II.

Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?

Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de

mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der

waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal,

dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben

om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen,

de meesters, die zelve hunne waarden scheppen inplaats van haar van

buiten af te ontvangen, erkend worden.

Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene

eeuwenlange beschaving het "blonde beest" dier oorspronkelijke tijden

doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg

en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen

verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die

hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen

en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.

De mensch zal den Uebermensch doen ontstaan door auto-suppressie

(Selbstaufhebung) zooals Nietzsche het meermalen uitdrukt. Die overgang

van mensch tot Uebermensch kan in zekeren zin vergeleken worden bij

de evolutie, die volgens Schopenhauer, den asceet voortbrengt. In de

oogen van den grooten pessimist kan de smart den mensch ten eerste er

toe brengen van zijn individueelen wil afstand te doen en bijgevolg

tot zelfmoord voeren; maar dat is niet genoeg, want om gered te

worden moet hij niet alleen van den individueelen levensvorm, die

hem ten deel viel, afstand doen, maar tevens van het willen leven

over het algemeen: alleen op die voorwaarde kan hij vrede vinden. In

Nietzsche's ideeën nu is ook de smart de machtige prikkel, die den

mensch tot gelukzaligheid voert: de mensch lijdt in de eerste plaats

om hetgeen hij is als individu; hij kent den hevigen, smartelijken

afkeer van zijn eigen ik en die afkeer drijft hem tot ascetisme en

pessimisme; in dien zielstoestand verkeeren de "hoogere menschen,"

die Zarathustra in zijn hol verzamelt. "Maar, zegt de profeet, gij

lijdt nog niet genoeg naar mijnen zin! Want gij lijdt om wat gij zijt,

maar gij hebt nog niet geleden om wat de mensch is, ihr leidet an

euch, ihr littet noch nicht am Menschen." [103] Eerst wanneer hij

dien hoogsten graad van smart en afkeer bereikt heeft, zal de mensch

in de overmaat zelve van zijne smart de noodige geestkracht vinden om

den laatsten stap te doen en zichzelf op te offeren voor de geboorte

van den Uebermensch.

Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend

optimisme voortbrengen.

Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van

den bestaanden mensch verschillen zal.

Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den

Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel,

dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de

eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven

geesten kan weggelegd zijn.

Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist

democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen;

Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der

menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in

bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne

plichten hebben. De lagere kaste bestaat uit de mindere soort, de

middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het

raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen

landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen

werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van

eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten,

en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan

den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven

ofwel "geëxploiteerden", want zij onderhouden de hoogere kasten

ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd;

ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want

de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat

evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger,

rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen,

daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten

leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad,

want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half

dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over

zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen

de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het

schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle

dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen

werkkring in die wereldorde hebben gekregen. "Aan u behoort geloof

en slavernij!" dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale

maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der

beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat

de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel

gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk,

dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de

hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en "scheppers van waarden"

zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op

aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het

Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en

voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.

Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneele moraal

door hare qualiteit van aristocratische wet "for the happy few", maar

zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de

Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn

leven naar een ideaal vormt en zijne "zelfzuchtige" neigingen aan den

dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens

Nietzsche, boven alles een "schepper van waarden" en ziet daarin zijn

levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde,

want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang

heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch,

die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om "de wereld, waarin

de menschen belang stellen" [104] te scheppen; hij is de geniale

dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen,

die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne

daden bepaalt. Hij is een "overpeinzer", maar zijn visioen is niet

anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en

alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete

uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk

zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij

schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever

(Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop

van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en

geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan

sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler,

die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.

Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij

belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van

hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop

op zege voor.

"Gij zult uwen vijand opzoeken," zegt Zarathustra, "gij zult

uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo

uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val

verheugen!"

"Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is tot nieuwen

strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet

aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw

arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!....

"Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u,

dat de goede strijd elke zaak heiligt....

"Tot vijand moet gij slechts te haten, maar niet te verachten

tegenstanders hebben, want gij moet trotsch zijn op uwe vijanden,

dan zal het succes van uw vijand ook uw succes zijn!" [105]

De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige

krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument

van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar

physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij

is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het

leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte

met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog

is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook

zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote

oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen

vechten om de opperheerschappij der wereld.

Waar de oude waardetafel het medelijden onder de eerste waarden

rangschikte, leert Zarathustra daarentegen, dat de wil de hoogste

deugd is: "Dit, mijne broeders, is de nieuwe wet, die ik u verkondig:

Wordt hard!" [106]

De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar

van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin

te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten

zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs

te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.

