te scheppen; hij is de geniale
dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen,
die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne
daden bepaalt. Hij is een "overpeinzer", maar zijn visioen is niet
anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en
alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete
uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk
zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij
schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever
(Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop
van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en
geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan
sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler,
die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.
Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij
belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van
hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop
op zege voor.
"Gij zult uwen vijand opzoeken," zegt Zarathustra, "gij zult
uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo
uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val
verheugen!"
"Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is tot nieuwen
strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet
aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw
arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!....
"Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u,
dat de goede strijd elke zaak heiligt....
"Tot vijand moet gij slechts te haten, maar niet te verachten
tegenstanders hebben, want gij moet trotsch zijn op uwe vijanden,
dan zal het succes van uw vijand ook uw succes zijn!" [105]
De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige
krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument
van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar
physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij
is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het
leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte
met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog
is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook
zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote
oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen
vechten om de opperheerschappij der wereld.
Waar de oude waardetafel het medelijden onder de eerste waarden
rangschikte, leert Zarathustra daarentegen, dat de wil de hoogste
deugd is: "Dit, mijne broeders, is de nieuwe wet, die ik u verkondig:
Wordt hard!" [106]
De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar
van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin
te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten
zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs
te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.
Voor hem is medelijden geen deugd, maar eene sterke verzoeking en het
grootste aller gevaren; de "laatste zonde" van Zarathustra, de ergste
aanval, dien hij te doorstaan heeft, is die van het medelijden. Van uit
zijn eenzaam hol hoort hij in de diepte van zijn dal de wanhoopskreten
van de "hoogere menschen" weerklinken; smeekend roepen zij hem toe:
"Kom! kom! kom! het is tijd, hoog tijd!" [107] Zoo hij deernis voor
hunne ellende voelt en hem het hart week wordt bij het zien van hun
lijden, is het met hem gedaan; dan is hij overwonnen. Zarathustra heeft
al zijne geestkracht noodig om de verzoeking te weerstaan. Terwijl hij
door zijn rijk trekt om de wanhopenden te zoeken, die hem aanroepen,
dringt hij door in een zoo verlaten oord, dat het aan het rijk des
doods doet denken. Daar staken zwarte en roode rotspunten uit; geen
grasje, geen ster, geen vogelenzang. Het was een dal, dat alle dieren
ontvluchtten en waar alleen afschuwelijke, dikke, groene slangen kwamen
sterven als zij oud waren geworden; daarom noemden de herders dat
dal "de slangendood." In dat dal stuit hij plotseling tegen eene aan
den weg liggende, onnoembare, afschuwelijke, nauwelijks menschelijke
gedaante en op het oogenblik dat hij, overmand door schaamte bij het
zien van zooveel afzichtelijkheid, dat vervloekte oord zoo spoedig
mogelijk wil verlaten, dringt een stem tot hem door als de hik van een
stervende of als het water, dat 's nachts in eene verstopte leiding
opborrelt: "Zarathustra! Zarathustra! Raad mijn raadsel! Spreek,
spreek! Wat is de wraak tegen den getuige?.... Zeg mij nu wie ik
ben!"--En op eenmaal, door diepe deernis getroffen, zakt Zarathustra