Voor hem is medelijden geen deugd, maar eene sterke verzoeking en het

grootste aller gevaren; de "laatste zonde" van Zarathustra, de ergste

aanval, dien hij te doorstaan heeft, is die van het medelijden. Van uit

zijn eenzaam hol hoort hij in de diepte van zijn dal de wanhoopskreten

van de "hoogere menschen" weerklinken; smeekend roepen zij hem toe:

"Kom! kom! kom! het is tijd, hoog tijd!" [107] Zoo hij deernis voor

hunne ellende voelt en hem het hart week wordt bij het zien van hun

lijden, is het met hem gedaan; dan is hij overwonnen. Zarathustra heeft

al zijne geestkracht noodig om de verzoeking te weerstaan. Terwijl hij

door zijn rijk trekt om de wanhopenden te zoeken, die hem aanroepen,

dringt hij door in een zoo verlaten oord, dat het aan het rijk des

doods doet denken. Daar staken zwarte en roode rotspunten uit; geen

grasje, geen ster, geen vogelenzang. Het was een dal, dat alle dieren

ontvluchtten en waar alleen afschuwelijke, dikke, groene slangen kwamen

sterven als zij oud waren geworden; daarom noemden de herders dat

dal "de slangendood." In dat dal stuit hij plotseling tegen eene aan

den weg liggende, onnoembare, afschuwelijke, nauwelijks menschelijke

gedaante en op het oogenblik dat hij, overmand door schaamte bij het

zien van zooveel afzichtelijkheid, dat vervloekte oord zoo spoedig

mogelijk wil verlaten, dringt een stem tot hem door als de hik van een

stervende of als het water, dat 's nachts in eene verstopte leiding

opborrelt: "Zarathustra! Zarathustra! Raad mijn raadsel! Spreek,

spreek! Wat is de wraak tegen den getuige?.... Zeg mij nu wie ik

ben!"--En op eenmaal, door diepe deernis getroffen, zakt Zarathustra

ineen als een eik, die, na lang den bijl des houthakkers te hebben

weerstaan, plotseling zwaar ter aarde stort en door zijn val juist

hem doet schrikken, die hem neer wilde vellen. Maar weldra herrijst

hij en zijn gelaat teekent hardheid:

"Ik herken u," zegt hij met ijzeren stem: "Gij zijt de moordenaar

Gods! Laat mij mijn weg vervolgen. Gij hebt hem niet kunnen dulden,

die u voortdurend en in al uw leelijkheid zag, gij afschuwelijkste

aller menschen! En gij hebt u op dien getuige gewroken." [108]

Zoo is Zarathustra overwinnaar gebleven in de beproeving, die Gods dood

was. De God der liefde is dood, verstikt door het medelijden, dat hij

gevoelde bij het zien van al de onreinheid, van de diepst verborgen

bezoedeling der menschheid; zijn medelijden kende geen kieschheid:

hij heeft de duisterste, de onreinste hoeken der menschelijke ziel

doorzocht en daarom is hij gestorven, want de mensch kon zulk een

getuige van zijne laagheid niet dulden. Zarathustra daarentegen is

vervuld van diepe schaamte; hij heeft den blik neergeslagen voor het

afschuwelijk gezicht van menschelijke ellende en zijns weegs willen

gaan, omdat hij besefte, dat het edeler en waarlijk grootscher is

zijnen weg te vervolgen dan zijn leven te verspillen en zichzelf te

verliezen door hulp te verleenen bij een ongeluk, dat door niemand meer

goed te maken is. En zoodoende heeft hij niet alleen den dood afgewend,

maar hij heeft ook de liefde van den afzichtelijksten mensch gewonnen,

want door zijn stilzwijgen en zijne onthouding heeft hij de diepe

ellende, de groote leelijkheid, die hem voor oogen kwam, "eerbiedigd";

hij heeft hem zijn medelijden bespaard. De monsterachtigste mensch,

die God en de barmhartigen haatte, buigt vrijwillig het hoofd voor de

"hardheid" van Zarathustra en neemt zijne gastvrijheid aan. [109]

De wijze moet, volgens Nietzsche, dus hard zijn voor zichzelf en voor

anderen. Hij doet, wat hemzelf betreft, afstand van alle welvaart,

rust en vrede, want hij weet, dat de menschheid zich niet tot een

bepaald doel ontwikkelt, maar dat alles in eene voortdurende wording

verkeert en dat het leven iets is, "dat zichzelf steeds opnieuw moet

overtreffen" [110]; en daarom weet hij ook, dat het individu zich

nooit vleien kan de haven bereikt te hebben, maar dat alle vrede

voor hem "het middel tot een nieuwen strijd" is en zijn leven een

onafgebroken reeks van gevaarlijke avonturen moet zijn. Hij zoekt dus

geen geluk, maar alleen de opwinding van het spel en zoo hij een mooien

worp doet, vraagt hij zich dadelijk af: "Speel ik niet met valsche

dobbelsteenen?" Ook weet hij, dat vreugde en smart steeds samengaan;

wel kan de mensch zonder groote vreugde of diepe smart door het leven

gaan, maar daarmee brengt hij zijne levenskracht tot het minimum,

want hij, die groote vreugde wil kennen, moet ook noodzakelijk

diepe smart ondervinden en elke slingering naar eene zijde wordt

onmiddellijk vereffend door eene tegenovergestelde slingering. De

"schepper van waarden", die in het leven gelooft en het leven zoo

vol en krachtig mogelijk wil, verlangt dus ook de grootst mogelijke

slingeringen om het evenwichtspunt: hij wil zoowel het hoogste toppunt

der vreugde als dat der smart, de meest bedwelmende overwinningen

en de vreeselijkste nederlagen leeren kennen; hij moet zijne diepste

smart en zijne hoogste verwachting tegelijk tegemoet gaan en zoowel

naar zege als naar vernietiging verlangen. [111] Zarathustra sterft

als hij het toppunt van zijn bestaan bereikt. De Uebermensch is zoowel

de hoogste overwinning als het einde van den mensch.

Evenals de wijze hard voor zichzelf moet zijn, moet hij het ook voor

anderen zijn, want er zijn ellenden, waarvoor verlichting onmenschelijk

is en er zijn mislukten, wier dood men niet moet voorkomen. "Overal,"

zegt Zarathustra, "weerklinkt de stem van hen, die den dood prediken

en de aarde is vol menschen, wien de dood gepredikt moet worden, of zoo

men wil het "eeuwige leven", mits zij maar spoedig verdwijnen." [112]

Tot de pessimisten, de ontmoedigden, de melancholieken, de

barmhartigen, kortom tot alle soorten van asceten, die overal

verkondigen: "Het leven is slechts lijden," moet de wijze zeggen:

"Zorgt dan, dat gij aan een leven dat slechts lijden is, spoedig

een einde maakt! Dat uwe moraal zij: "Gij moet uzelve dooden! Gij

moet spontaan uit het leven treden!" [113] Want de wereld moet geen

gasthuis vol zieken en moedeloozen worden, waarin de gezonde mensch

uit walging en medelijden sterft.

Om aan de geslachten der toekomst het neerdrukkend schouwspel van

ellende en afzichtelijkheid te besparen, moeten wij hen, die rijp voor

den dood zijn, dood laten gaan en den moed bezitten om hen, die vallen,

niet tegen te houden, maar hun val te bevorderen. De wijze moet dus

het lijden van anderen dulden en zelfs moet hij doen lijden zonder

aan medelijden toe te geven, evenals de chirurg met vaste en zekere

hand zijn insnijmes hanteert zonder zich aan de martelingen van den

patiënt te storen. Dat alleen is wat de meeste ware zielegrootheid

eischt. "Wie," zegt Nietzsche, "zal ooit iets groots bereiken, zoo

hij de kracht en den wil mist om groote smarten te veroorzaken? Smart

kunnen dragen zegt niet veel; zwakke vrouwen en zelfs slaven zijn

meesters in die kunst; maar niet toegeven aan innerlijke wanhoop en

verscheurenden twijfel als men een groote smart veroorzaakt en de

kreten dier smart hoort, dat is groot, dat is eene voorwaarde voor

alle grootheid." [114]

Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte

van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind,

de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de

"Drei Metamorphosen des Geistes" leert Zarathustra, dat de menschelijke

ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten

draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt

zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding

op te doen.

Daarna moet zij worden als de leeuw, die "Ik wil" zegt en al wie

zijne vrijheid bedreigt, met zijne klauwen neervelt; zij moet den

grooten draak der Wet overwinnen, die op elk zijner gouden schubben in

vlammende letters heeft staan: "Gij moet" en zich gewelddadig losmaken

van het juk van het ideaal, van waarheid en goed, dat hem vroeger zulk

een lieve last was. En wil zij ten slotte vruchten dragen en nieuwe

waarden scheppen na de oude vernietigd te hebben, zoo moet zij worden

als het spelend kind: "Het is al onschuld en vergetelheid; het is een

steeds opnieuw beginnen, een spel, een rad, dat uit zichzelf draait,

eene eerste impulsie, een heilig "ja". [115] Zoo moet ook de ziel,

die zich tot de hoogste toppen verheffen wil, leeren spelen en zich in

alle onschuld vroolijk vermaken; zij moet luchtig en zorgeloos worden,

den demon der traagheid in welken vorm ook, overwinnen en afzien

van pessimisme en melancholie, van deftige manieren en tragische

standen, van stuursche ernst en onverdraagzame stijfheid: "Wee hen,

die lachen!" zei de oude Wet en dat is volgens Zarathustra de grootste

godslastering. De wijze moet juist het goddelijke lachen leeren: hij

moet zijn doel niet met loome schreden en als met weerzin naderen,

maar al "dansend" en "vliegend", want als hij lachen kan, zal hij

zich over zijne nederlagen troosten en als hij dansen en vliegen kan,

zal hij vroolijk en lustig als de onweerswindvlagen over de moeras

der melancholie heenstrijken. De mensch moet "buiten zichzelf leeren

dansen" en "buiten zichzelf leeren lachen," m.a.w. hij moet zich

boven zijn eigen ik verheffen en zichzelf overvleugelen op de wieken

van den lach en den dans. Dat is de hoogste raad, dien Zarathustra's

wijsheid ons geeft:

"Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het

hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.

"Dien krans van lachen, dien krans van rozen werp ik u, mijne

broeders, toe. Ik heb het lachen geheiligd: verheven menschen, leert

lachen!" [116]

Nietzsche's Philosophie · 第 37 / 45 题