ineen als een eik, die, na lang den bijl des houthakkers te hebben
weerstaan, plotseling zwaar ter aarde stort en door zijn val juist
hem doet schrikken, die hem neer wilde vellen. Maar weldra herrijst
hij en zijn gelaat teekent hardheid:
"Ik herken u," zegt hij met ijzeren stem: "Gij zijt de moordenaar
Gods! Laat mij mijn weg vervolgen. Gij hebt hem niet kunnen dulden,
die u voortdurend en in al uw leelijkheid zag, gij afschuwelijkste
aller menschen! En gij hebt u op dien getuige gewroken." [108]
Zoo is Zarathustra overwinnaar gebleven in de beproeving, die Gods dood
was. De God der liefde is dood, verstikt door het medelijden, dat hij
gevoelde bij het zien van al de onreinheid, van de diepst verborgen
bezoedeling der menschheid; zijn medelijden kende geen kieschheid:
hij heeft de duisterste, de onreinste hoeken der menschelijke ziel
doorzocht en daarom is hij gestorven, want de mensch kon zulk een
getuige van zijne laagheid niet dulden. Zarathustra daarentegen is
vervuld van diepe schaamte; hij heeft den blik neergeslagen voor het
afschuwelijk gezicht van menschelijke ellende en zijns weegs willen
gaan, omdat hij besefte, dat het edeler en waarlijk grootscher is
zijnen weg te vervolgen dan zijn leven te verspillen en zichzelf te
verliezen door hulp te verleenen bij een ongeluk, dat door niemand meer
goed te maken is. En zoodoende heeft hij niet alleen den dood afgewend,
maar hij heeft ook de liefde van den afzichtelijksten mensch gewonnen,
want door zijn stilzwijgen en zijne onthouding heeft hij de diepe
ellende, de groote leelijkheid, die hem voor oogen kwam, "eerbiedigd";
hij heeft hem zijn medelijden bespaard. De monsterachtigste mensch,
die God en de barmhartigen haatte, buigt vrijwillig het hoofd voor de
"hardheid" van Zarathustra en neemt zijne gastvrijheid aan. [109]
De wijze moet, volgens Nietzsche, dus hard zijn voor zichzelf en voor
anderen. Hij doet, wat hemzelf betreft, afstand van alle welvaart,
rust en vrede, want hij weet, dat de menschheid zich niet tot een
bepaald doel ontwikkelt, maar dat alles in eene voortdurende wording
verkeert en dat het leven iets is, "dat zichzelf steeds opnieuw moet
overtreffen" [110]; en daarom weet hij ook, dat het individu zich
nooit vleien kan de haven bereikt te hebben, maar dat alle vrede
voor hem "het middel tot een nieuwen strijd" is en zijn leven een
onafgebroken reeks van gevaarlijke avonturen moet zijn. Hij zoekt dus
geen geluk, maar alleen de opwinding van het spel en zoo hij een mooien
worp doet, vraagt hij zich dadelijk af: "Speel ik niet met valsche
dobbelsteenen?" Ook weet hij, dat vreugde en smart steeds samengaan;
wel kan de mensch zonder groote vreugde of diepe smart door het leven
gaan, maar daarmee brengt hij zijne levenskracht tot het minimum,
want hij, die groote vreugde wil kennen, moet ook noodzakelijk
diepe smart ondervinden en elke slingering naar eene zijde wordt
onmiddellijk vereffend door eene tegenovergestelde slingering. De
"schepper van waarden", die in het leven gelooft en het leven zoo
vol en krachtig mogelijk wil, verlangt dus ook de grootst mogelijke
slingeringen om het evenwichtspunt: hij wil zoowel het hoogste toppunt
der vreugde als dat der smart, de meest bedwelmende overwinningen
en de vreeselijkste nederlagen leeren kennen; hij moet zijne diepste
smart en zijne hoogste verwachting tegelijk tegemoet gaan en zoowel
naar zege als naar vernietiging verlangen. [111] Zarathustra sterft
als hij het toppunt van zijn bestaan bereikt. De Uebermensch is zoowel
de hoogste overwinning als het einde van den mensch.
Evenals de wijze hard voor zichzelf moet zijn, moet hij het ook voor
anderen zijn, want er zijn ellenden, waarvoor verlichting onmenschelijk
is en er zijn mislukten, wier dood men niet moet voorkomen. "Overal,"
zegt Zarathustra, "weerklinkt de stem van hen, die den dood prediken
en de aarde is vol menschen, wien de dood gepredikt moet worden, of zoo
men wil het "eeuwige leven", mits zij maar spoedig verdwijnen." [112]
Tot de pessimisten, de ontmoedigden, de melancholieken, de
barmhartigen, kortom tot alle soorten van asceten, die overal
verkondigen: "Het leven is slechts lijden," moet de wijze zeggen:
"Zorgt dan, dat gij aan een leven dat slechts lijden is, spoedig
een einde maakt! Dat uwe moraal zij: "Gij moet uzelve dooden! Gij
moet spontaan uit het leven treden!" [113] Want de wereld moet geen
gasthuis vol zieken en moedeloozen worden, waarin de gezonde mensch
uit walging en medelijden sterft.
Om aan de geslachten der toekomst het neerdrukkend schouwspel van
ellende en afzichtelijkheid te besparen, moeten wij hen, die rijp voor
den dood zijn, dood laten gaan en den moed bezitten om hen, die vallen,
niet tegen te houden, maar hun val te bevorderen. De wijze moet dus
het lijden van anderen dulden en zelfs moet hij doen lijden zonder
aan medelijden toe te geven, evenals de chirurg met vaste en zekere
hand zijn insnijmes hanteert zonder zich aan de martelingen van den
patiënt te storen. Dat alleen is wat de meeste ware zielegrootheid
eischt. "Wie," zegt Nietzsche, "zal ooit iets groots bereiken, zoo
hij de kracht en den wil mist om groote smarten te veroorzaken? Smart
kunnen dragen zegt niet veel; zwakke vrouwen en zelfs slaven zijn
meesters in die kunst; maar niet toegeven aan innerlijke wanhoop en
verscheurenden twijfel als men een groote smart veroorzaakt en de
kreten dier smart hoort, dat is groot, dat is eene voorwaarde voor
alle grootheid." [114]
Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte
van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind,
de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de
"Drei Metamorphosen des Geistes" leert Zarathustra, dat de menschelijke
ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten
draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt
zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding
op te doen.
Daarna moet zij worden als de leeuw, die "Ik wil" zegt en al wie
zijne vrijheid bedreigt, met zijne klauwen neervelt; zij moet den
grooten draak der Wet overwinnen, die op elk zijner gouden schubben in
vlammende letters heeft staan: "Gij moet" en zich gewelddadig losmaken
van het juk van het ideaal, van waarheid en goed, dat hem vroeger zulk
een lieve last was. En wil zij ten slotte vruchten dragen en nieuwe
waarden scheppen na de oude vernietigd te hebben, zoo moet zij worden
als het spelend kind: "Het is al onschuld en vergetelheid; het is een
steeds opnieuw beginnen, een spel, een rad, dat uit zichzelf draait,
eene eerste impulsie, een heilig "ja". [115] Zoo moet ook de ziel,
die zich tot de hoogste toppen verheffen wil, leeren spelen en zich in
alle onschuld vroolijk vermaken; zij moet luchtig en zorgeloos worden,
den demon der traagheid in welken vorm ook, overwinnen en afzien
van pessimisme en melancholie, van deftige manieren en tragische
standen, van stuursche ernst en onverdraagzame stijfheid: "Wee hen,
die lachen!" zei de oude Wet en dat is volgens Zarathustra de grootste
godslastering. De wijze moet juist het goddelijke lachen leeren: hij
moet zijn doel niet met loome schreden en als met weerzin naderen,
maar al "dansend" en "vliegend", want als hij lachen kan, zal hij
zich over zijne nederlagen troosten en als hij dansen en vliegen kan,
zal hij vroolijk en lustig als de onweerswindvlagen over de moeras
der melancholie heenstrijken. De mensch moet "buiten zichzelf leeren
dansen" en "buiten zichzelf leeren lachen," m.a.w. hij moet zich
boven zijn eigen ik verheffen en zichzelf overvleugelen op de wieken
van den lach en den dans. Dat is de hoogste raad, dien Zarathustra's
wijsheid ons geeft:
"Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het
hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.
"Dien krans van lachen, dien krans van rozen werp ik u, mijne
broeders, toe. Ik heb het lachen geheiligd: verheven menschen, leert
lachen!" [116]